Ds. M. Karens - 1 Johannes 3 : 19 - 24

Het hart van Gods kind

Zekerheid
Vrijmoedigheid
Gehoorzaamheid

1 Johannes 3 : 19 - 24

1 Johannes 3
19
En hieraan kennen wij, dat wij uit de waarheid zijn, en wij zullen onze harten verzekeren voor Hem.
20
Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen.
21
Geliefden! Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God;
22
En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, dewijl wij Zijn geboden bewaren, en doen, hetgeen behagelijk is voor Hem.
23
En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft.
24
En die Zijn geboden bewaart, blijft in Hem, en Hij in denzelven. En hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, namelijk uit den Geest, Dien Hij ons gegeven heeft.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 139: 14
Lezen : 1 Johannes 3: 18-24
Zingen : Psalm 56: 4 en 5
Zingen : Psalm 27: 5
Zingen : Geb. d. Heeren: 10

Gemeente, met de hulp des Heeren willen wij gaan nadenken over het laatste gedeelte van hoofdstuk 3 van de eerste Johannesbrief: 1 Johannes 3:19-24, waarvan ik u alleen het 23e vers lees. Daar luidt het Woord van God aldus: En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft.

 

Wij schrijven onder dit gedeelte: het hart van Gods kind.

Het woord ‘hart’ komt drie keer voor. In vers 19: onze harten; in vers 20: ons hart; en in vers 21: ons hart. Daarin vinden we drie dingen:

in de eerste plaats gaat het over zekerheid: vers 19 en 20. Wij zullen onze harten verzekeren voor Hem;

in de tweede plaats spreekt dit gedeelte over vrijmoedigheid: vers 21 en 22. Geliefden, indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God;

en in de derde plaats spreekt dit gedeelte over gehoorzaamheid: vers 23 en 24. En dit is Zijn gebod, enzovoort. We spreken dus over:

1. zekerheid;

2. vrijmoedigheid;

3. gehoorzaamheid.

 

1. Zekerheid

Geliefden, we zijn bezig met de brief van de apostel der liefde. We hebben al vaak gezien dat hij de nadruk legt op het liefhebben van God en van de naaste. Ook hebben we geconstateerd dat hij behalve een apostel der liefde ook een Boanérges is, zoals Christus hem noemt, en de misstanden en de ongerechtigheden aantoont. Nu staat in dit laatste stuk van 1 Johannes 3 het hart en leven van een kind van God centraal. Hij schreef deze brief naar een aantal gemeenten in Turkije; dat weet u nog wel. Johannes legt de nadruk op geloofszekerheid, op het gebed en op de liefde tot de naasten en de kinderen van God. Want hij zegt in aansluiting op wat hij hiervóór schreef: Hieraan kennen wij dat wij uit de waarheid zijn (1 Joh.3:19). Dit woordje hieraan slaat, zoals u ziet als u meeleest, op het vorige vers. Mijn kinderkens, laat ons niet liefhebben met het woord, noch met de tong, maar met de daad en waarheid (1 Joh.3:18). Dan zegt Johannes: Daar kun je het aan kennen! En hieraan kennen wij dat wij uit de waarheid zijn. De kanttekenaar zegt: ‘Dat is, met de werken der liefde aan de naaste metterdaad te betonen.’ Dus aan de betoning van oprechte liefde kun je het weten of kennen dat je in de waarheid bent. Het slaat dus terug op het liefhebben van de naaste, op de levenswandel. Niet met woord en tong, maar met daad en waarheid. Dat is een bewijs van de oprechtheid van het geestelijk leven.

 

Dan zegt hij in vers 19: Dat wij uit de waarheid zijn. Dit is in het vorige vers ook aan de orde geweest. Ik lees u de kanttekeningen. Deze moet u thuis maar eens nalezen. Zij leggen veel uit van dit gedeelte. ‘Dat is, rechte en ongeveinsde Christenen zijn, die de waarheid des Evangelies recht verstaan, geloven en beleven’ (kantt.74).

Er staat niet in de eerste plaats dat wij voor de waarheid strijden en er allerlei dingen over zeggen, maar dat wij de evangelische waarheid recht verstaan, geloven en beleven. Om die drie woorden gaat het.

Dan heb ik een eerste vraag, als het over de waarheid gaat. Mag u die verstaan? Want daar gaat het om. Het gaat om het wandelen in de waarheid, in de geloofsgemeenschap met Hem, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is. Dat komt openbaar in onze wandel; niet in de eerste plaats met tong, maar met de daad en waarheid. Wij zullen onze harten verzekeren voor Hem, staat er dan.

Als je nu leeft, zoals de apostel het hier verwoord heeft, mag je dus weten uit de waarheid te zijn. Dat is het onderzoek waard in uw leven! Hij heeft ook elders in deze brief gezegd: Dan bent u uit God geboren. In vers 9 bijvoorbeeld: Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. Dit is onlosmakelijk verbonden aan dat kennen van de waarheid.

 

Wij zullen onze harten verzekeren voor Hem. Wat betekent nu ‘ons hart’? De kanttekenaren zeggen: ‘ons geweten’. Het Griekse woord voor verzekeren kun je ook vertalen met ‘geruststellen’. Ons geweten geruststellen voor Hem. Nog een keer een kanttekening: ‘Dat is, geruststellen, ons uit dit kenteken verzekerende dat wij ware kinderen Gods zijn’ (kantt.76).

Johannes zegt dus dat het geloof uit de kenmerken moet blijken. Deze komen openbaar bij hen die de waarheid van het Woord leerden verstaan, geloven en beleven. En dat niet met de lippen en met de mond, maar in waarheid en met de daad.

Voor Hem, staat er, dat is de Heere Jezus Christus. Het gaat erom dat we in Zijn toekomst vrijmoedig voor Hem mogen bestaan en niet beschaamd worden. Er staat dus dat er kinderen van God zijn die mogen wandelen in de waarheid, in de beleving, door het geloof en het Woord van God; en dat zij zich uit de kentekenen van hun leven mogen geruststellen. Ze kunnen Hem ontmoeten en voor Hem verschijnen.

Wij zullen onze harten, onze gewetens, verzekeren voor Hem. En dat ‘voor Hem’ geldt altijd. Dat geldt hier: voor Hem, voor Zijn aangezicht, in het heden van genade; maar dat geldt ook als Hij straks op de rechterstoel zit, als de Rechter van hemel en aarde. Wat ben je dan bevoorrecht als die zekerheid in het hart mag leven. Als je met een goed en gerust geweten mag weten, tussen God en je ziel, dat je Hem kunt ontmoeten en voor Hem kunt bestaan.

 

Kind van God, Johannes gaat op uw hart en geweten wijzen. Hoe is het? Mag u God boven alles liefhebben in waarheid en uw naaste als uzelf, met de daad? En mag u uit de vruchten van het geloof zien op de zekerheid? Dan mag u in rustig en stil vertrouwen naderen voor Hem, de Heere Jezus Christus; dan mag u naderen tot Zijn genadetroon. Nu, maar ook straks.

Daar gaat het ook over in het Doopformulier; daar wordt gesproken over het mogen verschijnen voor de rechterstoel van Christus, en dat zonder verschrikken! Zondag 32 van onze Heidelbergse Catechismus wijst daar ook op: ‘Daarna ook, dat elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij.’ Dat bedoelt Johannes hier.

 

Dan gaat hij het verder uitleggen: Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen (1 Joh.3:20). Het hart betekent in sommige gevallen in de Bijbel je geweten. Kanttekening 79 zegt: ‘Dat is beschuldigt, overtuigt en veroordeelt dat wij God en onze naaste niet oprechtelijk liefhebben, en overzulks geen rechte christenen zijn.’ Dan klaagt ons geweten ons aan dat we God en onze naaste niet waarachtig liefhebben, en daarom niet waar en oprecht voor God zijn.

Jongelui, we hebben een geweten. Weet je wat dat is? Er wordt weleens gezegd: Het is de stem van God, die Hij ingeschapen heeft in ons hart. Het is een innerlijke stem, een getuigenis van de levende God. Matthew Henry zegt: ‘Het geweten is Gods onderkoning. Het roept de rechtbank bijeen in Zijn Naam en handelt namens Hem.’

Wij worden allemaal geboren met een geweten. Indien ons hart ons veroordeelt, zegt Johannes. Ik zeg: dit heeft alles te maken met je geweten. Ons geweten klaagt ons aan en getuigt dat we niet in de weg zijn die God wijst, dat we een huichelaar zijn en niet in waarheid en oprechtheid wandelen.

 

Jonge vrienden, spreekt je geweten nog? Als we jong zijn, kan ons geweten nog zo vaak spreken. Dan veroordeelt het ons, zoals het hier staat. Het getuigt, het klaagt ons aan en zegt: Dit is niet wat God wil. Het is tegen Zijn gebod, dit is zonde! Maar als je jouw geweten telkens het zwijgen oplegt, gaan we het spreken van ons geweten niet meer verstaan. Dat lijkt wel gemakkelijk en rustig te worden. Maar in de Bijbel wordt er gesproken over een toegeschroeid geweten (1 Tim.4:2). Dat betekent dat je nooit meer last hebt van dat stemmetje dat zegt: Dat moet je niet doen; ik zeg het op last van de Heere!

Ik las ergens: Het is net als een klok. Als je ergens op een onbekende plaats komt en je slaapt in een slaapkamer waar een klok op de slaapkamer of in de gang is, dan hoor je deze de eerste tijd tikken. Als je er maar lang genoeg bent, wen je er op den duur aan en hoor je het niet meer. Dat is nu het gevaar als ons geweten het zwijgen wordt opgelegd en ons niet meer veroordeelt. Ben je daar nooit bang voor? Zul je er voorzichtig mee omgaan? Misschien zijn er nog indrukken in je leven, hoe groot je ook bent en hoe een  grote mond je ook hebt. Er overlijdt een klasgenoot of je staat bij de kist van jouw opa of oma. Dan voel je in je jonge hart: Het kan zo niet doorgaan, ook ik moet voor God verschijnen! Als de stem van God, je geweten, jou veroordeelt als je een zondeweg gaat, zul je je geweten dan nooit het zwijgen opleggen?

Vraag maar: O God, wilt U door Uw Heilige Geest dóórwerken in mijn hart? Want indrukken maken je niet zalig, maar de Heere wil ze wel gebruiken. Hoe vaak heb ik al gehoord, als iemand zijn bekering vertelde, dat men mocht spreken van indrukken in de jeugd. Zul je er zuinig mee zijn?

 

Maar indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart. Als de Heilige Geest in ons leven gaat werken, en als door Zijn wondere werk het hart wordt vernieuwd, dan ontwaakt ook ons geweten. Het geweten gaat ons aanklagen, ‘dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben’ (HC, Zondag 23, antwoord 60).

We gaan met David leren: ‘k Bekend’ o Heer, aan U oprecht mijn zonden, ‘k verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden (Ps.32:3ber.).

Gods kinderen kennen ook een geweten dat hen veroordeelt. Dan horen ze: Je bent een huichelaar, dacht je dat de Heere zo’n weg hield met Zijn kinderen? Je kunt nooit een kind van God zijn, als je zo met God en je naaste omgaat. Het is bij jou geen daad en geen waarheid. Het is maar een christendom met de mond.

O, kind van God, als het geweten u aanklaagt en de satan u wijst op uw gebreken, ongerechtigheden en zonden, dan is de strijd groot. Kanttekening 79 zei dat al: ‘Het beschuldigt, overtuigt en veroordeelt dat we God en onzen naaste niet oprechtelijk liefhebben en overzulks geen rechte Christenen zijn.’ Wat kan dat benauwd zijn.

Welke weg blijft er dan over als het geweten u veroordeelt en als het hart u aanklaagt? Er blijft maar één weg over, die wij al eerder hebben aangewezen: Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid (1 Joh.1:9). Doorgrond m’, en ken mijn hart, o Heer! Vlucht dan maar tot het geheel enige Offer van de Heere Jezus Christus.

 

Matthew Henry zegt: ‘Het is een groot geluk verzekerd te zijn van onze oprechtheid in de godsdienst. Zij, die daarvan verzekerd zijn, mogen een heilige vrijmoedigheid of vertrouwen op God hebben. Zij mogen zich op Hem beroepen, tegen de beoordelingen en veroordelingen in van de wereld.’ Daar wijst hij op het grote goed, als we met een rein geweten voor de Heere mogen leven, en als in ons leven openbaar wordt dat we die zekerheid mogen hebben.

Johannes schrijft: Wanneer nu uw hart u veroordeelt, God is meerder dan ons hart en Hij kent alle dingen. Dit deel, schreef een verklaarder, is één van de moeilijkste uit de hele Johannesbrief. De vertaling en de verklaring roepen veel vragen op. Er zijn twee mogelijkheden: is dit nu een ernstige vermaning of een vertroosting?

God weet nog veel meer, Hij weet dat het nog veel erger is met uw zonden en schuld. Dan is het een verschrikkelijke vermaning. De Heere doorziet u tot in het diepst van uw gedachten. Hij proeft uw diepste motieven. De Heere kent ons beter dan wij onszelf kennen. Want niets is, o Oppermajesteit, bedekt voor Uw alwetendheid. Gij kent mij; Gij doorgrondt mijn daân. God is meerder; de kanttekenaren zeggen: ‘machtiger om ons te veroordelen’. Dus onze kanttekenaren en ook Calvijn zien deze toevoeging als een ernstige vermaning en bestraffing. Calvijn zegt dat God veel meer zonde en verborgen afdwalingen ziet.

 

En toch, toch noem ik ook de andere verklaring. Want dan is het een vertroosting. Er klinkt in deze tekst door: mijn hart moet mij veroordelen, mijn geweten moet tegen mij getuigen. Dan is het als met Petrus aan de zee van Tiberias: Heere, Gij weet alle dingen (Joh.21:17). Gij weet meer dan mijn hart. Gij weet hoe U Uw goddelijke genade hebt verheerlijkt en hoe U Uw liefde hebt uitgestort in mijn hart.

De oprechte gelovige mag zijn hart openleggen voor God. Dan word je blij met de alwetendheid en dat God meerder is. Want Hij weet van uw oprechtheid. God is meerder, meerder in kennis, meerder in barmhartigheid. God is groter in eeuwige liefde, en meerder in vergevende genade. Psalm 103 zegt: Want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn (Ps.103:14). Hij kent ons verlangen. Hij proeft uw nieren, kinderen van God! Dan wordt net als bij Petrus de alwetendheid tot troost. Dan wordt dit toevoegsel in het twintigste vers – God is meerder dan ons hart en Hij kent alle dingen – een troostgrond voor de bestreden ziel en voor een aangevochten geweten.

 

Een kind van God die zekerheid van de zaligheid mag hebben, mag het zeggen: ‘Dit weet ik vast: God zal mij nooit begeven.’ Dan zal die zekerheid doen uitzien naar meerdere kennis en genade. Onze eerste gedachte gaat over de zekerheid. Dan wil ik aan Gods kinderen vragen: Moet het niet een jagen zijn naar deze zekerheid?

En wij zullen onze harten verzekeren voor Hem (1 Joh.3:19). Nee, uw zaligheid hangt niet af van uw zekerheid. Het hangt af van het goddelijke genadewerk in uw hart; daardoor plant de Heere in de wedergeboorte het geloof in het hart, Hij stort Zijn liefde uit en verenigt u met Christus. Maar hoe meer zekerheid, hoe meer troost, hoe meer vrucht; kortom: hoe meer een leven in heiligmaking. Dan mogen wij leven tot eer en verheerlijking van uw Zaligmaker.

Daarom, zo zegt Johannes, mag die oprechte ziel in het bijzonder openbaar komen in de liefde tot de naaste en tot de medegelovigen. En dat in waarheid en in daad. Zo mag hij zijn oprechte hart voor de Heere uitstorten en de rijke troost ervaren van de zekerheid.

 

Tot slot van onze eerste gedachte lees ik u de Dordtse Leerregels, hoofdstuk 5, paragraaf 10: ‘En dienvolgens spruit deze verzekerdheid niet uit enige bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord geschied, maar uit het geloof aan de beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig tot onzen troost geopenbaard heeft; uit het getuigenis des Heiligen Geestes, Die met onzen geest getuigt dat wij kinderen en erfgenamen Gods zijn; eindelijk, uit de ernstige en heilige oefening van een goede consciëntie en van goede werken. En zo de uitverkorenen Gods dezen vasten troost in deze wereld niet hadden, dat zij de overwinning behouden zullen, mitsgaders dit onbedrieglijk pand der eeuwige heerlijkheid, zo zouden zij de ellendigste van alle mensen zijn.’

Daar wijzen onze vaderen op de troost van de zekerheid, die mag worden ontvangen in dit leven. Dat is vooral de troost van de heiligmaking.

 

2. Vrijmoedigheid

Zekerheid hangt samen met wat we in onze tweede gedachte willen bespreken, namelijk vrijmoedigheid. Want ik lees in het 21e vers: Geliefden! Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God. Als het nu zo is dat u oprecht, met een stil en gerust geweten die zekerheid mag kennen, dan geeft dat vrijmoedigheid. ‘Geliefden’. U weet: Johannes spreekt hen de ene keer aan met ‘mijn kinderkens’, de andere keer met ‘geliefden’. Het zijn Gods kinderen in de gemeente.

Als nu ons hart of geweten ons níet veroordeelt, we geen huichelaar zijn en de Heilige Geest met onze geest getuigt dat we oprechte kinderen van God zijn, dan geeft dat – zegt Johannes – zoveel vrijmoedigheid om tot Hem te naderen.

Er is ook een valse rust. Misschien zegt iemand in de kerk: Mijn hart veroordeelt mij nooit – mag ik daaruit afleiden dat ik dan bekeerd ben? Dat begrijpt u toch zelf wel? Wee den gerusten te Sion, en den zekeren op den berg van Samaria, (Amos 6:1) zegt Amos. Dan stellen we ons gerust met wat uiterlijke dingen, met een beschouwende kennis van de dingen van het Koninkrijk Gods.

Maar hier gaat het over Indien ons hart ons niet veroordeelt – in waarheid – zo hebben wij vrijmoedigheid tot God. Kanttekening 84 zegt: ‘Dat is, een vrijmoedig vertrouwen.’ Dan mag Gods kind vrijmoedigheid hebben. Wat is vrijmoedigheid? Dat is geen vrijpostigheid of brutaliteit. Sommige mensen weten in het natuurlijke leven het verschil niet, en dat blijkt dan ook wel.

Vrijmoedigheid, ‘parresia’, komt voort uit het zaligmakend geloof, het genadewerk van God in het hart. Als u bestreden wordt en in zonden leeft, dan kunt u geen vrijmoedigheid hebben. David heeft negen maanden voortgeleefd, gebeden, geofferd, en is naar de tabernakel gegaan; maar vanbinnen brandde een vuur – zijn geweten sprak.

 

Eigenlijk kan ik het heel gemakkelijk voor de kinderen in de kerk zeggen, zodat zij ook nog iets begrijpen. Johannes zegt: Als Gods kinderen wandelen in de weg van de Heere, in de vreze des Heeren, dan geeft dat vrijmoedigheid om tot Hem gaan, en alles te vragen. Als jij nou iets gedaan hebt dat niet door de beugel kan, iets waarover je vader of moeder ontzaglijk boos worden – dan kom je toch een poosje liever niet onder hun ogen? Dan mis je de vrijmoedigheid om naar huis te gaan en met dat kwaad thuis te komen. Dat bedoelt Johannes hier.

Als een kind van God nu zo’n beetje in de zonde leeft, het gemakkelijk neemt met een slordige levenswandel, en het in een leven van heiligmaking maar een beetje laat liggen – als een schaap soms dwalend – dan ontbreekt die vrijmoedigheid, en durven ze de Heere niet onder ogen te komen.

 

Zo hebben wij vrijmoedigheid tot God, zegt Johannes. Als uw hart u niet veroordeelt, als het geweten u niet aanklaagt en u mag met een stil en gerust geweten leven in de tere vreze van Gods Naam, dan hebt u een vrijmoedige toegang tot God. Dan mag u naderen tot de Heere.

Maar als het andersom is, maakt de zonde scheiding. De zonde verspert de toegang. Hoe meer zonde, hoe meer de hemel gesloten is, want dan gaat God Zijn aangezicht verbergen. Dan bent u net als David. U houdt uzelf in leven met wat er vroeger gebeurd is, maar het leven is eruit. De geloofsvrijmoedigheid is weg.

Daarom spoort Johannes zo aan tot het liefhebben van God en de naaste. Dat is tegelijk een samenvatting van een leven der bekering, een leven van heiligmaking. Hij zegt: Zo hebben wij vrijmoedigheid tot God. Vrijmoedigheid om aan God alles te vragen. Dan is het net als bij een kind – als jij gehoorzaam geweest bent, durf je alles aan je vader of moeder te vragen

Zo is het ook met een kind van God. Dan heeft hij vrijmoedigheid om tot God te gaan. Hebreeën 4:16 zegt het zo: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan (…) en genade vinden, om geholpen te worden te bekwamer tijd. Dan zit de zonde er niet tussen, en heeft de Heere Zijn aangezicht niet verborgen vanwege hun afdwalingen.

 

In de Hebreeënbrief komt een paar keer het begrip ‘vrijmoedigheid’ tegenover God naar voren. Ik zou eens willen vragen, in het bijzonder aan Gods kinderen: Hoe staat het met uw gebedsleven? Hoe staat het met het vrijmoedig naderen tot de Heere? Zeg eens eerlijk, hoe ligt het in uw harten? Mag u dit met de apostel zeggen? Mag de ademtocht van de ziel openbaar komen?

Want weet u wat er nog meer bijstaat? En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem (1 Joh.3:22). Dat is wat! Dan mogen ze naar de belofte van Christus in die vrijmoedigheid ervaren dat God gebedsverhoring zal geven. Al wat gij den Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven (Joh.16:23). En zo wat gij begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen (Joh.14:13). Al wat u ontbreekt, schenk Ik zo gij ’t smeekt, mild en overvloedig

En zo wat wij bidden – dat is alle geestelijke en tijdelijke nooddruft, zoals Christus ons heeft geleerd in het volmaaktste gebed. ‘Namelijk dat ons ter zaligheid nodig is, en met Zijn wil overeenkomt’ (kantt.86). Al wat wij bidden, wat nodig is tot onze zaligheid, tot eer van God en voor de dingen van de tijd.

 

Al wat wij bidden… zal Hij ons dat geven? Daar heb ik toch een beetje moeite mee. Zou Johannes niet weten dat er ook bij Gods kinderen onverhoorde gebeden zijn? Johannes, hoe kun je dat nu zeggen? Overigens er zijn geen ongéhoorde gebeden, dat mogen we ook zeggen. Maar wat bedoelt Johannes hier dan mee? Onze vaderen hebben daarover al wat gezegd in de kanttekeningen. ‘Wat dient tot onze zaligheid en wat is tot Zijn wil’. Ik heb het al zo vaak gezegd: De Heere vervult niet alle wensen van Zijn kinderen, maar wel alles wat nodig is tot de zaligheid en tot het volvoeren van Zijn goddelijke wil. Bidt, en u zal gegeven worden, zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden (Matth.7:7).

Zo zult u alles van Hem ontvangen wat tot uw zaligheid dient. Soms gebeurt dat op een heel andere wijze, soms op een heel andere tijd. Calvijn zegt: ‘De inhoud van het gebed zal bepaald worden door dit Godvrezende gevoelen.’ Hij bedoelt: als u zo Godvrezend leeft als hier beschreven wordt, dan zal dat ook de inhoud van uw gebed bepalen. Begrijpt u? Dan vraagt u niet allerlei grote, wereldse dingen van de Heere, want die hebben dan geen zin voor u. Dan vraagt u juist de dingen die de Heere geven wil, zoals opwas in de kennis van God en in de genade.

Zekerheid, verhoring, ontvangen wij van Hem. Nee, Gods kinderen ontvangen die verhoring niet omdat ze zo zeker zijn; niet omdat ze zo godzalig leven. Niet omdat hun hart hen niet veroordeelt, zullen ze alles ontvangen, maar omdat Christus Jezus hun Zaligmaker, hun Hogepriester, voor hen bidt. Op grond van Zijn voorbidding is er een volk dat alles zal ontvangen. Gods kinderen mogen met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, en Hij zal het bevestigen. Hij geeft de wens van allen, die Hem vrezen; hun bede heeft Hij nimmer afgewezen.

Waardoor en waarom? Omdat Jezus Christus voor al de Zijnen bidt aan de rechterhand van de Vader. Zijn bidden wordt altijd verhoord, want het is een eisen. Hun zal een schat van zegeningen in Hem ten erfdeel zijn. Bent u een bestreden ziel, bij wie er misschien geen gebed door kan? En hoort u nu over vrijmoedigheid, al veroordeelt uw hart u? Dan mag u nu toch weten dat er Eén is Die altijd leeft om voor Zijn Kerk te bidden. Wat zijn zij gelukkig, die daarin begrepen mogen liggen.

 

Zekerheid, maar ook vrijmoedigheid. Want vers 22 zegt: Dewijl wij Zijn geboden bewaren en doen hetgeen behaaglijk is voor Hem. Als u dat zo leest, lijkt het eigenlijk of het een voorwaarde is voor de verhoring van uw gebed. Het is alsof Johannes zegt: Als u Zijn geboden doet en wat Hem welbehaaglijk is, dan krijgt u alles wat u vraagt. Dan lezen we het verkeerd. Johannes bedoelt: als dit nu uw leven is, dan is het een kenmerk van een leven in de vreze des Heeren. Als u Gods kind bent, wilt u Zijn geboden bewaren en doen wat Hem welbehaaglijk is. Is dat uw leven? Is daar uw leven in getekend? Het zijn eigenlijk twee dingen die synoniem zijn. Want als u de geboden doet, doet u ook wat Hem welbehaaglijk is.

Daar ligt nu het geloofsleven van een ware christen in getekend. Dat is een mens die door genade gehoorzaam aan God zijn levensweg mag gaan. Hij mag op grond van Gods Woord met vrijmoedigheid toegaan en zal ontvangen al wat hem ontbreekt.

Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven (Mat.7:11a). De Heere Jezus zegt: ‘Als jouw kind om een brood bidt, geef je het toch geen steen? En als je kind om een vis bidt, geef je toch geen slang?’ Hoeveel te meer zal uw Vader – zegt Hij tegen Zijn discipelen; zegt Johannes tegen Gods kinderen die mogen leven in de tere vreze van Gods Naam – hoeveel te meer zal uw Vader Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen die ze van Hem bidden (Mat 7:11b). Dat is alles wat nodig is tot zaligheid.

Eigenlijk wordt in deze woorden ons het voorbeeld van de Heere Jezus voorgehouden. Het leven van Gods kinderen vloeit uit Hem door het geloof. Hij heeft al de geboden bewaard en gedaan wat behaaglijk is voor God. Hij heeft volmaakt voor al Zijn kinderen gehoorzaamheid betracht aan de heilige wet. Hij was twaalf jaar oud toen Hij zei: Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders? (Lukas 2:49). Hij heeft volbracht Zijn werk op aarde en daarom: doen wat Hem behaagt.

 

Een vraag: hoe is het als u Gods aangezicht zoekt? Jongelui, ouderen, kinderen van God, als u de knieën buigt voor de Heere en beseft tot Wie u spreekt, wordt uw en jouw hart dan onrustig? Gaat je geweten je veroordelen? Of mag u, kind van God, iets proeven van vrede en vrijmoedigheid, als u voor Hem knielt? Want wie niet leeft naar Gods geboden en de zonde aan de hand houdt, hoeft niet te rekenen op verhoring, en zal geen verhoring ontvangen. Jesaja  zegt: Ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed (Jes. 1:15). Zie, de hand des Heeren is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen. Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God (Jes.59:1,2a).

Wanneer uw hart u veroordeelt, bedenk dan wat Salomo heeft gezegd in Spreuken 28:9: Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn. Als we tot de Heere naderen met een zondig hart, zal Hij ons niet horen en zal Hij er niet in voorzien. Wat is het daarom gelukkig als het hart verzekerd mag zijn, en het geweten gerust mag leven. Het is zalig als die vrijmoedigheid er mag zijn, want dan zal er ook gehoorzaamheid zijn. Dat is ons derde aandachtswoord. We gaan er eerst van zingen, Psalm 27:5. Daar gaat het over de vrijmoedigheid van het gebed.

 

Mijn hart zegt mij, o Heer ,van Uwentwegen:
"Zoek door gebeên met ernst mijn aangezicht",
Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek den zegen
Alleen bij U, o bron, van troost en licht!
Verberg toch niet Uw oog van mij, o Heer!
Ik ben Uw knecht, zie niet in toorne neer.
Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet.
O God mijns heils, begeef, verlaat mij niet.

 

3. Gehoorzaamheid

Het gaat om het hart van Gods kind. We spraken over zekerheid en vrijmoedigheid. Nu willen we nog iets zeggen over gehoorzaamheid. Johannes vat het samen aan het eind van dit hoofdstuk: En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft. Het ging in het vers daarvoor over: Dewijl wij zijn geboden bewaren. Zijn geboden zijn samengevat in deze woorden: geloof en liefde. Dat is de kern van Zijn geboden. Gemeente, de eis van geloof en bekering moet gepredikt worden. De kanttekenaren zeggen: ‘Dat is, dat wij moeten geloven.’

Ja maar, ja maar… Ik weet wat u zeggen wilt. Maar de Heere eist. Het is niet iets om naast ons neer te leggen en te wachten totdat de Heere dit een keer werkt. Christus’ eerste korte preek luidde: Het Koninkrijk Gods is nabijgekomen; bekeert u en gelooft het Evangelie (Markus 1:15).

 

En dit is Zijn gebod, dat wij geloven. De werkwoordsvorm die hier gebruikt wordt, wijst naar een eerder tijdstip, wanneer dit geloof in hun hart gewerkt is. Wij mogen zeggen: Dat is natuurlijk door het zaad van het Woord in het hart van deze christenen geplant. Misschien op de Pinksterdag, toen zij daar stonden onder de prediking van Petrus. Misschien zaten zij onder de prediking van Paulus, in Efeze, Laodicéa en noem maar op. Toen heeft door de Heilige Geest het zaad van het Woord vrucht gedragen van geloof en bekering.

Maar dit is het gebod. De eis ligt ook nu aan ons hart, van u en jou. In de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, betekent: in Zijn Persoon. Johannes zegt in zijn Evangelie: Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem (Joh.3:36). Daar wordt geloof gezet tegenover ongehoorzaamheid.

Mag dit nu eens gaan drukken op uw hart en mag dit u eens op de knieën brengen: ‘O God, ik geloof het niet.’ Dan bent u ongehoorzaam aan het Woord van God! Maar dan zal ook de bede gaan opklimmen: ‘Heere, schenk mij geloof! Werk door Uw Heilige Geest in mijn hart, als de Werkmeester van het geloof.’

Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen (Hebr.11:6). Dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus. Dat is de enige Naam (Hand. 4:12), Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.

 

Het is een gebod van de Vader, staat er. Gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft. Johannes bedoelt natuurlijk het ware zaligmakende geloof, dat door de liefde werkt en dat de Heilige Geest in het hart werkt. Bezitten we dat geloof? Mogen wij eerlijk voor God zeggen dat dit in ons hart en leven is gewerkt?

Dan vraag ik niet naar de mate van het geloof. Misschien is het een zwak geloof, net als bij Jaïrus of bij de bloedvloeiende vrouw. Maar het leerde toch de toevlucht te nemen tot de Naam van Jezus Christus, Gods Zoon. Het gaat om het geloof van Zondag 7: ‘Een waar geloof is een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wil.’

Is het kennen, vertrouwen, steunen, vluchten en omhelzen in ons leven gewerkt? Ik citeer Matthew Henry nog een keer: ‘Geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, is: onderscheiden wat Hij is volgens Zijn naam; een helder en verstandelijk gezicht hebben op Zijn Persoon en bediening, als de Zoon van God en de Zaligmaker der wereld. Hem te erkennen (…) als Degene Die wijselijk en wonderlijk voorbereid en toegerust werd voor het gehele werk van onze eeuwige verlossing.’

Het geloof wil Hem dus erkennen als de volkomen Zaligmaker Die zo geschikt is om mij, een rampzalige, voor eeuwig zalig te maken. Henry zegt: ‘Ten vierde: in Hem te vertrouwen en ons op Hem te verlaten, voor de volkomen en algehele vervulling van Zijn bediening. Dit geloof is een noodzakelijk vereiste voor allen die tot God bidden, en slagen willen.’

 

Het gebod is dat u gelooft in de Naam van Gods Zoon, Jezus Christus. Gemeente, nog een keer de vraag: bezitten we iets van dat geloof? Het zal ook openbaar komen in de vrucht. Want dan staat er: En elkander liefhebben. Dat is eraan verbonden.

Moet dat geloof allereerst besproken worden? Nee, het moet beleefd worden! Het zal zich openbaren in de vruchten; in de liefde, in de gemeenschap der heiligen, gewerkt door de Heilige Geest. Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid (Gal.5:22). De Heere Jezus heeft het gezegd. Johannes heeft het Hem horen zeggen: Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt (Joh. 13:34).


Dan besluit Johannes het hoofdstuk met: En die Zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in dezelven. En hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, namelijk uit den Geest, Dien Hij ons gegeven heeft (1 Joh.3:24). Johannes zegt: Het blijkt uit een leven van heiligmaking en het bewaren van Zijn geboden. Wie wandelt in de wegen des Heeren, blijft in Hem en Hij in dezelven. De rank en de wijnstok; dat is een thema dat bij Johannes in zijn Evangelie en brieven steeds terugkomt. Kanttekening 89 zegt: ‘Dat is, heeft met Hem innerlijke gemeenschap.’

En Hij in dezelven. Daar wordt nu de tere gemeenschap van het geloof in getekend. Als Gods kinderen mogen wandelen in de wegen des Heeren, zal de geloofsgemeenschap veel worden ervaren. Dan blijft Hij in hen met Zijn Godheid, genade, majesteit en Geest.

Waar weten en kennen zij dat nu uit? Uit den Geest, Dien Hij ons gegeven heeft. Dan zegt de kanttekening zo mooi: ‘Dat is uit het getuigenis, de werking en drijving des Heiligen Geestes’ (kantt. 90). Nu kun je weten of de Geest in je hart gegeven is. Uit het getuigenis: Als Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn (Rom.8:16). Uit de werking: Dan zullen we de werkingen van de Geest in ons hart en leven gewaar worden. Die komen openbaar in een afsterven van de oude mens, en in een opstaan van de nieuwe mens. Uit de drijving: De werkingen van de Geest drijven aan tot het gebed en tot een leven van heiligmaking. Bij deze drijving van de Heilige Geest worden in kanttekening 90 vier teksten genoemd uit Romeinen 8. Deze moet u thuis nog maar eens nakijken. Het is alsof Johannes zegt: ‘Dan mag je ervaren dat de Heilige Geest Zijn intrek genomen heeft in je hart.’ Daaruit komt voort het geloof in Christus, de zekerheid, de liefde tot de Heere en de vrijmoedigheid.

 

En hieraan kennen wij – daar begon het mee in vers 19 en daar eindigt het nu mee in vers 24. Het is alsof Johannes het hele tekstgedeelte samenvat. En hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, namelijk uit den Geest. Deze Geest verzekert Gods kinderen van het aandeel in Christus, en richt het geloof op het Woord van God, op het getuigenis. Hij getuigt met hun geest dat zij kinderen Gods zijn. Dan ben je eigenlijk bij Zondag 1. Dan gaat het over de enige troost in leven en in sterven. Het antwoord besluit hiermee: ‘Waarom Hij mij ook door Zijn Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.’ Dat is de Geest Die mij troost, mij in al de waarheid leidt, mij verzekert en eeuwig bij mij blijven zal.

 

We gaan naar huis, maar één ding moet zeker duidelijk zijn: het is welgelukzalig als u tot deze geliefden mag behoren. Dan ligt u voor tijd en eeuwigheid voor rekening van een Drie-enig God: de Vader, in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, uit de Geest. Gods kinderen liggen voor rekening van een Drie-enig God.

Weet u wat ik niet begrijp? We leven in een tijd waarin iedereen zekerheid wil. Sommige mensen verzekeren zich tot en met de bloempotten. Zekerheid, overal zekerheid. En dan nu het enige wat echt van belang is: hoe zal ik straks voor God verschijnen? Dan waag ik het misschien met een paar indrukken, wat godsdienst, en noemt u maar op. Zekerheid is geen luxe, maar geeft troost in een tijd waarin we met onze aardse schatten en alles wat de wereld heeft zekerheid willen hebben.

 

Hoe leven we naar een nooit eindigende eeuwigheid? Hebben we over alles zekerheid , behalve over de zaligheid? Kinderen van God, ik heb al gezegd: uw zaligheid hangt niet aan de zekerheid. Uw zaligheid ligt vast in Vaders welbehagen, in het bloed van de Zoon en het werk van de Heilige Geest. Maar de troost en de vrijmoedigheid in het gebed en het wandelen in de wegen des Heeren hangen wel samen met de opwas in de kennis en in de genade. Als u nu met Job mag zeggen: Want ik weet: mijn Verlosser leeft (Job19:25), dan doen de omstandigheden er op dat moment niet meer toe. Dan mag u met Paulus zeggen, al is het in de gevangenis: Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere (Rom.8:38,39).

Sta dan naar die zekerheid, opdat ook in uw gebedsleven deze vrijmoedigheid openbaar mag komen. Gemeente, neem de eis, het gebod van het geloof, eens mee! En zeg het dan maar: ‘O God, ik kan het niet, ik wil het niet.’ Redeneer er maar niet teveel over, maar vraag: Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest, mag Die mijn hart vernieuwen, het geloof planten, waar nooit geloof is. Opdat u zich straks mag verwonderen in het werk van een Drie-enig God.

Het hart van een kind van God: zekerheid, vrijmoedigheid, gehoorzaamheid. Worden die drie vruchten bij u al gevonden?

Amen.

 

Slotzang: Gebed des Heeren vs. 10

 

            Ja, amen, trouwe Vader, ja!

            Wij maken staat op Uw genâ.

            Ons hart, o God, Die alles ziet,

            Veroordeelt ons in ’t naad’ren niet;

            Het zegt, daar G’ op ons bidden let,

            Gelovig Amen op ’t gebed.