Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 13

Gods eniggeboren Zoon

Het unieke van Zijn Zoonschap
Het wonder van ons kindschap
Het geheim van Zijn Heer-schap
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 48: 4
Lezen : Filippensen 2: 1-18
Zingen : Psalm 65: 1, 3 en 4
Zingen : Psalm 89: 7 en 13
Zingen : Psalm 21: 13

Gemeente, wij lezen samen Zondag 13 uit onze Heidelbergse Catechismus

 

Vraag 33: Waarom is Hij ‘Gods eniggeboren Zoon’ genaamd, zo wij toch ook Gods kinderen zijn?

Antwoord: Daarom dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zone Gods is; maar wij zijn om Zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen.

Vraag 34: Waarom noemt gij Hem ‘onze Heere’?

Antwoord: Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht, en van alle heerschappij des duivels verlost heeft, en ons alzo Zich tot een eigendom gemaakt.

 

 

Het gaat in deze Zondag over

Gods eniggeboren Zoon

 

Drie gedachten vragen onze aandacht:

1. Het unieke van Zijn Zoonschap

2. Het wonder van ons kindschap

3. Het geheim van Zijn Heer-schap

 

Gemeente, jongens en meisjes, wat is het een zegen ‘voor kinderen die in het land waar ze geboren zijn, hoegenaamd geen kans hebben om te overleven of zich een plaats te veroveren in de maatschappij, als zij geadopteerd worden door mensen uit andere landen! Ik denk daarbij natuurlijk aan een kind dat geen enkele kans heeft en aan mensen die met een liefdevol hart dit kind aannemen als hun eigen kind.

Stel eens dat er een ouderpaar is met een eigen kind en dat nog twee andere kinderen heeft aangenomen. Zou het dan geen pijn doen als die pleegouders, iedere keer als er mensen bij hen op visite komen, wijzend op hun eigen zoon, zouden zeggen: ‘Kijk, dat is ons eigen kind, dat is onze eigen zoon en die twee anderen zijn geadopteerde kinderen.’? Zouden die twee aangenomen kinderen dan niet het gevoel hebben dat ze eigenlijk niet echt als kind zijn aangenomen, dat ze er eigenlijk niet bij horen?

 

Zo zouden we de Catechismus kunnen opvatten, als wij in vraag 33 lezen:

Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genaamd, zo wij toch ook Gods kinderen zijn?

Dat wordt iedere zondag uitgesproken. Ik hoop dat u het mee beleden hebt, niet als een automatisme, maar vanuit uw hart toen we daarstraks met de Kerk van alle eeuwen hebben beleden dat we geloven in Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon, onze Heere.

 

En nu gaat het eerst met name om de woorden: Gods eniggeboren Zoon.

Is dat eigenlijk wel goed? Is dat niet te exclusief? Zetten we daarmee eigenlijk niet een vraagteken achter het kindschap van de gelovigen? Is het dan niet zoals in dat voorbeeld van die ouders met die twee aangenomen kinderen?

Wat is er nu waar? Heeft God maar één Kind, een eniggeboren Zoon, of heeft Hij er toch meer? Wel, gemeente, in dit geval sluit het ene het andere niet uit, maar juist in. Beide zaken moeten en mogen naast elkaar beleden worden. Let u maar op het antwoord:

Daarom dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zoon van God is; maar wij zijn om Zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen.

Ziet u, beide naast elkaar? Weet u, als we beide elementen zouden vermengen, dan vernietigen we ze eigenlijk allebei. Ik kan niet waarachtig een kind van God zijn, als Christus niet op geheel eigen wijze Gods eniggeboren Zoon is. In het unieke van Christus’ Zoonschap ligt juist het geheim, het wonder van ons kindschap.

 

Wel, daar gaat het in de eerste plaats over in Zondag 13. Christus is de eniggeboren Zoon van God. Maar dat zoonschap van Christus brengt met zich mee het kindschap van de gelovige.

De Bijbel zelf trekt die lijn ook in Johannes 3: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn - en dan komt het- eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Die lijn wordt al getrokken in het eerste hoofdstuk van het Evangelie van Johannes als hij zegt: Zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden.

Daar hoort u over Gods eniggeboren Zoon en over de gelovigen, aangenomen tot kinderen van God.

 

Om Christus’ wil aangenomen. Hier spreekt alles van genade. De prijs, die Hij betaalde voor Zijn adoptiekinderen, was veel hoger dan adoptieouders ooit voor hun kind betaald hebben. Want Hij betaalde de prijs van Zijn bloed, Zijn leven, Zijn dierbaar bloed. En de reis die Hij ervoor overhad, was veel verder dan adoptiefouders ooit ondernamen om hun kind op te halen. Jezus kwam van de hemel naar de aarde. Wie zou dat voor een adoptiekind overhebben? God gaf Zijn Zoon, Zijn enige, Die Hij liefhad. En Jezus gaf Zijn bloed, Zichzelf tot in de dood, om kinderen van Adam, gevallen mensen die geen enkele kans meer hebben om te overleven, te verlossen en het eeuwige leven voor hen te verwerven.

En zo werd Hij de Heere van Zijn kinderen.

 

Dat woordje ‘Heere’ is geen goddelijke naam, maar dat is een naam die Hij verkregen heeft door Zijn werk. Zijn Zoonschap is uniek; ons kindschap is een wonder van genade en Zijn ‘Heere-zijn’ is een diep geheim, dat we alleen maar in het geloof kunnen verstaan.

Zo komen we tot vraag en antwoord 33 over het Zoonschap van Christus en direct daarmee verbonden het kindschap van de gelovige. Dat is namelijk voor de Catechismus de vraag: Hoe kan Christus, de eniggeboren Zoon van God heten, als God nog vele andere kinderen heeft? Als Hij nu enig kind is, dan kunnen er toch geen andere kinderen meer zijn? En toch spreekt de Bijbel over de kinderen Gods. Het is zelfs een schare die niemand tellen kan. Hoe zit dat?

Wel, zegt de Catechismus, er is een gelijkheid - beiden zijn kinderen Gods, zonen Gods - maar er is ook een heel groot verschil, een groot onderscheid, niet gradueel, maar essentieel, wezenlijk, want Christus is God en wij zijn mensen. Hij is de natuurlijke Zoon van God en wij zijn aangenomen kinderen.

 

Gemeente, als we dit verschil vervagen, dan snijden wij het hart weg uit het Evangelie van Gods genade, het Evangelie van zonde en genade, van kruis en opstanding en de verzoening met God. De moderne theologie doet dat, die ontkent de godheid van Christus. O ja, ze willen Jezus nog wel de Zoon van God noemen, maar dan alleen in die zin dat Hij leeft in de erkenning dat God Zijn Vader is. En de Jehova-getuigen geloven hetzelfde. Die willen ook nog wel over de Zoon spreken, maar dan in deze zin: Hij leefde in de ervaring dat God Zijn Vader was, maar Hij is niet de Zoon van God. Zijn verschijning en optreden heeft alleen maar tot doel om Zijn volgelingen te onderwijzen over het Vaderschap van God, dat over alle mensen gaat. Jezus is, volgens hen, echter niet meer dan een mens, een goed mens, een edel mens, een zich opofferend mens, maar toch alleen maar mens.

Het is een hele oude ketterij, die altijd door de kerkvaders is weerlegd vanuit de Schrift. Zo wordt Christus van Zijn eer beroofd en de kerk wordt beroofd van de troost en de zaligheid. Zo wordt het heilgeheim van de eeuwige waarde van Christus’ verdiensten uit het Evangelie weggesneden.

 

Nee, Christus Jezus is de enige, eeuwige Zoon van God. Dat is juist het grote wonder en stof tot eeuwige aanbidding. God buigt in Zijn Zoon neer tot ons arme, verloren, schuldige zondaren, om ons in onze schuldige vervreemding, onze wegloperij van Hem, te zoeken en te vinden en weer terug te brengen tot Zijn gemeenschap. Niet de mens klimt op tot God, maar God buigt Zich neer tot gevallen mensen. Dat is het Evangelie, waar Jesaja al van zingt: Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder.

 

Wat dunkt u van de Christus? Wiens Zoon is Hij? Wel, zegt de Catechismus, en ze spreekt daarin de Schrift na, Hij is de eniggeboren Zoon van God.

Het is best een moeilijke uitdrukking: de eniggeboren Zoon van God.

Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Wel, de Catechismus legt dat woord uit met twee andere woorden: Christus is de eeuwige Zoon van God en Hij is de natuurlijke Zoon van God.

Christus is eeuwig. Hij is nooit de Zoon van God geworden of als Zoon geadopteerd. Hij is eeuwig, net als de Vader.

Toen Hij in Bethlehem geboren werd, is Hij niet de Zoon van God geworden, maar toen is de eeuwige Zoon van God juist mens geworden. Als de eeuwige Zoon kwam Hij op aarde en is daar mens geworden, maar Hij is nooit de Zoon van God geworden. Dat was Hij van alle eeuwigheid en dat zal Hij blijven tot in alle eeuwigheid.

Eer de ruimte was, eer de tijd ontstond, eer de bergen geboren waren, eer God gezegd had dat het licht in de duisternis zou schijnen, was Hij de Zoon van God.

 

Deze belijdenis gaat boven de grenzen van ons denken uit. Wie zal dit heil geheim doorgronden? Niemand! Als Thomas er iets van zeggen wil, dan knielt hij in aanbidding neer voor de voeten van de Heere Jezus en hij roept uit: ‘Mijn Heere en mijn God.’ En als Petrus iets van dat heilgeheim verstaat omdat de Vader het hem geopenbaard heeft, dan zegt hij: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.’ Dit heilgeheim deed Johannes uitroepen: ‘Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborene van de Vader.’

 

Eeuwig, dat is het eerste wat de Catechismus zegt.

Hij is de eeuwige Zoon van God. Maar dan staat er nog wat bij. Hij is ook de natuurlijke Zoon van God. Wat betekent dat nu? Wel, dat kunnen we met het voorbeeld van aardse vaders wel duidelijk maken. Dat betekent in de eerste plaats: Hij heeft deel aan de goddelijke natuur. Zoals ieder kind iets heeft van het wezen van zijn vader, zo bezit Christus hetzelfde wezen als God, Zijn Vader. Hij is Zelf ook God.

 

En in de tweede plaats lezen we ‘de natuurlijke Zoon van God’. Dat staat tegenover de aangenomen kinderen uit het tweede deel van dit antwoord.

De natuurlijke Zoon staat boven het aangenomen kind, dat wel uit genade is aangenomen, maar niet als kind is geboren. Eenieder weet het verschil tussen een natuurlijk kind en een aangenomen kind.

Denkt u maar aan het eenvoudige voorbeeld van Mozes. Onze jongens en meisjes weten dat wel. Mozes werd aangenomen door de dochter van Farao tot haar zoon. Dat leverde heel wat voordelen op. Hij kwam aan het hof; hij kreeg het goed en rijk, maar hij werd nooit een Egyptenaar. Al had die prinses hem aangenomen tot haar zoon, hij was en bleef een Jood, een Israëliet, een zoon van Amram en Jochebed. Hij kon zijn bloed niet verloochenen.

En zo is Christus, zegt de Catechismus, de enige, natuurlijke Zoon van God onder alle omstandigheden. Ook al heeft Hij voor een tijd de gestalte van een dienstknecht aangenomen, zoals we gelezen hebben in de Filippensenbrief, en ons in alles gelijk geworden is, om ons te verlossen.

 

Hij moge dan mens geworden zijn, maar Hij bleef toch God. Maar wat zegt dat nu verder? Wat doen wij daarmee?’ Wel, gemeente, daarin ligt zo’n rijke troost, in de wetenschap dat Christus, onze Middelaar, waarachtig God is. Want dat betekent dat Hij zo overal aanwezig is naar Zijn goddelijke natuur. Zo is Hij ook hier in ons midden. Waar het Woord opengaat en Zijn Naam in het geloof genoemd wordt, daar is Hij. Waar twee of drie in Zijn Naam vergaderd zijn, daar is Hij. Hij heeft het beloofd: Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld.

Dit betekent: Hij is erbij als u het moeilijk hebt, in uw kruis, in uw druk, in uw gehandicapt zijn, in uw pijn, in uw ziekte. Hij zegt: ‘Ik zal u niet verlaten in uw strijd en beproeving.’ Hij ondersteunt in het lijden.

Dat is een grote troost. Ja, het wordt nog rijker. Want Hij is als God ook alwetend. Hij weet alle dingen. Het kan zijn dat er dingen in uw leven zijn, die tegen u getuigen, waar u zich diep voor schaamt. Ik denk aan Petrus, die zijn Meester heeft verloochend. Maar dan mag u toch met een beroep op Zijn goddelijke alwetendheid getroost zijn en met Petrus zeggen: ‘Heere, Gij weet alle dingen; Gij weet ook dat ik U liefheb, dat ik U niet meer kan missen, want die goddelijke liefde hebt U Zelf in mijn hart gelegd. Gij weet alle dingen.’

 

En om nog een derde aspect te noemen.

Omdat Hij God is, heeft Hij een eeuwige waarde aan Zijn verdiensten gegeven. Was Hij alleen maar mens, goed mens, volmaakt mens, heilig mens, zondeloos mens, dan zou Hij maar voor één ander mens hebben kunnen lijden en sterven. Maar omdat Hij God is, geeft dat een oneindige waarde aan Zijn verdiensten. Dat wil zeggen: heel de wereld kan zalig worden in de ruimte van het bloed van de Heere Jezus. Uw zonde kan zo groot niet zijn, u kunt zo ver niet zijn afgedwaald.

 

Niemand is te slecht. ‘Komt, gij armen en ellendigen, en hoort, want bij Mij is redding’, zegt Jezus. Dat is de troost van het geloof in Christus als de Zoon van God.

Dat was onze eerste gedachte: Zijn Zoonschap is uniek.  

 

2. Het wonder van ons kindschap

 

Ja, nu komen we bij ons, mensen, terecht. Wat een afstand tussen die eeuwige, natuurlijke Zoon van God enerzijds en aangenomen kinderen, die worden opgehaald uit de goot van de godsvervreemding anderzijds! Des te adembenemender is het wonder dat Gods genade ze samenbrengt in één gezin, waarvan Jezus de oudste Broeder en God de Vader is en vele anderen de aangenomen broeders en zusters.

En over dat wonder gaat het nu in onze tweede gedachte. Want, zegt de Catechismus, wij zijn toch ook kinderen van God? Jawel, staat er dan bij, jawel, dat zijn we, maar we zijn om Zijnentwil tot kinderen van God aangenomen.

 

Gemeente, het is een eretitel: ‘kind van God’. Weet u een mooier woord voor een gelovige?

Er zijn veel woorden in de Bijbel voor mensen die wedergeboren zijn: gelovigen, discipelen, volk van God, christenen, gemeenteleden. Maar ‘kind van God’, die kindernaam, die wijst op de nauwste relatie die er is tussen een arme zondaar en een barmhartig Vader.

‘Kind’, daar zit alles in, want daar hoort Vader bij. Dat is toch een grote genade! Ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden.

Het is wat om niet meer te zijn onder de geest der dienstbaarheid, wederom tot vreze, de slaafse vreze, maar ontvangen te hebben de Geest der aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, lieve Vader!

 

De aanneming tot kinderen betekent niet, zoals in het begin van de preek met dat voorbeeld naar voren kwam: ‘Nou ja, geen echt kind. Het is maar een aangenomen kind. Voelt u? Zo nemen adoptiefouders geen kindje aan. Nee toch? Nee, de aanneming tot kinderen geschiedt in de volle rechten. Een kind wordt niet aangenomen tot bastaard of tot stiefkind, maar hij gaat de kindernaam dragen en hij gaat behoren tot de ingeborenen van het huis. Hij heeft recht op de erfenis en wordt lid van het huisgezin.

Wat een rijkdom! Zo’n kind komt in de familie en krijgt de volle rechten en plichten zoals de eigen kinderen. Ze krijgen ook de volle erfrechten.

Wie door God als Zijn kind wordt aangenomen, die krijgt alle rechten van Christus. Hij is mede-erfgenaam. Alles wat van Hem is, wordt ook van ons. Is dat niet rijk? Zijn Vader wordt mijn Vader en Zijn huis mijn huis, het Vaderhuis met z’n vele woningen.

Er is niets te bedenken wat Christus bezit en wat Zijn kinderen niet zouden ontvangen, waarin ze niet zouden delen. Door Hem hebben wij ook te allen tijde de toegang tot de troon des Vaders.

Ons avondmaalformulier spreekt over de gelovigen als: Uw lieve kinderen en erfgenamen. Een intiemere relatie is eigenlijk niet in te denken.

 

Bent u een kind van God? Als u daar ‘ja’ op mag zeggen, door Gods genade, dan blijft recht overeind staan wat er van die verloren zoon staat: ‘Ik ben niet waard om uw kind genaamd te worden.’

Verder komen we eigenlijk nooit. De Catechismus zegt ‘toch’. U moet over dat kleine woordje niet heen lezen. Er staat: wij zijn toch ook Gods kinderen? En nu weet ik wel, dat het hier staat, in de eerste plaats, tegenover het Zoonschap van Christus. Maar in dat woordje ‘toch’, daar klinkt ook iets mee van de verwondering. Hoe is het mogelijk?! Het wonder van het kindschap! Daar hebben we helemaal geen recht op. We zijn van God weggelopen, we hebben Hem verlaten. Nu Hij in Zijn Zoon Jezus Christus in ontferming op ons neerziet, zodat Hij ons tot Zijn kinderen wil aannemen, wat is dat groot!

 

En, weet u, na deze genadige aanneming, kan God vaak ook nog niet trots zijn op Zijn kinderen. Ze zijn soms zo ongehoorzaam en zo eigenwillig, zo dwingend, zo lastig of ontaard, ondankbaar en weleens liefdeloos. Of niet? Vindt u dat u beter bent? Wat zou er bij u in aanmerking komen?

Ja, wie nam de Heere eigenlijk aan tot Zijn kinderen? Ons doopformulier zegt dat we van nature kinderen des toorns zijn, die in het rijk van God niet kunnen komen, tenzij wij van nieuws geboren worden.

‘Kinderen des toorns’, wat betekent dat? Dat betekent: mensen op wie de toorn van God rust. Waarom dan? Is God dan zo boosaardig? Nee, God is liefde. Hij is liefde, maar Hij toornt wel over onze zonden.

Door de zondeval zijn we kinderen des toorns geworden. Adam is goed geschapen, maar hij is gevallen. En toen is onze natuur verdorven. We hebben God verlaten en vergeten.

Eigenlijk zijn we geen kind van God meer, wel een kind des duivels. Zo noemt de Heere Jezus het zelf.

En willen u en ik nu echt een kind van God worden, dan gaat dat langs geen andere weg dan de weg van de verloren zoon. Dan moeten we omkeren en teruggaan naar God, Die we verlaten hebben.

In die weg gaat het.

‘Ik heb gezondigd, Heere, en ben het niet waard nog Uw kind genaamd te worden. Heere, ik wil mijn zonden belijden. Wilt U ze vergeven? Ik kan Uw gemeenschap niet missen, Heere.’

‘Ik kom toch naar U toe, Uw Woord zegt dat U een genadig, vergevend God bent. Gij vergeeft menigvuldig.’

 

De Heere trekt door Zijn liefde onwederstandelijk naar Zich toe.’

Dat is trekkende Vaderliefde. En als je over die Vaderliefde spreekt, dan heeft die liefde een voorwerp en dat zijn Zijn kinderen. Daar ligt het grote wonder van het kindschap, dat we nooit zullen kunnen doorgronden noch ontrafelen. En dat noemt de Bijbel met dit woord: de wedergeboorte.

Dat kunnen we begrijpen. Door geboorte worden wij kinderen van onze ouders. Maar alleen door wedergeboorte worden wij kinderen van God. Een andere weg is er niet. Wie van u kan zich nog zijn geboorte herinneren? Nou, daar hoeft u niet lang over na te denken, want dat weet niemand van u.

En, gemeente, weet u dat het zo ook in de meeste gevallen is met het moment van onze wedergeboorte? Wie kan er zeggen: ‘Precies toen en toen, op dat uur ben ik wedergeboren?’ Dat zullen er maar heel weinig zijn. Een dominee of ouderling mag op huisbezoek helemaal niet van u verlangen, als u aan het avondmaal geweest bent, dat u kunt zeggen: ‘Toen ben ik wederom geboren.’

Paulus wist het. Op weg naar Damascus. Onvergetelijk ogenblik!

Maar Lydia wist het niet precies, want die kwam iedere week weer terug onder het woord van Paulus. En ja, op welke zondag het nu was, dat wist ze ook niet precies meer. Maar er is in ieder geval een moment gekomen dat haar hart geopend werd voor de Heere en voor Zijn Woord.

En Timotheüs heeft, evenals Obadja, de Heere van jongsaf aan gevreesd. En Johannes wist het ook niet. Voor Nicodemus was het een compleet raadsel. De moordenaar aan het kruis, ja, die wist het wel.

U ziet, het moment van onze wedergeboorte is voor de meeste mensen verborgen. En de wijze waarop dat gebeurt, welke leidingen de Heere in je leven houdt en welke wegen Hij gaat, dat is voor iedereen verschillend. God gaat met een ieder van Zijn kinderen een eigen weg. Toets je nooit aan een ander. Waar het op aankomt is dat het blijkt in uw leven.

Je kunt heel je leven wel in de grond zitten wroeten om te onderzoeken of de wortel die onder de plant zit wel goed is, maar als je nooit goede vruchten ziet, dan kun je je de moeite van het hele onderzoek wel besparen.

Of wij wedergeboren zijn, of wij een kind van God zijn, dat blijkt uit de vruchten, uit je leven, uit de waarachtige bekering.

 

Dan komen de verkeerde praktijken voor de dag en de zonden worden openlijk beleden.

Er is grote liefde in je hart, je strijdt tegen de zonde en je hongert en dorst naar de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus, om met God verzoend te worden. Je kunt niet meer gerust door blijven leven zonder te weten: ik ben een kind van God.

Zoals een kind de trekken van Zijn Vader vertoont, zo zullen we dan het beeld van die hemelse Vader gaan vertonen. We worden Zijn beeld gelijkvormig. Zoals een kind zijn vader liefheeft, zo gaan we dan God liefhebben, die hemelse Vader. Zoals een kind vertrouwt op zijn ouders, zo gaan we dan de Heere vertrouwen in alles, voor de tijdelijke en voor de eeuwige dingen. En zoals een kind verlangt naar de nabijheid van zijn ouders, zo verlangen we dan naar de nabijheid van de Heere. En zoals een kind gehoorzaam is aan zijn ouders, zo worden we dan gehoorzaam aan de Heere.

 

Wij hadden nooit kunnen bedenken dat God mensen, die kinderen Gods waren in Adam, maar die afgevallen zijn en kinderen des toorns geworden zijn, op die manier weer terug wil brengen. Dat Hij Zijn beeld herschept, dat we weer gaan lijken op de hemelse Vader.

Waarom neemt God zulke zondige, afkerige, ongehoorzame kinderen des toorns aan tot Zijn eigen geliefde kinderen en erfgenamen? Kunt u dat begrijpen?

Waarom ontving de vader van de verloren zoon zijn kind weer terug? Wat denkt u? Dat komt omdat hij zijn kind nog steeds liefhad, ook al bevond hij zich in dat verre land bij de zwijnendraf. Dat was trekkende vaderliefde. En daarom, zegt Johannes: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. God haat de zonde, maar de gevallen mens heeft Hij lief.

Dat de verloren Zoon terugkwam naar de Vader, dat was trekkende liefde, genade. En zo, zegt de Catechismus, is het hier nu ook.

Het staat zo mooi samengevat: uit genade, om Zijnentwil. Dat betekent: om Jezus’ wil heeft God dat gedaan. Om Christus’ wil, omdat Hij de gehoorzame Zoon is geweest, wordt aan mij, ongehoorzaam kind, die gehoorzaamheid van Christus toegerekend alsof ik zelf zo gehoorzaam was. We zijn in Christus volmaakt. Dat is iets geweldigs.

Wie een kind van God is, wie wedergeboren is tot een levende hoop, al worstel je nog zo in je leven met de heiligmaking, die is voor God volmaakt. Hij ziet Zijn kinderen aan in Christus alsof ze nooit zonden hebben gekend of gedaan.

 

Christus heeft het kindschap verdiend door op Golgotha niet meer te kunnen zeggen: ‘Vader’, maar te moeten roepen: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’

In Efeze 1:5 zegt de apostel Paulus: ‘God heeft ons tevoren verordineerd tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus.’ Daar hebt u het: om Zijnentwil. Door Jezus Christus, tot prijs der heerlijkheid Zijner genade. Daar hebt u ze allebei bij elkaar, in één zin in de Bijbel.

Ziet u hoe bijbels de Catechismus is? In één zin: uit genade om Zijnentwil. Alleen in de geloofsvereniging met Christus worden we tot kind aangenomen. En dan staat er nog bij, alsof dat nog niet duidelijk genoeg zou zijn: uit genade.

Wat een eeuwig wonder!

Dat was onze tweede gedachte: ‘Het wonder van ons kindschap.’

 

En voor we overgaan tot onze derde gedachte, gaan we eerst met elkaar zingen uit Psalm 89:7 en 12. 

 

Hoe zalig is het volk dat naar Uw klanken hoort!

Zij wand’len, Heer’, in ’t licht van ’t Godd’lijk aanschijn voort;

Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden;

Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in ’t lijden;

Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,

Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.

 

Gij, zal hij zeggen, zijt mijn Vader en mijn God,

De rotssteen van mijn heil. ’k Zal hem ook stellen tot

Een eerstgeboren zoon, door al zijn broeders t’ eren;

Als koning zal hij zelf de koningen regeren,

Mijn goedertierenheid zijn rijkstroon eeuwig stijven,

En Mijn gemaakt verbond met hem bestendig blijven.

  

 

3. Het geheim van Zijn Heer-schap

 

Zondag 13 spreekt ons over Gods eniggeboren Zoon. We hebben in de eerste gedachte gelet op het ‘Unieke van dit Zoonschap’, in de tweede plaats over ‘Het wonder van ons kindschap’ en in de derde plaats op ‘Het geheim van Zijn Heer-schap.

Het woordje Heere ziet niet in de eerste plaats op Zijn godheid. Het is een Naam, die Hij verkregen heeft door Zijn werk als Middelaar. God heeft Hem tot een Heere gemaakt. Thomas onderscheidt dat als hij zegt: ‘Mijn Heere en mijn God.’

Heere, Meester, Gebieder, Bezitter, Eigenaar. Ging het in de vorige vraag over de verhouding van Christus tot God, in deze vraag gaat het over Zijn verhouding tot ons.

Zijn wij door Christus aangenomen tot kinderen van God, van de Heere Jezus dan zijn we knechten, lijfeigenen, zielseigenen, horigen.

 

De apostelen noemen zich dienstknechten van Jezus Christus. Er staat eigenlijk slaven. Een slaaf van Christus. Hij is onze Heere en wij Zijn knechten. Dat Heere-zijn van Christus is geen vanzelfsprekendheid. De eniggeboren Zoon van God was Hij altijd, van alle eeuwigheid af, maar Heere, Kurios, is Hij geworden. Dat zegt Petrus ook op de pinksterdag: ‘Zo wete dan zekerlijk het ganse huis van Israël, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die gij gekruisigd hebt.’

Ja, dat kruis gaat er inderdaad aan vooraf. Zijn lijden en sterven gaan eraan vooraf. Zijn opstanding en hemelvaart gaan eraan vooraf. Zo is Hij Heere, Kurios, geworden.

 

We hebben gelezen in Filippensen 2 dat Hij Zich diep vernederd heeft, gehoorzaam geworden tot de dood, ja, de dood des kruises. Daarna heeft God Hem uitermate verhoogd en Hem een Naam gegeven, Die boven alle naam is, Heere, opdat in die Naam alle knie zich zou buigen en alle tong zal belijden dat Jezus Christus Heere is.

In die weg heeft Hij slaven vrijgekocht, losgekocht en is Hij de rechtmatige Eigenaar van Zijn volk geworden.

Hoe werd Hij onze Heere? Wel, zegt de Heidelberger, daar deed Hij twee dingen voor. Hij kocht ons met Zijn dierbaar bloed en, ten tweede, Hij verloste ons van de heerschappij van de duivel. En het gevolg daarvan? Alzo werden wij Zijn eigendom. Zo werd Hij onze Heere opdat wij Hem zouden gehoorzamen, dienen en voor Hem leven.

 

Dit antwoord brengt ons dus daar waar Christus een zondaar vindt: in de gevangenis, in de duisternis, in levenslange dwangarbeid, in de macht van satan, zonde en ongeloof. Gemeente, wij worden geboren onder de heerschappij, onder de tirannie van de duivel, als slaven van de zonde.

Regeert satan nog in uw leven? Weet u wat zijn loon is? De dood en het eeuwige verderf. We hebben hem gekozen tot heer over ons leven. En weet u, we doen het nog iedere dag als we ons niet bekeren tot God. Dan verkopen we dagelijks ons lichaam en onze ziel aan de vorst der duisternis om een tijdje de genieting van de zonde te hebben.

 

Hebt u weleens een alcoholist gezien of een druggebruiker? Wat erg toch om verslaafd te zijn, om je lichaam en ziel tot een wrak te laten worden! Om medelijden mee te krijgen. Een slaaf van de alcohol, van de nicotine, van de drugs. Wat erg!

Welnu, zo zijn u en ik van nature verslaafd aan de zonde, slaven van de duivel en onderworpen aan de dood. Net als die druggebruiker gaan we een zekere dood tegemoet. En weet u wat het ergste is? We willen niet eens ruilen van meester. Zo haakt een mens naar de zonde.

En de gevolgen? De dood, zonder hoop in de wereld. Heel je leven onderworpen aan de slavernij en op den duur sterven in hopeloosheid.

Vindt u dat een goede heer? Nee, wees wijzer, gemeente, jongens en meisjes!

Er is een andere Heere en Die wil Heere zijn over uw leven. En daar zegt de Catechismus over in vraag 34: Hij is onze Heere Jezus en wij Zijn knecht, wij Zijn slaaf.

 

Kan dat dan? Jazeker! En dat is in totale vrijwilligheid omdat Hij mensen vrijwillig maakt om Hem te dienen. Hij verandert het hart. Dan wordt alles anders. Dan zien we er heil in om Hem te volgen en te dienen.

O, als het aan ons gelegen had, als het aan mij en aan al Gods kinderen gelegen had, dan waren we levenslang een slaaf van de duivel gebleven. Maar Christus kwam, de gewillige Knecht van de Vader. Hij nam de slavengestalte aan om slaven vrij te kopen. Met lichaam en ziel kwam Hij en Hij boog onder de zonde en onder de last van de toorn des Vaders over de zonde.

Welke prijs betaalde Hij? De Catechismus zegt ‘niet met zilver of goud’. Het duurste van het duurste, de edele metalen in deze wereld waarmee je bijna alles kunt, maar dat was niet kostbaar genoeg. Geen dertig zilverlingen zoals voor een volwassen slaaf, maar veel duurder, met het aller kostelijkste wat denkbaar is: de prijs van Zijn bloed. Dat betekent: Zijn leven.

 

Hij gaf Zijn leven aan het kruis.

Ik zie Hem gaan als het Lam van God. Ik zie Hem in Gethsémané buigen, bloed zwetend.

Ik zie Hem staan voor Kajafas, gebonden, bloedend, gesmaad, geschonden. Ik zie Hem staan voor Pilatus op het terras, met de spotmantel om en de doornenkroon op Zijn hoofd. Zijn bloed loopt van Zijn slapen af naar beneden.

We zien Hem Zijn armen uitstrekken om doornageld te worden met de spijkers van onze zonden. We zien Hem aan het vloekhout des kruises. We horen Hem uitroepen: ‘Eloï, Eloï, lama, sabachtani? Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’

Opdat Hij Heere zou zijn voor verloren zonen en dochters, die moed- en vrijwillig God verlaten en de dood boven het leven gekozen hebben. Om die terug te halen en te brengen in een verzoende betrekking met God.

Wat een dure prijs! Hij betaalde met Zijn leven. Het is volbracht! Gij zijt duur gekocht; zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn. U, die mag zeggen: ‘Ja, ik ben een kind van God', denk maar veel aan de prijs, en verheerlijk God in uw lichaam en ziel, welke Godes zijn.

 

Wie kreeg de prijs? Niet de duivel. Nee, gemeente, maar Jezus betaalde aan het heilig recht van God. Want vijanden moesten met God verzoend worden. Geen mens kon die prijs der ziele, dat rantsoen, aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen. Gods eniggeboren Zoon wel.

Is Zijn bloed u niet dierbaar? Als u zegt: ‘Nee’, dan is Jezus uw Heere niet.

Het helderste kenmerk van het geloof is met Petrus te belijden: U dan, die gelooft is Hij dierbaar.

Als het geloof in oefening is, dan is Hij u dierbaar. Als Jezus u dierbaar is, als de lijdende, bloedende, stervende Zaligmaker, dan is dat een bewijs dat u gelooft.

Is de zondeschuld geboet, dan is ook de macht van de zonde gebroken. En dat betekent dat satan onze heer niet meer is. Dan is Hij Zijn macht kwijt over ons leven.  Want Jezus kwam, Hij betaalde, Hij verloste, Hij riep gevangenen vrijheid uit en gebondenen opening der gevangenis.

 

Dan begint de echte vrijheid. Want als u door Jezus Christus bent vrijgemaakt, dan bent u waarlijk vrij. De ware vrijheid is: het eigendom te zijn van die trouwe Meester, Die Zijn bloed ervoor over gehad heeft. Wat krijgen we Hem dan lief! Dan zeggen we: ‘Heere, Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.’ Dan gaan we helemaal voor Hem leven.

 

Het doel van die loskoping is, dat we voor Hem gaan leven. Want er staat: en Hij heeft ons alzo Zich tot een eigendom gemaakt. Dat is een dure verplichting. Adeldom verplicht. Wie een kind van God is, die zal voor Hem leven. Die belijdt Zijn Naam vrijmoedig en laat zien in zijn dagelijks leven wie Zijn Heere is. Hij zegt:

‘De eniggeboren Zoon van God is mijn Heere. Hij heeft het voor het zeggen in mijn leven. Hij beschikt over mijn leven, want Hij kocht mij met Zijn bloed en door Zijn Geest voert Hij heerschappij over mij.’

 

Dan hebben we de dure plicht, als we zien wat Hij ervoor heeft betaald, om Zijn deugden te verkondigen. Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.

Dan spreek je goed van de Heere. Dien uw Meester toch met heel uw hart! Als Jezus uw Heere is, dan is uw lichaam niet meer van uzelf. Dat betekent: weg alle onreinheid, hoererij, overmatig gebruik van allerlei dingen. Als uw ziel Jezus’ eigendom is, dan dient u Hem van harte.

‘Wel,’ zegt u, ‘ik ben net als Paulus een slaaf, een dienstknecht van Jezus Christus. Maar dat is geen slavenarbeid, dat is liefde-arbeid. Ik wil niet anders meer, ik wil levenslang aan Hem verbonden zijn.’

 

Gemeente, een eigenaar, die een slaaf koopt, kan twee dingen met die slaaf doen. In de eerste plaats kan hij hem loskopen en dan loslaten. En in de tweede plaats kan hij hem houden en hem een plaats geven in zijn huisgezin. Als Christus slaven vrijkoopt, dan laat Hij ze niet los. Christus neemt al die vrijgekochten in Zijn dienst. Hij neemt ze in Zijn huisgezin op. Vandaar dat Paulus zegt: ‘Ik ben een dienaar van Jezus; Hij is mijn Heere.’

En wat is nu kenmerkend van zo’n slaaf? Dat je geen zelfbeschikkingsrecht meer hebt. U zegt: ‘Dat is ook benauwd.’ Nee, dat is juist de ware vrijheid. Dat betekent:

‘Meester, U bent zo goed. Wilt U de baas zijn in mijn leven? Ik kan het toch alleen maar verkeerd doen. Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’

 

Je mag weten dat je Zijn eigendom bent, want Hij heeft je gekocht met Zijn dierbaar bloed. En de Eigenaar moet voor Zijn slaven zorgen, naar lichaam en ziel. Ze hebben niets meer van zichzelf. Nu, gemeente, dat doet deze Meester. Hij zorgt heel goed voor Zijn kinderen. Al wat u ontbreekt, zegt Hij, schenk Ik, zo Gij ’t smeekt, mild en overvloedig. Ik heb zoveel verdiend.

En weet u wat de beleving is van zo’n vrijgekochte slaaf? In de eerste plaats een oprechte overgave aan Hem. Daar kunt u het aan weten. Toets uzelf maar of Hij uw Heere is. Dan geef je je aan Hem over. Mijn hart, o Hemelmajesteit, is tot Uw dienst en lof bereid.

Dan zeg je ook:

‘Wat ben ik toch gelukkig! Ik ben gelukkig, want ik heb zo’n goede Meester. Mijn brood is zeker en mijn water is gewis. Hij zorgt voor mij.’

 

Uw Vader weet wat u nodig hebt. Dat is nu de betekenis van dat korte zinnetje: ik geloof in Gods eniggeboren Zoon, onze Heere.

Hoe is het bij u? Mag u het in verwondering en met vrijmoedigheid nazeggen? Of zegt u: ‘Nee, dat kan ik eigenlijk niet zeggen.’ Is het kindschap niet in uw hart? Neemt u nog uw eigen beslissingen? Ach, wat let u toch om voor Hem te knielen, voordat het te laat is. Voordat je het zal doen op de jongste dag, maar dan gedwongen.

 

Hij is zo’n goede Meester. Waarom zou je Hem niet dienen? ‘Ja maar’, zegt u, ‘wil Hij mij wel in dienst hebben?’ Nou en of! Waarom dacht u dat u anders in de kerk zat? Dat is toch om zielen te winnen voor het Lam. Dat is toch om duidelijk te maken dat Hij u ontvangen wil in al Zijn liefde.

 

Maar, let op, je kunt geen twee heren dienen.

Niet een ieder die tot mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil van Mijn Vader, Die in de hemelen is.

 

Wat let u om neer te knielen naast Thomas, de ongelovige, met een hart vol liefde en verlangen, een hart dat naar Hem uitgaat bij het zien van de tekenen van Zijn lijden en sterven? Als Jezus zegt: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, breng uw hand en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig.

Wat let u om in aanbidding te roepen: ‘Mijn Heere en mijn God.’ 

 

Amen.