Ds. S.W. Janse - Jesaja 53 : 4 - 5

De Knecht van de Vader

Jesaja 53
Zijn gewilligheid
Zijn plaatsbekleding

Jesaja 53 : 4 - 5

Jesaja 53
4
Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
5
Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 45: 1
Lezen : Jesaja 53
Zingen : Psalm 22: 1, 3 en 16
Zingen : Psalm 103: 2
Zingen : Psalm 130: 2

Gemeente, op deze lijdenszondag willen we uw aandacht vragen voor het u voorgelezen hoofdstuk Jesaja 53, en daarvan de verzen 4 en 5. De tekstwoorden, die we in opzien om licht en leiding van Boven willen overdenken, lezen we als volgt:

 

Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten, die heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.

Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.

 

Het thema is: De Knecht van de Vader

 

Het gaat in deze tekstwoorden over:

 

  1. Zijn gewilligheid
  2. Zijn plaatsbekleding
  1. Zijn gewilligheid

‘Een psalm van Jesaja’, zo zouden we hier eigenlijk boven kunnen schrijven. Dat zijn we natuurlijk niet zo gewend, want de psalmen schrijven we niet aan Jesaja toe. Maar wat zingt Jesaja hier rijk en ruim over de Gezegende van de Vader, over Christus! En daarom, wat ons zojuist is voorgelezen, is net een psalm.

Jesaja juicht over zijn Borg en Middelaar. In de psalmen lees je weleens aan het begin: ‘Een gouden kleinood’, bijvoorbeeld van David. Een kleinood is bijvoorbeeld iets wat je geërfd hebt. Stel je voor, je hebt een ring geërfd of een ketting. Daar ben je zuinig op, dat is je dierbaar, dat is kostbaar. Zo worden sommige psalmen wel ‘gouden kleinodiën’ genoemd.

 

Wel, dit zou ook een gouden kleinood van Jesaja genoemd kunnen worden. Het is misschien wel het bekendste hoofdstuk uit de Bijbel, in ieder geval het bekendste hoofdstuk uit de profetieën van Jesaja. Het is net als een diamant kunstig geslepen. Als je zo’n diamant bekijkt, schittert die van alle kanten. Elke keer als je dit hoofdstuk leest of over dit hoofdstuk mag preken, kom je ervan onder de indruk. Wat staat er veel in! Wat wordt er veel gezegd over Wie Christus is! Gemeente, dat zo de lijdenstijd voor u gebruikt mag worden en voor mij persoonlijk om de heerlijkheid van Christus te aanschouwen! Steeds meer! Want wat glans, wat majesteit hebt Gij die Vorst bereid!

 

Dit profetische lied bezingt de lof van de Middelaar in al Zijn schoonheid, in al Zijn weergaloosheid. Ja, Hij gaat de mensen vér te boven; dat kunnen we wel zeggen!

Jesaja begint al te zingen in vers 13 van hoofdstuk 52. Eigenlijk hadden we dat ook moeten lezen, want daar begint hoofdstuk 53 al: Zie, Mijn Knecht zal verstandiglijk handelen; Hij zal verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden, zo lezen we. Dus het gaat over de Knecht. Daarom ook is het thema: de Knecht van de Vader.

 

Als je een voorbeeld wilt hebben, denk dan aan een boer die een knecht in dienst heeft. Wat doet die knecht? Wel, die luistert naar de boer, die doet wat de boer wil, want hij is bij hem in dienst. Wel, zo is Christus de Knecht van de Vader en van Hem gaat Jesaja zingen: Ziet, Mijn Knecht. Hij wijst Hem aan, hij zegt: ‘Mensen, kijk eens, dit is Hij.’ Mijn Knecht, dat zegt God de Vader over Zijn Zoon.

Maar waarom wordt de Zoon nu Knecht genoemd? Omdat Hij gehoorzaam is aan Zijn Vader, omdat Hij de wil van Zijn Vader doet. Omdat Hij in dienst is van Zijn Vader. Daarom komt Hij naar deze aarde, in een weg van vernedering en verhoging.

 

Dat alles beschrijft Jesaja 53, met dat stukje dat eraan voorafgaat. De weg van de Borg, van lijden tot heerlijkheid, van de dood naar het leven. Gods kinderen mogen achter Jezus aangaan, Zijn kruis dragen, Zijn voetstappen drukken. Ook in de lijdenstijd. Gods kinderen krijgen dit hoofdstuk bijzonder lief.

Het is bekend van Joden dat ze niets, maar dan ook niets van dit hoofdstuk moeten hebben, want het gaat over het Lam: de Man van smarten, verzocht in krankheid. De bekeerde Jood Christiaan Salomon Duijtsch – er is over hem een levensbeschrijving – kreeg juist dit hoofdstuk zo van harte lief. Dat is een kenmerk van degenen die de Heere mogen vrezen: zij krijgen dit hoofdstuk van harte lief, zij mogen hieraan hun hart ophalen. Zij mogen dit hoofdstuk aan het hart drukken.

 

Gemeente, mag u ook meezingen? Want het is een lied. Het is het vierde lied over de Knecht des Heeren. Jesaja heeft in hoofdstuk 42 al gezongen over die Knecht. Hij heeft ook in hoofdstuk 49 over Hem gesproken, zijn tweede lied. Zijn derde lied is nog maar net verstomd in hoofdstuk 50; en nu in 52 en 53 gaat hij het slotlied zingen over de Knecht des Heeren.

Het is de vraag of het jouw ziel óók raakt, of het je hart in vervoering brengt, zodat je mag uitroepen met de bruid: Ik ben krank, ik ben ziek, van liefde (Hoogl.2:5b).

God de Vader spreekt over Zijn Zoon in de verzen 13 tot en met 15 van hoofdstuk 52.

Dan uit Jesaja een klacht in vers 1 van hoofdstuk 53: Wie heeft onze prediking geloofd? Dat had u misschien niet verwacht. Er is zo heerlijk over Christus gezongen en gesproken en straks wordt er zóveel over Hem naar voren gebracht, al Zijn dierbaarheid en onbevattelijke schoonheid.

Je zou zeggen: ‘Iedereen gelooft dat wel, iedereen valt wel in het stof en buigt voor Vorst Immanuel! Dat had u gedacht! Wie heeft onze prediking geloofd? Jesaja zegt: ‘Ik doe niet anders dan preken, dag in dag uit, zondag in, zondag uit. Er is weinig vrucht, er zijn weinig mensen die het Evangelie geloven dat ik mag verkondigen.’

En aan wien is de arm des Heeren geopenbaard? Hoe komt dat dan? Hoe komt het dat u zó lang nog onbekeerd bent? Hoe komt het? Of u denkt misschien dat u gelooft, maar u gelooft niet werkelijk. Hoe komt dat?

Leest u maar in vers 2: Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. En dan het slot van vers 3: Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.

 

God de Vader wijst Zijn Zoon aan en zegt: ‘Dat is Mijn Knecht. Hij zal naar de aarde komen om te lijden en te sterven.’ Dan komt die Knecht van de Vader naar de aarde – we weten het vanuit het Nieuwe Testament – en dan haalt iedereen zijn neus voor Hem op. Dan zeggen ze: ‘O die, dat is de zoon van een timmerman. O die, nee hoor, die ziet er niet uit, daar geef ik geen cent voor! Ik heb liever een ander!’

‘Zeg, maar zó erg is het niet, dominee.’ Ja, zo erg is het wél, zegt Gods Woord. Zo denken we over Christus. Iedereen? Dan zou Jesaja kunnen stoppen, dan kan hij zijn ambt neerleggen, dan kan hij zijn profetenrol in de zak stoppen en dan kan hij beter iets anders gaan doen. Nee, o, nee! Vers 10, wat staat daar?

En het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan. Er zullen mensen zijn die wél geloven. Er zullen mensen zijn die door de prediking van Jesaja en ook door de prediking van Christus zullen geloven, ‘want,’ zegt Paulus, ‘ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd’ (1 Kor.2:2).

Daar gaat het hier over. Wel, de prediking zal dus tóch vrucht dragen. Jesaja, niet om je heen zien en op al die geruchten en geluiden afgaan, maar vooral zien… op Wie? Op de Borg en Middelaar.

Jesaja mag heel veel zien; Jesaja was een profeet. Hij leefde in de tijd dat het volk van Israël de afgoden diende en nu ziet hij in de hoofdstukken 40 tot 66 het volk in ballingschap – hoewel het nog lang zal duren – en dan mag hij in de geest aan dat volk de Heere Jezus verkondigen.

Jesaja heeft in hoofdstuk 9 al bij de kribbe gestaan: Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven (Jes.9:5a). Het leek wel of Jesaja al in Bethlehem was, door de geest der profetie. Maar nu lijkt het wel of hij op Golgotha te vinden is. Als je dit hoofdstuk leest, zie je Christus als het ware aan het kruis hangen en sterven. Wat mag hij veel zien!

 

En dan: Waarlijk, zo begint onze tekst. Als een wending; in vers 1 tot 3 klinkt ongeloof, in vers 4 geloof. De verzen 1 tot 3 duiden op verachting; men wil niets van Jezus weten. Maar in vers 4 mogen er mensen zijn die Jezus aan hun hart drukken. O ja, ze mogen het uitjubelen: Waarlijk! Dat betekent eigenlijk ‘maar’ of ‘daarom’; en zo wordt het ook wel vertaald.

 

Daarom, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen. Maar, dat vormt een tegenstelling met het vorige! Dus de prediking van Christus is niet tevergeefs. Nee nooit, die is niet ijdel. Waarlijk kan ook de betekenis hebben van ‘voorwaar’, zoals dat in het Nieuwe Testament wordt gebruikt. Voorwaar, voorwaar zeg Ik u (Joh.3:5). Wij zouden zeggen: ‘Amen, amen, zeg Ik u.’ Waarlijk – het staat op recht en waarheid pal. Het is aan geen twijfel onderhevig. Wat hier staat, is waar; het zal vervuld worden.

Mag je daar ook mee instemmen? Mag je van harte zeggen: ‘Dominee, dat Woord is waar.’ Waarom? ‘Dat is in mijn ziel gezonken, ik heb de kracht van het Woord ervaren in mijn leven.’

Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis,

Door zijnen smaak, en hart en zinnen strelen.

 

Waarlijk, zo lezen we hier; Jezus heeft Zich geopenbaard. De klacht was toch: Aan wien is de arm des Heeren geopenbaard? In vers 4 hoor ik mensen spreken, die niet meer kunnen zonder Jezus, die schreeuwen naar Jezus. Zij zien uit naar het Lam van God, heel persoonlijk, om in Zijn offer en in Zijn werk te mogen delen. Maar de lijdenstijd is voor Gods kinderen nodig om meer en meer af te zien van zichzelf en op te zien naar Christus, het Lam Gods, de Man van smarten. Opdat zij vastelijk geloven tot dit genadeverbond te behoren, zegt ons avondmaalsformulier. Opdat degenen die God vrezen, meer en meer in Christus vinden en zo in Zijn bloed en gerechtigheid mogen delen. Alleen daarmee kunnen ze bestaan voor God.

Waarlijk, Hij! Het is een uitroep. Jesaja wijst Hem aan. Zijn vinger is misschien wel letterlijk omhooggegaan. Waarlijk, Hij! Het is alsof hij zeggen wil: ‘Richt uw ogen eens op Hem; vestig uw aandacht op deze Gezegende van de Vader, Die ‘Mijn Knecht’ genoemd wordt in vers 13 van Jesaja 52; en in vers 3 van hoofdstuk 53 ‘een Man van smarten.’

 

Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen. Onze ziekten, zouden wij zeggen. Krankheden, je leest dat meer in de Bijbel, jongens en meisjes, bijvoorbeeld in Johannes 4 over de zoon van de hoveling die krank was, of in hoofdstuk 5 over de lamme te Bethesda. We gaan het straks ook zingen uit Psalm 103: Die uw krankheên kent en liefderijk geneest.

Waarlijk, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze smarten die heeft Hij gedragen. Die horen erbij hè, als je ziek bent of als je de boodschap krijgt dat je ongeneeslijk ziek bent. Dat is heel wat, hoor, dan schudt je leven op alle grondvesten. Wat geeft dat ook een smart en verdriet! Wat moet dat een plaats krijgen in je leven! Krankheden, ziekten gaan ook vaak gepaard met smarten, met verdriet en pijn. Nu staat er hier een troostwoord. Wat staat er dan? Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen. Is dat ook waar geworden?

 

Jazeker, blader maar in uw Bijbel, Mattheüs 8 vers 14. Daar ligt een moeder op bed en ze heeft hoge koorts, en die koorts trekt door haar hele lichaam. Het is de schoonmoeder van Petrus. Maar dan komt Jezus daar op ziekenbezoek en wij lezen dat Hij haar hand aanraakte. Op het ogenblik dat Hij haar hand aanraakt, neemt Hij als het ware de koorts op Zich; dan neemt Hij die ziekte en die smart op Zich.

Zo geneest Hij deze zieke schoonmoeder van Petrus. Dat wordt verteld in een hoofdstuk waarin gesproken wordt over vele melaatsen die tot Jezus kwamen. Ook veel mensen die bezeten waren door een duivelse geest, namen de toevlucht tot de Zaligmaker. Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren, staat er dan. Juist in dat hoofdstuk haalt Mattheüs Jesaja 53 vers 4 aan: Opdat vervuld zou worden wat gesproken was door Jesaja, den profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze ziekten gedragen (Matth.8:17).

Dus dat is vervuld! Het is niet zómaar een woord. Nee, het staat vast en onverbroken! Toch wil het nog meer zeggen; ook de kanttekenaren en andere verklaarders wijzen daarop. In de vertaling mogen we ook lezen: Waarlijk, Hij heeft onze ellenden op Zich genomen, en onze smarten die heeft Hij gedragen.

 

Onze ellenden, hoe komt ziekte in de wereld? Bijvoorbeeld, als je griep hebt of wat voor ziekte ook. Daar denken we eigenlijk nooit over na, als we eerlijk zijn. Maar hoe komt dat nu? Wel, dat is door de ellende van de mens, door de zonde. Dáárom! De meeste verklaarders wijzen erop dat het ook die betekenis heeft. Dan gaat het dus over geestelijke ziekte en dat is onze zondeschuld.

Juist tijdens de wonderen die Jezus op aarde deed, wilde Hij dat ook afbeelden. Je moet maar eens de kanttekening lezen bij Mattheus 8 vers 17. Die ziekten beelden iets af. Wat dan? Wel, dat wij ongeneeslijk ziek zijn, met z’n allen. Dat we met z’n allen melaats zijn. Zoals die man melaats was en daarvan gereinigd werd, zo wilde de Heere zeggen: ‘U bent ook melaats naar uw ziel.’

Genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd (Ps.41:5). Was, reinig mijn gemoed van al mijn vuile zonden. Zoals die man blind was, zo bent u ook blind. Zoals die vrouw doof was, zo bent u ook doof; en ga zo maar door. Nu zegt Christus: ‘Ik wil door middel van Mijn wondertekenen laten zien dat Ik ook naar de ziel genezen kan.’

 

Wat krijgt dat een diepte, dit woord: Waarlijk, Hij heeft onze ellenden, onze geestelijke ziekten, op Zich genomen! Dat bepaalt ons bij de bron. Wat is de oorzaak? Dat is de zonde. Maar Hij neemt ook de gevolgen van de zonde op Zich, want er staat: en onze smarten, die heeft Hij gedragen. De straf die op de zonden volgt.

Gemeente, we hebben gehoord uit de Catechismus: Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben. De Heere laat zien dat we tegen Hem gezondigd hebben. Daarom zijn we ook niet vrij van leed, gemeente. Dat is aangrijpend, maar nu staat er hier een troostboodschap voor ballingen.

 

Waarlijk, Hij heeft de zonden en de gevolgen van de zonden – ook de dood, waar Gods kind zo benauwd voor kan zijn – op Zich genomen en onze smarten, die heeft Hij gedragen. Wat wil dat zeggen: op Zich genomen? Gemeente, Hij heeft die zondelast opgeraapt en Hij heeft dat zondepak op Zich gelegd en zo draagt Hij die zonden weg.

Dan zie ik daar Johannes staan bij Bethabara. Hij strekt zijn hand uit: Zie, het Lam Gods, Dat de zonden der wereld wegneemt (Joh.1:29). Denk hierbij aan de Grote Verzoendag, als daar de bok – die wel de weggaande bok werd genoemd – waarop symbolisch de zonden van het volk waren gelegd, de woestijn in gestuurd werd.

Wel, zo ging het ook met Christus. Als het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt, zo neemt Hij alles op Zich en draagt Hij alles weg. Hij wilde ermee beladen worden, geheel vrijwillig.

 

Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze smarten, die heeft Hij gedragen. Wat moet dat een bevrijding zijn! Je zult maar met de last van de zonden lopen te sjouwen, de last van zonden en plagen, niet te dragen! Dan loop je gebukt, dan loop je daaronder gebogen; je bezwijkt er eigenlijk onder.

Maar nu komt daar een Ander en Die neemt de last weg. Dat is toch een wonder! O, wat is dat een verlossing! Ja, daar spreekt ook vers 4 over. Het is niet de ‘normaalste zaak van de wereld’ dat dat er staat. Nee, de vraag is: Is dit voor u weleens een wonder geworden, wat hier staat? Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten, die heeft Hij gedragen.

 

Wat heeft Christus een smartelijk lijden gehad! Dat tekent Jesaja 53 wel in het bijzonder. Jeremia zegt in Klaagliederen 1 vers 12: Schouwt het aan en ziet, of er een smart zij gelijk mijn smart? Blijkbaar had Jeremia heel veel met zichzelf te stellen en dan zegt hij: ‘Is er een grotere smart dan mijn smart?’ Ja, die is er. Dat is deze smart van de lijdende Christus, dat is deze smart waarvan Hij moest zeggen: ‘Rust noch vrede kan Ik op de aarde vinden.’ Deze smart was haast niet te dragen. Maar Jezus droeg hem weg, staat hier. ‘Onze smarten, die heeft Hij getorst,’ mogen we eigenlijk uit het Hebreeuws lezen.

Getorst, jongens en meisjes. Als je iets torst, dan is dat is een zware last; die kun je eigenlijk niet tillen, die kunnen je schouders niet dragen. Maar nu heeft Hij dat willen doen. In Zijn lichaam en in het bijzonder in Zijn ziel heeft Hij ontzaglijk veel moeten lijden.

We zien vaak op het lichamelijke lijden van Christus. Maar was Zijn zielenlijden niet de grootste smart? Hij heeft ook smart gehad en daarom kon Hij onze ziekten en onze smarten dragen.

 

Wat staat er dan? Iets opmerkelijks. Je zou dat niet gelijk verwachten in vers 4, na zo’n heerlijk Evangelie voor geestelijk zieken. Doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was, zo lezen we. De boodschap wordt blijkbaar niet begrepen. U zegt: ‘Dat hebben we net al gehoord in de verzen 1 tot en met 3.’ Inderdaad, Israël begreep niets van Christus als het Lam van God; ze hoefden Hem niet. Wij zijn ten diepste net als de Joden, hoor! We hoeven Hem ook niet. We kunnen misschien wel denken dat we een Zaligmaker willen hebben, maar laten we maar eerlijk zijn: van nature is er niemand die Jezus nodig heeft.

Maar hier gaat het in het bijzonder over de mensen die mogen zeggen: Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten, die heeft Hij gedragen. Alleen, dat begrepen ze niet!

Dus blijkbaar zijn Gods kinderen – want over hen gaat het hier – ook blind voor het lijden van Christus. Doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Ze zien de Christus lijden en sterven, deze Knecht van de Vader; en dan vragen ze zich af: Waarom is dat nu nodig? Waartoe moet dit alles gebeuren? Waarom is God nu vertoornd op Zijn Zoon? Wat is er toch aan de hand?

Hij wordt van God geplaagd staat er. Geplaagd, dat is nogal wat. Jongens en meisjes, je moet maar eens getreiterd, genegeerd, geplaagd worden. Nu staat er hier dat God de Vader Zijn Zoon geplaagd heeft. De ware Israëlieten, de getrouwen die de Heere mochten dienen en vrezen, zagen dat wel, maar ze begrepen niet met welk doel.

Christus werd geplaagd; dat betekent dat Hij er ten diepste niet mocht zijn. Zo werd Hij behandeld! Als een banneling, als een melaatse! Want er staat nog een woord, namelijk dat Hij van God geslagen was.

Bedenk hierbij, dat het woord melaatsheid eigenlijk ‘slag’ betekent. Zo is Christus behandeld als iemand die geslagen is. Wij denken dan aan iemand die met een stok slaat. Zo is het ook hier. Iemand die met de melaatsheid bevangen was, werd met een slag getroffen. Hij mocht niet meer in bewoond gebied leven, hij mocht niet meer in Jeruzalem komen en hij moest hij roepen: ‘Onrein, onrein.’ Hij was uitgestoten uit de samenleving.

 

Zo is Christus behandeld door Zijn Vader. Kunt u het nog volgen? Ik niet! Van God geslagen, met de roede, met de stok. Van God geplaagd en ook van God verdrukt, als het ware in het nauw gedreven. Hij kon geen kant meer uit. Maar één kant, naar het kruis. Door lijden tot heerlijkheid. Wij achtten Hem – geplaagd. Inderdaad, God de Vader deed dat. Maar Heere, waarom dit lijden? Ze zagen er wel de hand van God in, maar begrepen totaal niet waarom dat noodzákelijk was.

De Heere gaat het hun leren in vers 5: Maar Hij is om onze overtredingen verwond. Je zou zeggen, dan vált het, dan gaan ze het verstaan. Wat waren ze er blind voor, zelfs degenen die God vrezen! Maar het was om hén, het was vóór hen, tot hún verzoening. Daarvan spreekt Psalm 103. We gaan dat eerst samen zingen, en wel vers 2:

 

Loof Hem, Die u, al wat gij hebt misdreven,

Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;

Uw krankheên kent en liefderijk geneest;

Die van 't verderf uw leven wil verschonen,

Met goedheid en barmhartigheên u kronen;

Die in den nood uw Redder is geweest.

  1. Zijn plaatsbekleding

De Knecht van de Vader; we spraken over Zijn gewilligheid. Nu in de tweede plaats: Zijn plaatsbekleding.

Waarom was dat toch nodig? Een Vader Die Zijn Zoon slaat. Er staat immers: van God geslagen en verdrukt was. Ze begrepen niet waarom dat nodig was. De Heere gaat het door de Heilige Geest toepassen in het hart en dan weten ze het. Het is niet voor niets gebeurd. O nee!

Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. ‘Hij’ en ‘ons’, dat hoort totaal niet bij elkaar. Hij, de Zoon van God, de Knecht van de Vader, gehoorzaam, gewillig; en wij, kinderen van Adam, ongehoorzaam en onwillig. Hoe kunnen die nu bij elkaar komen? Wel, dat is een wonder. De woordjes ‘om onze’, dat noemde ik ‘plaatsbekleding’.

Misschien had ik beter kunnen zeggen: dat is borgtochtelijk werk. Dat betekent: Hij is de Borg, Hij in plaats van mij. Denk aan het bekende voorbeeld uit de oorlog van mannen die tegen een muur gezet worden. Elke tiende wordt neergeschoten. Dan zegt een oudere man tegen een bevende jongeman die nummer 10 is (dat had hij natuurlijk al snel gezien): ’Zullen we ruilen? Dan ga ik wel hier staan en jij daar, dan ben ik nummer 10.’ Toen viel het schot en die oude man werd geraakt in plaats van die jonge man. Zomaar een voorbeeld; hij stond borg.

 

Dat staat hier met andere woorden ook: Maar Hij is om ónze overtredingen – dus daar had de zondaar moeten staan. Maar nu staat daar geen zondaar, nu staat daar Iemand Die tot zonde gemáákt is. Christus staat daar, maar niet voor Zichzelf; Hij had Zelf geen ongerechtigheden en geen overtredingen. Niets!

 

Als een vriend voor een vriend sterft, kun je het nog een klein beetje volgen. Maar als er nu een Vriend voor een vijand sterft, zegt Paulus, dan kan ik het niet meer volgen. En daarom: Doch Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave (2 Kor.9:15).

Hoor je het geloof hier als het ware steeds hoger opklimmen? Maar Hij is om onze overtredingen verwond. Dus dat was het doel.

Ons, dat is heel de gemeente, zegt u. Ons, dat zijn we allemaal. Dan zou ik aan algemene verzoening doen. We moeten de Dordtse Leerregels ernaast leggen. Die zijn altijd zo helder en duidelijk. Antwoorden op moeilijke vragen kunnen we heel goed in onze belijdenis zoeken.

Wat staat er in de Dordtse Leerregels? Ik zeg het in eigen woorden: dat Christus’ bloed beschikbaar is voor heel de gemeente, dat Christus’ offer genoeg is voor de grootste van de zondaren. In Christus, Die hier verkondigd wordt, is alles, werkelijk álles te vinden voor je zwarte ziel. Niemand van de kinderen of ouderen hoeft te zeggen dat er niet genoeg bloed is gevloeid op Golgotha. Niemand mag zeggen: ‘Voor mij zal het niet kunnen. In Zijn wonden is er voor mij geen genezing en ontferming.’ Nee, dat is voor ieder beschikbaar en bereikbaar. Maar waar gaat het hier nu over? Nu gaat het over degenen die Hem door het geloof mogen eigenen. Die mogen zeggen: ‘Mijn Borg.’

Dat kan niet iedereen zeggen. Het gaat hier over de uitverkorenen, de gegevenen van de Vader. Het gaat hier over mensen die de Heere vrezen. Wat zijn dat dan voor mensen? Nou, niet de besten, hoor! Lees vers 12: en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft. Dus het is hier een evangeliewoord voor overtreders. Ja, voor overtreders. Paulus zegt: ‘Om vijanden met God te verzoenen. Om goddelozen te rechtvaardigen.’ Dat zijn die ons.

 

Maar Hij is om ónze overtredingen verwond. Overtredingen, wat zijn dat? Eigenlijk staat er in de grondtaal rebellie. Ik hoef je niet uit te leggen, jongens en meisjes, wat rebellen zijn. Die staan overal tegenop, die gaan overal tegenin.

Je kunt een rebelse natuur hebben. Ben je er ook al achter gekomen? Overtredingen – dan ga ik Gods wet over. De Heere legt in Zijn Woord als het ware een draad en wij stappen er overheen. De Heere legt in Zijn Woord een begrenzing en zegt: ‘Blijf daar binnen!’ Maar wij overtreden Gods heilige wet.

Hij is om onze overtredingen verwond. Grensoverschrijdend gedrag, dat zit in ons bloed. Daarmee hebben wij ons de toorn van God waardig gemaakt. Maar dat staat hier niet. Hoe kan dat dan? Omdat een Ander in mijn plaats is gaan staan. Maar Hij is om onze overtredingen verwond. Er wordt gewezen naar een Ander, met een hoofdletter. De beschuldigende vinger die mij moest treffen, treft de lieve Borg.

De Vader had míj moeten slaan, maar Hij slaat Zijn Zoon. Voor mij, voor ons, zo lezen we hier. Hij is om onze overtredingen verwond. Dat heeft Hem wat gekost, kinderen des Heeren! Wat doet méér pijn? Als de Heere je door de wet overtuigt, doet dat zeer. Maar als de Heere je bij het kruis brengt, wordt de smart nog veel dieper, want dan ga je zien dat je tegen de liefde gezondigd hebt; en je zondigt niet goedkoop.

 

Hij is verwond – dat zeggen we weleens van iemand die flink is toegetakeld. Ach, zo durf ik het over de Borg niet zeggen. Dat klinkt zo plat, maar u begrijpt wat ik bedoel. We zeggen weleens van iemand: ‘Die ziet er niet meer uit.’ Zo heeft het ook voor Hem gegolden. Hij was verwond en daardoor was Hij eigenlijk ontoonbaar.

Er staat immers in dit hoofdstuk dat Hij verdorven was in Zijn gelaat. Hij was dus onherkenbaar geworden vanwege de verwondingen. Hij is om onze overtredingen verwond – dat ziet vooral op Zijn lichaamslijden, dat begrijpt u wel. Sommigen lezen ook wel ‘doorstoken’; dus elke overtreding doorsteekt de Zaligmaker. Zijn handen en zijn voeten zijn doorboord, zegt de psalm, doornageld, verwond. De doornenkroon werd op Zijn hoofd gedrukt, in zijn slapen. En ook voordat Hij aan het kruis moest, hebben de Romeinen Hem nog gegeseld. Dat ging er niet zachtzinnig aan toe. Ze hebben Zijn rug opengehaald met een geselriem. En wat doet de soldaat als Christus sterft aan het kruis? Die doorsteekt Zijn zijde. Verwond, of doorstoken om onze overtredingen.

 

Er staat nog meer: en om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. Ongerechtigheden, overtredingen, dat geeft aan: ik heb de weg van God met voeten vertreden. Ik heb elk gebod overtreden en daardoor heb ik schuld opgebouwd. Dat zegt het woordje ongerechtigheden. Als je te hard door de straat rijdt, bega je een overtreding en dan moet je daar ook voor boeten. Dan moet je die schuld weer vereffenen.

Om onze ongerechtigheden – dat geeft vooral de schuld aan. Sommigen lezen ook wel ‘weerspannigheden’. Psalm 65 komt als vanzelf naar boven: ‘maar ons weerspannig overtreden.’ Deze psalm vat die woorden samen: weerspannig overtreden. Ben je ook zo weerspannig? Weerspannig, ik kan niet eens goed uitleggen wat het is. Tegenstribbelend, tegendraads. Als de Heere zegt: ‘Je moet die kant op’, dan ga ik – net als Jona – de andere kant op. Als de Heere ‘ja’ zegt in Zijn Woord, zeg ik ‘nee.’ Als de Heere zegt: ‘Dat is zonde’, dan zeg ik: ‘Daar zit geen kwaad in, hoor! Dat is geen zonde.’ Begrijpt u dat? Weerspannig. En de Heere maar roepen en trekken en lokken en nodigen, en ik blijf staan waar ik sta.

 

Wat staat er verder? Om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. Dat is zo’n ingrijpend woord, dat gaat nog dieper dan ‘verwond’. Als iemands been verbrijzeld is, komt het nooit meer goed met dat been.

Verbrijzeld. Welk beeld kunnen we daarvoor gebruiken? Dan moeten jullie denken aan een wijnpersbak. Misschien heb je op school weleens een wijnpersbak op een plaat gezien. Dan doen de mensen hun sandalen uit en lopen ze met blote voeten op al de druiven die daar in de bakken liggen. Druiven die net geoogst zijn. En dan? Dan perst het sap eruit en loopt het weg via een gootje in de wijnvaten. Daar wordt het bewaard. Dus die druiven worden verbrijzeld, er blijft alleen een velletje van over. Meer niet. Ze zijn als het ware verpulverd.

Of denk aan de molenstenen in een molen. Simson moest met uitgestoken ogen hele dagen in de gevangenis malen. Het graan tussen de molenstenen wordt verpulverd tot meel; dan is het graan verbrijzeld. En nu wordt Hij verbrijzeld voor mij. Nu mag de Kerk juichend roemen en Hem de eer geven: om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld.

Hoe word ik geperst, totdat het volbracht zij (Luk.12:50b), zo lezen we in de Bijbel. Dus dan wijst Christus ook op de wijnpersbak van Gods toorn. Maar Hij is ook tussen de molenstenen van Gods recht als het ware platgetreden. Voor ons!

 

Dan gaat de profeet nog verder: de straf die ons den vrede aanbrengt, was op Hem. De straf – Christus werd geplaagd, geslagen en verdrukt. Hij werd door de Vader gestraft. Je moet je kind natuurlijk weleens straf geven, maar de vraag is op welke manier je dat doet. Een vader moet zijn zoon weleens corrigeren. Dat is niet altijd leuk, maar soms wel nodig. Moet je dat nu ook zo zien bij Christus? Moet de Vader Hem nu straffen?

Nee, het is eigenlijk veel erger. De Vader is hier meer een Rechter. De Vader is Rechter en de Zoon staat voor de rechtbank als een Schuldige. De Vader zegt: ‘U bent schuldig, Mijn Zoon, vanwege mijn kinderen, vanwege hun zonden en hun overtredingen. Ik dagvaard U en nu wordt het vonnis geveld en het wordt uitgevoerd.’

Christus wordt voor God geplaatst omdat Hij een misdrijf begaan heeft. Een misdrijf? Terwijl Hij geen zonde gekend of gedaan heeft! Nee, maar de schuld en de zonde van de Zijnen wordt hem aangerekend. Dat kun je niet vatten. De straf is geen Vaderlijke straf, maar een Rechterlijke straf, zou je kunnen zeggen.

De straf die ons den vrede aanbrengt, was op Hem; dat is bijzonder! Jazeker, uit die straf vloeit vrede voort. Zitten er hier die hunkeren naar vrede? Vrede kun je in de wereld en in de zonde niet vinden, hoor! Eventjes, en dan is het voorbij; daarna blijf je met een kater achter. Vrede is te vinden in deze Borg.

Zie dan op de Vredevorst:

Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord,
Verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

De kanttekenaren zeggen: ‘Het is een volkomen vrede.’ Je kunt misschien ogenschijnlijk wat vrede hebben als je tussen de bergen wandelt en de geweldige natuur ziet. Dan geeft dat een vredig gevoel, maar dat is nog niet de vrede die er moet zijn tussen God en uw ziel. Dat is een volkomen vrede. Dan is het effen, dan is het vlak, dan ligt er niets meer tussen! Noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere (Rom.8:39).

De straf die ons de vrede aanbrengt. Is dat je uitzien, jongeren, ouderen? Zeg je: ‘Dominee, ik heb geen rust noch vrede vanwege mijn zonden. Die kwellen mij elke dag. Maar ik verlang één ding, dat is de gemeenschap met Christus.’

Dat is vrede. In vrede te mogen leven is nog rijker dan leven in het paradijs. Toen was er harmonie, maar die harmonie is wreed verstoord en het is oorlog geworden tussen God en je ziel. Als Christus in je leven komt, wordt de vrede weer hersteld.

Op de paasmorgen zegt Hij: ‘Vrede zij ulieden.’ En alleen in Zijn vrede is er rust in je hart, rust in het geweten; dan zal álles door de vrede bloeien. Het gaat ons verstand te boven: de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.

 

Daar eindigt de tekst mee: en door Zijn striemen. Ze hebben Hem geslagen in het huis van Zijn liefhebbers, zegt Psalm 69. Als Hij geslagen is, zit Hij vol striemen; dan druipt het van het bloed. Daar vloeit genezing uit. Heb je dat al nodig? Ja, dat héb je nodig. Echt waar! Genezing van al je zonden door het enige medicijn dat afdoende is – dat is Zijn bloed. Hoe kan er nu uit wonden genezing komen? Ja, dat kan bij Christus wél. Uit die open wonden vloeit bloed voort en daardoor krijgt de zondaar genezing.

Kom, dat is het middel bij uitstek, Zijn bloedende wonden. Daarin ligt nu alles! Ja, in Zijn bloedende wonden. Het bloed dat stroomt uit Zijn zijde en uit Zijn hart. Daar komt het beste medicijn vrij voor de grootste der zondaren. En door Zijn striemen is ons genezing geworden. Zijn lichaam werd opengescheurd. Matthew Henry zegt: ‘Hij is één en al wonden.’ Eén en al wonden!

Nu zijn er zóveel wonden dat er voor élke zonde genezing te vinden is. Daarom moet u maar niet wanhopen en niet zeggen: ‘Ik ben een te groot zondaar, er zal voor mij geen behandeling mogelijk zijn.’ Bij deze Christus is er wél behandeling, er is een dagelijkse behandeling. Zo mogen Gods kinderen, net als een bij die elke keer opnieuw honing opzuigt uit de bloem, uit Zijn wonden drinken. Steeds opnieuw. Uit deze striemen, waarin ons genezing geworden is.

 

Kom gemeente, dat geeft vrolijkheid! Dat geeft vrede, dat geeft genade. Dan is het:

Juicht, vromen, om uw lot;
Verblijdt u steeds in God.

 

De meest zonde-zieke ziel is bij deze Christus welkom, Zijn striemen zijn nog gevuld met bloed. In Zijn wonden, zegt Guido de Brès, vind ik allerlei vertroosting, ook voor de zonden die mij dagelijks doen struikelen in de heiligmaking.

Maar neen, daar is vergeving
Altijd bij U geweest.

Amen.

 

Slotpsalm: Psalm 130: 2

 

Zo Gij in 't recht wilt treden,

O HEER’, en gadeslaan

Onz' ongerechtigheden,

Ach, wie zal dan bestaan?

Maar neen, daar is vergeving

Altijd bij U geweest;

Dies wordt Gij, HEER’, met beving,

Recht kinderlijk gevreesd.