Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 10

Het geloof in Gods voorzienigheid

Gods onderhoudende hand in de schepping
Gods regerende hand ten bate van al Zijn kinderen
Gods bewarende hand over allen, die op Hem hopen
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 93: 1
Lezen : Job 1: 1 - 22
Zingen : Psalm 73: 1, 8 en 14
Zingen : Psalm 139: 8 en 14
Zingen : Psalm 115: 6

Gemeente, aan de beurt in onze Catechismus is Zondag 10.

 

Vraag 27: Wat verstaat gij door de voorzienigheid Gods?

Antwoord: De almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt, en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen.

Vraag 28: Waartoe dient ons, dat wij weten, dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt?

Antwoord: Dat wij in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles, dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onze getrouwen God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

 

Gemeente, het gaat in deze Zondag over

Het geloof in Gods voorzienigheid

 

Drie gedachten vragen onze aandacht:

1. Gods onderhoudende hand in de schepping

2. Gods regerende hand ten bate van al Zijn kinderen

3. Gods bewarende hand over allen, die op Hem hopen

 

Gemeente, het gebeurde in 1941 in het tweede oorlogsjaar. Dominee J.G.Woelderink was toen predikant in Ouderkerk a/d IJssel. Hij was toen al weduwnaar. Maar op een dag overkwam hem nog iets vreselijks. In alle vroegte, ’s morgens toen het nog donker was, reed een autobus de IJsseldijk af. Daardoor verloor Ds. Woelderink in één keer drie zonen. Drie jonge levens werden afgesneden. Toen hij zijn overleden kinderen zag, knielde hij neer en bad tot zijn Vader in de hemel. Toen sprak hij de woorden, die we zojuist tijdens de schriftlezing gehoord hebben: ‘De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd.’ Hij is Vader en Hij weet wat Hij doet.

Ds. Woelderinks enige troost in deze diepe rouw en droefheid was zijn geloof in Gods voorzienigheid. Hij geloofde dat alle dingen, ook dit ongeluk, hem niet bij geval, maar uit Gods vaderlijke hand was toegekomen.

Wij spreken dan wel van een jobstijding, maar hier was ook een jobsgeloof.

 

Voor de jobstijdingen kwamen, was Job al oprecht Godvrezend en wijkende van het kwaad. Voor zijn kinderen stierven, bad Job altijd als een Godvrezende vader voor hen. Als ze een feestje hadden, dacht Job: ‘Misschien hebben mijn kinderen wel gezondigd.’ Dan bad hij voor hen en dan bracht hij een offer voor hen. Wat is het groot, dat we, als er zo’n vreselijke slag valt, een jobsgeloof mogen hebben, want dan mogen we troost putten uit de voorzienigheid van God!

 

Het is zaak om God te vrezen, vóór jobstijdingen komen.

Het is zaak, jongens en meisjes, om aan je Schepper te gedenken in de dagen van je jeugd, eer de kwade dagen komen. Zoek de Heere nu, dat is een troost voor heel je leven en dan heeft de Heere nog wat aan je leven ook.

Natuurlijk blijven er ontzettend veel vragen onbeantwoord. Wie weet direct waarom zoiets ernstigs gebeuren moet? We moeten Zondag 10 niet zien als de leer van Gods voorzienigheid, als een objectieve theorie van het Godsbestuur. Het gaat hier over Gods allerbijzonderste voorzienigheid met betrekking tot het leven van Zijn kinderen.

 

Dat wordt duidelijk als we aan het slot van antwoord 27 lezen: Al deze dingen komen ons toe vanuit Zijn vaderlijke hand. Er staat niet ‘voor de wereld en voor ieder mens die maar geloven mag en kan’, maar er staat ‘ons’. Dat is de christen, die gezegd heeft in Zondag 1: ‘Ik mag weten, dat ik het eigendom ben van die getrouwe Zaligmaker.’ Dat is het getuigenis van een christen, van een gelovige, die heel dicht bij zijn of haar Vader leeft.

Hier wordt verteld hoe Gods kinderen alles beleven in hun leven, niet als een noodlot, niet als een keten van toevalligheden, maar als een leven uit Gods Vaderhand. Het gaat hier om een levend vertrouwen op de leiding van God.

We kunnen de voorzienigheid van God alleen maar belijden voor zover wij het Vaderschap van God belijden. Zondag 10 volgt op Zondag 9. Daarin ging het over het Vaderschap van God: De eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus is om Zijn Zoons Christus’ wil, mijn God en mijn Vader.

Het gaat hier niet over oorlog en terreur, over Auschwitz, over concentratiekampen, over armoede, maar het gaat hier over hoe een arme, die tegelijkertijd een arme van geest is, zijn armoede beleeft voor Gods aangezicht.

 

Zo komt Zondag 10 in een heel bijzonder licht te staan. We kunnen alleen maar spreken over de voorzienigheid vanuit het geloof. ‘De Vader’, zegt Paulus, ‘heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgegeven. Hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken?’ Ziet u, in het hart van Zondag 10 staat het kruis van de Heere Jezus. Dat is het geheim. Wie niet met God is verzoend, wie het hart van God in Christus niet kent, die kan ook niet spreken van Zijn Vaderhand. Daarover gaat het hier in deze Zondag.

 

Zijn Vaderhand is een ander woord voor Gods voorzienigheid, Gods macht, Gods regering, Gods hand of Gods vinger. Wij gebruiken die uitdrukking ook, als we tegen elkaar zeggen: ‘Daar heeft hij de hand in gehad.’ Dat betekent: dat heeft hij gedaan, dat heeft hij geregeld, daar heeft hij voor gezorgd.

God heeft geen handen. Maar u begrijpt, dat het een mensvormig spreken is; het is een beeld. Tot drie keer toe wordt in deze Zondag Gods hand genoemd. Vandaar de drie punten van zo-even. Kijkt u maar mee in deze Zondag.

Eerst in antwoord 27:

De almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt.

Dat is onze eerste gedachte: de onderhoudende hand in heel de schepping.

Maar dan gaat het verder, in het slot van antwoord 27:

Dat alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen.

Daar heb je Zijn regerende hand over al Zijn kinderen.

In antwoord 28 komt die hand nog een keer voor:

Dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

Dat is weer de hand van God, die bewarende hand voor allen, die op Hem hopen.

 

Die Goddelijke hand, die hand van de Vader, die alles onderhoudt, die de wereld regeert en alle dingen zo bestuurt ten goede voor Zijn Kerk, dat is nu Gods voorzienigheid.

Het woordje ‘voorzienigheid’ komt van het werkwoord ‘voorzien’.

Het woord voorzienigheid staat niet in de Bijbel. Dat is ook helemaal niet erg, want de zaak waar het om gaat, staat heel duidelijk in de Bijbel.

Op het woordje ‘voorzien’ kunt u op twee manieren de klemtoon leggen.

Vòòrzien betekent: van tevoren zien, vooruit zien, mogen weten wat er in de toekomst zal gebeuren.

Dat is een betekenis. Maar wat zou het ons baten, als de Heere alleen maar een soort helderziende was, die wel alles van tevoren wist, maar lijdelijk moest toezien bij alles wat er gebeurt?

U begrijpt, dat dit niet het enige kan zijn.

Nee, je moet het ook zo lezen: voorzìèn, in de zin van zorgen voor, onderhouden, regeren.

De hand van de Vader doet niet alles met willekeur, grillig, maar daar zit het weloverwogen plan, de altoos wijze raad des Heeren achter. De uitvoering van die raad van God noemen we nu Gods voorzienigheid.

Het is ook niet God Zelf. Sommige mensen spreken over de Voorzienigheid en bedoelen daar God mee. Nee, het is één van Zijn werkzaamheden. Het is een almachtige, alomtegenwoordige kracht, zegt de Catechismus.

 

Voorzienigheid, voorzien.

Wie moet niet denken aan dat bekende hoofdstuk, dat we in het begin van de Bijbel tegenkomen, Genesis 22? Daar komt dat woordje voor het eerst voor in deze betekenis. Vader en zoon beklimmen een smal bergpad. Jullie weten al wie het zijn, jongens en meisjes. Het zijn Abraham en Izak. De jongen draagt het hout op zijn schouders en de vader het vuur en het mes. Zijn hart wordt verteerd door de vraag: ‘Hoe moet het nu, nu ik mijn enig kind, dat ik liefheb, moet offeren ten brandoffer? Hoe moet het dan met het nageslacht, met alles wat God heeft beloofd?’ En als Izak vraagt: ‘Vader, hier is het vuur en het hout en het mes, maar waar is het lam ten brandoffer?’ Hij zegt: ‘God, mijn jongen, God Zelf zal Zich een lam ten brandoffer voorzien.’ Abraham wist op dat moment echt nog niet van dat lam in de struiken. Hij wist en geloofde, dat God machtig was om Izak uit de dood tot leven te brengen.

 

Ik geloof in God, in Gods voorzienigheid. De Heere zal voorzien.

Gods onderhoudende hand zien we in heel de schepping. De Catechismus zegt in een soort definitie:

De almachtige, alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt.

God heeft na de schepping Zijn hand niet van de schepping afgetrokken.

Ursinus gebruikt het volgende voorbeeld in de uitleg van de Catechismus. God doet niet zoals een reder. Die maakt een schip en als het klaar is, levert hij het af aan de stuurman. Het is niet zo, dat God de hemel en de aarde geschapen heeft als een mooie klok. Het is niet zo, dat Hij die klok heeft opgewonden en dat die nu vanzelf afloopt.

Nee, vanaf het ogenblik waarop God deze wereld schiep, heeft Hij ook voor haar gezorgd van dag tot dag. Daarom zit u hier in de kerk, gekleed, verzorgd en gezond.

 

De Heere Jezus zegt: ‘Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook.’ Als God Zijn hand maar een ogenblik van deze wereld af zou trekken, dan zou deze wereld zich vernietigen en ten val komen. Maar God stuit die val, God houdt Zijn hand onder haar. Zo onderhoudt Hij haar. God houdt dat schoon gebouw van Zijn schepping onwankelbaar in stand. Hij draagt de schepping, zegt de Hebreeënbrief. Hij draagt alle dingen door het Woord van Zijn kracht, Zijn onderhouding. Daar is niet zomaar een klein beetje kracht voor nodig, maar daar is een almachtige kracht voor nodig. Het gaat immers over de onderhouding van de bezielde en onbezielde schepping. Hemel en aarde en alle schepselen, staat er. Daar is niet minder kracht voor nodig, dan voor de schepping zelf. God zorgt voor de hemellichamen, dat ze in hun baan blijven, voor de zeeën, dat ze in hun perken blijven, voor de jaargetijden, dat ze afwisselen, voor de aarde.

 

Rijd maar eens door de polder en u ziet de koren- en aardappelvelden. God zorgt ervoor, dat de aarde haar vrucht voortbrengt. Zonder die almachtige kracht zou heel de schepping een chaos worden. Als God Zijn hand maar voor een ogenblik van uw leven af zou trekken, dan zou uw hart ophouden met kloppen.

Die onderhoudende hand van God is niet alleen almachtig, maar, zo zegt de Catechismus, die is ook alomtegenwoordig. U kunt geen plaats bedenken in hemel of op aarde of in de hel, of Gods hand is daar. Hij is zowel op de machtige planeten in het heelal, als bij de kleinste wormpjes of insecten in de aarde. Hij voedt de vogels des hemels en kleedt de leliën des velds. Hij voedt de jonge raven. Hij zorgt niet alleen voor de planten en de dieren, maar ook voor de mens.

De onderhoudende hand van God is zichtbaar in uw en mijn leven. Of we de Heere nu vrezen of niet, in het heden der genade worden we allemaal gedragen door Zijn hand. Alles wat we aan gaven ontvangen, komt tot ons via de Vader der lichten.

Jongens, voel eens aan je pols. Voel je hem kloppen? Iedere polsslag komt door Zijn almachtige, alomtegenwoordige kracht tot stand. Iedere ademhaling, elke stap die u zet, elk woord, dat u spreekt, het komt allemaal van Hem. Gemeente, is dat geen onuitsprekelijk wonder?

We hebben ook onze verantwoordelijkheid hoe wij onze kracht gebruiken. Als we dat eens meer zouden beseffen, dan zouden we ons hartelijk bekeren en leven van de kracht van God en tot eer van God. Wie hieronder heel zijn leven onbekeerd blijft, van hem zal God eens Zijn hand aftrekken.

 

Dat was onze eerste gedachte: Gods regerende hand in heel de schepping.

 

2. Gods regerende hand ten bate van al Zijn kinderen

 

We lezen verder in de Catechismus:

En alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen.

 

God regeert.

Hij regeert deze wereld en Hij regeert Zijn Kerk. Hij regeert in de grote dingen en in de kleine dingen. Hij volvoert Zijn raad, Hij voert Zijn plan uit. Zelfs Zijn vijanden gebruikt Hij voor het bereiken van Zijn doel. Nee, het toeval regeert niet, hoewel veel mensen dat denken. Soms maken wij er ons ook wel aan schuldig. Hebt u nooit gezegd bij een heel opmerkelijk iets in je leven: ‘Dat is ook toevallig.’ Nee, er is niets toevallig. Toeval bestaat niet. God, de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde, onderhoudt en regeert alle dingen.

En in die regering is heel de wereldgeschiedenis ten diepste dienstbaar aan de Kerk. De Kerk van Christus staat in het centrum van alles wat er gebeurt in deze wereld. Dat zou je niet denken als je om je heen kijkt. Soms lijkt het wel of de overste van deze wereld regeert, maar toch heeft God alles in Zijn hand. En die hand is voor Gods Kerk een Vaderhand.

Zoals de steigers eenmaal worden afgebroken, als een gebouw voltooid is, zo zal straks de wereldgeschiedenis ophouden, als de Kerk van Christus voltooid is. Dan heeft God Zijn doel bereikt met deze wereld. God regeert met Zijn vaderlijke hand ten bate van al Zijn kinderen. Alle dingen, tot in de kleinste toe, staan onder Gods leiding.

 

Mag u dat wel eens zien? O, als je dat ziet, dan weet je niet waar je kruipen moet van verwondering en aanbidding! Wij zijn zo blind als een mol, maar als God je ogen opent, dan kun je terugzien in je leven. Toen heeft God dit gedaan en toen heeft God dat gedaan. Toen heeft Hij me daar bewaard en toen heeft Hij mij zo geleid. Dat mag vertrouwen geven voor de toekomst. Dan mag je zeggen: ‘Ik zal God geen kwaad woord en niets ongerijmds meer toeschrijven.’ Dan zie je overal Gods hand, Zijn leiding, Zijn voorzienigheid.

Bij Jona lezen we: ‘De Heere beschikte een vis.’ Die vis was als een grote vrachtboot, jongens en meisjes, om hem op te slokken en weer terug te brengen op zijn uitgangspunt. God regeert, Hij beschikt. Even later zit Jona te dutten onder de wonderboom. Hij verkneutert zich in de val van Ninevé, maar dat gaat gelukkig niet door. Dan beschikt God, tot straf van Jona, een worm. En die worm knaagt de wortel door en weg is de wonderboom. Daar zit Jona, met de brandend hete zon op zijn blote hoofd.

 

God volvoert Zijn raad, zelfs dwars door de zonde heen. Denk maar aan de broers van Jozef, onze jongens en meisjes kennen die geschiedenis wel. Gemeen was dat, dat ze hem in de put hadden gegooid! En toen die kooplieden in een grote karavaan langskwamen op weg naar Egypte, hebben ze hem eruit gehaald en verkocht. Ze hebben zijn kleed met een beetje bloed van een lammetje vies gemaakt en naar vader gestuurd. Jakob moest denken: ‘Jozef leeft niet meer, hij is verscheurd.’ Ja, wat is dat gemeen! Maar God regeert, want later wordt Jozef onderkoning van Egypte. En dan zegt hij: ‘Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.’ Jakob met al zijn kinderen en kleinkinderen komen dan naar de korenschuren van Egypte, om daar onderhouden te worden in hun leven.

 

God regeert, zelfs over de zonde. Dat zie je ook in het leven van de Heere Jezus. Judas verraadt Hem. Israël roept: ‘Kruis Hem, kruis Hem.’ Ze verwerpen de Messias in ongeloof. Pilatus is een verdorven rechter, want hij geeft een Mens, van Wie hij overtuigd is, dat Die onschuldig is, nochtans over om de wrede kruisdood te sterven. Maar nochtans: God regeert. Dwars door al deze zonden heen, voert God Zijn heilsplan uit tot verlossing van Zijn Kerk. Op de berg des Heeren zal het voorzien worden.

Op Golgotha voorzag God in de schuldbetaling van Zijn volk. Ja, het kruis van de Heere Jezus Christus staat in het centrum van Zondag 10. Gemeente, de Heere kan zelfs met een kromme stok een rechte slag slaan.

 

De Catechismus zegt:

Alzo regeert, dat loof en gras, en al die andere dingen, niet bij geval, maar uit Zijn vaderlijke hand ons toekomen.

Weet u, wat opvallend is? Dat de Catechismus, juist als het gaat over Gods voorzienigheid, helemaal niet van die bijzondere dingen noemt. Het gaat niet over stormen of oorlogen, over vrede en hongersnoden, over besmettelijke ziekten en watersnoodrampen. Daar willen we in de regel Gods hand nog wel in zien.

Nee, de Catechismus heeft het hier over de gewoonste dingen van het dagelijks leven. Het gaat over de zorg van een boer voor zijn land, over loof, gras, vruchtbaarheid, de weersomstandigheden, regen en droogte. Het gaat over de vraag wat we morgen zullen eten en drinken. Hoe vaak informeren we niet naar iemands gezondheid?

Hoe heel gewoon komen al deze dingen over!

 

Praat u wel eens over de Heere Jezus als u op visite bent bij anderen? Wie merkt in deze dingen Gods vaderlijke hand nog? Ik denk alleen degenen, die heel dicht bij de Heere leven en Hem hartelijk liefhebben. Zij zeggen iedere dag in diepe afhankelijkheid: ‘Heere, wat een wonder, dat ik nog leef, dat er een boterham op mijn bord ligt, dat ik mijn kinderen kleren aan kan doen en dat ze naar school kunnen! Heere, wat bent U goed!’

Als je dicht bij de Heere leeft, dan kun je je er ’s morgens over verwonderen, dat God nog zoveel onverdiend geeft en daar mag je Hem voor danken. Wat zorgt God als een Vader voor Zijn kinderen! ‘Nee, Hij kan het nooit verkeerd doen in mijn leven.’ Er valt geen haar van ons hoofd zonder de wil van onze hemelse Vader.

 

Gemeente, als we eerlijk zijn, wat leven we daar ver vandaan! Het is weleens goed, dat de Catechismus ons daarbij bepaalt. Als de oogst tegenvalt, zeggen we: ‘Misschien hebben we niet genoeg kunstmest gestrooid?’ Als het lang droog blijft, zeggen we: ‘Het wordt tijd, dat het weer eens gaat regenen.’ Als we met ziekte te kampen hebben, zeggen we: ‘Ja, die verkoudheid zullen we daar en daar wel opgelopen hebben.’ Ik zeg niet, dat al die dingen niets met elkaar te maken hebben. Alleen, zien wij daar ook Gods vaderlijke hand in? De gelovige leerling van de Catechismus zegt: ‘God is het, Die het vruchtbaar maakt, al gebruikt Hij daar de middelen voor.’

Hij doet Zijn zon schijnen over bozen en goeden, Hij regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, Hij geeft sneeuw als wol, Hij werpt Zijn ijs heen als stukken. Hij komt mij tegen met ziekte, met een handicap.

Het kan ook positief zijn. Hij zorgde ervoor, dat ik die betrekking kreeg. Hij maakte mijn zaak voorspoedig, dat ik goede winsten mocht maken.

 

Je moet er eens op letten, dat de Catechismus in deze hele gewone dingen van het dagelijks leven, waarin God regeert, drie categorieën onderscheidt:

De eerste categorie is: loof en gras

De tweede is: spijze en drank

De derde : en alle dingen.

De eerste groep heeft betrekking op de natuur. De tweede groep op het leven van de mens. De derde groep op alle dingen.

Mocht de Catechismus nog iets vergeten zijn, dan vult u het zelf maar in. Dat is de bedoeling. Alle dingen. Werkeloosheid, sterfgevallen, het uitraken van je verkering. Alle dingen. De baan, die je kreeg. De Heere spaarde u bij een verkeersongeluk. Vul maar in. Alle dingen, niet bij geval, maar vanuit Gods vaderlijke hand.

 

Gemeente, wees eens eerlijk, beleeft u het ook zo? Rijk is het, als dat zo mag zijn. En hoe is het met jullie, jongelui? Als het alleen maar gaat over goede dingen, die we uit Gods hand ontvangen, dan hebben we er geen moeite mee. Een rijke oogst. Een vruchtbaar makende regen van boven, spijs en drank, gezondheid en rijkdom. Dat is geweldig! O, de Heere is toch zo goed!

Hij is een overvloedige Fontein van al het goede. Hij doet Zijn hand open en verzadigt al wat leeft naar Zijn welbehagen.

 

Ja, maar er zit ook een andere kant aan. En hoe zit het dan, als het donker wordt in je leven? Armoede, onvruchtbare jaren, een failliete zaak, een dodelijk ongeluk, werkeloosheid. Komt dat ook uit Gods Vaderhand? Waarom moet die weduwe zo vroeg haar man missen? Waarom moet dat meisje zeggen: ‘Ik heb geen moeder meer?’ Waarom ben ik gescheiden of moeten mijn kinderen zeggen: ‘Mijn ouders zijn gescheiden.’?

Werkt God het kwaad? Veroorzaakt God ziekte? Is Hij mede debet aan de gevolgen van de zonde? Nee! En nogmaals nee! U voelt wel hoe moeilijk het is en hoe voorzichtig we onze woorden moeten formuleren. God werkt alleen het goede. Maar ik zeg daarbij, dat Hij het kwade toelaat. Hij gebruikt het namelijk. Hoe heeft Job hier niet mee geworsteld! Zouden we het goede van God ontvangen en het kwade niet ontvangen?

 

We moeten wel een paar nuances aanbrengen. In Zondag 10 hebben we te maken met een persoonlijke belijdenis van een kind van God. Zo’n kind ziet vertrouwend op naar Gods Vaderhand. Als God het kwaad, het levensleed, ziekte, dood en rampen in Zijn Goddelijk hand gebruikt om goddelozen, soms een heel land en volk daarmee te straffen, dan kun je natuurlijk niet zeggen, dat dat hen uit Gods Vaderhand toekomt. Want dan neemt God het kwaad, dat altijd een gevolg is van de zonden, in dienst van Zijn richtend handelen. Dan is het de straffende hand van de Rechter.

Geheel anders is het, als God het kwaad gebruikt ten goede voor degenen, die Hij liefheeft en die Hem liefhebben. Dan komt het kwaad uit Zijn Vaderhand, hetzij om Zijn afgeweken kinderen te kastijden en terug te brengen, hetzij om ze te beproeven en het geloof te louteren, met de bedoeling om ze te sterken en te stalen.

 

Het kan zelfs zijn, dat God het kwaad, een ongeluk, ziekte of tegenslag gebruikt om ons tot bekering te roepen. Dan is het een roepstem van God om tot inkeer te komen. Misschien is dat in jouw leven wel zo.

Gemeente, moeilijk hè! Vindt u niet? Het komt ons, zo zegt de Catechismus, uit Gods Vaderhand toe. Dat zijn geen algemene uitspraken. Dat is een geloofsbelijdenis. Hier staat niet, dat God zo regeert, dat alle ongelukken en alle ziektes uit Zijn Vaderhand komen. Het is een belijdenis, dat al die dingen ons, die God liefhebben, uit Zijn Vaderhand toekomen. Dat is een les om te leren.

 

O, die hand kan wel pijn doen! Maar het is tegelijkertijd een Vaderhand voor Zijn kinderen. Wij belijden, dat Gods voorzienigheid verbonden is met het vaderschap van God. Wij mogen zeggen: ‘Het komt ons toe uit Zijn Vaderhand.’

Voelt u, hoe rijk het is om de Heere te vrezen? Om zo dicht bij de Heere te leven, dat je nooit een kwaad woord van Vader wilt horen of zeggen. Nee, de voorzienigheid is geen speling van het lot, maar het is de zorg en de regering van onze goede God.

 

Zondag 10 is geen verklaring voor al de verbijsterende raadsels om ons heen. Het is geen logische redenering om het kwaad op Gods rekening te schrijven. Wij mogen onze goede God niet verantwoordelijk stellen voor wat er gebeurde is in de concentratiekampen. We mogen Hem niet verantwoordelijk stellen voor de massamoorden, de vliegtuigkapingen, het bederf van de dampkring en noem maar op.

Mag ik u eens wat vragen, gemeente? Hebt u daar uzelf weleens de schuld van gegeven? Wat zegt u? ‘Ik mezelf de schuld geven? Ik? Wat kan ik daaraan doen?’ Weet u, in de tijd, als de Heere je opzoekt, dan ligt het zo teer tussen God en je hart. Dan leeft de vraag: ‘Kan ik nog met God verzoend worden?’ Je vindt je zo zondig, zo verdoemelijk. In die tijd  komt ook deze schuld op ons af. Dan zeggen we niet: ‘Wat kan ik daar nu aan doen?’, maar dan zeggen we: ‘Heere, wij hebben U verlaten. Het zijn allemaal de gevolgen van onze zonden.’ ‘O, God, wat een diepe smart, dat wij U verlaten hebben!’ Daardoor is al de ellende in de wereld gekomen.

Gemeente, dan vliegt alles je aan omdat je de schuld naar je toe krijgt voor alle ellende in deze wereld. En natuurlijk ook heel persoonlijk voor wat je zelf hebt misdaan. Maar het gaat dieper. Je gaat zeggen: ‘Heere, ik heb geen beschuldigende vinger meer uit te steken naar U, want hier zit de schuldenaar.’

Wie deze God als Vader leert kennen, leert ook zijn diepe val bewenen en de gevolgen van zijn zonden. Dan leer je zien, dat het God verdriet heeft gedaan en nog doet.

 

‘Wat God in deze wereld doet’, zegt Guido de Brès, ‘wat ons begrip te boven gaat, waar we niet bij kunnen, dat zullen we niet nieuwsgierig onderzoeken en nog minder verklaren, maar alleen in ootmoed aanbidden, ook als de duivels en de demonen hun gang schijnen te kunnen gaan.’

Een ding is duidelijk: het kwaad komt niet uit Gods hand. Het kwaad is een gevolg van de zondeval. Ja, maar wat staat er dan in Jesaja 45? Daar staat toch dat de Heere het kwaad schept? En staat niet in de Bijbel: ‘Is er een kwaad in de stad, dat de Heere niet doet?’

Gemeente, ik herhaal het nog een keer: ‘Het kwaad komt niet uit Gods hand voort.’ De Heere is niet de Bewerker of de Oorzaak daarvan. Ja, maar hoe moeten we dat dan uitleggen? De Catechismus zegt: ‘Hij regeert zo, dat wij mogen zien, dat het ons uit Zijn vaderlijke hand toekomt, dat Hij daarover gaat.’ Zo regeert Hij, zo bestuurt Hij.

Laten we het zo maar zeggen: ‘God schept het kwaad niet in de zin dat Hij het veroorzaakt, maar Hij bestuurt het. Hij doet er iets mee, Hij regeert alzo. Ik word niet door het lot geregeerd, maar door God, mijn Vader.’

Er gaat niets buiten Gods hand om. Ook ziekte niet en armoede niet en levensleed niet. Alle duistere machten moeten eerst langs Hem heen. Ze worden door Zijn vaderlijke blik gekeurd of het Zijn kinderen wel ten beste kan dienen.

Daar wordt het kwaad van karakter veranderd. Dan moet het gaan medewerken ten goede. De Heere bestuurt het, Hij trekt de angel van het kwaad eruit, zodat ziekte en dood ons niet kunnen scheiden van de liefde Gods in Christus Jezus. Hij voegt er een zoete druppel troost bij, zodat we zeggen mogen: ‘Heere, het is goed voor mij, om verdrukt te zijn geweest.’

 

Dat zeg je meestal niet als je nog in de verdrukking zit, maar dat zeg je meestal achteraf. Na dezen zult gij het verstaan. God regeert. Zondag 10 is dus geen verklaring voor al het levensleed, maar een belijdenis van een kind van God, dat geen kwaad woord van Vader wil horen of denken. Met alle raadsels die er zijn, met alle kreunende vragen en snerpende pijn, vertrouwen we ons nochtans toe aan Zijn Vaderhand. En aan het Vaderhart schreeuwen we het uit als het moeilijk is. Soms gaat het zingend, soms ook zuchtend: ‘Abba, lieve Vader, zal ik dan het goede uit Uw hand ontvangen en het kwade niet? De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd.’

 

U zegt: ‘Nu, maar dan moet ik zeker wel een groot geloof hebben?’ Laat dat nu niet waar zijn, gemeente. De allerbehoeftigste kan hierbij, ook iemand, die zo arm is, dat hij naar God toe kruipt. Het is de taal van het beproefde geloof: Alhoewel de vijgenboom niet bloeien zal en geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal en de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal, zo zal ik nochtans in den Heere van vreugde opspringen; ik zal mij verheugen in den God mijns heils.

Ik zal me niet schikken in mijn lot, want dat doen de heidenen, maar ik zal mij verheugen in mijn God.

Dan leer je je volkomen overgeven aan de hemelse Vader en zeg je:

‘Schikt Gij mij rijkdom en gezondheid toe, Heere, het is goed, want Gij zijt mijn Vader. Schikt Gij mij armoede, rouw en ziekte toe, Heere, het is goed, want Gij zijt mijn Vader. U alleen weet wat goed voor mij is. Schikt Gij mij beproeving en bestrijding toe, Heere. Gij weet wel wat Gij doet. En zegt U ‘ja’ , dan zeg ik ‘amen’. En zegt U ‘nee’, dan zeg ik ‘amen’. Daar bent U Vader voor, Heere.’

 

Zou Vader geen ‘nee’ mogen zeggen? Als Hij het goed voor mij vindt, wil ik geen kwaad over Hem horen, zegt de Catechismus. Wat God doet, is goed.

Ik zei al dat dat niet betekent, dat er dan geen raadsels meer in je leven over blijven. Dat betekent niet, dat er geen ‘waaroms’ in je leven over blijven, maar al die ‘waaroms’ liggen ten diepste samengevat in dat ene grote ‘waarom’ van de Heere Jezus Christus aan het kruis. Daar riep Hij het uit: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?

God regeert Zijn Kerk door de hand van Christus. Is Hij niet verhoogd aan des Vaders rechterhand? Door Hem regeert de Vader alle dingen. Christus’ hand is doorboord met de spijkers waarmee Hij aan het kruis geslagen is. Daar moest de Zoon des Vaders de slaande hand des Vaders ervaren. O, dodelijk uur, wat hitte doet Hem branden! Het heeft Hem alles gekost. Om Zijns Zoons Christus’ wil is Hij mijn God en mijn Vader. Daarvoor is Christus aan het kruis bespot, verlaten en verbrijzeld. In die duistere nacht van Golgotha is Hij weggezonken onder de toorn van Zijn Vader over de zonde.

Geen pijn is er als Zijn pijn. Geen kruis is er als Zijn kruis. Geen verlating is er als Zijn verlating. Ja, op de berg des Heeren zal het voorzien worden. Daar wordt voorzien in de betaling van de schuld voor Gods Kerk.

 

Daar wordt tegelijkertijd voorzien, dat u en ik hier nog levend en gezond in Gods huis mogen zijn, onder het lieflijk geklank van het Evangelie van Gods genade. Hij riep het uit: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ Gemeente, als u daar een blik op mag slaan, dan verdwijnen al die waaroms in uw leven. Dan worden ze niet opgelost.

Misschien zien we dat pas na dit leven. Maar in dit dieptepunt van Christus’ ‘waarom’ ligt het antwoord opgesloten. Zei de Heere Jezus niet tegen de Emmaüsgangers: ‘Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?’

Dwars door alle waaroms in ons leven heen, vervult God Zijn raad en zal Hij al Zijn welbehagen doen. O, wat ligt er een onuitsprekelijke troost in Gods voorzienigheid. Zijn hand, niet het toeval, maar Zijn vaderlijke hand regeert.

Dan knielt Job, dan knielt dominee Woelderink, dan knielen al Gods kinderen neer, zelfs bij de zwaarste slagen in hun leven en zeggen ze: ‘De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd.

Zie dan in rouw, pijn en smart maar niet op het leed, maar op de hand van Vader, want Hij weet wat u nodig hebt.

Mijn ziel bepeinst Uw wonderdaân,

die al ‘t begrip te boven gaan.

 

Ja, er is maar één God en Die regeert.

Daar gaan we samen van zingen uit Psalm 139 verzen 1, 8 en 14:

 

Niets is, o Oppermajesteit,

Bedekt voor Uw alwetendheid.

Gij kent mij; Gij doorgrondt mijn daân.

Gij weet mijn zitten en mijn staan.

Wat ik beraad, of wil betrachten,

Gij kent van verre mijn gedachten.

 

Mijn ziel bepeinst Uw wonderdaân,

Die al ’t begrip te boven gaan.

Uw oog heeft mijn gebeent’ verzeld,

Toen ik, verborgen, saamgesteld

Als een borduursel, lag verscholen;

Van mij was niets voor U verholen.

 

Doorgrond m’, en ken mijn hart, o Heer’!

Is ’tgeen ik denk niet tot Uw eer?

Beproef m’, en zie of mijn gemoed

Iets kwaads, iets onbehoorlijks voedt;

En doe mij toch met vaste schreden

Den weg ter zaligheid betreden.

 

Het geloof in Gods voorzienigheid. We hebben gelet op Gods onderhoudende hand in heel de schepping en ten tweede op Gods regerende hand ten bate van al Zijn kinderen. Nu komen we tot onze derde gedachte.

 

3. Gods bewarende hand over allen, die op Hem hopen

 

We lezen vraag en antwoord 28 nog een keer:

Waartoe dient ons, dat wij weten, dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt?

Dat wij in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles, dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onze getrouwen God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

 

Gods bewarende hand voor allen, die op Hem hopen. Daar heb je wat aan! Waartoe dient het ons? Zo vraagt de Catechismus.

Luister maar eens wat je er allemaal aan hebt. Het geeft zo’n rust, het geeft zo’n heerlijke overgave. God bewaart Zijn Kerk in tegenspoed, in voorspoed en in de toekomst. Geen schepsel kan ons scheiden van de liefde van Christus. Zelfs de vijanden zijn in Zijn hand. Dat schreven onze vaderen toen de brandstapels rookten en toen ze hun leven als martelaar moesten geven. ‘We zijn veilig in Zijn hand’, zeiden ze, ‘want Hij bewaart.’

 

Drie dingen worden er genoemd: tegenspoed, voorspoed en in de toekomst. Deze corresponderen met de drie christelijke deugden: lijdzaamheid, dankbaarheid en hoop. Eerst wordt tegenspoed genoemd. Niet omdat het moeilijker is om in tegenspoed geduldig te zijn, dan om in voorspoed dankbaar te zijn, maar omdat dat blijkbaar het meest voorkomt. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen, maar uit die alle redt hem de Heere.

Lijdzaamheid in tegenspoed, in alle kruis en nood, in aanvechting en ziekte, in vervolging, armoede en ellende. Geduldig zijn is wat anders dan rusten in je lot. Dat doen de heidenen ook. De stoïcijnen zeggen: ‘Daar is toch niets aan te veranderen, het is toeval. Het noodlot regeert.

Dat is geen christelijke deugd. Nee, als de Heere tegenspoed nodig acht in ons leven, omdat Hij Vader is, dan zullen we daarin geduldig zijn, zegt de Catechismus. U voelt wel, gemeente, dat daar genade voor nodig is. Ons hart is zo gauw opstandig en we staan zo snel met de vuist naar de hemel.

 

Als Job beproefd wordt, mag hij daar Gods hand in zien, want hij had een jobsgeloof. Als Simeï David vloekt en de zonen van Zeruja het hem willen beletten, dan zegt David: ‘Laat hem vloeken, want de Heere heeft tot hem gezegd: vloek David.’

Hoe lijdzaam lag de arme Lazarus aan de poort van de rijke man. Hij klaagde niet over zijn ellende, maar hij verwachtte de stad die fundamenten heeft.

Paulus had een scherpe doorn in het vlees; hij is veel verdrukt. Maar we horen hem met Silas in de kerker Gode lofzangen zingen.

 

Gemeente, dat is door het geloof. De lijdzaamheid hoort bij het leven van hen, die dicht bij de hemelse Vader leven. Als er dan iets erg gebeurt, als je dan een kind moet missen, dan mag u nochtans zeggen met Paulus: Wij roemen dan ook in de verdrukking, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en lijdzaamheid bevinding, en bevinding hoop, en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven.

Dat kan alleen als we door het geloof zien op Gods Vaderhand. Hij kastijdt immers een iegelijk zoon, die hij aanneemt. En alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen die door dezelve geoefend zijn.

De Heere kan het levensleed gebruiken om ons te louteren en ons dichter aan Zijn voeten te brengen. Loop met lijdzaamheid de loopbaan, die je voorgesteld is. Daar is grond voor, namelijk Gods Vaderhand, de doorboorde hand van Jezus, het kruis. Lijdzaam zijn onder het kruis.

 

En dan het tweede: dankbaar zijn in voorspoed.

Ik denk, dat dit nog moeilijker is, dan lijdzaam te zijn in tegenspoed. Want hoe vaak gebeurt het niet, dat voorspoed mensen van de Heere aftrekt? Velen worden door voorspoed en welvaart van de Heere afgevoerd. Ze hebben God niet meer nodig, ze schrijven het toe aan hun eigen inspanning en zeggen dat ze er hard voor gewerkt hebben.

Ja, maar Wie gaf de adem in je neus en Wie zorgde ervoor, dat je geen hartstilstand kreeg? Ja, zegt de Catechismus, dat komt allemaal van boven, want armoede en rijkdom zijn in Gods hand. God werkt wel door onze gave heen, dat wel, maar het is God, Die ons zegent.

 

U kunt zeggen: ‘Ik heb mijn schaapjes op het droge. Het gaat allemaal voor de wind, in mijn gezin, mijn zaak en in mijn huwelijk.’ Ziet u daar ook Gods hand in? De Bijbel waarschuwt ons. Zet uw vertrouwen niet op de ongestadigheid van uw rijkdom. Er is genade voor nodig om te zeggen: ‘Ik ben geringer dan al deze weldadigheid en trouw, die Gij aan uw knecht bewezen hebt.’ David zegt: ‘Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen?’ Dan eindigen we niet in onszelf en ook niet in de gaven, maar in de Gever van de genade. Dan worden we klein, verbroken, vernederd, vertederd en we zeggen: ‘Heere, wat bent U goed, geprezen zij Uw Naam.’

 

Voorspoed, gemeente, is een gave van God. Je leest het over Jozef in Egypte: De Heere was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was. Dat komt door God. Salomo was voorspoedig. Dat gaf God. De Heere maakte de weg van Sadrach, Mesach en Abednego voorspoedig.

Voorspoed is Gods gave, maar de dankbaarheid voor die voorspoed is een nog grotere gave van God. Pas als er tegenspoed in je leven komt, en een ieder heeft daar wel  ervaring mee, dan zie je pas hoe ondankbaar je bent geweest toen je alles nog mocht bezitten.

Bent u vaak dankbaar, gemeente? Jongens en meisjes, als je geslaagd bent voor je examen, ben je dan dankbaar?

Kijk eens naar die tien melaatsen. Tien waren er genezen en er was er maar één dankbaar. Dat is wat! En misschien is die verhouding nog wel gunstig, één op tien.

Echte dankbaarheid is niet een opwelling. Als je een lief kindje van de Heere gekregen hebt en het leven van de moeder is gespaard, o, dan komt de dankbaarheid gewoon in je omhoog. Wat ben je dan toch blij! Ja, maar ben je dat een maand later nog?

 

Dankbaarheid is niet zomaar een gevoel, het is niet zomaar een opwelling of een blijde stemming, maar een levenshouding. Dan dienen we God. De dankbaarheid blijkt in de dagelijkse bekering. De Catechismus plaatst daar Gods geboden en roept ons op tot bekering. De Bijbel zegt: Weet gij niet, dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt?

Is dat nu niet goed van God, dat Hij uw bekering wil? Als u gezegend bent en u mag in voorspoed leven, zult u dan niet knielen en zeggen:

‘Heere, mag het tot bekering leiden? Heere, ik wil U dienen. U bent zo goed voor mij, maar ik ben altijd slecht voor U geweest. Wat heb ik weinig aan U gedacht! Wat ben ik egoïstisch geweest!’?

De Heere zal u zeker verhoren. Hij laat geen bidder staan.

 

Tenslotte is er nog de hoop op de toekomst: een goed toevoorzicht op die getrouwe God en Vader.

Ja, wat de toekomst ook moge brengen, mij geleidt des Heeren hand, want dat is een Vaderhand. Er kan veel gebeuren, stormen van levensleed, verdrukking en kruis. Geestelijke aanvechtingen, bestrijding en duisternis, kunnen over ons heen komen, maar die getrouwe God en Vader bewaart en draagt.

U kent dat mooie gedicht wel, van die voetstappen in het zand. Wat is het geheim daarvan?

De Heer keek toen vol liefde mij aan,
en antwoordde op mijn vragen;
"Mijn lieve kind, toen het moeilijk was,

toen heb ik jou gedragen...”

 

Er staat niet, dat ons geen leed zal overkomen, maar wel dat de geestelijke liefdesband niet verbroken zal worden.

Zijn goedheid is, in nood en dood,
Voor ons, Zijn volk, oneindig groot.

 

Dat is de grond en daar is ook grond voor.

Alle schepselen zijn immers in Zijn hand. Zijn kruis heeft gestaan op Golgotha. En daarom:

Hoopt op den Heer’, gij vromen;
Is Israël in nood,
Er zal verlossing komen;
Zijn goedheid is zeer groot.

Vertrouw dan op Vader, de Heere zal het voorzien.

 

Niets zal ons scheiden, noch dood, noch leven, noch hoogte, noch diepte, noch honger, noch ziekte zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere.

 

Amen.