Ds. J.M. Kleppe - Mattheüs 15 : 21 - 28

De biddag van een rechteloze moeder

De nood in haar gebed
Haar onwaardigheid in haar gebed
De verhoring op haar gebed

MattheĆ¼s 15 : 21 - 28

Mattheüs 15
21
En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon.
22
En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten.
23
Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na.
24
Maar Hij, antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels.
25
En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!
26
Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen.
27
En zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren.
28
Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelfde ure.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 3 en 10
Lezen : Mattheüs 15: 12 - 28
Zingen : Psalm 103: 3, 7 en 9
Zingen : Psalm 69: 13 en 14
Zingen : Psalm 22: 13

De Schriftwoorden die wij op deze biddag met de hulp des Heeren met u willen overdenken, kunt u vinden in het gedeelte dat gelezen is uit Mattheüs 15, daarvan de verzen 21 tot 28:

    

       En Jezus vandaar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon.

En zie, een Kananese vrouw uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner; mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten.

Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U, want zij roept ons na.

Maar Hij antwoordende zeide: Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israëls.

En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!

Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen.

En zij zeide: Ja Heere, doch de hondekens eten ook van de brokskens die er vallen van de tafel hunner heren.

Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: O vrouw, groot is uw geloof; u geschiede gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelve ure.

 

We overdenken in dit Schriftgedeelte: De biddag van een rechteloze moeder

 

We horen erin:

1. De nood in haar gebed.

2. Haar onwaardigheid in haar gebed.

3. De verhoring op haar gebed.

 

1. De nood in haar gebed

 

Geliefde toehoorders, door ’s Heeren goedheid is het vandaag weer een bijzondere dag. Het is biddag, een dag waarop we als gemeente samenkomen in Gods huis, de plaats van het gebed, om onze levensnoden voor Gods aangezicht bekend te maken. Een dag, waarop wij in het bijzonder herinnerd worden aan onze diepe afhankelijkheid en aan het woord van Christus, dat Hij eens sprak: Zonder Mij kunt gij niets doen (Joh.15:5). Want de dagelijkse beleving van ons leven moet zijn: En nu, wat verwacht ik, o Heere, mijn hoop die is op U (Ps.39:8). Dat is het rechte, het ware, bidden.

Dit bidden is het openleggen van heel ons hart voor de Heere. Het bekendmaken van al onze diepste verlangens, het ootmoedig smeken om Zijn gunst en Zijn nabijheid. Want alleen zo kunnen we verstaan wat de dichter eens zong:

 

       Geen vader sloeg met groter mededogen

       Op teder kroost ooit Zijn ontfermend’ ogen,

       Dan Isrels Heer’ op ieder, die Hem vreest.

 

Gemeente, jongens en meisjes, moeten we niet zeggen: ‘Wie is tot dit heilig dienstwerk bekwaam?’ Het rechte gebed, het ware bidden, moet immers geleerd worden op de school van de Heilige Geest? Zelfs de discipelen, die dagelijks met de Heere verkeerden, moesten bidden om een gebed. Ze gingen smeken: Heere, leer ons bidden (Luk.11:1).

 

Ieder hart kent zijn eigen nood. In het hart van de landbouwer ligt het weer anders dan in dat van de veeboer. Bij ouders weer anders dan bij kinderen. Ieder mens kent zijn eigen smart en zijn eigen verlangens. De weduwe, die de steun van haar leven kwijt is, de weduwnaar, die zijn lieve vrouw moet missen, de wees, die met zijn eenzaamheid worstelt. Zelfs het kinderhart, jongens en meisjes, kent eigen verdriet. We zouden kunnen doorgaan met de noden van ons land, van ons volk, van onze kerk… Maar nu wil de Heere in de weg van het smeekgebed doen ervaren: Wie U aanroept in den nood, vindt Uw gunst oneindig groot.

Gemeente, de Heere is niet alleen een Hoorder van het gebed, maar Hij is ook de grote Verhoorder van het smeekgebed. Hij alleen aanschouwt alle moeite en alle verdriet – naar ons lichaam en naar onze ziel – opdat we het in Zijn hand geven, opdat we het Hem zouden toevertrouwen. Nee, niet op onze tijd verhoort Hij, maar op Zijn tijd. Gods tijd is altijd de beste tijd! Daarvan zegt de dichter: ‘Op uw noodgeschrei, deed Ik grote wond’ren.’ Gods wegen zijn veel hoger dan die van ons en Zijn gedachten zoveel hoger dan onze gedachten. Ook de Kananese vrouw heeft dit ervaren.

 

We hebben zojuist gelezen, dat de Heere Jezus in de synagoge te Kapernaüm een twistgesprek gehad heeft met de farizeeën en de schriftgeleerden, zij meenden de hemel met hun eigen doen en laten te kunnen verdienen. Ze weigerden in bittere vijandschap zalig te worden als een goddeloze, als een verloren zondaar, uit vrije gunst alleen. In hen werd het woord van Johannes vervuld: Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh.1:11). De Heere keert hen dan de rug toe. Want wij lezen: En Jezus vandaar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon.

Gemeente, als we het goed lezen, vertrekt de Heere naar het land, waar heidenen woonden. Maar in dat land woonde een arme zondares, die uit de nood van haar ziel tot de Heere riep. Zij was een heidin, een heidense vrouw. Ze was een Kananese. Maar ze was toch een van de schapen van de grote Herder, van de kudde die Hij verkreeg met de prijs van Zijn bloed. Christus had immers gezegd: Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen (…) en het zal worden één kudde en één Herder (Joh.10:16).

 

Zie, gemeente, daar komt die heidense vrouw; daar komt die heidin. Markus zegt, dat zij viel aan de voeten van Jezus. Mattheüs zegt, dat het een Kananese was. Dat wil dus zeggen, dat zij stamde uit het land van Kanaän. Dus dat wil veel zeggen! Ze was een afstammelinge van het oude volk van de Kanaänieten. Een volk dat door God vervloekt was en door Israël uitgeroeid had moeten worden.

Deze vrouw was ook moeder. Een moeder met een moederhart. Ze kende echter ook moedersmart. Ze wist wat verdriet was in haar leven. Maar ze komt met haar verdriet, met haar nood en al haar smart tot de Heere. En ze zegt: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner; mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten.

Vooral toen de Heere op aarde omwandelde, werkte Satan buitengewoon veel. Meer dan ooit probeerde hij Christus’ werk en Zijn prediking aan arme zondaren en ellendigen te verhinderen en krachteloos te maken. Hoe dikwijls trachtte hij hen door zijn duistere macht te verleiden en in zijn strikken te vangen!

We lezen in het Woord van God, dat hij aanzette tot vloeken en tot lasteren, tot grote agressie en tot veel andere dingen. Hij liet degenen, die door zijn duivelse macht bezeten waren, zich met stenen verwonden bij de graven. Hij probeerde hen zelfs in het vuur te werpen.

 

Nu blijkt ook de dochter van deze Kananese vrouw ontzettend erg door de duivel bezeten te zijn. Want het staat er met deze woorden: Mijn dochter is deerlijk – déérlijk – van den duivel bezeten. Dat wil zeggen, jongens en meisjes, héél erg. O, wat moet dat smartelijk geweest zijn voor deze vrouw, voor deze moeder! Wat een smart is het om als moeder tegenover al dat lijden zo machteloos en hulpeloos te moeten staan! Te willen handelen, te willen helpen en niet te kunnen helpen.

Ze heeft ongetwijfeld alles geprobeerd. Niets heeft ze onbeproefd gelaten. Misschien heeft ze zelfs wel de beste artsen, de beste dokters, geraadpleegd om haar kind te bevrijden van die duivelse kwelgeest en zo genezing voor haar te vinden. Maar dat alles was tevergeefs. Ze is nu ten einde raad. Ze ziet nergens meer enige uitkomst. Niemand kan haar helpen!

 

Gemeente, jonge mensen, toch is er nog één hoop in haar hart. Die ene Hoop was Christus, de grote Heelmeester, Wiens gerucht uitgegaan was in het gehele omliggende land. Ze heeft gehoord van Zijn wondere macht om zieken te genezen, zelfs om duivelen uit te werpen. Ze heeft ook gehoord van Zijn gewilligheid en van Zijn grote ontfermende liefde.

Als ze Hem dan gevonden heeft – of beter gezegd, jongens en meisjes – als ze door Hem gevonden is, dan roept ze: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner; mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten. Gemeente, hoe groot was het geloof van deze vrouw!

Wat een groot geloof had deze heidin! Ze zegt: Heere. Een heidin zegt: Heere, Gij Zoon van David! Ze wil daarmee zeggen dat ze gelooft dat Christus Gods Zoon is. Ze zegt: ‘Gij zijt de Zoon van David. Ik geloof en belijd dat Gij de Messias zijt, Die eenmaal komen zou.’

Gemeente, jonge mensen, het is opmerkelijk dat er staat: Ontferm U mijner, ontferm U over mij. En dan zegt ze: Mijn dochter … is deerlijk van de duivel bezeten.

Is dat eigenlijk geen tegenstrijdigheid? Wat bedoelt ze te zeggen?

Wel, de ellende van haar kind is ook haar ellende geworden. Ja, haar persoonlijke schuld voor God. Ze heeft het verstaan: Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet één (Job14:4).

 

Ook wij, met onze kinderen, zijn van nature kinderen des toorns. We kunnen het Rijk van God niet meer inkomen, tenzij we van nieuws geboren worden. Daarom heeft ze ontferming nodig; daar vraagt ze nu om.

Ontferming, wat is dat?

Onverdiende gunst! Want wij hebben een eeuwige vloek verdiend. Wij hebben de eeuwige rampzaligheid verdiend. Ook óns natuurlijk hart is vol boosheid en vol van duivelse gedachten. Want wij zijn de duivel toegevallen.

Daarom is niet allerlei overvloed en welvaart voor dit tijdelijke leven, waarnaar we zo kunnen hunkeren, zo naar kunnen verlangen en dat we trachten te bemachtigen, het allerbelangrijkste. Nee, kinderen, gemeente, onthoud dat wij vooral een nieuw hart, ontfermende genade, nodig hebben! Want het ware Brood des levens is een hart dat de Heere vreest. Daarmee kunnen we leven, daarmee kunnen we het leven straks getroost verlaten. De Heere zegt het zo eenvoudig: ‘Al wat u ontbreekt, schenk Ik, zo gij ’t smeekt; mild en overvloedig.’ Daartoe zijn we nu bijeen op deze biddag.

 

Maar de Heere wil dikwijls Zijn werk beproeven. We zien het ook hier. Het schijnt dat deze Kananese vrouw in al haar verwachting zal teleurgesteld worden en dat ze ellendiger en hulpelozer dan tevoren, naar huis zal moeten terugkeren. Want er staat dit: Doch Hij antwoordde haar niet één woord.

Het staat er zo eenvoudig, maar het is zo ingrijpend. De Heere doet alsof Hij haar niet eens heeft opgemerkt. Hij negeert haar helemaal.

Maar wat doet deze vrouw? Houdt ze nu op met bidden? Houdt ze nu op met roepen? Zegt ze: ‘Ach, Hij hoort mij toch niet. Ik ga maar weer naar huis terug?’

Integendeel! Ze gaat juist veel harder roepen. Jonge mensen, zullen jullie het onthouden? Ze zegt: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner!

Er staat hier enkele woorden in de Bijbel, die willen zeggen dat zij zonder ophouden Hem is blijven naschreien, nawenen en naroepen. Dus steeds dringender en steeds inniger heeft ze geroepen: Gij Zone Davids, ontferm U mijner! Zoals de dichter van Psalm 77 zegt: ‘‘k Liet niet af mijn hand en oog, op te heffen naar omhoog.’

 

Gemeente, jongens en meisjes, zitten er hier ook zulke bidders en zuchters? Zijn er hier ook van die arme smekelingen, arme zondaren? Zijn er hier ook van die arme moeders, die hun ogen niet opwaarts durven heffen, en die als de tollenaar van verre staan en zuchten: O God, zijt mij de zondaar genadig?

Deze geschiedenis staat hier opgetekend als een hemelse bemoediging voor alle ware zuchters, voor alle ware bidders, voor wie het in oprechtheid om de Heere te doen is. Ga dat eens na in je leven. Want als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Maar wel op Gods tijd. Op Zijn tijd doet Hij grote wonderen.

 

De Kananese vrouw roept maar. Ze schreit maar. Ze schreeuwt maar. Maar de Heere blijft zwijgen. Toch hoort Hij haar wel. Al antwoordt Hij nog niet. Op Zijn tijd doet Hij grote wonderen.

Het is net alsof de Heere deze vrouw met de ene hand van Zich stoot en haar met de andere hand blijft trekken, met de trekkende kracht van Zijn uitnemende liefde. Hij giet Zelf de olie van de Heilige Geest op het gebedsvuur om haar hart des te inniger tot Hem te doen zuchten.

Zo gaat het nog in het leven van alle ware bidders, ze kunnen met de nood van hun leven en van hun kinderen niet bij God vandaan, maar ze blijven liggen aan Zijn voeten. O, Hem te moeten missen, is alles te moeten missen. Dat is het smartelijkste in het leven. Ja, zij zouden dan nog liever willen sterven aan Zijn voeten, als een arme smekeling. Zo is het ook bij deze moeder. Zo is het ook bij deze vrouw. Maar de Heere is een Waarmaker van Zijn Woord.

Dit brengt ons bij onze tweede gedachte:

 

2. Haar onwaardigheid in haar gebed.

 

Daar staat nu die heidin, nog even hulpeloos als tevoren. Wat zal Satan haar ingefluisterd hebben? ‘Ach, vrouw, ga maar weer naar uw huis terug. U hebt nu toch wel gemerkt dat Hij u niet hoort en ook niet horen wil? U hebt toch wel begrepen dat Hij niet met u van doen wil hebben?’

Van de mensen hoeft ze ook geen hulp te verwachten. Zelfs van de discipelen van de Heere Jezus niet, die er ook bij zijn. Want zij gaan zich voor haar schamen! Ze willen haar bij Hem vandaan houden. Ze zeggen: Laat haar van U, want zij roept ons na.

 

Gemeente, u zegt misschien: ‘Hoe is dit bestaanbaar?’ Ja toch? Zelfs Gods kinderen, zelfs Gods knechten, staan deze ongelukkige vrouw, deze moeder, in de weg. Want, ja, zij moet van alles afgebracht worden. Ze moet van alle omstandigheden en van zichzelf leren afzien, om op te zien tot Hem, Die de Grote Hoorder is van het gebed en Die alleen maar helpen kan.

Nu gaat de Heere tot haar spreken. Want als de Heere het goede werk begint, laat Hij dat nooit meer los. Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, zal dat voleindigen tot op de dag van Jezus Christus (Filipp.1:6). Maar dan handelt Hij dikwijls heel anders dan wij zouden verwacht hebben. Heel anders, dan wij zouden willen. Want hoor nu wat de Heere antwoordt. Het is een afsnijdend woord: Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israëls. En ja, daartoe behoort ze niet! Ze is geen verloren schaap van het huis Israëls. Zij is dat niet! Ze valt er dus helemaal buiten; zij is een buitenstaander. Zij is een heidin. Ze wordt er helemaal buitengezet.

 

Gemeente, jonge mensen, zo werkt de Heere nog altijd in het leven van Zijn kinderen. Zij worden buitenstaanders. Zij worden ongelukkig, omdat zij tegen God gezondigd hebben. De Heere gaat hen dan eerst buiten de zaligheid plaatsen. Het worden rechtelozen, het worden arme zondaren, die zuchten en schreien: ‘Hoe kom ik ooit met God verzoend?’

Maar dan is de Heere geen land van uiterste duisternis. Wat zijn ze verwonderd en verblijd als de Heere hen vertroost en bemoedigt onder de prediking van Zijn Woord! Maar toch, wanneer ze Hem weer kwijt zijn in hun hart, dan gevoelen zij zich ellendiger, ongelukkiger en armer dan tevoren. Want zij missen in Hem de enige Troost, beide in het leven en in het sterven.

Dat de Heere in liefde spreekt tot deze vrouw, daarvan begrijpt zij niets. Wat doet ze nu? Gaat ze weer terug naar huis? Ze heeft het nu zelf toch uit Zijn mond gehoord? Ze is een heidin en ze is geen verloren schaap.

Maar nee, ze gaat niet terug!

Er zijn wel eens mensen – misschien zitten er hier ook wel – die zeggen: ‘Ja, maar ik, ik heb al zo lang geroepen. Ik heb al zo lang gebeden. Ik heb wel gewild, maar de Heere wilde niet. Daarom ben ik maar opgehouden met bidden; ik word toch niet verhoord! Als de Heere zo gewillig was als ik, dan had Hij mij allang verhoord.’

Ach, gemeente, dat zijn mensen – onthoud dat – die nooit iets begrepen hebben van echte zielennood, niets begrepen van hun rechteloosheid.

 

De Kananese vrouw valt nu aan Zijn voeten. Want ze kan niet meer bidden. Ze heeft geen woord meer over. Hoe groter de nood in ons leven wordt, hoe korter wordt ons gebed. Dan hebben we soms niet meer dan een hik en een snik, dan een zucht; niet meer dan een ‘och’, of dan een ‘ach’.

Deze vrouw zegt het maar met enkele woorden. Ze gebruikt maar drie woordjes. Heere, help mij!

En wat doet de Heere? Nu zal Hij toch wel toeschieten en een verblijdend antwoord geven? Nee! Nee! Nog één keer gaat Hij haar geloof beproeven.

Ik heb het gelezen bij één van onze oudvaders, bij Alexander Comrie. Deze zegt: ‘Het geloof is een genade die door God beproefd wordt. De Heere brengt Zijn eigen werk in de smeltkroes, opdat het straks des te heerlijker zal openbaar komen.’ We horen de dichter zingen:

    

     Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht.

 

Vervolgens spreekt de Heere wéér tot haar. Wat zegt Hij dan?

Wel, luister maar: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen.

Dus weer krijgt ze een afwijzend antwoord! Ze heeft zo hoopvol naar Hem uitgezien en nu hoort ze dat ze geen enkel recht heeft. Ze wordt zelfs vergeleken, ze wordt zelfs op één lijn gesteld, met een hond. U moet weten dat een hond in Israël een onrein dier was. Daar liep men met een boog omheen. Een hond was onrein, en mocht het brood van de kinderen niet eten.

Deze vrouw, deze moeder, wordt nu zeker vreselijk boos? Ze barst zeker in drift uit? Ze zegt nu zeker wel: ‘Ik kan het toch ook niet helpen. Het is toch zeker niet mijn schuld, dat mijn wieg gestaan heeft in het land van de heidenen?’

Nee, dat zegt ze nu juist niet! In haar hart is Goddelijke genade verheerlijkt. En genade leert buigen, onvoorwaardelijk onder God, in rechteloosheid, in eigen onwaardigheid en in helwaardigheid. Genade leert belijden: ‘Heere, dat U nooit meer naar mij zou omzien, dat heb ik verdiend, dat heb ik mij waard gemaakt.’ Zij belijdt met de psalmdichter:

 

Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, Heer’;

Uw oordeel rust op d’ allerbeste wetten.

 

We horen haar vervolgens zeggen: ‘Ja Heere.’ Ze valt de Heere bij en zo van harte: Ja Heere. Dat wil zeggen: ‘Ik heb niet de minste weldaad verdiend. Ik heb niet de minste zegen verdiend. Ik ben het ook niet waard dat U nog naar mij omziet.’

 

We zingen nu uit Psalm 69 vers 13 en 14:

 

Dat zal den Heer’ veel aangenamer zijn

Dan os of var, die hunnen klauw verdelen.

De blijdschap zal het hart der vromen strelen,

Als zij mij zien, verlost van smart en pijn.

Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet,

Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven;

Nooddruftigen veracht Zijn goedheid niet;

Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.

 

Gij, hemel, aard’ en zee, vermeldt Gods lof;

Laat al wat leeft Zijn trouw en goedheid prijzen;

Want God zal aan Zijn Sion hulp bewijzen,

En Juda’s steên herbouwen uit het stof.

Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad,

God eeuwig hun Zijn volle gunst betonen;

Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad,

Zij, die Zijn Naam beminnen, erf’lijk wonen.

 

De Kananese vrouw zegt nu: Ja Heere. Dat wil zeggen: Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, Heer’; Uw oordeel rust op d’ allerbeste wetten. Dat is genade bij God. Dan mogen we de Heere toevallen als de God Die over ons leven waakt. Dat is nu genade. Onvoorwaardelijk buigt zij voor en onder God.

Maar de vrouw mag nog meer zeggen! Ze zegt niet slechts: ‘Ja Heere.’ Ze voegt er nog een klein woordje aan toe: Doch…

Doch! Dat woordje ‘doch’ is vrucht van het dierbare geloof. Dat ‘doch’ is vrucht van het geloof, dat door de liefde werkt. Dat geloof klemt zich aan God vast, als ziende de Onzienlijke. Dat geloof zegt: ‘Hoe rechtvaardig is het dat U mij afwijst, hoezeer ben ik het waard voor eeuwig weggestoten te worden! Maar, Heere, ik kan U niet missen.’ En daarom zegt ze: Doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren. Ze mag zich onvoorwaardelijk aan de Heere overgeven.

 

Gemeente, wat een genade! Ze werpt zich als een rechteloze zondaar in Gods armen, op genade of ongenade, hopend op Gods barmhartigheid en op Zijn ontfermende liefde. Alles wat de Heere dan doet, is dan goed in onze ogen. Dan hebben we niets meer te verliezen. Dan hebben we ook niets meer te eisen. Want we hebben slechts recht op de dood.

O, dat volk komt op uit het wonder! Dan weten we niet laag en diep genoeg te buigen. Hoe waardeloos, hoe rechteloos wordt dat volk dan in zichzelf! Want ze hebben alles verbeurd. Alles is verzondigd. O, hoe groot wordt dan ieder kruimeltje genade, ieder kruimeltje ontferming, ieder blijkje van Gods gunst, elk slokje water en elke bete broods.

Zijn er hier ook van die bidders? Jonge bidders, of misschien wat oudere bidders, die zeggen: ‘Bij alles wat nodig is voor de tijd, Heere, begeer ik één ding, begeer ik boven alles één blijkje van Uw liefde, een troostwoord van Uw mond, een kus van Uw lippen.’ Want dan zegt de dichter:

 

Gij die God zoekt in al uw zielsverdriet,

Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven.

 

Want de Heere kroont Zijn eigen werk als Hij dan zegt: O vrouw, groot is uw geloof; u geschiede gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelve ure.

 

Wij letten nu op ons derde punt:

 

3. De verhoring op haar gebed.

 

Vrouw, groot is uw geloof. Ze is verhoord op haar bede. Een zalige blijdschap doorstroomt haar ziel. Deze woorden golven als een stroom van gadeloze ontferming door haar hart. Daar had ze nooit op durven rekenen. Wat is dat bij de Heere meegevallen! Ja, wat is het voor haar bij God meegevallen! Ze heeft zich erbuiten gezet en ze is er door de mensen buitengezet, maar de Heere heeft haar erin gezet. Ze vroeg een kruimpje, maar ze kreeg het hele brood.

 

O vrouw, groot is uw geloof. Waarom was dat een groot geloof? Omdat ze zo groot van zichzelf dacht?

Nee. De Heere ziet niet naar ons werk, ook niet naar ons geloof, maar Hij ziet naar Zijn eigen werk. En dat kroont Hij. Hij kroont Zijn eigen werk.

Haar geloof was daarom zo groot, omdat ze zo klein en gering dacht van zichzelf en zo groot dacht over Hem, Die rijk was, maar arm wilde worden, Die gehangen wilde worden aan het hout der schande op Golgotha. Omdat ze zo groot dacht van Zijn liefde en van Zijn barmhartigheid. Omdat ze zo groot dacht van Hem, Die moest klagen: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd op nederleggen kan (Luk.9:58).

Groot dacht ze van Hem, Die gerekend wilde worden bij tollenaren en zondaren, Die wilde omzien naar een heidin, Die zondaren zalig maakt, Die overgeleverd werd in de handen van de heidenen, om gekruisigd te worden en om de Zijnen te worden tot spijs en drank, die reikt tot aan het eeuwige leven. Hij is het, Die Zijn dierbaar lichaam wilde verbreken en Zijn gezegend bloed wilde vergieten om hongerigen en dorstigen te spijzen en te laven tot het eeuwige leven.

 

Maar gemeente, jongens en meisjes, hoe houden wij vandaag biddag? Houden wij ook biddag zoals deze Kananese vrouw? En hebben we dat gebed van deze vrouw ook al eens zó leren bidden?

Nee, het was geen gebed van veel woorden. Maar het was wel echt. Het was een waar gebed. Het was een oprecht gebed. Werden wij ooit zo waardeloos en zo rechteloos voor God?

We hebben allemaal hetzelfde nodig, omdat we allemaal even boos en slecht en goddeloos en rechteloos zijn. Daarom hebben wij levensgenade nodig. We hebben ook stervensgenade nodig.

Jongens, meisjes, kinderen, wat hebben we nodig? We hebben een nieuw hart nodig. Bid de Heere erom. Vraag er om. We moeten tot God bekeerd te worden.

O, waar die nood op de ziel gebonden ligt, zijn onze tijdelijke noden niet meer het belangrijkste. Dan gaan we met die Kananese vrouw roepen tot God: Heere, help mij, eer ik sterf. Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus (2Kor.5:10). Roep dan nog vandaag tot Hem: ‘Heere, Gij Zone Davids, ontfermt U over mij, over mijn gezin, over mijn man. Ontfermt U Zich over mijn vrouw. Ontfermt U Zich over mijn kinderen. Heere, help mij! Want Hij zegt: ‘Wie Mij aanroept in de nood, vindt Mijn gunst oneindig groot.’

 

Gemeente, ziel verloren is alles verloren. Maar de Heere leeft nog, gisteren, heden en tot in alle eeuwigheid. Hij klopt nog aan de deur van je hart, jonge mensen. Hij zegt: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden (Matth.7:7).

Straks zal er een gunstvolk eeuwig ingaan om te aanbidden, ingaan in het Huis met de vele woningen hierboven. Dan zullen daar de blijde zangers staan en ze zullen zingen:

 

Dan wordt Mijn Naam met lofgejuich geprezen;

Dan zullen daar de blijde zangers staan.

 

Daar zullen ze aanzitten aan het avondmaal van de bruiloft des Lams. Daar zullen ze niet meer eten van de kruimpjes die vallen van de tafel huns Heeren. Maar ze zullen verzadigd worden met Zijn beeld. O, daar zullen de ogen geopend worden! Daar zullen ze de Koning zien in Zijn aanbiddelijke schoonheid. Daar zullen ze staan voor de troon van God en van het Lam met hun lange witte klederen, gewassen in Zijn bloed en geheiligd door Zijn Geest.

Het zal daar eeuwig klinken: Gij, Zone Davids, Gij gezegend Godslam, Gij alleen zijt waardig de aanbidding en de dankzegging tot in eeuwigheid.

 

Gemeente, werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven (Joh.6:27). Doe dan zoals de psalmdichter deed:

 

Zij sloegen ‘t oog op God;

Zij liepen, als een stroom Hem aan;

Hij liet hen nimmer schaamrood staan;

En wendde straks hun lot.

 

Gemeente, ik eindig, zoals ik dat gewend ben, met een oud kerklied:

 

De hoge God alleen zij eer.

Elk kniel’ voor Hem aanbiddend neer,

Elk moet Hem dank bewijzen!

Ja, Hem, Die ons zo eind’loos goed

Verzorgt, en in gevaar behoedt,

Moet al het schepsel prijzen.

 

Heft aan, heft aan, roemt Zijn genâ’,

Hij sloeg ons mededogend ga’,

Hij schonk ons Zijn bescherming.

Zingt dan de hoge God ter eer,

Aanbidt Hem, buigt u dankend neer,

Looft God, looft Zijn ontferming!

 

Geloofd zij ’s Vaders een’ge Zoon!

Hij bracht ons van Zijns Vaders troon

De rijkste zegeningen.

Hem, onze Helper in de nood,

Hem, onze Redder van de dood,

Moet al wat ademt, zingen.

 

Verlosser, Midd’laar, Hoofd en Heer’,

Voor U knielt Uw gemeente neer,

Lofzingend in Uw woning!

Eens wordt alom U toegebracht

Lof, eer en heerschappij en macht;

Zo heerst Ge als aller Koning.

 

Zingt, aarde en hemel, zingt Uw Heer’,

Het driemaal heilig melde Zijn eer,

Zingt Hem op hoge tonen!

De lof van God vervulle ’t heelal,

‘Die is, Die was, Die komen zal,

En onder ons wil wonen.                               

 

Amen.

 

Psalm 22 vers 13 is onze slotzang:    

 

Ik loof eerlang U in een grote schaar,

En wat ik U beloofd’ in ’t heetst gevaar,

Betaal ik, op het heilig dankaltaar,

Bij die U vrezen.

’t Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen,

Ten dis geleid.

Wie God zoekt, zal Hem prijzen.

Zo leev’ uw hart, door ’s hemels gunstbewijzen,

In eeuwigheid.