Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 14

De menswording van de Zoon van God

Het aannemen van onze natuur
Het vervullen van Gods belofte
Het innemen van onze plaats
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Lofzang van Maria: 1
Lezen : Mattheus 1: 18-25
Zingen : Psalm 132: 7, 11, 12
Zingen : Psalm 3: 2
Zingen : Psalm 32: 1

Gemeente, aan de beurt is uit onze Catechismus Zondag 14. We lezen vraag en antwoord

35 en 36.

 

Vraag 35: Wat is dat gezegd: Die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria?

Antwoord: Dat de eeuwige Zone Gods, Die waarachtig en eeuwig God is en blijft, de ware menselijke natuur, uit het vlees en bloed der maagd Maria, door de werking des Heiligen Geestes, aangenomen heeft, opdat Hij ook het ware zaad Davids zij, Zijn broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde.

 

Vraag 36: Wat nuttigheid verkrijgt gij door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus?

Antwoord: Dat Hij onze Middelaar is, en met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.

 

 

 

Deze zondag spreekt ons over

De menswording van de Zoon van God.

 

Drie gedachten vragen onze aandacht:

1. Het aannemen van onze natuur

2. Het vervullen van Gods belofte

3. Het innemen van onze plaats

 

 

Gemeente, wat is de maagdelijke geboorte van Christus van alle kanten omstreden!

‘Geboren uit de maagd Maria’, dat kan toch niet? ‘Gebruik nu je verstand.’

De moderne theologie lacht hierom. Dat hoort thuis in het rijk van de fabelen.

Zo hoor je wel eens zeggen:

‘Ja, de vroege christenen geloofden dat Christus de Zoon was van een maagd. Maar nu weten wij, dat dit wetenschappelijk gezien onmogelijk is. Men kende in de eerste christengemeente nog heel weinig over de gang van de natuur en men zag noch niet in dat een wonder in strijd is met de wetten van de natuur.’

 

Nou, je hoeft maar even na te denken om te begrijpen, dat dit klinkklare onzin is. En het verhaal van de maagdelijke geboorte is daarvan een heel goed voorbeeld.

Toen Jozef ontdekte dat zijn verloofde in verwachting was, nam hij - dat hebben we gelezen in Mattheüs 1 - de voor de hand liggende beslissing om haar te verstoten. Waarom? Omdat hij evengoed als iedere moderne gynaecoloog wist dat, in de gewone gang van de natuur, vrouwen nu eenmaal niet in verwachting kunnen raken zonder dat ze met een man omgang hebben gehad. Ongetwijfeld weet de moderne gynaecoloog verschillende dingen over bevruchting en geboorte, die Jozef niet wist. Maar dat de maagdelijke geboorte tegen de wet van de natuur ingaat, dat wist Jozef natuurlijk ook.

Alles wat wij bedoelen met de woorden: ‘Het is wetenschappelijk gezien onmogelijk’, kon hij nazeggen. Men heeft altijd al geweten, dat de maagdelijke geboorte onmogelijk was, tenzij het natuurlijk proces terzijde de geschoven wordt.

 

En dat heeft God gedaan, toen Hij Zijn Zoon zond naar deze zondige wereld om ons te verlossen, om onze Middelaar te zijn. Toen Jozef uiteindelijk de gedachte aanvaardde, dat de zwangerschap van zijn verloofde niet met ontrouw te maken had maar met een wonder, toen aanvaardde hij het als een wonder, als iets wat tegen de bekende orde van de natuur inging. En als wij geloven in de maagdelijke geboorte, dan geloven wij dezelfde boodschap, die de engel tot Jozef bracht: ‘Hetgeen in haar ontvangen is, Dat is van de Heilige Geest.’

 

Iedere geboorte is trouwens een wonder van God. Ook de normale ontvangenis en geboorte van onze kinderen. Toen David aan zijn eigen geboorte terugdacht, toen raakte hij helemaal in vervoering. Hij sprak in Psalm 139: ‘Ik loof U, Heere, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben.’

Wie kan het beginnend leven in de moederschoot verklaren en ontrafelen? O ja, de moderne medische wetenschap wil dat wel letterlijk uiteenrafelen. Maar wie het leven ziet als een gave van God, verwondert zich en aanbidt Hem.

Hoeveel te meer geldt dat, als we een blik slaan in de kribbe van Bethlehem. Daarvan jubelden de engelen en zongen: ‘Ere zij God in de hoogste hemelen.’ In Bethlehem is de Zoon van God mens geworden. Daar ligt God in de kribbe. De Zoon van God heeft Zich niet veranderd in een mens, maar Hij nam de menselijke natuur erbij aan. Dat wil zeggen: Hij bleef Wie Hij was, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God, maar Hij wordt wat Hij niet was: mens. Hij neemt de echte menselijk natuur aan. Hij werd één van ons, een sterfelijk, nietig mensenkind.

 

Hij was er al voor de schepping. Er is nooit een tijd geweest, dat Hij er niet was. In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Wat er bij Zijn ontvangenis en geboorte gebeurd is, is dus niet, dat er in Zijn natuur iets veranderde, maar er wordt iets aan toegevoegd, er komt iets bij. Naast Zijn goddelijke natuur neemt Hij ook de menselijke natuur aan. Toen legde Hij wel tijdelijk Zijn goddelijke heerlijkheid af, maar niet Zijn goddelijk Wezen. Wie ligt er dus in de kribbe? God! Wie hangt er later aan het kruis om te boeten voor onze schuld? God! Niemand anders dan God, de Zoon van God in ons menselijk vlees.

 

Gemeente, dit is een onbegrijpelijk woord, een onbeschrijfelijke liefde van God, het is het wonder van alle wonderen. Dat God de hemel en de aarde schiep, is een groot wonder. Dat Hij alles onderhoudt, is ook een groot wonder. Maar dat een maagd zwanger werd zonder toedoen van een man, dat zij zwanger werd uit de Heilige Geest en dat zij een Zoon baarde, Die God en mens in één Persoon is, dat is het allergrootste wonder. Dat wonder is niet onder woorden te brengen. Paulus roept ervan uit: ‘En buiten alle twijfel, de verborgenheid van de godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees.’

 

Welnu, over dat wonder van de vleeswording van de Zoon van God gaat het hier in Zondag 14. In de voorafgaande Zondagen hebben wij onderwijs ontvangen over de Namen van Christus. Uit Zijn Namen blijkt Wie Hij voor ons is. In de nu volgende Zondagen horen we wat Hij voor ons gedaan heeft. We horen dan over de staat van Zijn vernedering en de staat van Zijn verhoging.

Zijn vernedering bestaat in verschillende trappen. De Heere Jezus daalt steeds dieper af tot in de hel. Geboorte, lijden, sterven, begrafenis en nederdaling ter helle.

En in de staat van Zijn verhoging komt Hij in verschillende trappen of stappen naar boven: opstanding, ten hemel opgevaren, gezeten zijnde aan Gods rechterhand en, wat nog niet vervuld is - maar wie weet hoe spoedig het gebeuren zal - Zijn komst op de wolken.

 

In Zondag 14 gaat het over de eerste stap naar beneden, over Zijn geboorte. We lezen nog eens een keer vraag en antwoord 35:

Wat is dat gezegd: Die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria?

Dat de eeuwige Zone Gods, Die waarachtig en eeuwig God is en blijft, de ware menselijke natuur, uit het vlees en bloed der maagd Maria, door de werking des Heiligen Geestes, aangenomen heeft, opdat Hij ook het ware Zaad Davids zij, Zijn broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde.

 

We zetten nu een streepje onder de zin:

Hij heeft een ware menselijke natuur aangenomen.

 

Wie nam die menselijke natuur aan? Niet de Drie-enige God, niet de Vader en ook niet de Heilige Geest, maar de Zoon. Waarom de Zoon? Hij alleen, door Wie de wereld geschapen is, kon de wereld verlossen. Omdat Hij alleen het beeld van de onzienlijke God is, omdat Hij als Zoon alleen het recht op ons kindschap verwerven kon. Kortom, omdat de Vader Zijn liefde tot verloren mensen niet heerlijker tonen kon, dan in het zenden van Zijn enige geliefde Zoon.

Maar de vleeswording van Christus is wel het werk van de Drie-enige God. Dat wel! De Vader had er Zijn Zoon voor over en Hij schonk Hem aan deze wereld. Hij wist, dat ze Hem verwerpen zouden en kruisigen en doden. Christus nam gewillig onze menselijke natuur aan en de Heilige Geest was de Werkmeester van dit alles ook in de moederschoot van Maria.

 

Waarom zegt de Catechismus dan niet gewoon dat Hij de menselijke natuur aangenomen heeft? Waarom staat er dan bij ‘de wàre menselijke natuur’? Dat staat enerzijds tegenover de oudtestamentische verschijningen van Christus en vooral ook anderzijds tegenover allerlei ketters met hun dwaalleer over de menswording van Christus.

 

Wat de oudtestamentische verschijningen betreft, u weet uit de geschiedenis van Abraham bijvoorbeeld, dat Hij soms tijdelijk de gedaante van een mens of schepsel aannam. Hij verschijnt Abraham als de Engel des Heeren onder de eikenbossen bij Mamre.

Hij verscheen ook in de gedaante van een Man, Die bij het veer van de Jabbok in de nacht worstelde met Jakob. Zeker, dat was een groot wonder, maar dat was eigenlijk maar een voorspel op het grootste wonder van alle wonderen, waarvan de engelen gezongen hebben toen het Woord vlees werd en onder ons kwam wonen.

Drieëndertig jaar lang heeft Hij Zich niet van Zijn menselijke natuur ontdaan en Hij zal het nooit meer doen ook. Zijn mensheid is nu in de hemel en Zijn mensheid zal Hij behouden tot in alle eeuwigheid.

 

Christus nam een ware, een echte menselijke natuur aan. Dat wordt hier ook met zoveel nadruk beleden tegenover allerlei ketters met hun dwaalleer. Ik noem er maar een paar. De Doceten in de nieuwtestamentische tijd, waartegen de apostel Johannes in zijn brieven strijdt. Zij leerden, dat de menselijke natuur van vlees en bloed een veel te grote vernedering voor Christus zou zijn geweest. Volgens hen heeft Hij Zijn lichaam uit de hemel meegebracht en is Hij door Maria heengegaan, zoals water door een goot.

Dat aspect hebben de Wederdopers later in de tijd van de Reformatie van de Doceten overgenomen. Zij leerden immers, dat de Heere Jezus Christus een schijnlichaam had.

Stel je voor, gemeente! Dan zou de kruisiging ook maar een schijnvertoning geweest zijn. Dan kan ik nooit gegrift staan in Zijn doorboorde handen en u ook niet. Dan zouden we de ellendigste van alle mensen zijn als dat waar zou zijn.

 

Nog een andere ketter wil ik noemen, want ik kom die dwaling ook wel eens tegen in de gemeente. Hij heette Apollinaris. Hij leerde, dat Christus wel een lichaam had, maar geen menselijke ziel. Zijn goddelijke natuur zou in de plaats van Zijn ziel zijn. Maar dat is ook een dwaling. Zijn godheid neemt bij Hem niet de plaats in van het menselijke zielenleven, want we hebben gezondigd met ziel en lichaam en daarom hebben wij een Middelaar nodig, Die met Zijn ziel en lichaam Borg wil zijn, Die voor ons lijdt en strijdt. Daarom zegt de Catechismus: ‘Hij is waarlijk Mens, met ziel en lichaam beide.’

Hij bleef Wie Hij was, God en Hij werd wat Hij niet was, Mens, waarlijk Mens. Calvijn zegt: ‘Als Mens moest Hij betalen en kon Hij sterven. Hij moest de dood ondergaan. Als God kon Hij voor ons de strijd aanbinden met de dood en de overwinning behalen.’

Dat is beleden door de Kerk van alle eeuwen, ook tijdens de oude concilies. U kunt het lezen in de belijdenissen van Nicea en Athanasius.

 

Gemeente, aan de twee naturen van Christus hangt zelfs onze zaligheid. Hij was God en Mens in één persoon. Moeilijk hè? Vindt u niet? Jongens en meisjes, jullie vinden het ook moeilijk. Daar ben ik wel zeker van. Ik zal proberen om het nog een klein beetje duidelijker uit te leggen.

Denk eens aan je eigen menswording. Was je er al voordat je geboren werd? Nou ja, negen maanden. Goed. Maar een jaar voordat je geboren werd, was je er toen al? Nee, toen dacht nog niemand aan jou. Toen konden zelfs je vader en moeder nog niet aan je denken, want er had nog geen conceptie plaatsgevonden. Maar de Heere Jezus was er al wel voordat Hij in Bethlehem geboren werd. Van eeuwigheid af, ‘Eer Abraham was, ben Ik’, zegt Hij tegen de Joden. Op het kerstfeest kwam Hij naar deze wereld. Op het kerstfeest werd Hij geopenbaard in het vlees, werd Hij mens en nam Hij onze menselijke natuur aan.

 

‘Wat heb jij voor je geboorte gedaan?’ ‘Wat heb je eraan kunnen doen’, bedoel ik. Helemaal niets! Het gebeurde gewoon met jou, je geboorte was niet vrijwillig, ook niet tegen je wil, je werd gewoon geboren en daarmee uit. Het overkwam je, opeens was je op de wereld. Je was helemaal passief. Wij zijn geheel lijdelijk bij onze geboorte.

Van Christus staat er, dat Hij ontvangen is en geboren. Daarin lijkt Zijn geboorte op de onze, maar Hij was daarin juist niet lijdelijk. Zijn geboorte was een daad, Hij wilde geboren worden. Het was een daad van Zijn liefde, want Hij hoefde niet geboren te worden. Maar het was Zijn eigen vrije keus om geboren te worden, onze vloek op Zich te nemen en door te lijden onze straf te boeten en ons te redden. Hij wilde in onze plaats zijn in deze wereld. Zijn ontvangenis en geboorte waren een daad van Hem Zelf.

Daarom staat er ook, dat Hij de ware menselijke natuur heeft aangenomen. Dat is niet lijdelijk, maar actief. Onbegrijpelijk! Het was Zijn eigen welbewuste keus en daarmee tegelijk een daad van Zijn onmetelijke liefde. Het werd Hem ook niet opgedrongen. In de eeuwigheid heeft Hij gezegd: ‘Vader, Ik ga om zondaren te zaligen in de wereld. Zie, Ik kom, o God.’ Hij wist heel goed wat Hij koos. Hij wist van tevoren wat het aannemen van de menselijke natuur voor Hem betekenen zou: lijden, sterven, Dienstknecht worden.

 

Het liggen in de kribbe was geen kleinere liefdedaad van de Heere Jezus, dan het hangen aan het kruis. En tussen die twee, tussen Bethlehem en Golgotha, ligt heel Zijn leven van opoffering. O, wat een onbegrijpelijke, diepe zondaarsliefde van de Heere Jezus! Hij nam onze natuur aan. Een natuur, die onderworpen was aan de vloek van de zondeval en aan de gevolgen daarvan. Wat een vernedering was dat voor Hem! Hij werd ontvangen en geboren. Hij is er geen ogenblik voor teruggedeinsd om door de poort van de geboorte het leven binnen te treden.

Dat leven zou voor Hem ‘een gestadige dood’ zijn, een aanhoudend lijden. Hij wist wat Hij deed, toen Hij op aarde kwam. Toch aarzelde Hij geen ogenblik om ons vlees en bloed aan te nemen, met al de zwakheden, vernederingen en pijnen, die daaraan verbonden zijn.

Zijn geboorte werd voor Hem niet alleen maar een poort tot het leven, maar ook een poort tot de dood. En wat voor dood! Hem wachtte geen rustige, kalme dood, maar een gewelddadige dood. Wat een diepe liefde schuilt er achter dat korte zinnetje van de Catechismus: Hij heeft onze menselijke natuur aangenomen uit het vlees en bloed van de maagd Maria!

Als Hij nu eens geweigerd had, als Hij nu eens niet had gewild? Dan had ik hier niet gestaan en dan had u hier niet gezeten. Dan had geen kind, geen jongen, geen meisje, geen man, geen vrouw ooit zalig kunnen worden. Dan zouden we allemaal voor eeuwig verloren moeten gaan.

 

Nu moet ik onder twee woorden nog een streepje zetten in onze eerste gedachte. Het eerste woordje is ‘ontvangen’ door de werking van de Geest. Het tweede woordje is ‘geboren’, dat Hij vlees en bloed wilde aannemen uit de maagd Maria.

 

Eerst het woordje ‘ontvangen’.

Op een heel bovennatuurlijke wijze werd Hij ontvangen, niet door toedoen van een man, maar door de Heilige Geest. De Heilige Geest heeft Zijn menselijke natuur als het ware geweven in de moederschoot van Maria. Hij heeft de natuur van Christus zo geheiligd tegen de zonde en verenigd met de Persoon van God.

Wonderlijk, vanaf Zijn ontvangenis is Christus dus nooit zonder Zijn goddelijke natuur geweest. Hij is ontvangen uit de Heilige Geest. Weet u, wat er letterlijk staat in de Latijnse tekst van de Catechismus? Conceptusest. Dat verstaat u wel. De conceptie heeft hier plaatsgevonden uit de Heilige Geest bij een maagd. Dat is het wonder. Kunt u het begrijpen? Ik niet, Maria ook niet. Toen de engel haar dit geheim meedeelde, kon zij het niet geloven.

 

‘Een maagd zwanger worden, dat kan toch niet?’ Nee, maar zou er voor de Heere iets te wonderlijk zijn? Hij, Die Zelf de wetten in de schepping heeft gelegd, zou Hij die niet kunnen doorbreken om Zijn Zoon naar deze wereld te zenden om de mensheid te verlossen? Nee, voor de Heere is er niets te wonderlijk. ‘Hoe zal dat wezen’, vraagt Maria aan de engel Gabriël, ‘dewijl ik geen man beken?’ Gabriël had gezegd: ‘Gij zult bevrucht worden en een Zoon baren.’ Hoe zal dat zijn? En dan ontsluiert Gabriël iets van het geheim: ‘De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.’

Heeft Maria het nu begrepen? Welnee! Maar weet u, wat ze nu doet? Ze geeft zich onvoorwaardelijk over aan de wil van God en zegt: ‘Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord.’ Dat is de overgave aan God.

 

Gemeente, die houding past ons ook als het gaat over de heilige ontvangenis, die voor ons onnatuurlijk en onbegrijpelijk is. Zo werd die heilige vrucht in de moederschoot van Maria gebracht, de conceptie bewerkstelligd en de vrucht geheiligd. Dat wil zeggen, de Heilige Geest bewerkte, dat de zonde van Maria niet kwam op de vrucht in haar schoot.

Daarom had de Heere Jezus geen erfzonde. ‘Zodanig Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren’, zegt de Hebreeënbrief.

 

Dat was het eerste woord met een streep eronder.

En nu het tweede, het woordje ‘geboren’. Had Zijn ontvangenis op een geheel bovennatuurlijke wijze plaatsgevonden, Zijn geboorte is heel normaal geweest volgens de loop van de natuur. Opdat Hij ons in alles gelijk zou worden, uitgenomen de zonden. Hij is geboren uit de maagd Maria. Zij baarde haar eerstgeboren Zoon. Jezus bracht Zijn menselijk natuur dus niet uit de hemel mee, maar die kreeg Hij uit het vlees en bloed van Maria. Hij is geboren als een voldragen vrucht.

Misschien heeft Hij wel iets van Maria’s karakter gehad, maar dan zonder zonden, zonder haar zondige aard. Hij was een heel gewoon mens, geboren uit de maagd Maria. Maria is niet de koningin des hemels of onze middelares, maar gewoon een maagd, een nederig meisje van een jaar of zestien, zeventien uit Nazareth. Wel was ze een koningsdochter, maar dat was niet meer aan haar te zien. Maar ze had iets vrooms, iets dichterlijks, iets profetisch. Dat hebben we zojuist gehoord toen we haar lofzang zongen:

Mijn ziel verheft Gods eer;

Mijn geest mag blij den Heer’

Mijn Zaligmaker noemen.

 

Dat was onze eerste gedachte: Het aannemen van onze natuur. Hij werd dus Mens, waarlijk Mens.

 

2. Het vervullen van Gods belofte

 

Dat is het tweede stukje uit antwoord 35. Daar staat:

Opdat Hij ook het ware zaad Davids zij, Zijn broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde.

Van het ware zaad van David hebben we gezongen uit Psalm 132. Zo was Hij onder het Oude Testament beloofd en aangekondigd. Achter deze woorden schuilt een geweldige spanning. Het huis van David was immers in groot verval geraakt en bijna vergeten. Het scheen alsof Gods beloften hun vervulling gemist hadden. Het Rijsje uit de afgehouwen tronk van Isaï scheen verdroogd en verdord te zijn. Jozef en Maria stamden allebei wel uit het roemruchte geslacht van David, maar wie wist dat nog? Er was niets meer van te zien; het was vergane glorie.

Maar de Heere is getrouw, de afgehouwen tronk schoot wortel en bracht vrucht voort en Maria baarde haar eerstgeboren Zoon. Zo vervulde God Zijn belofte, die Hij aan de vaderen had gedaan. Aan Abraham en aan David, uit wier geslacht Maria gesproten was.

Zo delen Lukas 2 en Mattheüs 1 het ons mee: omdat hij uit het huis en geslacht van David was. Zo zegt Paulus het ook in Romeinen 1:3: Die geworden is uit het zaad Davids naar het vlees.

 

De Catechismus spreekt de Bijbel na. Hij is het ware zaad van David. Uit alles blijkt, dat Christus een menselijke natuur heeft, zo zelfs, dat Hij in de lijn van de geslachten naar de belofte van God geboren wilde worden. Hij zocht het menselijk geslacht op tot in de wortel. We kunnen nog verder teruggaan dan David. Let eens op Abraham. Tegen hem zegt God: ‘In u zullen alle geslachten van het aardrijk gezegend worden.’ We kunnen nog verder teruggaan, naar Adam. Gemeente, de Heere Jezus nam plaatsbekledend onze natuur aan. Hij heeft borgtochtelijk, als de tweede Adam, onze plaats ingenomen.

Wij zijn van nature allemaal kinderen van Adam. Dat zegt de Bijbel ons overduidelijk. We zijn onderworpen aan het oordeel van God, aan de dood en aan de verdoemenis.

 

Dat is wat, als je leert, dat dat waar is! Als je dat gaat zien, dan neem je dat over. Wat Adam deed, dat deed ik. Moeilijk hè, gemeente? Dat neem je niet zomaar over. Ik ben in Adam verdorven en verdoemelijk voor God. Zijn zonde is mijn zonde. Dan, juist dan als u dat ziet en u daar voor u zelf mee in de problemen komt, als het gaat over de verzoening met God, dan kunt u troost putten uit deze belijdenis. Christus kwam als het ware zaad van David. Hij was de grote Zoon van David en Zijn Heere, Die als de Man naar Gods hart Zich stelde onder de vloek van het menselijk geslacht.

 

Dat is het tweede, dat de Catechismus hier benadrukt. Hij werd Zijn broederen in alles gelijk. Hij nam een echt menselijk lichaam aan, dat onderworpen was aan de gevolgen van de zonde, van pijn, moeite, vermoeidheid, zwakheid, uitputting. Met vooropgezette bedoeling zelfs, opdat Hij geplaagd, geslagen en verdrukt zou worden. Hij is verbrijzeld, gestriemd, gegeseld en gekruisigd. Zo laag daalde Hij af in al de trappen van Zijn vernedering. Ja, zelfs tot in de hel.

Dat begon al bij Zijn menswording. Reeds daarin werd Hij de broeders in alles gelijk. Daar ligt Hij in de kribbe als een hulpbehoevend kind. Jongens en meisjes, het was net zoals bij jullie kleine broertje of zusje in de wieg. Zo drinkt Hij aan de moederborst van Maria, zo groeit Hij op van dag tot dag. Heel het ontwikkelingsproces heeft Hij meegemaakt. Hij heeft leren praten, Zijn eerste wankelende stapjes gedaan aan Maria’s hand, Zijn eerste kindergebedje geleerd.

Van kind groeide Hij op tot knaap. Hij wordt een Jongen, Hij komt ook in de puberteit, met al de worstelingen van dien. Dat is een troost voor jongens en meisjes, die het wel eens moeilijk hebben op die leeftijd. De Heere Jezus kent jouw strijd, Hij kent de aanvechting, Hij weet hoe het dan is in je hart. Maar Hij bleef zonder zonde. In Nazareth werd Hij gewoon timmerman. Daar zien we Hem schaven, spijkeren en zagen. Hij werd ons in alles gelijk.

 

In Kana bezoekt Hij, op uitnodiging van een bruidspaar, een bruiloft. We zien Hem in de synagoge komen. We zien Hem naar de tempel gaan. Niets menselijks is Hem vreemd. Hij lijdt honger en dorst. Hij weent bij het graf van Zijn vriend Lazarus.

Hij is tot in het diepst van Zijn ziel ontroerd, tranen glinsteren in Zijn ogen als Hij snikkend staat voor Jeruzalem en uitroept: ‘Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeen vergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild.’

Zijn ziel werd ten dode toe bedroefd en beangstigd. In Gethsémané wordt Hem de bittere lijdensbeker aangereikt en aan het kruis wordt Hij door God verlaten.

 

Niets menselijks is Hem vreemd. Zo is Hij de broeders in alles gelijk geworden. Op een foto van dit Kind in de kribbe, als die bij wijze van spreken genomen zou zijn, zou je helemaal niets bijzonders zien, hooguit misschien een paar trekken van Maria. En wat de herders in Hem zagen, zagen ze door het geloof. Dat wisten ze uit de boodschap van de engelen.

Zijn broeders in alles gelijk geworden. Dat betekent ook, wat er staat in Galaten 4: Geworden uit een vrouw, geworden onder de wet.

Ja, van nature leven u en ik onder de wet, onder de veroordeling van de wet, onder het doemvonnis van de wet, want de Bijbel zegt: ‘Vervloekt is een ieder die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.’

Daarin werd Christus onze Broeder. ‘Hij is’, zo zegt de Schrift, ‘tot zonde gemaakt.’ Hij is tot een vloek geworden om ons te verlossen. Hij werd met ons onder één noemer gebracht, onder de noemer van de zonde, de verlorenheid en de doemwaardigheid.

 

Is dat uw worsteling, misschien? Dat u ziet, dat u voor God niet kunt bestaan, omdat het oordeel van God op u of op jou rust? Dat staat er dan toch maar!

Kun je de wet houden? Voel je geen schuld in je hart? Voel je niet, dat de verhouding tot God verbroken is, dat er een kloof is tussen God en jou? Ja, als je dat ziet, dan ga je dat aanvaarden. ‘Je doodvonnis ondertekenen’, zeggen we wel eens. Dat doe je niet zomaar. Ja, met je mond wel, maar ik bedoel in de beleving, in je hart. En toch, er komt een tijd, als je een echte christen bent, een kind van God, dat je daar iets van leert verstaan. Dan buig je je diep en dan zeg je:

‘Heere, ik heb de dood verdiend. Ik heb het er zó slecht afgebracht, ik heb tegen al Uw geboden gezondigd. Ik sta schuldig onder de wet, Heere. Ik ben verloren. Ik voel hoe het oordeel van U, Heilige God, brandt in mijn hart vanwege al mijn zonden.’

 

Wat heeft ook een Luther geworsteld onder de toorn van God vanwege zijn zonde! ‘O God, mijn zonde, mijn zonde.’ Wat een troost ligt er dan in de belijdenis: ‘Hij werd Zijn broederen in alles gelijk.’! Hij kwam en stelde Zich als Middelaar, Borg en Plaatsbekleder onder de vloek van de wet, opdat de genadige ruil plaats kon vinden, waarvan Luther ooit heeft gezegd: ‘We hebben geruild, we hebben geruild, Heere Jezus. Ik Uw gerechtigheid en Gij mijn zonde.’

 

Niets menselijks was Hem vreemd. Niets! Ja toch, één ding en dat is de zonde zelf. Want Hij werd ons gelijk, uitgenomen de zonde. Er is één voorbehoud in Zijn gelijkheid met ons. Jezus heeft nooit één zonde gedaan of bedacht. Hij kon zeggen: ‘Wie van u overtuigt Mij van zonde?’ Geen dadelijke zonde heeft Hij gedaan, geen erfzonde heeft Hij gehad. Hij stond niet in de schuldketen van de erfschuld en de erfsmet, die ons allen met Adam en Eva verbindt. Zo alleen kon Hij onze zonden op Zich nemen en onder de wet veroordeeld worden, opdat Hij degenen die onder de wet zijn, verlossen zou.

O, wat een troost ligt er in deze woorden, in deze belijdenis! Jezus kon en wilde in alles mede benauwd zijn en in alle verdrukking mede verdrukt. We hebben een barmhartige Hogepriester, Die weet wat er omgaat in ons hart, Die innig medelijden kan hebben met onze zwakheden. Hij kent onze strijd en onze aanvechting van binnenuit. Hij kent de moeite en het verdriet uit eigen ervaring.

 

Daarom, gemeente, kwam Hij niet als een volwassene uit de hemel. Jongens en meisjes, Hij kent ook jullie leven, je kinderleven, je strijd. Hij is Zelf Kind geweest. Anders was Hij ons vreemd gebleven, maar nu weet Hij van alles af.

Maak je wel eens ruzie? Ben je wel eens ongehoorzaam? Wat is er allemaal gebeurd, afgelopen week bijvoorbeeld? De Heere Jezus weet van binnenuit hoe de zonde aan je trekken kan. Maar Hij is staande gebleven om je Zaligmaker te kunnen zijn. Daarom!

 

En u, die de Heere kent, Hij kent uw lijden, Hij kent uw strijd voor de Naam en de zaak van de Heere, ook in het leven van de heiliging. Hij kent uw strijd tegen satan, zonde en ongeloof. Hij weet ervan. Hij kent ook uw droefheid vanwege het overtreden van de heilige wet van God. Hij kent uw benauwdheid als de vijand u aanvalt, u verdacht maakt en in uw hart komt zeggen: ‘Nu kun je wel denken, dat je kind van God bent, maar bewijs het maar eens.’

Hij kent uw eenzaamheid als u zich van alle kanten voelt ingesloten en verlaten, als u met de rug tegen de muur komt te staan en u zich afvraagt hoe het nu verder moet. Hij heeft het Zelf uitgeroepen: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’

Wat een troost, dat je als kind en als volwassene in je aanvechting kunt en mag zeggen: ‘Heere Jezus, U weet ervan. Als ik het niet helemaal onder woorden kan brengen, kijk dan maar in mijn hart, naar mijn strijd. U weet ervan. Ik zou zo graag geen zonden meer doen, maar ik kan het niet laten.’!

Hij heeft Zelf al deze dingen doorgemaakt en daarom kan Hij ons helpen en bijstaan.

 

Zo mag u hem benodigen met de woorden van Psalm 3:2, die we samen gaan zingen:

 

Maar, trouwe God, Gij zijt

Het schild dat mij bevrijdt,

Mijn eer, mijn vast betrouwen.

Op U vest ik het oog;

Gij heft mijn hoofd omhoog,

En doet m’ Uw gunst aanschouwen.

’k Riep God niet vruchtloos aan;

Hij wil mij niet versmaân,

In al mijn tegenheden;

Hij zag van Sion neer,

De woonplaats van Zijn eer,

En hoorde mijn gebeden.

 

3. Zijn innemen van onze plaats

 

De menswording van de Zoon van God. Hij neemt onze natuur aan, Hij vervult Gods belofte door als het ware zaad van David geboren te worden en ten derde: Hij neemt onze plaats in.

We lezen vraag en antwoord 36:

Wat nuttigheid verkrijgt gij door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus?

Dat Hij onze Middelaar is, en met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.

 

Wat nuttigheid? Weer zo’n vraag recht op de man af. Wat heb je eraan? Wat baat het u?

Er staat niet: ‘Wat denkt u ervan? Kan dat wel, de maagdelijke geboorte?’

Nee, dit is geloofstaal. Deze dingen hebben volkomen zekerheid voor ons en daarom ook alle nut. Wie het gelooft, kan zeggen welk nut erin zit. ‘Nou’, zegt het antwoord, ‘Hij is onze Middelaar.’

We herinneren ons dat woord nog wel uit de Zondagen 5 en 6. Een middelaar staat tussen twee partijen, hij bemiddelt in een conflict en probeert de partijen met elkaar te verzoenen. Hij moet zich helemaal in de gevoelens van beide partijen kunnen verplaatsen en wederzijds vertrouwen genieten.

 

U weet het, het conflict tussen God en ons is uitgebroken in het paradijs. Daar hebben we Gods recht gekrenkt, Zijn liefde vertrapt en de duivel geloofd. We zijn God kwijt en daarom zijn we alles kwijt. Er is een kloof tussen God en ons.

Bent u al tot die ontdekking gekomen? Daar is het ontdekkend licht van Gods Geest voor nodig en dat zal ons uitdrijven tot de Middelaar, tot de Heere Jezus Christus.

 

Gemeente, Hij is zo’n gewillige Zaligmaker, zo’n gewillige Middelaar. Hij komt in de prediking van deze Catechismus weer tot u. Hij strekt Zijn doorboorde handen tot u uit en zegt: ‘Kom toch, waarom gelooft u niet in Mij? Wat hindert u, als u weet, dat Ik de enige Middelaar ben, de enige Naam onder de hemel gegeven tot zaligheid?’ ‘Ja, maar dan moet ik toch eerst...’ O, we moeten dus eerst nog iets? Dus genade is geen genade?

Gemeente, de genade gaat aan alles vooraf. Laat dat ‘eerst-van-ons’ nu eens zitten en doe wat Hij zegt, net als de vader van die maanzieke knaap. Hij moet geloven, maar hij kan het niet en toch doet hij het.

 

De Heere Jezus zegt: ‘Die in Mij gelooft, zal leven.’ ‘Kom toch tot Mij.’ ‘Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop,’ Gods eigen, lieve Zoon nodigt ons. Hij staat helemaal aan Gods kant, want Hij is waarachtig God. Hij staat ook helemaal aan onze kant, want Hij is waarachtig mens geworden. Hij weet van onze zwakheden af. Kunt u zich een betere Zaakwaarnemer voorstellen dan Hij? Hij overbrugt de kloof tussen de beide partijen door Zichzelf te geven in de vuurgloed van Gods toorn.

Wat is Hij noodzakelijk! Wat is Hij bekwaam om onze Zaligmaker te zijn! Wat is Hij gewillig om dat werk te doen!

 

Als wij eens zo gewillig zouden zijn als deze Middelaar, dan waren we allang gered. Eerlijk waar. Doet u dat niets? Gaat u straks weer naar huis en zegt u: ‘Nou ja, we hebben een gewillige Zaligmaker’, maar u leeft daarna weer gewoon verder? En als u er dan morgen niet meer bent? En als u er morgen nog wel bent, dan is het een verloren dag als u zonder Hem verder gaat. Hij heeft recht op ons leven.

Voel eens aan uw voorhoofd. Heeft Hij niet gezegd, dat Zijn bloed reinigt van alle zonden? Heeft God niet gezegd, dat Hij ons als Zijn kinderen aan wil nemen? Heeft de Geest niet gezegd, dat Hij alles wil doen wat wij niet kunnen? Hij wil het brengen in ons hart.

De Heere is zó gewillig. Geef u maar over in Zijn handen.

Viel u Hem al te voet en zei u: ‘Heere, Gij Zoon van David, als U dan zo gewillig bent en als ik niets mee hoef te brengen, dan kom ik arm en naakt, tot U Die zalig maakt. Heere, ontferm U?’

 

Wat deed Hij als Middelaar? Wel, door Zijn lijden en sterven bedekte Hij onze dadelijke zonden. Hij bewerkte de verzoening. Daarover gaat het in de volgende Zondagen. In deze Zondag van Zijn ontvangenis en geboorte gaat het over onze erfzonde, waarin wij ontvangen en geboren zijn en waardoor steeds dadelijke zonden bedreven worden.

Want, gemeente, we doen niet alleen zonde, we zijn zonde. Dat is makkelijk gezegd, maar, o zo moeilijk te beamen! God zegt het en daarom is het waar. Daarom moeten we vallen voor Zijn onfeilbaar Woord.

 

Erfzonde, dat is het kernwoord in deze laatste vraag en in de laatste gedachte. U en ik, wij zijn als zondaars in de wieg gelegd, we zijn geboren zondaars. O, die vuile bron van wanbedrijven, die uit ons hart voortkomt! Wat een smartelijke ontdekking is het als je dat ziet! Het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

Dat komt door de erfzonde, daarom alleen al ben ik verdoemelijk voor God. Mijn natuur is zondig. Nu gaan we begrijpen waarom de Catechismus spreekt over de heilige ontvangenis en heilige geboorte van Christus enerzijds en mijn zonden, mijn onheilige ontvangenis en geboorte anderzijds. De Catechismus bedoelt te zeggen: ‘Ons leven deugt niet, reeds vanaf onze geboorte.’

Zondige mensen brengen zondige kinderen voort. We zijn tot in de wortel toe bedorven, al vanaf het eerste begin.

David zingt in Psalm 51:

’t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf;

Neen, ’k ben in ongerechtigheid geboren;

Mijn zonde maakt mij ’t voorwerp van Uw toren,

Reeds van het uur van mijn ontvang’nis af.

 

Omdat nu alles bij mij, bij u en bij jullie, jongens en meisjes, vanaf het eerste begin verkeerd is gegaan en Christus een volkomen Zaligmaker is, heeft Hij alles van het begin af aan helemaal heilig overgedaan. Daarom is Hij heilig ontvangen uit de Heilige Geest en zondeloos geboren uit de maagd Maria.

Wij kunnen onze ontvangenis en geboorte niet meer overdoen, maar dat heeft Christus voor ons gedaan en daarom is Hij nu onze Middelaar. In Bethlehems kribbe ligt de Middelaar, aan Wie ook mijn erfzonde is toegerekend. En Zijn heiligheid en onschuld, zo zegt het onderwijs van onze Catechismus, worden mij toegerekend.

 

Zo begon in de kribbe Zijn vernedering. Hij daalde steeds dieper af tot aan het kruis, waar Hij ook onze dadelijke zonde met God heeft verzoend. Hij bedekt ze in Zijn heiligheid.

Hij gaat als het ware voor mij staan. Zo ziet God mij als heilig en volmaakt in Hem. Ik ben zondig en u ook, tot in de wortel en zwart vanwege al onze dadelijke zonden. Maar nu wil de Heere Jezus voor ons gaan staan. Levensgroot, zodat Hij met Zijn heiligheid onze zonden, waarin wij ontvangen en geboren zijn, helemaal bedekt alsof wij heilig en rein geboren waren.

Ja, en dat niet zomaar voor de mensen, maar voor Gods aangezicht. God ziet het niet meer. Dat is wat! Hoe weet ik dat? Omdat de Bijbel het zegt. Ja, maar hoe weet ik dat echt, zodat ik er wat aan heb? Door het geloof!

 

Hoe krijg ik deel aan die bedekkende gerechtigheid van Christus? Let er maar eens op, hoe onze Catechismus deze belijdenis van de vleeswording steeds persoonlijker verwoordt!

Eerst staat er: ‘Zijn broederen’. En dan: ‘onze Middelaar’. En tenslotte: ‘Mijn zonde’.

Ziet u, dat de lijn steeds persoonlijker wordt? O, wat een troost biedt Zondag 14 voor u en voor mij! Christus wilde in mijn plaats in het gericht Gods staan, Hij wilde mijn plaats innemen.

 

Hij kan al in de moederschoot uw kindje bedekken, aanstaande moeders. Zodra u weet, dat u in verwachting bent, mag u de vrucht van uw schoot aan Hem opdragen.

Zijn heilige geboorte is het geheim van onze wedergeboorte. Hij bedekt. En dat is nu precies wat we nodig hebben. Zonder bedekking is God voor ons een verterend vuur en een vurige gloed. Maar met deze bedekking ziet God geen zonde in Zijn Jakob, geen overtreding in Zijn Israël en geen erfzonde in mij.

Hij is onze Middelaar. God komt in Hem tot ons.

 

Hebt u genoeg aan Hem of niet? Dat is de vraag waar het om gaat. God komt met Zijn Zoon, geboren in Bethlehem, tot ons opdat wij met Hem en door Hem tot God zouden gaan. In Zijn onschuld en heiligheid ligt de vrijmoedigheid om toe te gaan tot de troon der genade. Vanuit mezelf ben ik zonde en dat ben ik vanaf de moederschoot tot aan het graf toe. Maar in Hem ben ik rechtvaardig voor God, heilig, onberispelijk, zonder vlek en zonder rimpel.

Als u het zo ziet, is Zijn heilige ontvangenis dan geen geweldige bron van troost? Juist de ontdekking aan onze onheiligheid en zonde, na ontvangen genade, is zo pijnlijk en verdrietig. Het kan je hoofd zo naar beneden doen gaan.

Dan kun je wel eens zeggen: ‘Eerst zal ik dit niet meer doen en dan zal ik dat niet meer doen’. En dat is goed, want we moeten strijden tegen de zonde. De apostel zegt: ‘Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde.’  

 

Je komt er meer en meer achter, dat het zó diep zit. Het zit helemaal in je hart, tot in de wortel van je bestaan.

Maar nu is hier een troostbron voor die pijnlijke doorn van ons verdorven-zijn voor God. Zijn volkomen onschuld en heiligheid bedekken mij.

 

Daar moeten we het van hebben, gemeente! Daar mogen we het ook van hebben. Daartoe wordt deze Christus ons verkondigd, opdat u de handen op zou houden en zou leren zeggen: ‘Dank U, Heere, want U hebt ervoor gezorgd, dat het weer goed komt tussen U en mij.’

Juist dan is het een bron van troost, als onze zonden ons voor ogen zweven.

 

De zonde van onze jeugd, als die ordentelijk voor ogen wordt gesteld.

‘O, waar moet ik dan rust vinden?’

Nee, dan helpt het niet om te zeggen: ‘Nou ja, toen was ik jong.’

‘Nee, ik was zonde.’ ‘Hoe moet ik dan rust vinden?’

 

In de bedekking van de Heere Jezus is heel mijn leven vanaf het prilste begin tot aan mijn laatste snik bedekt. In en door Hem!

 

En daarom belijden we iedere Zondag weer opnieuw:

Die ontvangen is van de Heilige Geest,

Geboren uit de maagd Maria.

 

Amen.