Ds. G.J. Baan - Psalmen 79 : 9

De biddag van Asaf

Psalmen 79
Biddag is terugzien
Biddag is opzien, omhoogzien
Biddag is vooruitzien

Psalmen 79 : 9

Psalmen 79
9
Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 17: 1 en 3
Lezen : Psalm 79
Zingen : Psalm 79: 4, 6 en 7
Zingen : Psalm 77: 8
Zingen : Psalm 27: 4
Zingen : Psalm 43: 1

Gemeente, jongens en meisjes, het is vandaag biddag. We zijn gewend om op de tweede woensdag van maart biddag te houden; een dag waarop wij bidden. Misschien vraag je je wel af: ‘Is dat nu alleen maar vandaag, op deze tweede woensdag van maart? Is het van al die diensten die we elk jaar beleggen maar één dag biddag?’

Ja, biddag houden we maar één keer per jaar, zoals we ook één keer per jaar dankdag hebben, en één keer per jaar kerstfeest, Pasen en de andere feestdagen vieren.

Eenmaal in het jaar is er een biddag. Dat betekent natuurlijk niet dat we maar één keer per jaar bidden, of dat we alleen maar tijdens deze kerkdiensten nadenken over bidden. Nee, deze aparte biddag moet ons aansporen om elke dag biddag te houden. Juist daarom richten we één dag in het jaar onze aandacht op bidden. Op die dag gaan we naar de kerk – als dat mogelijk is – en denken we erover na dat we moeten bidden.

 

Eigenlijk moet ik het anders zeggen: ‘We mógen bidden.’ Want bidden is een heel bijzondere zegen. De Heere Jezus heeft in Mattheüs 7 gezegd: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden (Matth.7:7). Dus aan het bidden verbindt de Heere Zijn belofte. Hij zegt eigenlijk: ‘Kom maar naar Mij toe, jongens en meisjes. Vraag maar wat je wilt en Ik zal het je geven.’

Misschien zegt iemand wel: ‘Ja, maar dat heb ik al zo vaak gedaan. Ik ben ernstig ziek en de eeuwigheid en de dood komt. Ik heb de Heere zo vaak gebeden om genezing, maar die is nooit gekomen.’ Of: ‘Ik heb al zo vaak gevraagd of ik een huwelijkspartner van de Heere mag ontvangen, maar het is er nooit van gekomen. Ik ben nog altijd alleen.’ Of we vragen aan de Heere om kinderen, maar de kinderzegen blijft uit. Of misschien zegt iemand: ‘Ik vraag de Heere om werk, maar ik ben nog altijd werkloos. Ik vraag de Heere om verlichting van mijn kruis in het leven, maar mijn zorg is gebleven.’

 

De Heere zegt niet alleen dat wij móeten bidden, maar ook dat wij mógen bidden en biddag houden, en dat Hij dat bidden ook verhoren wil.

De Heere zegt ook hóe wij moeten bidden. Laten we dat nu eens rustig met elkaar overdenken. Ik wil proberen vanuit het Woord van God heel eenvoudig met u na te denken over hoe wij moeten bidden. We letten dan vooral op het negende vers van Psalm 79 die u voorgelezen is, waarbij we ook op de context en de achtergrond van deze psalm willen ingaan. Als wij nadenken over hoe wij moeten bidden letten we vooral op vers 9. Dit is het woord van onze tekst van waaruit ik u het Evangelie bedienen wil:

 

Help ons, o God onzes heils, ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.

 

Asafs biddag. Hij blikt ten eerste terug: o God onzes heils.

Ten tweede kijkt Asaf omhoog: Help ons, en red ons, en doe verzoening over onze zonden. Het valt op dat hij steeds spreekt over ‘ons’; dus niet alleen over zichzelf, maar ook over alle anderen om hem heen.

Ten derde kijkt Asaf vooruit: ter oorzake van de eer Uws Naams. Dat is het doel van zijn biddag: om Uws Naams wil.

 

Dus we overdenken de biddag van Asaf:

 

1. Biddag is terugzien.

2. Biddag is opzien, omhoogzien.

3. Biddag is vooruitzien.

 

Onze eerste gedachte:

 

  1. Biddag is terugzien

 

Gemeente, het is altijd belangrijk om te bedenken wie een bepaald Bijbelgedeelte geschreven heeft. Willen we de achtergrond ervan begrijpen, dan moeten we ook weten wie de schrijver is.

Dat is hier niet zo makkelijk. Weliswaar staat in vers 1: Een psalm van Asaf, maar er waren meerdere Asafs. Er was meer dan één Asaf betrokken bij de tempeldienst en meerdere Asafs hebben psalmen gemaakt. Psalm 79 is van een Asaf, alsook Psalm 50 en de Psalmen 73 tot en met 83. Dertien psalmen zijn in elk geval door een Asaf gemaakt.

Een van die Asafs leefde in de dagen van David. Hij heeft de Psalmen 50, 73, 78 en 81 gemaakt. Dat weten we nagenoeg zeker.

 

Wie Psalm 79 gemaakt heeft, weten we niet. Trouwens, het was ook niet in Davids dagen, want in die dagen, jongens en meisjes, was de tempel er nog niet. Toen was er alleen maar een tabernakel, een tent. Die tempel van goud en steen en hout, dat prachtige gebouw dat heel veel geld en waarvan de bouw ook geweldig veel tijd gekost had, was er pas in de dagen van Salomo.

Je leest in deze psalm dat de tempel al is verwoest. De heidenen hadden de heiligheid van de tempel verontreinigd en Jeruzalem tot één grote puinhoop gemaakt. De muren van de tempel waren afgebroken en het tempelgebouw was verbrand en met de grond gelijkgemaakt. Om die tempel heen lagen de dode lichamen van Gods knechten, zeg maar van Gods kinderen, van degenen die de Heere liefhadden en dienden, van de gunstgenoten van God. De vogels van de hemel en het wild gedierte van het veld deden zich tegoed aan de lichamen van die overleden mensen.

Een gruwelijke vertoning! Asaf spreekt zelfs over bloed dat als water rondom Jeruzalem liep. Dat is nogal wat! De straten van Jeruzalem en het veld buiten Jeruzalem waren roodgekleurd door dat bloed. En er waren niet eens mensen die de lichamen konden begraven. Het leken de dagen van de Holocaust wel; er lagen zoveel doden dat een massagraf nog niet toereikend was.

 

Psalm 79 is dus geschreven na de verwoesting van stad en tempel, toen ten tijde van koning Zedekia het volk van Israël – de twee stammen Juda en Benjamin – was weggevoerd naar Babel. De wrede koning Nebukadnézar van het grote Babylonische rijk had in dat jaar een heel groot gedeelte van Israël gedeporteerd.

Al zo’n 145 jaar daarvoor, in 722, waren de tien stammen weggevoerd, gedeporteerd, naar Assyrië. En nu waren de twee stammen Juda en Benjamin met de hoofdstad Jeruzalem aan de beurt. Het eerste wat er toen gebeurde, zegt die onbekende Asaf die in die dagen leefde en die probeerde om de tempeldienst nog in stand te houden, was dat de tempel gesloten werd. De tempel werd verwoest. De muren werden afgebroken. Het tempelgebouw werd één grote puinhoop.

 

Zie je het voor je vandaag? Kerken worden verbrand – denk maar aan Indonesië – en gemeenten uiteengejaagd, zoals in Noord-Korea en China. Voorgangers worden gevangengezet, en mensen gedood door terroristische aanslagen. Allerlei verwoesting!

Daarbij kwam nog de spot van de vijanden, zoals we lezen in vers 4: Wij zijn onzen naburen – degenen die heel dicht bij ons leven, onze buren – een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn.

Hoe moet het nu toch verder? ‘Hoe lang, Heere, zult U nog toornen? Blijft die verwoesting maar doorgaan? Houdt het dan nooit een keer op?’ De dichter vraagt in vers 6 zelfs: ‘Heere, straf Uw vijanden. Stort Uw grimmigheid uit. Dood degenen die ons doden. Vervolg degenen die ons vervolgen. Verwoest degenen die ons verwoesten. Het gaat ons immers om U, om Uw dienst, om Uw Naam?’

 

Je zou denken dat deze Asaf alleen maar oog heeft voor de verwoesting van de vijanden rondom hem. Totdat… we komen we bij vers 8.

Ineens ziet Asaf, en al die mensen rondom hem, niet langer op die puinhopen van Jeruzalem. Ineens heeft hij het niet meer in de eerste plaats over de vijanden van God en over alle uiterlijke omstandigheden zoals ziekte, nood, gevangenschap, over dood en verderf. Ineens heeft hij het over zichzelf!

Jongens en meisjes, welk woord in vers 8 valt ons heel duidelijk op? Het springt er als het ware uit. Ik zal de tekst voorlezen: Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen.

Wat opvalt is het woordje ‘misdaden’. ‘Heere, wíj zijn zondaren. Wíj stijgen er zelfs bovenuit.’ Je zou beter kunnen zeggen: ‘Wij worden het diepst vernederd als we letten op onszelf. Onze zonden, Heere, getuigen tegen ons. We kunnen ons wel focussen op die vijanden, we kunnen wel heel veel nadenken over de verwoesting en urenlang spreken over de nood en de kruizen om ons heen, maar het zijn ónze zonden, Heere, ónze misdaden.’

 

Gemeente, Asaf ziet terug. Ergens op terugzien houdt in dat we het al eens eerder hebben gezien. Als die verwoestingen komen gaan Asafs gedachten terug: naar dat leger van Nebukadnézar uit Babel, naar al die doden, al die mensen die stierven, maar vooral ook naar de dienst van God. Wat hadden ze jarenlang de Heere mogen dienen! Elke dag waren de tempeldeuren weer opengegaan. Elke dag waren daar de offers en de koren van de tempel met de muziekinstrumenten. De Heere was hen goed, zo zingt een Asaf in Psalm 73. En in Psalm 75 spreekt een andere Asaf over het ambt dat hij ontvangen heeft. En de Asaf van Psalm 77 spreekt over het roepen tot God, Die hem hoort in de benauwdheid. We zingen er straks van. Onze Asaf doet er in Psalm 79 nog een schepje bovenop en heeft het over de zonden.

 

Ziet u het verband? Elke zondag opnieuw stonden de deuren van Gods huis voor ons open en ook heel vaak doordeweeks. We werden genodigd om naar de kerk te gaan. We bezochten de catechisatie, de vereniging, en denk maar aan alle activiteiten in ons midden. De dienst van God vond zijn voortgang. We hebben de Heere aangeroepen. We hebben gezongen. We hebben geluisterd naar het Woord. We hebben de sacramenten bediend.

Zeker, van buitenaf komt er soms wel wat tegen op. We leven midden in de wereld. We horen over terrorisme en veel strijd. Het staat nog ver van ons bed, want het vindt nog altijd in een ander land plaats. Hoewel? We worden geconfronteerd met mensen die niet meer naar de kerk gaan. Denk aan Jeruzalem van toen.

Misschien moet u wel zeggen dat die strijd van Jeruzalem, die oorlog van toen, wel heel dicht bij uw hart komt. U denkt misschien wel: Mijn gezin, mijn huwelijk! Er is geen uitzicht meer. Ik ben ziek geworden. De dood wenkt ieder uur. Zakelijk is het niet meer wat het was. Dag in dag uit zijn er de tegenslagen en de aanvallen van satan. Het is donker. Net als voor Asaf bij de tempel houdt terugzien op deze biddag in: vijanden, verwoestingen, doden, ziektes, spanningen, onzekerheid, zelfs de dood.

 

Gemeente, maar nu dat ene element: onze misdaden. Moeten we niet zeggen: ‘Heere, alles wat ons overkomt, is uiteindelijk een gevolg van de zonde. We hebben er zelf voor gekozen?’

Het brengt Asaf op de laagste plaats. Het laat hem alle gebeurtenissen relativeren: ‘Of ik nu ziek ben, of sterf, of dat er vijanden zijn, of dat al die gruwelen me overkomen, dat heb ik over mezelf uitgeroepen.’

Bent u vandaag op die plaats? Eerlijk voor God? Want hoe komt het anders dat al die dingen gebeuren? Hoe vaak hoor je het niet: ‘Hoe kan God dat allemaal toelaten?’ Duizenden mensen dood door aanslagen, honderdduizenden gedood door oorlogen, honderdduizenden door natuurrampen in de jaren die achter ons liggen, miljoenen per jaar door allerlei andere oorzaken.

Wat is de oorzaak ervan?

Het zijn onze misdaden!

 

Zo blikt Asaf terug. Maar er is nog iets. Ondanks alles zegt hij: O God onzes heils!

Eigenlijk staat er heel vrij vertaald: O God van onze Jezus. Want het woordje ‘heil’ is heel nauw verbonden met de naam: Jozua, Jezus.

O God van ons heil, van onze Jezus!

Er staat een uitroepteken achter in mijn Bijbel. Met al die strijd, met al die kruizen, met al die ziekten en met al die onzekerheden tóch uitroepen: ‘Heere, U bent de God van onze Jezus! U bent mijn God. U bent mijn Zaligmaker. U bent niet alleen de Vader van Uw Zoon, maar ook mijn God. U bent mijn reddende Heiland.’ Zo blikt Asaf terug.

 

Maar nu keren we het even om: Ondanks alle ontrouw hebt U mij altijd gespaard. Vult u het maar voor uzelf in. Ondanks al onze zonden was er de niet-aflatende, altijd voortdurende zorg van God.

Ondanks de ballingschap, waarbij zovelen werden weggevoerd en gedood, bleef U voor mij zorgen. Met de gevangenschap van zovelen in Israël was er die bevrijdende liefde van de Heere Jezus Christus. Al in het Oude Testament sprak de Heere van het Evangelie dat voor gevangenen vrijheid uitroept en voor gebondenen verlossing uit hun ballingschap: Al zijn de tempeldeuren dichtgegaan en de muren van de tempel verwoest, de blijdschap in U is gebleven.’

 

Ondanks alle droefheid blijft er de vreugde in God. Kunt u dat vandaag zeggen? ‘Met mijn ziekte en mijn zorgen, met mijn nood en mijn kruis, met al mijn onzekerheid, Heere, roep ik U aan als de God van mijn heil.’

Natuurlijk, dan is er geen lach meer op Asafs gezicht, maar staan er tranen in zijn ogen. Dan horen we geen lofzangen meer bij de tempel, maar klaagliederen. Dan is er geen vreugde, maar droefheid en smart, want de Heere heeft de oordelen toegelaten. Maar dan is er ook verbrokenheid in het hart vanwege de zonden, en een aanroepen van God.

 

Gemeente, die twee dingen in vers 8 en vers 9 zijn hier als het ware twee gevouwen handen: onze misdaden en de God van ons heil.

Misschien zijn er hier mensen die maar één hand hebben. Laten we zeggen: de hand van de zonden. Mensen, die klagen over hun zonden en misdaden, en misschien ook nog wel wat over de uiterlijke omstandigheden. Mensen zonder uitzicht. Wat is het hart dan neergebogen. Maar Asaf heeft tegenover zijn zonden, tegenover die ene hand, ook die andere hand: de God van zijn heil! En dat bewaart hem voor wanhoop.

Anderen hebben misschien alleen de hand van wat God gedaan heeft, de hand van de God van ons heil. Ze roemen in God, maar ze missen die andere hand. Ze missen de verslagenheid en de verbrokenheid uit Zondag 45 van de Catechismus: ‘dat we onze nood en ellende recht en grondig kennen.’

 

Biddag. We zien terug met verbrokenheid vanwege onze zonden: Gedenk ons de vorige misdaden niet. En we zien terug, als het goed is, op de God van ons heil.

Dat laat ons zingen, en we gaan dat doen uit Psalm 77 vers 8:

 

Heilig zijn, o God, Uw wegen;

Niemand spreek’ Uw hoogheid tegen;

Wie, wie is een God als Gij,

Groot van macht en heerschappij?

Ja, Gij zijt die God, die d’ oren

Wond’ren doet op wond’ren horen;

Gij hebt Uwen roem alom

Groot gemaakt bij ’t heidendom.

 

Onze tweede gedachte:

 

  1. Biddag is omhoogzien

 

Biddag is terugzien, maar biddag is ook omhoogzien. Gemeente, David zegt in Psalm 34: Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen, maar uit alle die redt hem de Heere (Ps.34:20). Eenvoudig gezegd: ‘Het kan heel moeilijk zijn in je leven als je God dient, maar God zorgt altijd voor je.’

Hoor je dat, jongens en meisjes? Als je de Heere dient, als je een kind van God bent, kan het best heel moeilijk in je leven worden. Ik weet wel wat voorbeelden uit de Bijbel en misschien ken je ze ook wel uit je eigen leven. Het kan heel moeilijk zijn als je God dient, maar de Heere zorgt altijd voor jou, voor u.

 

Petrus zegt dat God voor alle mensen zorgt, maar in het bijzonder voor de gelovigen. God zorgt voor alle mensen, maar Hij heeft een bijzondere zorg voor Zijn kinderen. Dat ervaart de Asaf uit Psalm 79. Stel je voor dat Asaf dat niet had gezien, dat hij was blijven steken bij de verwoesting van Jeruzalem. Ik kan het me enigszins voorstellen. Of eigenlijk helemaal niet, want niemand van ons heeft wat Asaf ervaarde immers meegemaakt?

Stel je voor dat deze kerk vandaag op een of andere wijze verwoest zou worden, laten we zeggen door een aanslag van IS. Nu zullen ze dat niet zo gauw doen, want aan één kerk zal in hun visie niet veel eer te behalen zijn. Maar stel je voor dat het toch gebeurt. God verhoede het! Ze komen hierheen en ze blazen de hele kerk op; waarna die met de grond gelijk gemaakt wordt. Stelt u zich voor dat we erbij staan om te bekijken wat er gebeurd is. Onze kerk is één grote puinhoop geworden. Wat zou er dan door ons heen gaan? Het zou nog jarenlang in ons geheugen geprent staan, als we tenminste gespaard zouden blijven.

 

Hier in Psalm 79 is heel de tempel verwoest en Jeruzalem met de grond gelijkgemaakt. Velen zijn gedood. Het merendeel is naar Babel weggevoerd…

Maar toch kijkt Asaf omhoog!

De Asaf van Psalm 73 deed dat niet altijd. Hij was kwaad op de dwazen, als hij aan der goddelozen vrede dacht. Er zijn geen banden tot hun dood toe, zegt hij, hun kracht is fris. (Ps.73:3-4).

Maar ónze Asaf kijkt nu naar boven: ‘In de grootste smarten blijven onze harten in de Heere gerust.’ Wat er in je leven ook gebeurt: de Heere aanroepen is het beste!

Wat is het ergste dat er gebeuren kan?

‘Dat je ziek wordt’, zegt iemand.

Ja, dat is heel erg, maar vaak is er wel een middel om beter te worden.

‘Dat je vader of je moeder sterft’, zegt een ander.

Ja, dat is verschrikkelijk erg. Er zijn er onder ons die dat hebben meegemaakt. Wat kan je hart dan vol droefheid zijn, ook vandaag! Maar toch was het gelukkig niet altíjd onoverkomelijk en waren er ook momenten dat je Gods hulp hebt ervaren. De Heere was erbij!

Een derde zegt: ‘Dat je je werk kwijtraakt.‘

Ja, het is heel erg als we geen uitzicht hebben op ander werk. Maar er zijn altijd mensen om u heen om u te steunen. Het is ook de zegen van een kerkelijk leven, dat er hulp kan worden geboden.

‘Of dat je in een scheiding ligt’, zegt iemand.

Verschrikkelijk! Wat kan het pijn doen als er allerlei dingen in ons leven gebeuren die we nooit hebben voorzien! Maar ook daarin kan de Heere ons tot kracht en sterkte zijn…

Gemeente, maar het ergste dat er gebeuren kan, is dat u sterven moet, dat de dood eraan komt. Maar juist dan – misschien denkt u wel: zelfs dan – is God aanroepen het beste wat u doen kunt. Wel, dat doet Asaf hier. Het kan zo erg niet zijn, of we moeten omhoogzien.

 

Asaf vraagt drie dingen aan God: Help ons (…) en red ons, en doe verzoening over onze zonden. Je kunt het samenvatten als een vraag om tijdelijke hulp – help ons – een vraag om eeuwige hulp – red ons – en een vraag om geestelijke hulp: doe verzoening over onze zonden.

Hij begint met het dagelijkse: help ons. Eigenlijk staat er in het Hebreeuws: verleen ons bijstand. ‘Bijstand’ betekent: hulp. ‘Geef ons hulp, Heere. Wilt U aan onze kant staan?’ David gebruikt dat woord in Psalm 27 waar hij zegt: Gij zijt mijn Hulp geweest (Ps.27:9). Asaf denkt natuurlijk aan al die mensen die er niet meer zijn, die hem ontvallen zijn door de dood. Er is nauwelijks meer iemand die hem helpen kan. Hij is van alle verwachting van mensen afgebracht.

Dat maakt Job ook mee. Zijn vrienden om hem heen troosten hem niet langer, maar beschuldigen hem. Hij klaagt dan: Gij allen zijt moeilijke vertroosters (Job16:2).

Heman, een andere dichter, maakt iets dergelijks mee. In zijn moeitevolle omstandigheden zegt hij: ‘Mijn ziel is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf (Ps.88:4). Ik sta als het ware bij de grafkuil.’

David maakt het ook mee in zijn geestelijke strijd. Hij zegt: Ik ben ellendig en nooddruftig (Ps.70:6). En: Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God? (Ps.42:11).

Maar juist dan vragen we: ‘Heere, wilt U ons helpen?’ Als nu alle hoop mij gans ontviel en niemand zorgde voor mijn ziel, Heere, wilt U me dan geven hulp – hetzelfde woord – uit de benauwdheid, want ‘s mensen heil is ijdelheid (Ps.60:13, Ps.108:13).

 

Dat is biddag vandaag. Vul dan je kruis en je nood maar in. Bij het ziek zijn, als de dokter niet meer helpen kan en er geen middel meer is om de kwaal te bedwingen: ‘Heere, help ons!’

In de nood van huwelijk of gezinsleven, als niemand het meer weet: ‘Heere, help ons!’

In maatschappelijke omstandigheden die zo moeilijk en ondoordringbaar zijn: ‘Heere, help mij!’

Op school, als je het niet meer weet en niet meer kan en het lijkt te mislukken: ‘Heere, help mij!’ Dat staat hier in onze tekst.

Op het werk, als u het niet meer weet, als er een depressie kwam, als er benauwdheid is, als de geestelijke gezondheid minder is geworden, als de psycholoog het ook niet meer weet en de psychiater moet zeggen: ‘Ik kan je geen hulp meer bieden’, zeg dan maar: ‘Heere, help mij! O, God van ons heil, U hebt het vroeger gedaan; zult U het dan nu niet ook doen? Ik zie op naar U.’

 

’k Sla d’ ogen naar ’t gebergte heen,
Vanwaar ik dag en nacht
Des Hoogsten bijstand wacht.

 

Is dat uw hulp vandaag, van de Heere alleen? Help ons.

 

Het tweede dat Asaf vraagt, is: red ons.

Gemeente, dat is een nog belangrijker gebed! De aardse dingen zijn niet onbelangrijk, maar we kunnen ook te veel aandacht aan het aardse geven. Jezus zegt dat ook: Gij kunt niet God dienen en den Mammon (Matth.6:24). Dat gaat niet. Wees daarom niet bezorgd voor uw leven, voor het eten en drinken, voor het lichaam en voor de kleding. Het leven is meer dan het voedsel en het lichaam is meer dan de kleding. Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Matth.6:33).

Jongens en meisjes, hoe vaak moet ik dat nog tegen jullie zeggen? Want alles wat er gebeurt in je leven lijkt soms wel het belangrijkste te zijn. ‘Nee’, zegt God vandaag, ‘het leven kom je wel door. Dat gaat allemaal wel; daar zorg Ik voor. Ik zorg voor je eten en voor je drinken en voor je kleding. Maar zoek nu eerst Mijn Koninkrijk.’

Hier wordt gevraagd: red ons. ‘Redden’ is wat anders dan ‘helpen’. Stel je voor dat je je rijexamen voorbereidt, en je gaat rijlessen nemen. Dan zit er iemand naast je en die helpt je, maar je moet het zelf doen! ‘Helpen’ is dus iets wat erbij komt. Nu bedoel ik niet dat we zelf wat doen en God ook wat doet. Nee, maar ‘helpen’ is wat anders dan ‘redden’.

Stel je voor dat je helemaal verkeerd rijdt en je maakt bijna een ongeluk. Dan wordt er ingegrepen. Hopelijk gebeurt dat niet tijdens je rijexamen, want dan is het meestal mis. Maar die persoon naast je grijpt dus in, hij remt of hij stuurt bij. Dat redt je van een fataal ongeluk. Er zijn nog veel meer voorbeelden te noemen, maar dát is het woord dat hier wordt gebruikt: ‘Heere, verlos ons; bewaar ons voor de dood, voor de vijanden.’ Red ons.

 

David gebruikt in Psalm 56 hetzelfde grondwoord wanneer hij zegt: Gij hebt mijn ziel gered van den dood (Ps.56:14). En in Spreuken 23 zegt zijn zoon Salomo: Gij zult (…) zijn ziel van de hel redden – ook hetzelfde woord (Spr.23:14). ‘Redden’ wordt in het Oude Testament heel vaak gebruikt in combinatie met de dood.

We vullen het hier eens in. Met ‘Heere, red ons van de dood’, wordt dan bedoeld: Heere, al die andere mensen zijn gedood, bij de verwoesting van Jeruzalem, bij de gevangenneming van het volk, bij de inname van de stad en van de tempel. Bewaart U mij daarvoor, o God?

Nee, want met ‘dood’ wordt nog wat meer bedoeld dan alleen het sterven. Met ‘dood’ wordt in Psalm 79 bedoeld het fatale van de dood: ‘Heere, red mij van de eeuwige dood.’ Dat woord gebruikt de dichter heel bewust. ‘Red mij van de hel! Bekeer mij! Geef mij geloof! Bewaar mij voor een eeuwige dood en een helse straf!’

‘Mag ik die ontvlieden,’ vraagt de Catechismus, ‘en wederom tot genade komen? Bewaar me voor een eeuwige ballingschap, o God!’

Jezus gebruikt het woord op een heel andere manier in het Grieks van het Nieuwe Testament, als Hij zegt: ‘Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden? (Matth.23:33). Hoe zou je van de helse verdoemenis worden gered?’

 

Dus we vragen God niet alleen om hulp voor het dagelijks leven. We bidden op de biddag vooral: ‘Heere, verlos me van de eeuwige dood. Verlos me van het eeuwig verderf.’ Want dat die eeuwige dood komt als we sterven zonder God, dat weten we.

Hoeveel van die mensen die in Jeruzalem bij de verwoesting van de stad en de tempel omgekomen zijn, zullen werkelijk gered zijn van hun zonden? De meerderheid? Nou, ik denk het niet. De Bijbel laat heel duidelijk zien dat de meeste mensen niet meer in God geloofden toen het oordeel kwam; er ging nauwelijks meer iemand naar de tempel.

De Asafs waren dun geworden, staat er. Dat betekent: heel weinig in getal. Er waren nauwelijks meer mensen over die God kenden. In vers 8 staat: Wij zijn zeer dun – weinig in getal – geworden. Het merendeel van degenen die stierven bij de verwoesting van de stad en de tempel is eeuwig omgekomen.

 

Wat een ingrijpende gedachte dat ook het merendeel van Nederland – en we moeten helaas tot die constatering komen als we om ons heen kijken – God niet wil dienen! Zal de Heere Jezus, als Hij terugkomt, ook geloof op de aarde vinden? Breed is de weg die naar het verderf leidt, en velen wandelen erop. Smal is het pad dat naar het leven leidt, en weinigen vinden het.

De dichter geeft ons het voorbeeld als hij zegt: ‘Heere, bewaar ons voor het eeuwig verderf.’ Bid dan toch! Nee, niet zomaar zeggen: ‘Ja, dat heb ik toch gedaan. En ik wacht wel af wat het antwoord is.’

Nee, verwachtend bidden, pleitend op Gods Woord en Zijn beloften, met de bede van Asaf: ‘O Heere, God van onze Jezus, doe het om Christus’ wil.’

 

Een gebed om dagelijkse hulp: help ons. Een gebed om eeuwige hulp: red ons. En een gebed om geestelijke hulp: doe verzoening over onze zonden.

In de Hebreeuwse taal staat: bedek mijn zonden. Je kunt het ook vertalen met: betaal mijn zonden. Dat is wat nieuwtestamentischer gezegd. ‘Bedekken’ is een echte oudtestamentische gedachte. We denken aan wat David zegt in Psalm 32: Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is (Ps.32:1). Dan legt de Heere er een kleed overheen.

Denk aan de zonde van Noach, die naakt in zijn tent lag. Twee van zijn zoons gingen achteruit de tent in en legden een kleed over hem heen. De naaktheid van Noach werd bedekt; zijn zonden werden bedekt, onzichtbaar voor anderen.

Nu vraagt de oudtestamentische bidder: ’Heere, wilt U het kleed van Uw vergetelheid leggen op mijn zonden, die zoveel scheiding maken tussen mij en U, waardoor U Uw aangezicht voor mij verbergt zodat U niet hoort? Heere, wilt U die zonden bedekken? Leg er het kleed van Uw liefde overheen.’ Dat kunnen we weleens doen met betrekking tot iemand die ons lief is. We zeggen dan: ‘Ik denk er niet meer aan; zand erover.’

Bedekken... Maar nieuwtestamentische vergeving van zonden gaat nog wat verder. Dat zit ook in dit woord ‘verzoening’. ‘Heere, mogen de zonden worden betaald?’

Door Wie?

‘Al die zonden, Heere, die U gadeslaat, en al die ongerechtigheden die U ziet, die moeten worden weggenomen. Mag het bloed van het Nieuwe Testament daarover druppen?’

 

Neem mijn zonden, uit meêdogen,
Gunstig weg, gedenk die niet.

 

Het Oude Testament zegt dus: bedek de zonden. Maar het Nieuwe Testament zegt:

 

Maar neen, daar is vergeving
Altijd bij U geweest.

 

‘Heere, de zonden worden betaald door het bloed van het Lam. En omdat ik geen penning heb om de zonden te betalen, hebt U die prijs, o Heere Jezus, betaald met Uw dierbare allesreinigende bloed. Heere, vergeef mijn zonden.’

Is dat uw gebed?

Dan zult u met uw hart mogen zingen – en we gaan het samen doen – Psalm 27 vers 4:

 

God zal mijn hoofd nu boven ’s vijands benden

Verhogen; dies wil ik met blij geschal,

In Zijne tent het offer opwaarts zenden,

Daar psalm en lied Zijn lof vermelden zal.

Verhoor, o Heer, toon mij een gunstig oog;

Ik zal mijn stem verheffen naar omhoog;

Verhoor mij toch, bewijs mij Uw genâ,

En antwoord mij, die voor Uw aanzicht sta.

 

Biddag is terugzien. Biddag is opzien. Maar biddag is ten derde ook vooruitzien.

 

  1. Biddag is vooruitzien

 

Waarom bidt Asaf? Die vraag moet vandaag ook worden gesteld. Waarom hebben wij biddag? Wat is de achtergrond daarvan?

We kunnen uit gewoonte biddag houden. Een goede gewoonte, maar het is niet genoeg.

We kunnen biddag houden uit eigenbelang. Je ziet dat nogal eens op het zendingsveld: ‘Als we maar genoeg bidden, gaat het voor de rest wel goed! Maar als we niet bidden, gaat het niet goed.’ Als het goed gaat, betekent dat, dat er genoeg gebeden wordt. En als het niet goed gaat, als er geen oogst of geen eten is, dan betekent het dat er wat aan het gebed ontbreekt.

We kunnen bidden uit eigenbelang, omdat we menen dat we anders geen zegen kunnen verwachten in het maatschappelijk of persoonlijk leven. Als het wat minder gaat in ons leven, als het wat tegenvalt, dan gaan we extra aandacht geven aan de biddag en extra bidden. Dan komt het misschien wel goed. Dat is bidden uit eigenbelang.

We kunnen ook bidden om de helse straf te ontgaan. Dat is niet verkeerd. We hebben gezien dat er staat: ‘Heere, red ons!’ Maar als dat het enige motief is, dan gaat het ons dus vooral om de hemel van God en niet om de God van de hemel. Als de Heere in uw leven werkt, dan komt er nog wat bij, dan gaat het u om God, om de Heere Jezus.

 

Sommige mensen bidden met dezelfde motivatie als de farizeeën. Zij denken dat ze door veel te bidden hun schuld bij God kunnen betalen en bedekken en dat ze de Heere daarmee tevreden kunnen stellen. MacCheyne zegt: ‘Al zou je je halve leven bidden en de andere helft van je leven je zonden bewenen, dan nog kun je je zaligheid niet verdienen. Dat doet Jezus alleen.’

Bidden uit gewoonte, uit eigenbelang, om de helse straf te ontgaan, uit eigengerechtigheid, al die motieven zijn niet de juiste. Nee, Asaf bidt vooral met het oog op God: Help ons (…) ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil. ‘Heere, het gaat mij om U, om de eer van Uw Naam. Het gaat om de glorie van God.’

 

Wat was de Naam van de Heere door het slijk gehaald! Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn. Of vers 10: (…) de heidenen zeggen: Waar is hun God?

‘Heere, wat is Uw Naam getergd, onteerd, smaadheid aangedaan. Wat bent U bedroefd.’ Wat doet het pijn als ze mijn God smaden, als ze de Heere vloeken. Wat doet het pijn als je hoort dat de Naam van de Heere door het slijk gehaald wordt. Dan wordt de Naam van de Heere ontheiligd. Wat doet het dan pijn als je je zonden tegen God ervaart.

‘Heere, doe het toch om Uws Naams wil.’ Dat is het motief van deze bidder. Dat is het vooruitzien van Asaf: ‘Dat Uw Naam verheerlijkt wordt. Dat Uw hemel wordt verblijd. Dat Uw Koninkrijk wordt uitgebreid. Dat Uw Kerk wordt getroost.’

 

Nu we het toch al hebben gehad over het Nieuwe Testament vanuit het Oude Testament – dat woord ‘naam’ dat tweemaal gebruikt wordt in onze tekst, is een aanduiding van wat komt, van de toekomst: een Zoon, Wiens Naam zal zijn Immanuel, God met ons. Gij zult Zijn Naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.

Eigenlijk zegt Asaf: ‘Doe het om Jezus’ wil.’ Zo eindigen wij ons gebed toch ook vaak? Als Asaf bidt ‘om Uws Naams wil’, dan zegt hij daarmee: ‘met het oog op Uw Naam, met het oog op Jezus, om Jezus’ wil.’

Aan het begin en het eind van deze biddag moeten we zeggen: ‘Heere, ons gebed voegt nooit iets toe vanuit onszelf. Want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, zegt Paulus (Rom.8:26). Heere, leer ons bidden (Luk.11:1). ‘Maar doe het dan alleen omwille van Uw Naam. We roepen Uw Naam aan in Uw Zoon, onze Heere Jezus, Die ons bevolen heeft te bidden voor alle lichamelijke en geestelijke nooddruft.’

 

Hoe is jouw biddag? Als je terugziet, moet je eerlijk belijden voor de Heere: ‘Ik heb het niet verdiend. Ik sta als een zondige bidder voor U. Ik kom in de kerk als iemand die het niet weet, die het niet heeft, die het zelf ook niet kan. Maar, Heere, ik mag U aanroepen als de God van mijn heil.’

Of zegt u: ‘Die God van het heil ken ik nog niet?’ Dan zegt die God van heil en van zaligheid: ‘Roep Mijn Naam aan. Mijn Naam is Jezus. Kom naar Mij toe. Ik ben de Zaligmaker. Leg je aan Mijn voeten neer; Ik zal je niet verstoten. Beveel je aan Mij; Ik zal je niet laten staan zonder te antwoorden.’ Biddag is immers een boetedag. We hebben niets verdiend en alles verzondigd. ‘We verwachten het van U alleen, Heere, van Uwe trouwe hulp.’

 

Nee, onderschat de macht en de kracht van Satan niet, bidder. Paulus zegt: ‘Wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht (Ef.6:12), die Jakob opeten, die de lieflijke woningen van Jeruzalem verwoesten, die ons bespotten en smaden, die de Heere verwerpen.’

Maar tegelijk mag de bidder ook zeggen wat Luther eenmaal sprak: ‘Ons staat een sterke Held terzij, Dien God ons heeft verkoren.’

 

Zo houden wij biddag, terugziend vanuit onze zonden op Gods heil, opziend naar de God van onze hulp, van onze redding, van onze verlossing, en vooruitziend naar de God van onze eeuwige vreugde.

 

‘Om Uws Naam wil, Heere, help ons. Red ons ter oorzake van de eer van Uw Naam en doe verzoening over onze zonden. Dan zullen wij, het volk van Uw weide, eenmaal Uw Naam loven tot in eeuwigheid, van geslacht tot geslacht. Dan zal biddag eenmaal dankdag worden, waarop we Uw roem zullen vertellen.’

 

Amen.

 

Psalm 43 vers 1:

 

Geduchte God, hoor mijn gebeden;

Strijd voor mijn recht, en maak mij vrij

Van hen, die, vol arglistigheden,

Gerechtigheid en trouw vertreden;

Opdat mijn ziel Uw Naam belij’,

En U geheiligd zij.