Ds. M. Karens - 1 Johannes 3 : 11 - 18

Een vermaning tot onderlinge liefde

De boodschap
De waarschuwing
Een kenmerk
Een voorbeeld
De daad

1 Johannes 3 : 11 - 18

1 Johannes 3
11
Want dit is de verkondiging, die gij van den beginne gehoord hebt, dat wij elkander zouden liefhebben.
12
Niet gelijk Kain, die uit den boze was, en zijn broeder doodsloeg; en om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren, en van zijn broeder rechtvaardig.
13
Verwondert u niet, mijn broeders, zo u de wereld haat.
14
Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben; die zijn broeder niet liefheeft, blijft in den dood.
15
Een iegelijk, die zijn broeder haat, is een doodslager; en gij weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende.
16
Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen.
17
Zo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijn broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem?
18
Mijn kinderkens, laat ons niet liefhebben met den woorde, noch met de tong, maar met de daad en waarheid.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 147: 1
Lezen : Johannes 15: 9 - 27
Zingen : Psalm 133: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 119: 32
Zingen : Psalm 122: 3

Gemeente, waar liefde woont, gebiedt de Heere Zijn zegen. Wat klinkt dat mooi en indrukwekkend, vindt u ook niet? In deze dienst gaat het over de praktijk hiervan in de verzen 11 tot en met 18 van 1 Johannes 3. Ik lees nu alleen het achttiende vers:

 

Mijn kinderkens, laat ons niet liefhebben met het woord, noch met de tong, maar met de daad en waarheid.

 

In dit Schriftgedeelte wijst Johannes ons op: Een vermaning tot onderlinge liefde.

 

Vijf woorden, vijf gedachten moet u onthouden:

 

1. De boodschap. In vers 11 staat namelijk: Want dit is de verkondiging die gij van den beginne gehoord hebt, dat wij elkander zouden liefhebben;

2. De waarschuwing. Want in vers 12 staat: Niet gelijk Kaïn die uit den boze was en zijn broeder doodsloeg.

3. Een kenmerk. Vers 14 zegt: Wij weten dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven. Hoe kunnen wij dat weten? Dewijl wij de broeders liefhebben. Die zijn broeder niet liefheeft, blijft in den dood.

4. Een voorbeeld. Dat zien we in vers 16: Hieraan hebben wij de liefde gekend dat Hij (de Heere Jezus Christus) Zijn leven voor ons gesteld heeft: en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen.

5. De daad. Daarover gaan de verzen 17 en 18, waarin onder meerdere staat: Laat ons niet liefhebben met het woord, noch met de tong, maar met de daad en waarheid.

 

Dus het gaat over een vermaning tot onderlinge liefde, die ons wijst op de boodschap, de waarschuwing, een kenmerk, het voorbeeld en de daad.

 

Ten eerste dus:

 

1. De boodschap

 

Gemeente, in het tiende vers van dit hoofdstuk houdt Johannes ons voor dat u kunt weten of u een kind van de duivel bent, en hoe dat openbaar komt. Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar.

Kinderen van de duivel zijn we allemaal van nature. Johannes heeft twee kenmerken van de kinderen des duivels genoemd. Het verschil met de kinderen van God zit in het niet doen van de rechtvaardigheid en het niet liefhebben van de broeders. Want Johannes schrijft: Een iegelijk die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijn broeder niet liefheeft.

Dus kun je zeggen dat het verschil openbaar komt in het niet houden van de geboden Gods. De rechtvaardigheid doen houdt in: God liefhebben boven alles, uw naaste als uzelf, en de broeders liefhebben. Johannes werkt dit in de verzen 11 tot en met 18 nader uit.

Twee woorden staan daarin centraal: liefde en haat. Calvijn zegt dat in de verzen 14 tot en met 18 de liefde wordt aangeprezen als ‘een heerlijke lof, dat een getuigenis is van onze doorgang van de dood in het leven.’ Want eigenlijk moet ik u zeggen bij het woord ‘liefde’, dat wij in onze tijd er geen idee meer van hebben, wat dat inhoudt. Het gaat hier over een volmaakte, reine, en goddelijke liefde, die de Heere uitstort in het hart, en die wederliefde uitwerkt tot Hem en onze naaste.

 

In vers 11 zegt Johannes: Want dit is de verkondiging. Het Griekse woord voor ‘verkondiging’ mag je ook vertalen met ‘boodschap’. Het is de boodschap, de verkondiging, het Evangelie, de zuivere leer, en het Woord dat gesproken is door Christus en de apostelen, dat wij elkaar moeten liefhebben. Het is alsof Johannes zegt: ‘Dit heeft u vanaf het begin gehoord. Ik schrijf u niets nieuws, want de Heere Jezus heeft het verkondigd. Eigenlijk is dit de gehele inhoud van de wet van Mozes, waarvan de hoofdsom is: God liefhebben boven alles en mijn naaste als mezelf. Dat hebben jullie christenen, kinderen van God in Turkije, gehoord toen u onder de prediking van het Evangelie kwam. Vanaf het moment dat God Zijn dienaren zond en de boodschap ingang mocht vinden in uw hart.’

 

Als we dit overdenken valt het op hoeveel parallellen er liggen in het Evangelie van Johannes en in zijn brieven. Dezelfde woorden en zaken komen steeds weer terug. In Johannes 13 vers 34 en 35 lezen we dat de Heere Jezus zegt: Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt. Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander. Johannes zegt hier: ‘Dit heeft u vanaf het begin gehoord, want God de Vader heeft het gezegd.’ In 1 Johannes 3 vers 23 staat het ook: En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam van Zijn Zoon Jezus Christus en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft. Dus het is het gebod van de Vader; het is de boodschap van Christus en de apostelen dat wij elkaar zullen liefhebben.

 

Gemeente, de Wet leert ons dat we God moeten liefhebben boven alles, en onze naaste als onszelf. Hoe is dan de praktijk in uw leven? Ga daar eens over nadenken. Hoe staat het er mee? Heeft u door het werk van de Heilige Geest al eens nagedacht over de vraag: ‘Kunt gij dit alles volkomen houden?’ Heeft u het antwoord ‘nee’ daarop al gegeven? De eis van Gods Wet ligt op u en op jou om God lief te hebben boven alles en je naaste als jezelf. Zijn wij al – niet met ons verstand, maar met ons hart – met onze Catechismus aan de weet gekomen: ‘Kunt gij dit alles volkomen houden? Nee ik, want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.’ Hebt u geleerd onder tranen uit te roepen: Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?

 

In onze tekst gaat het in het bijzonder over Gods kinderen, want Johannes zegt: dat wij elkander zouden liefhebben. Dit ziet op de medegelovigen, Gods kinderen, van wie we hebben gezongen: ‘Ai ziet, hoe goed, hoe lieflijk is het dat zonen van hetzelfde huis als broeders samenwonen.’ Over die liefdegeur, de onderlinge liefde, de gemeenschap der heiligen, schrijft Johannes in dit derde hoofdstuk. Gods kinderen mogen met de psalmdichter zeggen: ‘Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen, die Uw Naam ootmoedig vrezen, en leven naar Uw goddelijk bevel.’

Uit de Johannesbrief blijkt dat het met de onderlinge liefde in die tijd niet zo best gesteld was. Wij hebben misschien vaak hele optimistische denkbeelden over de christengemeenten in de eerste eeuwen, maar de brieven van Johannes, Jakobus en Paulus laten ons iets anders zien. De gemeente uit Handelingen 2 was vervuld met de Pinkstergeest en had alle dingen gemeenschappelijk. Maar het is al snel openbaar gekomen in de gemeente van Korinthe en andere, dat het met de onderlinge liefde niet altijd zo ideaal gesteld was. Daarom doet Johannes hier zo’n dringend appel op Gods kinderen om het goede voor elkaar te zoeken en om elkaar lief te hebben. Opdat de verkondiging ertoe zou leiden dat Gods volk zou mogen zeggen: Om des huizes des Heeren onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken (Ps.122:9). Dit is de boodschap: dat gij elkander zoudt liefhebben.

 

We gaan in de tweede plaats naar:

 

2. De waarschuwing,

 

Johannes wil ons iets met een voorbeeld duidelijk maken. Hij zegt: ‘Zo moet het niet zijn: Niet gelijk Kaïn, die uit den boze was en zijn broeder doodsloeg. En om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren, en die van zijn broeder rechtvaardig.’

De apostel maakt hier met een voorbeeld uit het Oude Testament duidelijk hoe het onder broeders niet moet zijn. Het is opvallend dat Johannes bijna nooit teruggrijpt op het Oude Testament – hij heeft dit in zijn brieven maar één keer gedaan – maar hier geeft hij een voorbeeld en noemt hij Kaïn. Hij zegt: ‘zo moet het niet.’ Niet gelijk Kaïn, die uit den boze was.

Kaïn. Onze jongens en meisjes kennen die geschiedenis wel. Het is een waarschuwend voorbeeld dat Johannes hier geeft. We gaan in gedachten naar Genesis 4, naar de ingang van de Hof van Eden. Daar waar alles sprak van Gods heerlijkheid, en de mens vol was met liefde tot zijn Schepper en tot zijn naaste, maar waar het ons niet goed heeft gedacht God in erkentenis te houden.

Dan zien we net buiten het Paradijs de eerste gevolgen. Kaïn is een kind van Adam en Eva. Kanttekening 47 zegt: ‘Dat is, een kind des duivels.’ Dit is ook de uitleg van vers 10, waar de kinderen Gods en de kinderen des duivels onderscheiden worden.

 

Kaïn is de eerstgeborene van het slangenzaad, een kind van de duisternis dat de werken ervan deed. In hem kwam openbaar: ‘geneigd God en de naaste te haten.’ Kaïn wordt door Johannes als het gaat over de onderlinge liefde, als schrik, als waarschuwing, en als voorbeeld gezet. Kaïn, die uitriep: ben ik mijns broeders hoeder? (Gen.4:9).

Waaruit bleek nu die haat van dit kind van de duivel?

Johannes zegt: ‘Hij sloeg zijn broeder dood.’ Hij was uit de boze en had de aard van zijn vader. Als kind van de vorst der duisternis kwam hij openbaar in het doden van zijn broeder.

Er staat hier een verschrikkelijk woord: ‘doodslaan’. Kanttekening 49 zegt dat dit woord ‘slachten’ betekent; het wordt alleen gebruikt voor offerdieren en de gewelddadige dood van martelaren.

Wat een waarschuwing wordt ons hier gegeven. Johannes zegt tegen deze gemeenteleden: ‘Als het nu gaat over broederlijke liefde; wat was dan de oorzaak? Treiterde Abel zijn broer? Was Abel een jongen die Kaïn veel in de weg legde? Waarom heeft hij hem afgeslacht?’

Het antwoord is: Omdat zijn werken boos waren, en die van zijn broeder rechtvaardig. Kanttekening 50 zegt: ‘Uit enkel nijd en afgunstigheid omdat hij niet kon verdragen dat God, Abel die godzaliglijk leefde, getuigenis gaf dat hij Hem aangenaam was en dat Kaïns offerande Hem mishaagde, alzo hij een kwaad leven leidde.’

Kain’s werken waren boos, werken der duisternis. De werken van Abel waren rechtvaardig. De wortel van de doodslag wordt ons hier aangewezen: afgunst, nijd en jaloezie. De boze aard van Kaïn, die uit de boze was, kwam openbaar in de werken der duisternis.

 

Abel was een godvrezende jongen, die het goede zocht, ook voor zijn broer Kaïn. In Abels hart was het ware geloof gewerkt. Er staat in Hebreeën 11 vers 4: Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande Gode geofferd dan Kaïn, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was. Want door het geloof alleen ben je rechtvaardig voor God. Abel mocht bij het altaar door het geloof verder zien. Hij mocht daar zien op het Vrouwenzaad dat komen zou xxxx en die zou voldoen voor de schuld van Abel, die ontvangen en geboren was in zonde. Hij mocht door het geloof, door het werk van Gods genade, zien op die komende Christus en Zijn offer en daarom was hij rechtvaardig. Daar komt het op aan: zaligmakend geloof dat de Heilige Geest werkt in het hart, dat uitgaat naar Christus.

Kaïn voelde dat zijn werken boos waren. Hij voelde innerlijk dat zijn leven niet goed was. Heb jij dat ook wel eens? Zitten er hier in de kerk misschien jonge mensen die met een grote mond allerlei dingen zeggen, maar in het licht van Gods Woord in hun hart voelen: mijn leven en mijn hart is niet goed. Ik leef verkeerd; ik kan God zo niet ontmoeten?

Kaïn wist dat zijn werken niet goed waren voor God. Hij heeft ervaren dat Abel gelukkig was. Daarom was er die wortel van afgunst en jaloezie. Er staat: en zijn broeder doodsloeg. Hij heeft hem uit de weg geruimd omdat hij God niet kende. De wortel van de zonde in het hart van Kaïn, die uit de boze was, werkte een verschrikkelijke daad uit.

 

Gemeente, jongelui, Matthew Henry zegt: ‘De zonde, eens toegelaten, kent geen grenzen.’ Daarover moeten jullie deze week eens nadenken. Johannes wijst ons op het leven van Kaïn: Niet gelijk Kaïn. Als de zonde wordt binnengelaten in ons hart, doen we meer en meer de werken der boze. ‘Dus hij sloeg hem dood’, zegt Johannes, ‘omdat zijn werken boos waren, en die van zijn broeder rechtvaardig.’

Weet je wat ik wil vragen? Ben jij wel eens jaloers op een kind van God?

Nee, ik bedoel niet, net als Kaïn, met een wortel van afgunst en haat, maar zitten er misschien jongeren in de kerk die met een heilig verlangen bezet zijn, die weleens jaloers zijn op jongeren of ouderen waaraan zichtbaar is dat ze de Heere vrezen? Ben je wel eens jaloers op een kind van God?

‘Ja dominee’, zeggen jongeren dan vaak, ‘maar ik zou niet weten, waar ik ze zoeken moet.’

Dat is erg! Is dat niet de donkerheid van onze tijd? Maar als je verlangt hen te zien en te ontmoeten, dan zijn ze er nog wel.

Heilig jaloers op Abel, op Jozef, en op kinderen van God, opdat het je mag uitdrijven en je met de psalmdichter in het verborgene mag zeggen: ‘Geef dat mijn oog het goed’ aanschouw. ‘t Welk Gij, uit onbezweken trouw, Uw uitverkoor’nen toe wilt voegen. Heere, mag ik het goed, dat U schenkt, ook ontvangen?’

Jongeren, je mag jaloers zijn, heilig jaloers op een kind van God. Dan ga je bedelen aan de genadetroon: ‘Heere, schenk mij ook die genade, zou U mij willen bekeren?’ Dan ga je de Heere zoeken.

 

Johannes toont ons bij zijn waarschuwing dat haat een vrucht van de duivel is, en liefhebben een vrucht van Gods genade. Dat combineert hij met een les: Wanneer je die les doortrekt naar vandaag, zegt hij: Verwondert u niet, mijne broeders, zo u de wereld haat. Kijk maar eens naar dat voorbeeld van Kaïn. Hij vermoordt de godvrezende Abel. Dat is de lijn van heel de wereldgeschiedenis. En daarom: mijn broeders, verbaast u niet als de wereld u haat.’

Mijne broeders, zegt hij niet tegen iedereen. Hierin ligt de geestelijke band met het gelovige huisgezin dat wedergeboren is tot een levende hoop. Daarom moet u onderzoeken of u door goddelijke genade daarbij mag horen, of u aangesproken wordt door die woorden.

U weet inmiddels wel dat Johannes verschillende aanspraken gebruikt. De ene keer ‘mijn kinderkens’, de andere keer ‘mijn broeders’ of ‘mijn geliefden’. Nu zegt hij: ‘mijn broeders’. Hij bedoelt dan de ware broeders, die een Vader in de hemel hebben, die hun Oudste Broeder, Jezus Christus, door het geloof hebben leren kennen. Hij bedoelt degenen die mogen leven in het geestelijke huisgezin, de Kerk des Heeren.

Tegen hen zegt Johannes: ‘Verbaast u er zich niet over dat de wereld u haat, dat de wereld u ziet als een afschrapsel, als een uitvaagsel.’ Kanttekening 52 zegt: ‘Dat is: de wereldse en onwedergeboren mensen.’

 

Gemeente, een onbekeerd mens haat God, haat Zijn Woord, Zijn volk, en alles wat van God is. Deze wereld zal de Kerk, dat levende kind, blijven haten tot aan de wederkomst van Christus. De wereld beantwoordt de liefde van Gods volk met allerlei vervolging. We zien dat christenen die wensen te leven naar het Woord van God in deze wereld worden vervolgd. Wat een brandende haat van de wereld, aangewakkerd door allerlei valse godsdienst! Verwondert u er niet over, want er zullen in het laatste der dagen zware tijden zijn. Zoals Kaïn zijn broer haat, zo zal de Kerk des Heeren, Gods kinderen, door alle eeuwen heen door de wereld gehaat worden.

De Heere Jezus heeft dat voorzegd en daarom hebben we een gedeelte uit Johannes 15 gelezen: Indien u de wereld haat, zo weet dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. Dit heeft Christus Zijn discipelen gezegd en Johannes heeft het onthouden: Indien gij van de wereld waart zo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. Maar dit geschiedt opdat het woord vervuld worde dat in hun Wet geschreven is: Zij hebben Mij zonder oorzaak gehaat (Joh.15:19,25). Maar Johannes mag zien op die overste Leidsman, zijn Meester, Die het eenmaal moest uitroepen: ‘Mijn broederen ben ik vreemd, door elk onteerd.’

 

Zo verging het Christus, maar zo vergaat het – in de navolging van Hem- ook al Gods kinderen. Daarom zegt Johannes nu tot troost: ‘Verwonder je niet.’ Verbaas je maar niet dat je misschien op school wordt genegeerd, en door anderen wordt veracht als je begeert te leven naar het Woord van God. Verwondert u zich maar niet dat de wereld u haat, wanneer u vanuit dat geschonken geloof op uw werk probeert in alle liefde te leven naar het Woord van God. Zo verging het Abel en vele anderen in de geschiedenis. Zo verging het Jakob met Ezau, Hanna met Peninna, Jozef met zijn broers, en Daniël met zijn vrienden in Babel. Verwondert er u niet over als de wereld u haat, want Christus heeft het gezegd: ‘Zij hebben Mij zonder oorzaak gehaat.’

Dit is de weg van de Kerk. Matthew Henry schrijft: ‘De grote slang regeert hier als de god in de wereld. Verwonder er u dus niet over als de slangenwereld u haat en tegen u sist, u, die behoort tot het Zaad, dat de kop van de slang vermorzelde.’

Over die haat tussen het Vrouwenzaad en het slangenzaad schrijft Johannes hier in deze brief. Maar het is voor ons wel de grote vraag – dit moet u onderzoeken op reis naar de eeuwigheid – bij wie u hoort, bij de wereld of bij ‘mijne broeders’. Want daar ligt het grote verschil: Zijn we als Kaïn of als Abel? Is Kaïn een type van ons of mogen we door Gods genade weten tot ‘mijne broeders’ te behoren?

 

Gemeente, over het ‘behoren bij de wereld’ hebben we eerder nagedacht. In 1 Johannes 2 vers 15 tot en met 17 staat: Hebt de wereld niet lief noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses en de begeerlijkheid der ogen en de grootheid des levens is niet uit de Vader maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij met al haar begeerlijkheid.

Behoren we bij de wereld die God en Zijn volk ten diepste haat, of mogen we door Goddelijke genade zeggen, dat wij wedergeboren zijn tot een levende hoop? Ik las nog ergens iets dat ik u niet wil onthouden: ‘Wanneer christenen volkomen geaccepteerd worden door hun omgeving, duidt dit er vaak op dat ze zich in weinig meer onderscheiden van die omgeving…’ Mag ik dit bij deze tekst tot zelfonderzoek opmerken?

Indien u de wereld haat. Verklaarders zeggen: ‘Als er nu weinig onderscheid is tussen ons en onze omgeving, dan haat men u niet.’ Ze hebben helemaal niets tegen u, wanneer er geen enkel verschil openbaar komt met de wereld en al zijn begeerlijkheid. Neem daarom het onderwijs van de apostel der liefde, die ook is Boanerges – één van de ‘zonen van de donder’ – ter harte. Paulus zegt: En wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds (Rom.12:2). Want wie een vriend van de wereld is, zal met de wereld vergaan.

 

Gemeente, u kunt weten of u een Kaïn bent of een Abel. U kunt het weten voor Gods aangezicht, want er is een kenmerk: dan bent u uit de dood overgaan in het leven. Over dat kenmerk gaat het in onze derde gedachte. We zingen eerst daarover uit Psalm 119 vers 32:

 

Ik ben een vriend, ik ben een metgezel

Van allen die Uw Naam ootmoedig vrezen,

En leven naar Uw Goddelijk bevel.

O Heer, hoe wordt Uw goedheid ooit volprezen!

Gij doet op aard’ aan alle scheps’len wèl;

Och, wierd ik in Uw wetten onderwezen!

 

Onze derde gedachte is:

 

3. Een kenmerk

 

Een vermaning tot onderlinge liefde. We hoorden ten eerste de boodschap. Johannes zegt: ‘Vanaf het begin heeft u niet anders gehoord dan: elkaar liefhebben.’ Ten tweede klonk de waarschuwing: ‘Kijk eens naar het voorbeeld van Kaïn.’ Ons derde kernwoord is: een kenmerk. Want: Wij weten dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben. Die zijn broeder niet liefheeft, blijft in den dood.

 

Johannes houdt zijn lezers een spiegel voor wanneer hij schrijft: Verwondert u niet, mijne broeders, zo u de wereld haat. Hij zegt daarmee: ‘U kunt het weten of u een Kaïn of een Abel bent.’ Heel de wereldgeschiedenis door zijn er kinderen van de duivel en kinderen van God geweest. Wij weten… Johannes en de kinderen van God in Turkije, die broeders aan wie hij schrijft, kunnen het weten. Dat wordt in het Grieks sterk benadrukt. Ze mogen dat door het geloof weten.

Wat mogen ze dan weten?

Geliefde gemeente: Zij mogen weet hebben van het grootste wonder dat er in het leven van een mens kan gebeuren. Het allergrootste wonder, namelijk dat zij overgegaan zijn uit de dood in het leven.

Overgegaan. Er staat in het Grieks een woord dat je ook mag vertalen met ‘verhuisd’. Ze zijn verhuisd uit de dood naar het leven. Ze zijn overgegaan, overgeplaatst, overgezet. Kanttekening 53 zegt: ‘Dat is, overgebracht, overgevoerd; namelijk door God’. Ze mogen met geloofswetenschap weten dat ze wederomgeboren zijn. Ze mogen weet hebben van het grote wonder waarvan onze Dordtse vaderen zo prachtig belijden: ‘En dit is die wedergeboorte: die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de doden en levendmaking, waarvan zo heerlijk in de Schrift gesproken wordt, die God zonder ons in ons werkt.’ Ze zijn overgegaan, verhuisd, uit het zondegraf van de dood naar het leven, overgezet door God.

 

Dood of leven – dat is nu de grote tegenstelling. Er zijn heel wat tegenstellingen in de gemeente. Je hebt jongeren en ouderen, armen en rijken, en noem maar op. Toch zijn er maar twee soorten mensen. We zijn of dood in de zonden en de misdaden, en liggen in de geestelijke en de eeuwige dood, of wij zijn opgestaan uit die dood.

Nergens leest u zo helder over de dood dan in Efeze 2 vers 1: daar gij dood waart door de misdaden en de zonden. Dat betekent niet alleen maar neerliggen, nee, de doodstaat is actieve vijandschap tegen God. Paulus zegt in Efeze 2: ‘Wij wandelden naar de begeerlijkheden van ons hart en leefden naar de dingen van de wereld.’ Wandelen in de zonde, zonder God en zonder Christus.

 

Uit den dood – dat is de vallei vol dorre beenderen. Johannes mag weten en zeggen tegen zijn lezers: ‘Wij mogen door het geloof toch zeker weten dat dit wonder van die nieuwe schepping in ons leven gebeurd is.’

In het leven – dat betekent door het zaligmakende geloof deel te hebben gekregen aan Christus. Dat grote wonder, door het geloof deel krijgen aan Hem, Die gezegd heeft: Ik ben de Weg, en de Waarheid en het Leven (Joh.14:6). Johannes schrijft er in zijn Evangelie zo dikwijls over: Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. (Joh.3:36).

 

Gemeente, uit de dood, in het leven: Dit is het grootste wonder in het leven van een mens. Daar komt het nu op aan, want het is noodzakelijk. Onze belijdenisgeschriften zeggen, dat het een groter wonder is dan de schepping van hemel en aarde, als een dode zondaar door Gods genadekracht door Woord en Geest wordt levend gemaakt. Wie in Mij gelooft – dat is de geloofsband met Christus die in de wedergeboorte wordt gelegd, als ze Christus worden ingelijfd en Zijn weldaden leren aannemen. Wie in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven (Joh.11:25). Deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden (Lukas 15:24).

 

Waaraan kun je dit nu weten? Wat is het bewijs, vraagt Johannes, het kenmerk van dat nieuwe leven, van dat wonder dat je uit de dood bent overgegaan tot het leven?

Ikzelf zou een heel ander kenmerk genoemd hebben: Omdat wij naar God zijn gaan vragen, en wij de droefheid naar God hebben leren kennen. Wij weten uit de dood te zijn overgegaan in het leven omdat we hebben leren hongeren en dorsten naar de Heere Jezus Christus.

Maar Johannes zegt: ‘Zal ik u nog een kenmerk noemen? Dewijl wij de broeders lief hebben. Want iemand die de liefde niet heeft, blijft in de dood.’ Zo klinken de scherpe woorden van Johannes.

U kunt het dus weten of u een kind van God bent. Hoe gaat u om met uw naaste? Hoe gaat u om met andere kinderen van God? Kanttekening 55 zegt: ‘Daarmede wordt niet aangewezen de verdienende oorzaak van het leven, maar het kenteken waaruit wij van het leven verzekerd worden.’ Dus de broeders liefhebben is niet de verdienende oorzaak, maar de vrucht van de nieuwe geboorte.

 

De wereld en dode zondaren haten God en hun naaste, maar in de wedergeboorte wordt de liefde van God uitgestort in het hart. Deze gave van God xxxx maakt wat haat is tot liefde. Wat een last was – naar de kerk gaan, Bijbellezen, spreken over de dingen des Heeren – wordt een lust. Wat je een lust was: de wereld met al zijn genoegens, dat wordt een last. Dan ga je in beginsel de zonde haten en vlieden; dat is een vrucht van het werk van de Heilige Geest in het hart. Een vrucht uit God, want God is liefde. Hij giet de wonderlijke liefde uit in het hart van een vijand. Dan komt er een liefde tot God, tot Zijn kinderen en een liefde tot de waarheid van Zijn Woord. Dan gaan we God liefhebben boven alles. Dat is een kenmerk. Onderzoek het maar in uw leven.

 

Misschien praat u wel veel en kunt u het mooi verwoorden. Daarover gaat het nog bij het laatste punt. Maar is het de praktijk in uw leven dat we de broeders liefhebben? Blijkt in woord en daad dat er liefde is onder elkaar en tot Gods volk? Nee, ik bedoel niet lief doen. Dat is er ontzaglijk veel in de godsdienst. In evangelische kringen is het één en al liefde; het druipt ervan af. Nee, ik bedoel de vrucht van het goddelijke genadewerk in uw hart. Waar liefde heerst… We kunnen best een voorbeeld nemen aan anderen, maar laten we het onderzoeken. Want het gaat niet over menselijke werkheiligheid en lief doen, maar over de vrucht van de wedergeboorte.

Als de Heere dit wonderwerk doet, en Hij u uit de dood tot het leven overzet, dan plant Hij het geloof in uw hart, giet de liefde uit in uw hart en verwekt de hoop. Doch de meeste van deze, staat er in 1 Korinthe 13 vers 13, is de liefde. Johannes bedoelt dat er onder Gods kinderen geen haat mag zijn. Er moet liefde zijn: ‘Ai ziet, hoe goed, hoe liefelijk is ‘t dat zonen...’ ‘Wanneer het niet zo is’, zegt de apostel der liefde, ‘is dat het teken van de dood, een gebrek aan geestelijk leven.’ Hij zegt in vers 14: Die zijn broeder niet liefheeft, die blijft in den dood. Het is een toetssteen, een kenmerk, dat de apostel geeft: liefde tot God en tot Zijn volk. Een iegelijk die zijn broeder haat, is een doodslager – zegt hij in het volgende vers – en gij weet dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende.

 

Thuis moet u Zondag 40 van de Catechismus maar eens lezen. Daarin wordt gevraagd: ‘Maar is het genoeg dat wij onze naaste (…) niet doden? Het antwoord luidt: ‘Neen, want God, verbiedende den nijd, haat, en toorn, gebiedt, dat wij onzen naaste liefhebben als onszelf en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen.’

Dus Johannes zegt: ‘Die zijn broeder haat, en zoals Kaïn leeft, zal het eeuwige leven nooit beërven. Want een doodslager beërft de eeuwige dood.’ Waar die vruchten van liefde, het werk van de Heilige Geest, worden gemist, daar is geen geestelijk leven en geen bekering. Daar is geen godswerk en geen hoop, maar eeuwige duisternis. Laten we daarom staan naar dit noodzakelijke wonder en erom bedelen, want: Tenzij iemand wederom geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien (Joh.3:3).

 

Gemeente, ik heb u al vaak gezegd dat dit godswonder nodig is in een mensenleven. Daarbuiten kan er veel zijn, maar dat wonder is onmisbaar. Dat wonder is ook nu nog mogelijk. U kunt nog uit de dood worden overgezet in het leven, omdat er Eén is Die het leven heeft verworven. Door Zijn opstandingskracht doet Hij dode zondaren leven. Want de ure komt en is nu, wanneer doden zullen horen de stem des Zoon Gods. En die Die gehoord hebben, zullen leven (Joh.5:25). Dat brengt ons bij ons vierde punt:

 

4. Een voorbeeld

 

In de verzen 12 tot 15 heeft Johannes uitgelegd wat het niet is. Nu gaat hij ons nog tot slot uitleggen wat het wel is, want hij zegt in vers 16: Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen. Johannes wijst hen op het grote Voorbeeld: de Heere Jezus Christus.

Hieraan hebben wij de liefde gekend, schrijft Johannes. Door het geloof mogen Gods kinderen weten Wie Christus voor hen geworden is. Jezus heeft Zijn broeders, vijanden en goddelozen, zo liefgehad, dat Hij Zijn leven voor hen gesteld heeft. Johannes kijkt hier terug naar Golgotha, toen hij stond bij de kruispaal. Hij wil zeggen: ‘Dit is het overtuigende bewijs van Zijn liefde dat Christus Zijn leven gegeven heeft tot een volkomen offer.’ En Paulus zegt in Romeinen 5 vers 7 en 8: Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven. Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is als wij nog zondaars waren.

Kinderen van God, Johannes wijst hier op het grote Voorbeeld, Die door het geloof gekend wordt, op die onbevattelijke liefde dat Hij Zijn leven heeft gesteld voor goddelozen en voor vijanden. Die liefde is een eenzijdige, eeuwige, volmaakte en unieke liefde.

Nee, Gods kinderen zullen zo nooit kunnen liefhebben. Maar toch stelt Johannes Christus als Voorbeeld. ‘Hij heeft Zijn leven voor ons gesteld’, zegt hij, ‘en wij zijn schuldig de broeders lief te hebben.’

 

Christus heeft Zijn leven, Zijn ziel, tot een schuldoffer gesteld; voor ons, voor de kinderen Gods in Turkije, voor de broeders die door Goddelijke genade uit de dood tot het leven zijn gebracht.

Voor ons… Het Griekse woordje ‘voor’ heeft twee betekenissen. Het betekent ten eerste: ten behoeve van. Hij heeft dat offer gebracht ten behoeve van Zijn kinderen. Ten tweede betekent het: in de plaats van. Hij heeft Zich ook in de plaats van Zijn kinderen gesteld om Zijn leven te geven voor al degenen die Hem door een waar geloof zullen worden ingelijfd.

De Catechismus vraagt in Zondag 7: ‘Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, zoals zij in Adam verdoemd zijn geworden?’

‘Neen zij, maar alleen degenen die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen.’

Johannes zegt dus: ‘Hij heeft voor ons Zijn leven gegeven. Hij heeft Zich in onze plaats laten hangen aan het vloekhout op Golgotha. Voor ons, die door goddelijke genade uit de dood tot het leven zijn overgezet.’ Wat een onbevattelijk wonder: ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood zou moeten sterven.’ Jezus stond in hun plaats als Borg, als Plaatsvervanger, voor Zijn gehele volk.

 

Ik heb het al vaker gezegd, en misschien kunnen onze kinderen het wel onthouden, wat Johannes hier schrijft. Hij zegt eigenlijk: ‘De Heere Jezus heeft Zijn leven voor al Zijn kinderen gesteld. Hij is in de plaats van Zijn kinderen gaan staan.’

Kinderen, ken je dit verhaal uit de oorlog? Er waren in een dorp Duitse soldaten gedood. De nazi’s namen wraak en alle jongens en mannen werden bijeengedreven op een plein. De Duitse commandant zei: ‘We doen het deze keer op de volgende manier. Laat ze allemaal op een rij gaan staan. Dan schieten we de eerste dood en de volgende mag blijven leven, de daaropvolgende schieten we weer dood. Om en om dus.’

Er stond een jongeman van 16 of 17 jaar bij. Het zweet brak hem uit. Ik moet gaan sterven; dat is God ontmoeten, dan word je opgeroepen voor de rechterstoel van God. Naast hem stond een oude man en die merkte dat. Hij dacht: ‘Ik mag weten waar ik heen ga, want ik ken die enige troost.’ Hij zei: ‘Kom, vlug.’ Zij wisselden van plaats. Even later knalden de salvo’s en de oude man zonk ineen. Hij mocht ingaan in de eeuwige rust en die jongen mocht naar huis. Hij mocht leven. Er stierf een ander in zijn plaats!

 

Die Zijn leven voor ons heeft gegeven… Begrijpt je dat? Dat is nu het goddelijke genadegeheim wat Gods kinderen gaan leren: Hij de dood, zij het leven. Daarom zegt Johannes: Wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen. Wij zijn niet alleen schuldig onze naaste, maar vooral Gods kinderen hartelijk lief te hebben. Dat is onze roeping. Niet alleen die aangename kinderen van God met wie we zo goed kunnen praten, maar allen die door goddelijke genade uit de dood tot het leven zijn gebracht. We hoeven ons leven niet te geven, hoewel het hier wel zo lijkt.

Voor de broeders het leven te stellen… Dat betekent uw tijd, gaven, kracht, en alles voor hen over te hebben. Denk maar aan de geschiedenis van de onbarmhartige dienstknecht. U weet wel dat hem een geweldig hoog bedrag was kwijtgescholden, omdat hij smekend voor de koning lag. Onderweg naar huis kwam hij iemand tegen van wie hij bij wijze van spreken nog tien euro kreeg. Toen zei hij: ’Betaal me, betaal me, anders sluit ik je op in de gevangenis.’

Zo zijn wij in de praktijk en daarom zegt Johannes: Wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen. Het is een voorbeeld dat Christus ons gegeven heeft. Paulus mag het schrijven: U groeten zeer in den Heere Aquila en Priscilla, met de gemeente, die te hunnen huize is (1Kor.16:19). Ze hadden hun leven over gehad voor de apostel Paulus.

Laten Gods kinderen, de Kerk des Heeren, iets van die zaken vertonen in deze ondergaande wereld. Laat allen die uit de dood tot het leven zijn gebracht en die door goddelijke genade iets weten van dat plaatsvervangende Borgwerk, het openbaar doen komen in de vruchten. Het is hun roeping om de broeders lief te hebben.

 

In vers 17 geeft Johannes nog een voorbeeld: Zo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijn broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem? Met andere woorden gezegd: ‘Wie zo doet heeft geen greintje liefde van God in zich.’

Als u het goed hebt en God u rijk gezegend heeft, en u ziet een broeder, een huisgenoot des geloofs, gebrek lijden en u houdt uw hart gesloten, uw portemonnee, uw bankrekening, dan kan er in u geen liefde van God zijn.

Hoe blijft de liefde Gods in hem?

Eusebius, één van de oude geschiedenisschrijvers van de eerste christelijke gemeente, beschrijft dat er pest, een besmettelijke en levensgevaarlijke ziekte, uitbrak in de Egyptische stad Alexandrië. Hier was een grote christelijke gemeente. Duizenden en duizenden stierven aan die ziekte. Toen bleek het onderscheid tussen de heidenen en de christenen. Want de heidenen vluchtten weg uit Alexandrië en lieten de stervenden, de ellendigen over aan hun lot. De christenen echter bleven en hielpen de ellendigen. Daar kwam openbaar waar het Johannes om gaat: de ellendigen en de nooddruftigen bijstaan.

 

Ons laatste kernwoord is:

 

5. De daad

 

Weet u het nog? De daad was het vijfde woord: Mijn kinderkens, laat ons niet lief hebben met het woord, noch met de tong. Laat ons niet alleen zingen: ‘Ai, ziet hoe goed, hoe liefelijk’, maar liefhebben met de daad en met de waarheid.

Hoe gaan wij nu om met onze naaste? Johannes vat die aansporing samen. Mijn kinderkens. Weet u nog wel, dat verkleinwoordje? Die oude grijze apostel zegt: ‘mijn kindertjes’. Laat dat liefhebben met daden openbaar komen in uw leven.

Hoe moet het dan niet?

Niet met mooie praat, of schone woorden, of rechtzinnige woorden.

Hoe dan wel?

Met de daad, in waarheid, in de praktijk der godzaligheid. Als leden van dat ene Lichaam, die schuldig zijn elkaar lief te hebben. ‘Zulks niet alleen met woorden, maar ook met de daad jegens elkander bewijzen’, zegt het Avondmaalsformulier.

Liefhebben met mooie woorden?

Nee, met de daden openbaar komen en in waarheid. Dat betekent: ongeveinsd, niet uit eigenbelang of eigenliefde, niet om naam te maken, maar om lief te hebben in waarheid en oprechtheid. Hier wordt de praktijk der godzaligheid geleerd.

 

Gemeente, vijf woorden. Neem ze mee naar huis, overdenk ze eens. Het is een apostolische vermaning. Johannes ziet het voor zich: die eerste gemeenten in Jeruzalem, zo net na Pinksteren. En de menigte van degenen die geloofden was een hart en een ziel en niemand zeide dat iets van hetgeen hij had zijn eigen was, maar alle dingen waren hun gemeen. Want er was ook niemand onder hen die gebrek had, want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij en brachten den prijs der verkochte goederen en legden dien aan de voeten der apostelen. En aan een iegelijk werd uitgedeeld naar dat elk van node had (Hand.4:32,34,35). Dat is nu de praktijk der godzaligheid van de christelijke gemeente.

 

Gemeente, laten we ons onderzoeken. Wat is het er soms ver vandaan. Johannes zegt tot Gods kinderen: ‘Mijn kinderkens, laat in uw gehele leven die liefde zien; opdat God zal worden verheerlijkt.’

Wat zal er een glans op Sion liggen wanneer door uw godzalige wandel uw wereldse naaste, uw buurman, collega, of familielid dat van God noch gebod wil weten, ook voor deze Jezus, Die Zijn leven gaf voor vijanden, mag worden gewonnen. Want als die liefde in uw hart ligt, dan is het uw hartelijke begeerte dat er mensen voor Christus mogen worden gewonnen.

 

Amen.

 

Psalm 122 vers 3:

 

Dat vreed’, en aangename rust,

En milde zegen u verblij’,

Dat welvaart in uw vesting zij,

In uw paleizen vreugd’ en lust.

Om vriend en broed’ren spreek ik nu:

“De vrede zij en blijv’ in u;

Nooit moet haar nijd of twist verkloeken;

Om ’s Heeren huis, in u gebouwd,

Waar onze God Zijn woning houdt,

Zal ik het goede voor u zoeken.”