Ds. D.W. Tuinier - 2 Koningen 22 : 19

Gods genade in het hart en leven van koning Josia

Gods genade zoekt
Gods genade restaureert
Gods genade reformeert

2 Koningen 22 : 19

2 Koningen 22
19
Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht des HEEREN vernederd hebt, als gij hoordet, wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en derzelver inwoners, dat zij tot een verwoesting en vloek zullen worden, en dat gij uw klederen gescheurd en voor Mijn aangezicht geweend hebt; zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de HEERE.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 6
Lezen : 2 Koningen 22
Lezen : 2 Koningen 34: 1 - 7
Zingen : Psalm 106: 2, 4 en 24
Zingen : Psalm 86: 6
Zingen : Psalm 130: 2 en 4

Geliefden, met Gods hulp vraag ik uw aandacht voor de geschiedenis die ons zojuist is voorgelezen uit 2 Koningen 22 en 2 Kronieken 34.

Ik stel voor dat we alleen nog vers 19 lezen van 2 Koningen 22:

 

Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht des Heeren vernederd hebt, als gij hoordet, wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en derzelver inwoners, dat zij tot een verwoesting en vloek zullen worden, en dat gij uw klederen gescheurd en voor Mijn aangezicht geweend hebt; zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de Heere.

 

We schrijven onder dit gedeelte en boven de preek: Gods genade in het hart en leven van koning Josía.

Drie aandachtspunten:

  1. Gods genade zoekt;
  2. Gods genade restaureert;
  3. Gods genade reformeert.

 

  1. Gods genade zoekt

Jongens en meisjes, wie van jullie is er acht jaar? Jij? Ben jij acht? Zit jij in groep vier of groep vijf?

Het gaat hier over een jongen van acht jaar, die koning wordt over Juda en Jeruzalem. Denk je eens in: acht jaar, en je hebt een koninklijke kroon op je hoofd, een koninklijke mantel aan en een scepter in je hand. En dat in een tijd die er niet best uitziet. Wat moet dat worden …?

Deze zeer jonge koning heet Josía. Zijn opa was Manasse. Al heeft God Manasse in de gevangenis krachtdadig stilgezet en zijn hart vernieuwd, toch zegt deze familieband wel iets over het geestelijk klimaat waarin de kleine Josía geboren is en nu opgroeit.

Ook op politiek terrein is het spannend en onrustig. De wereldmachten Assyrië en Egypte zitten elkaar altijd dwars. Geestelijk is het donker, staatkundig ook. Koning Amon is de vader van Josía. U leest over hem in hoofdstuk 21. Hij is uiteindelijk door zijn eigen adviseurs vermoord. Over politieke spanningen gesproken …

In die roerige tijden wordt de achtjarige Josía koning. Daarbij komt – en dat is het ergste – dat de dienst van de Heere niet méér is dan een dode vormendienst. Jawel, de dienst der verzoening is er nog wel, maar het is slechts een dun laagje vernis. Er is nog wel wat vorm, maar het wezen, de tere Godsvreze, wordt gemist. Arme tijd!

 

Het lijkt het jaar 20--- wel! Het ziet er vandaag in de wereld en binnen de kerk niet anders uit. Maar toch: ondanks de laaghangende oordelen denkt God aan Zijn verbond. Eén Naam komt steeds weer terug in deze hoofdstukken. Eigenlijk moet die volzalige Naam met gouden letters geschreven worden: Heere, met vijf hoofdletters.

De God van het genadeverbond geeft naar Zijn vrijmachtig welbehagen dat er in die door en door donkere en geesteloze tijd een jongetje geboren wordt dat de naam ‘Josía’ krijgt. In zijn naam zit de naam ‘Hosea’ of ‘Jozua’. U begrijpt al waar ik naartoe wil. De naam van ‘Jezus’ is hiervan afgeleid. In vers 1 van ons teksthoofdstuk ligt moeder Jedída in het kraambed. Zij geeft haar pasgeborene deze naam: Josía.

Schep moed, geliefden. Hoe donker het ook is in deze Gode-vijandige wereld, er zijn altijd Jedída’s. Waarom? Omdat God gedenkt aan zijn vastgestaafd verbond, dat van geen wankelen en wijken weet. Het welbehagen des Heeren zal door de hand van de meerdere Josía, de Heere Jezus Christus, gelukkiglijk voortgaan.

De vruchten van Zijn eenzijdig genadewerk komen openbaar, niet alleen in het hart en leven van moeder Jedída, maar ook in het jonge leven van koning Josía. We lezen namelijk in 2 Kronieken 34 dat hij in het achtste jaar van zijn regering de God van zijn vader David begint te zoeken. Tot twee keer toe vertelt de Heilige Schrift ons dat hij deed dat recht was in de ogen des Heeren. Hij wandelde in de weg van zijn vader David. Hij week niet af, noch ter rechter-, noch ter linkerhand.

 

Acht jaar is Josía als hij koning wordt. En in het achtste jaar van zijn regering, als hij nog een jongeling is, begint hij de God van zijn vader David te zoeken. Hij is dus zestien jaar als hij de Heere gaat zoeken.

Wie is er zestien? Wat een mooie leeftijd om God te dienen! Zestien jaar, dan komt er een nieuw begin in het hart en leven van Josía, een begin van God. Omdat God hem zoekt in Zijn eeuwige zondaarsliefde, begint Josía God te zoeken. Ja maar, was er in zijn zestiende levensjaar niets? Nee, dat klopt: niets. In ieder geval geen geestelijk leven.

Ja, natuurlijk is hij druk geweest. Wat denk je, als je koning bent? Gelukkig heeft hij wel een aantal regenten om zich heen die hem bijstaan, maar dan nog is hij – net als wij – overbezet met van alles en nog wat, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Maar hij heeft nog nooit in waarheid de Heere gezocht.

 

Dat doen wij ook niet. Aangrijpende werkelijkheid! Als dat niet anders wordt, ligt u verloren. Dan gaat u verloren, om eigen schuld. Daarom moet er een nieuw begin komen, vandaag nog: een Goddelijk begin. Eeuwig wonder als dit er is, anders komt het nooit goed!

God heeft naar Zijn welbehagen in de meerdere Josía naar de zestienjarige Josía gezocht. Dat doet Hij ook vandaag nog. Hij denkt aan Zijn genadeverbond met Abraham, Zijn vrind. Dat bevestigt Hij, van kind tot kind, tot in het duizendste geslacht. Zijn raad zal bestaan; God gaat door. Hij leeft en regeert, hoe moed benemend de omstandigheden ook zijn.

Het klopt, we leven in een uiterst beangstigende tijd. Er is veel verwarring, juist binnen de kerkmuren. Maar de God van Josía leeft en gaat door met Zijn Kerkvergaderend werk. Daarom leest u van de jonge Josía: En hij deed dat recht was in de ogen des Heeren. En in 2 Kronieken 34 vers 3 staat: Want in het achtste jaar zijner regering, toen hij nog een jongeling was, begon hij den God van zijn vader David te zoeken.

 

Zoeken; u weet wat zoeken is. Wanneer ga je iets zoeken? Als je iets kwijt bent. Of als je iemand uit het oog verloren bent, bijvoorbeeld iemand van wie je heel veel houdt. Hoe meer waarde iets of iemand voor je heeft, hoe meer je gaat zoeken.

Missers worden zoekers. Zoekers worden op Gods tijd vinders. Zo gaat dat ook in het hart en leven van koning Josía. Hij is koning en hij heeft alles wat zijn hart begeert. Hij is druk van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, wellicht met allemaal geoorloofde dingen. Toch is dat niet goed.

Daarmee kun je niet getroost leven en zalig sterven, o nee. Gode zij dank komt er een keerpunt in zijn tienerleven, een wending ten goede. Hij gaat de God van zijn vader David zoeken. Hij wordt zoekende gemaakt door Gods Geest. Onrustig is zijn hart, totdat het rust vindt in God.

Zoeken – daaraan gaat een gemis vooraf, een levend gemis, door Gods Geest gewerkt. En dit ‘zoeken’ wordt ‘vinden’, op Gods tijd en wijze. God Zélf zorgt voor de vrucht, voor de vrucht van dat zoeken en voor de vrucht van dat vinden, tot eer van Zijn Naam. Want het is echt waar wat Salomo zegt in zijn Spreukenboek: Die mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden. Die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den Heere (Spr. 8:17b en 35).

We gaan naar ons tweede aandachtspunt:

 

  1. Gods genade restaureert

De boom wordt aan de vrucht gekend. We lezen dat koning Josía in het twaalfde jaar van zijn regering begint met Juda en Jeruzalem van de hoogten en de bossen en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen (2 Kron.34:3b) Dus op twintigjarige leeftijd neemt hij maatregelen. Hij gaat grote schoonmaak houden.

Hij geeft opdracht tot restaureren. Dat wordt heel nauwgezet gedaan. Het wordt ook de hoogste tijd. Altaren worden afgebroken; afgoden worden weggedaan. Er komt beweging. Gods genade restaureert.

 

Dat is mooi. Gebeurde dat maar meer … Dan gaat u uw altaren met de grond gelijkmaken en uw afgoden verdwijnen bij de vuilnis. Alles wat niet in een christelijk gezin thuishoort, verdwijnt: wereldse tijdschriften, gewelddadige films, wereldse cd’s: alles wat haaks staat op de Bijbelse waarden en normen. Loop het huis eens rond; ga je kamer eens na.

Écht, er is zoveel wat er niet hoort. Er is zoveel wat in het licht van de eeuwigheid waardeloos is. Geliefden, kom tot restaureren. Dat kan nooit kwaad. Als het maar niet bij de buitenkant blijft: farizeeërs zijn er genoeg!

 

De restauratie komt bij Josía van binnenuit. God neigt zijn hart en voegt het saâm, tot de vreze van Zijn lieve Naam. En al duurt het dan misschien wel jaren, Gods werk komt openbaar.

Restaureren is goed, maar … niet genoeg! Met alleen een uitwendige bekering kunt u niet sterven. Dat is niet genoeg voor de eeuwigheid. Daarvoor is meer nodig! Restaureren leidt, als het goed is, tot reformeren.

 

We gaan eerst zingen van Psalm 86, het zesde vers:

 

Leer mij naar Uw wil te hand'len,

'k Zal dan in Uw waarheid wand'len;

Neig mijn hart, en voeg het saâm

Tot de vrees van Uwen Naam

Heer’, mijn God, ik zal U loven,

Heffen 't ganse hart naar boven;

'k Zal Uw Naam en majesteit

Eren tot in eeuwigheid.

 

Gods genade in het hart en leven van koning Josía. We hebben gezien dat Gods genade zoekt, dat Gods genade restaureert, en in onze derde gedachte letten we nu op:

 

  1. Gods genade reformeert

Als Josía 16 jaar is, begint hij de God van zijn vader David te zoeken. Op zijn 20e houdt hij grote opruiming. Als hij 26 jaar is, gaat het nog een stap verder. We lezen dat in 2 Koningen 22. Hij geeft zijn personeel bevel om het huis des Heeren een grote schoonmaakbeurt te geven. De tempel moet worden hervormd. Precies, Josía. Juist in de kerk moet er zóveel gereformeerd worden!

We lezen dat de koning aan Safan, zijn persoonlijke secretaris, opdracht geeft om Gods huis schoon te maken. Tijdens die schoonmaakbeurt vindt Hilkía, de hogepriester, het wetboek des Heeren, onder het stof. Hij geeft het aan Safan, die het op zijn beurt weer bij de koning brengt. Safan moet gaan zitten en de koning uit het wetboek voorlezen; leesdienst in het koninklijk paleis.

En wat gebeurt er? Op een gegeven moment staat de koning op, trekt de kleren van zijn lichaam en verscheurt ze. Als teken van rouw, boete en hartelijk leedwezen blijft er geen draad van zijn kleren heel. Daarbij klaagt de koning vanwege de schuld en de zonden. God de Heilige Geest opent daarvoor zijn ogen.

Hij stemt in met David: ’‘t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf; neen, ‘k ben in ongerechtigheid geboren.’ Hij komt erachter: ik kan wel restaureren, maar het grootste kwaad zit vanbinnen. Ikzelf ben er debet aan dat het er in de wereld, binnen de kerk en in mijn gezin zo donker uitziet.

Daar moet het naartoe. U moet persoonlijk schuldenaar worden voor God. Dan heeft niet een ander, maar dan heb ik, ík gedaan wat kwaad was in Uw oog, o God! Dan gaat uw hand in eigen boezem en komt hij er bezoedeld uit. U roept als een geestelijk melaatse uit: ‘Onrein, onrein!’

 

Josía, er is veel gebeurd. Je hebt orde op zaken gesteld, een algehele restauratie in gang gezet. Maar het voornaamste, Mijn Woord, het wetboek, ligt nog onder het stof.

Het dierbare Godsgetuigenis speelt geen enkele rol meer; alleen voor de vorm misschien, maar niet wezenlijk! En dat is uiteindelijk de grote noodtoestand waarin land en volk en kerk en staat verkeren. Het wezen, de waarachtige bekering, wordt gemist.

Zou dat niet de grote nood zijn van Gods kerk in onze dagen, geliefden? Godsdienst is er genoeg, maar het gaat om de godsvreze. Vormendienst is er veel, maar het wezen, het belangrijkste, het mérg is er niet!

Zelfs de hogepriester – foei! – mist het wetboek des Heeren niet eens. Aangrijpend. Ontdekkend. Onthullend en onthutsend. Ziet het er vandaag anders uit? Dan kun je koning zijn bij de gratie Gods, dan kun je hogepriester zijn met je hogepriesterlijke kleren aan, maar het is alles gewogen, gewogen en te licht bevonden. Daarmee kun je voor God niet bestaan. Er is te veel stof op het wetboek. En wat van de mens, wat stof is, kan in het heilig gericht van God niet bestaan.

 

Dat gaan we inzien als de wind van Gods Geest gaat waaien. Dat gebeurt onder de leesdienst van Safan bij de koning. In vers 19 leest u dat het hart van Josía week wordt. Hij scheurt zijn kleren. Zijn hart is vol van de droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering tot de zaligheid werkt.

O, geliefden, ons hart moet week, moet zacht worden. Aan de buitenkant kunt u nederig doen, maar achter uw zwarte kleren bevindt zich een hard hart.

Maar Gods genadewerk komt op Zijn tijd openbaar! Hij schittert met Zijn werk, omdat Hij daarin de eer ontvangt. Als koning Josía 26 jaar is, trekt Gods Geest door. Hij komt erachter dat de wortel van zijn levensboom niet deugt. De dode takken zijn weggesnoeid en de rotte vruchten zijn weggenomen, maar de wortel blijkt bedorven te zijn. Gods Geest opent zijn ogen daarvoor onder het voorlezen uit het wetboek des Heeren. Dan wordt hij werkelijk zondaar voor God. Dan leert hij echt schuld en zonden eigenen, belijden en bewenen voor Gods aangezicht.

Dát is reformeren. Gods Woord doet kracht. Het komt onder het stof vandaan. Het raakt u, voor het eerst of opnieuw. U buigt ervoor. U laat zich door het Woord gezeggen. De Bijbel krijgt weer een plaats – ja, de hoogste plaats – in uw hart en leven.

 

Zo is het bij de jonge koning Josía. Zijn hart wordt week. Zijn ziel smelt weg. Snaren worden geraakt. Hij doet openbare belijdenis van het geloof. Leest u maar mee: Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht des Heeren vernederd hebt, als gij hoordet, wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en derzelver inwoners, dat zij tot een verwoesting en vloek zullen worden, en dat gij uw klederen gescheurd en voor Mijn aangezicht geweend hebt; zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de Heere.

 

Geliefden, waar ligt uw boekrol? Waar is uw Bijbel? Hebt u genoeg aan dagelijks een gedeelte lezen uit de Schrift en meer niet? Hebt u genoeg aan de uitwendige vorm? Is uw godsdienst niet meer dan een dun laagje vernis? Dat is te weinig, hoor! Reformatie is nodig. U kunt ‘reformeren’ samenvatten met drie b’s: buigen voor God, bedelen bij God en beminnen van God.

De vruchten van geloof en bekering komen openbaar. Het hart van Josía wordt week en boetvaardig. Hij scheurt zijn kleren. Hij vraagt naar de Heere en Zijn sterkte. Gods Woord komt weer op de rechte plaats. Veel, heel veel puin en gruis wordt opgeruimd, en in het vervolg van deze geschiedenis leest u dat de koning het Pascha weer instelt.

Het vergeten Paasfeest wordt in ere hersteld; dat is de oudtestamentische zichtbare prediking van de verzoening. Er is verzoening door voldoening in het alles reinigende bloed van het Lam Gods, dat komen zal in de volheid van de tijd. Zijn bloed en Geest wassen en reinigen van alle zonden. Daarop krijgt de koning weer een recht zicht.

 

Echt reformeren betekent dat je, voor het eerst of opnieuw, geloofsogen krijgt voor zonden en schuld, schuldbeleving, schuldbelijdenis en schuldvergeving in het volbrachte werk van Jezus Christus. Nee, niet mijn werken, niet mijn tranen, niet mijn restaureren, niet mijn gerechtigheid, maar Christus’ gerechtigheid alleen redt van de dood. Sion zal door recht worden verlost, in een weg van recht en gerechtigheid. Straks gaan we het zingen: Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt (Ps. 130:3-4).

 

Jongens en meisjes, de bekering van Josía gaat geleidelijk. Op zijn zestiende gaat hij God zoeken. Op zijn twintigste begint hij met restaureren en zes jaar later trekt de Heere verder door in zijn leven. Dan gaat Gods genade reformeren. Dan ontvangt hij ontdekkend en heerlijk licht op het offer van het Paaslam, waarin hij zijn leven en zaligheid mag zoeken en vinden.

Zo zie je: bij de een gaat het bekeringsproces sneller dan bij de ander, maar je doet er je hele leven over, hoor. Bij Koning Jezus op school raak je nooit leerling-af. En hoe meer onderwijs je ontvangt, des te dwazer je wordt in jezelf, maar … des te heerlijker Koning Jezus. Want Hij is het alleen… en anders geen!

Amen.

 

Slotzang: Psalm 130: 2 en 4

 

Zo Gij in ’t recht wilt treden,

O Heer’, en gadeslaan

Onz’ ongerechtigheden;

Ach, wie zal dan bestaan?

Maar neen, daar is vergeving

Altijd bij U geweest;

Dies wordt Gij, Heer’, met beving,

Recht kinderlijk gevreesd.

 

Hoopt op den Heer’, gij vromen;

Is Israël in nood,

Er zal verlossing komen;

Zijn goedheid is zeer groot.

Hij maakt, op hun gebeden,

Gans Israël eens vrij

Van ongerechtigheden;

Zo doe Hij ook aan mij!