Ds. M. Karens - 1 Johannes 2 : 18 - 27

Leugen en waarheid

De antichrist
De afval
De zalving
De volharding

1 Johannes 2 : 18 - 27

1 Johannes 2
18
Kinderkens, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is.
19
Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn.
20
Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen.
21
Ik heb u niet geschreven, omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij die weet, en omdat geen leugen uit de waarheid is.
22
Wie is de leugenaar, dan die loochent, dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent.
23
Een iegelijk, die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet.
24
Hetgeen gijlieden dan van den beginne gehoord hebt, dat blijve in u. Indien in u blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, zo zult gij ook in den Zoon en in den Vader blijven.
25
En dit is de belofte, die Hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven.
26
Dit heb ik u geschreven van degenen, die u verleiden.
27
En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult gij in Hem blijven.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 43: 3
Lezen : 1 Johannes 2: 15 - 29
Zingen : Psalm 119: 35 en 39
Zingen : Psalm 40: 5
Zingen : Psalm 25: 2

Gemeente, wij willen met Gods hulp de overdenking van de eerste brief van Johannes vervolgen en behandelen hoofdstuk 2:18-27, waarvan ik u alleen vers 21 lees. Daar luidt het Woord van God aldus:

 

Ik heb u niet geschreven omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij die weet, en omdat geen leugen uit de waarheid is.

 

We schrijven onder dit gedeelte: Leugen en waarheid.

 

Er zijn vier aandachtspunten:

1. De antichrist, vers 18. Kinderkens, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt dat de antichrist komt. Wat bedoelt Johannes? Wie is dat?

2. De afval, vers 19. Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn.

3. De zalving, vers 20 – 23. Doch gij hebt de zalving van den Heilige. Het woord zalving komt nog een paar keer terug.

4. De volharding, vers 24 – 27. Indien in u blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, zo zult gij ook in den Zoon en den Vader blijven. Dit ‘in U blijven’ komt hier nog enkele keren voor en staat centraal in deze laatste verzen.

 

1. De antichrist

Gemeente, we zijn bezig met de brief van de apostel Johannes. Het is de derde keer dat de aanspraak Kinderkens (kindertjes’) naar voren komt. In het Grieks staat er ‘kleine kinderen’; kijk maar naar het eerste, twaalfde, en achttiende vers. Telkens opnieuw spreekt Johannes zijn lezers hiermee aan.

Wie waren dit ook alweer? Het zijn de geestelijke kinderen, de ware gelovigen, Gods kinderen.

We hebben in het begin, bij vers 1, drie redenen genoemd waarom hij hen ‘kinderen’ noemt. Misschien is het goed om dit nog eens te zeggen. In vers 18 gebruikt hij dit woord om zijn vriendelijkheid aan hen te betonen, naar het voorbeeld van Christus, Die Zijn discipelen ook vrienden noemt. Ten tweede, omdat hij velen van hen door de prediking van het Evangelie gebaard heeft. Dat wil zeggen: hij is het middel geweest in Gods hand, zodat zij zijn geestelijke kinderkens werden. De derde reden die onze vaderen noemen, is de ouderdom van Johannes. De kanttekening bij 1 Johannes 2:1 zegt: ‘Maar ook om zijn hoge ouderdom.’ Hij is immers een eindje in de negentig. Dus: uit vriendelijkheid, omdat ze zijn gestelijke kinderen zijn en omdat hij zoveel ouder is.

 

Gemeente, laten wij daarmee beginnen. Worden wij ingesloten als deze benaming gebruikt wordt? Op weg naar de eeuwigheid is het het grootste wonder, als we van wedergeboorte mogen weten door de kracht van de Heilige Geest. En als nieuwgeboren kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke, onvervalste melk (1 Petr. 2: 2). Spreekt Johannes ook u aan? Worden we aangesproken in de adressering van deze brief? Ga dat nu niet uit de weg. Als u daar ‘nee’ op moet zeggen, bedel dan de Heere om de krachtige bediening van Zijn Geest. Vraag Hem of Hij door de kracht van Zijn Woord dat wonder van levendmaking en nieuwe schepping door Zijn Geest wil werken.

 

Dan snijdt de apostel in het achttiende vers een nieuw thema aan. We hebben de vorige keer overdacht dat Johannes sprak over het voorbijgaan van de wereld. Hier gaat hij nog een keer met klem waarschuwen en vertroosten. De boodschap van Gods Woord is altijd waarschuwend of vertroostend. Het gaat er maar om aan welke kant je staat. Het is altijd vertroostend voor Zijn kinderen in het strijdperk van dit leven, maar altijd waarschuwend voor jou, voor u, die nog voortleeft zonder God.

De wereld gaat voorbij; en Johannes zegt dan: ‘Weet je eigenlijk wel, hoe laat het is? De wereld met al zijn begeerlijkheid voor het vlees en voor de ogen, en met al die grootheid van leven gaat voorbij. Kinderkens, het is de laatste ure. Johannes zegt eigenlijk: ‘Beseft u, besef jij wel hoe laat het is? Het is bijna twaalf uur. Het laatste uur is aangebroken. Kanttekening 61 zegt: ‘Dat is, wij beleven nu de laatste tijd der wereld, van welke tevoren gezegd is dat in denzelven de antichrist zal komen en ook vele valse leraars zullen opstaan.’

De laatste ure. Het is bij Johannes een aanduiding voor de eindtijd, voor het laatste deel van de tijd op deze wereld. Op andere plaatsen in de Bijbel wordt gesproken over ‘de laatste dagen’. Het zal zijn in het laatste der dagen (Hand. 2: 17), dat betekent: de tijd tussen Pinksteren en wederkomst Dat is de tijd waarin wij nu leven. Het is de beslissende fase in de wereldgeschiedenis, waar op één na alle heilsfeiten hebben plaatsgevonden. We wachten nog op één feit, namelijk de wederkomst. Hij zal komen op de wolken des hemels om te oordelen de levenden en de doden.  Johannes zegt: ‘Kijk eens naar de klok, want die verspringt bijna naar het eind.’ En daarom is het ook een alarmsignaal. Als u echt zou geloven dat uw laatste uur geslagen zou zijn, hoe zou dan de rest van de dag eruit zien?

 

Zeker, één dag bij de Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag (2 Petrus 3:8) En van de laatste ure, het laatste deel van de wereldgeschiedenis, heeft de Heere Jezus Zelf gezegd in Markus 13:32: Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de engelen die in den hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader. Van God uit gezien, is het laatste moment aangebroken. Wij horen deze oude wereld kraken, we zien haar bloeden uit duizend wonden, en we merken op dat de maat van de ongerechtigheid steeds voller wordt. Zouden we dan niet moeten vrezen?

 

Weet u wat ik dacht? Als nu het laatste uur aanbreekt, dan is het nóg niet te laat. Want dan krijgt u nóg een uur genadetijd. In dat uur is de moordenaar aan het kruis gaan buigen onder God en Zijn Woord, en God gaan rechtvaardigen. Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt? En wij toch rechtvaardiglijk, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben’ (Luk. 23: 40, 41). Hij had hooguit nog een uur, maar Gods genade rukte hem als een vuurbrand uit het vuur. En daarom: Zoekt den Heere terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is (Jes. 55: 6).

 

Het is de laatste ure, kinderen van God. Zijn de lampen brandende? Hebt u olie in uw vaten? Als straks de roep klinkt: Zie, de Bruidegom komt (Mat. 25:6), en het laatste uur van deze wereld afloopt, hebben we dan de olie van de Heilige Geest, het ware zaligmakende geloof, in onze vaten? Johannes zegt het. En ik schrijf daar vanavond onder: Zo gij Zijn stem dan heden hoort, gelooft Zijn heil- en troostrijk woord; verhardt u niet, maar laat u leiden (Ps. 95:4 ber.). Want het is nóg de welaangename tijd, het is nóg het uur van de zaligheid. En God is barmhartig en genadig voor al diegenen die door schuldbesef getroffen en verslagen aan Zijn voeten komen.

 

Hoe weet de apostel nu dat het de laatste ure is? Hij zegt: Gelijk gij gehoord hebt dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden, waaruit wij kennen dat het de laatste ure is. Hij schrijft aan zijn lezers: ‘Jullie hebben het toch ook gehoord? Daar zie ik het aan dat het de laatste ure is, omdat dan de antichrist zal komen.’

Ze hebben het gehoord door de uitspraken van de Heere Jezus in de Evangeliën. Hij heeft dit voorzegd en gepredikt. Ze hebben het de apostelen horen uitleggen.

Om één voorbeeld te noemen: de bekende rede van de Heere Jezus temidden van Zijn discipelen op de Olijfberg, vlak voor Zijn sterven. En als Hij op de Olijfberg gezeten was, gingen Zijn discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk zal het teken zijn van Uw toekomst en van de voleinding der wereld? En Jezus antwoordende zeide tot hen: Zie toe dat niemand u verleide. Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden (Matth. 24: 3-5).

Zo antwoordt Christus op de vraag van Zijn discipelen wanneer de voleinding der wereld zal zijn. Hij zegt dat er vele antichristenen zullen komen. U moet Mattheüs 24 nog maar eens nalezen. Daar zegt Christus ook in de verzen 23,24 en 25: Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Zie, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden. Zie, Ik heb het u voorzegd.

Ze kunnen het weten, zoals ook de kanttekening het zegt: ‘Namelijk, volgens de voorzeggingen van Christus en de apostelen tevoren aangetekend’ (kantt. 65).

Ze konden het weten, en wij ook. Want Christus heeft het in de Schrift zo vaak voorgehouden: Wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven (Matth. 7:15).

 

Hoe weet Johannes dan dat de antichrist komt? Letterlijk staat er in het Grieks: ‘dat is, komen zal of op weg is om te komen.’ Wie of wat wordt er met de antichrist bedoeld? Dit woord komt maar vier keer in de Bijbel voor, en alleen in de brief van Johannes. Antichristos staat er in het Grieks, en anti is tegen. In het Grieks betekent ‘anti’ ook ‘in de plaats van’. Het wil dus zeggen: het is een macht die zich niet alleen tégen Christus, maar ook in de plaats van Christus stelt. Het is de verpersoonlijking van de satan, de vleesgeworden duivel.

 

De antichrist is de mens der zonden en der ongerechtigheid, die zich verzet tegen God en Christus. Hij is de grote verleider die rondgaat en de waarheid verandert in leugen. Hij loochent Gods werk, Zijn daden en Zijn Woord. Hij stelt zich tegen de Persoon en het ambt van Christus. Johannes schrijft: We zien nu al dat hij komt. Want er zijn in de tijd van Johannes – in het jaar 90, 92, of 93 – vele antichristen geworden.  Dit is een kenteken van de eindtijd.

Johannes spreekt nog niet over dé antichrist, want die zal zich openbaren kort voor de wederkomst van Christus. Maar rondom je kun je al zien dat er heel veel antichristenen zijn. Over de openbaring van de antichrist zelf lezen we heel duidelijk in 2 Thessalonicenzen 2; u moet dat thuis maar eens nalezen. De antichrist stelt zich tegen en verheft zich boven al wat God genaamd of geëerd wordt. Hij zal in Gods tempel als een god gaan zitten en zichzelf vertonen als een god.

Ik heb weleens gezegd: zoals nu God in Christus vlees geworden is, het vleesgeworden Woord, zo zal de satan vlees worden in de persoon van de antichrist. Er zou heel veel te zeggen zijn over deze dingen. De christenen in de Vroege Kerk, dus de mensen uit de tijd van Johannes, zagen de Romeinse keizer  als de antichrist. Als u het vragenboekje van Hellenbroek nog paraat hebt, weet u dat hij de paus van Rome als de antichrist zag. En er zijn inderdaad allerlei antichristelijke invloeden te merken in de roomse kerk en in de paus, maar toch moeten we zeggen dat de antichrist een persoon is die zich nog moet openbaren.

De tegenchristus zal op de troon zitten, de hele wereld toespreken en als god zijn. Hij zal in de plaats van Christus zijn en het werktuig van de vorst der duisternis om de hele wereld te verleiden. Hij is het beest uit de zee, die Johannes in zijn Openbaring heeft gezien.

Johannes zegt: ’Velen zijn antichristen geworden.’ Dat is een verzamelnaam voor dwaalleraars, allerlei sekten, en valse godsdiensten. Kanttekening 64 zegt: ‘Dat is, vele valse leraars onder de christenen, die de voorlopers van de grote antichrist zijn geweest, en van één geest gedreven.’ Ze hebben allemaal dezelfde geest om de gemeente Gods op aarde te misleiden en te verleiden. Johannes schrijft in vers 22: Wie is de leugenaar, dan die loochent dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent. Dat is een kenmerk van al die antichristelijke machten: men loochent, men ontkent dat Jezus is de Christus.

 

Men loochent dus dat het Woord Mens geworden is; men verwerpt Jezus Christus als de Zoon van God. De dwaalleraars zijn in de ban gekomen van stromingen als die van het Docetisme en de Gnostiek. Die stromingen deden zich in de tijd van Johannes al gelden. Eén ding is zeker: hiermee wordt de slagader van het christelijk geloof, de hartader van het werk der verlossing aangetast. Daarom schrijft Johannes, door bezorgdheid gedreven: Kinderkens, zie toe, het is de laatste ure, want er zijn nu vele antichristen geworden.

De consequentie is dat we, als we Jezus niet erkennen en afwijzen als de Zoon van God, ook de Vader verloochenen. Vers 23 zegt: Een iegelijk die den Zoon loochent, heeft ook de Vader niet. Bedenk wat er staat in hoofdstuk 1:7: en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. Johannes dringt er bij zijn lezers op aan om in Jezus als de Zoon van God te geloven. Zie ook 1 Johannes 2:1: Kinderkens, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige.

De dwaalleraars willen niet weten van het verzoenende werk van Hem, Die God uit God is, Licht uit Licht, en waarachtig Mens. Het is dus niet zomaar iets, wat deze antichristenen loochenen.

 

Want alleen de Zoon, zegt vers 23, kan iets van de Vader openbaren. Niemand komt tot den Vader dan door Mij (Joh. 14:6). Hij alleen kan de Voorspraak zijn bij Zijn hemelse Vader, de zonden verzoenen en Zijn zegenende handen bij de Vader uitstrekken. Nooit is er een weg tot de Vader buiten Hem. Deze is Mijn geliefde Zoon (Luc.9:35).

 

Johannes roept er dus krachtig toe op om de tijd te bezien en te letten op wat er gaande is. ‘Nu zijn er vele antichristenen gekomen’, zegt Johannes. Wij zouden zeggen: Je moet de Bijbel en de krant naast elkaar lezen. Dan zie je dat de eindtijd zich opmaakt en er vele verleiders zijn gekomen. Ze hebben wel een soort heilsleer, maar dat is niet meer dan surrogaat. Ze zeggen wel: Hier is de Christus en daar is de Christus, maar ze verdraaien de Persoon, het werk, het ambt en alles wat Christus heeft aangebracht. Ze verdraaien dit tot hun eigen verderf, maar ook tot misleiding van anderen in de gemeenten.

 

Let op de tekenen van de tijden. Er zijn allerlei geruchten van oorlogen, epidemieën, en noemt u maar op. ‘Maar één van de tekenen der tijden is ook,’ zegt Johannes, ‘dat er vele antichristenen gekomen zijn.’ Bezie dan de tekenen van de tijd bij een geopende Bijbel, en vraag om licht van de hemel om te zien, hoe laat het is. De laatste ure is aangebroken.

Matthew Henry schrijft in zijn verklaring dat er in de Christelijke kerk antichristenen zullen opstaan. Daarom moeten we ons sterk maken tegen hun verleiding. De wetenschap dat er allerlei wind van leer en verleiding zal komen in het laatste der dagen, moet ons wapenen tegen die verleiding. Dat moet ons aansporen tot: Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt (Matth. 26:41). De wijze en dwaze maagden vallen in slaap tegen de tijd dat de Bruidegom komt. Moeten ook wij niet belijden dat dezen tezamen slapen? Ontwaak daarom toch op tijd! Straks zal de roep in de nacht klinken: Zie, de Bruidegom komt (Matt. 25:6).

Daarom zegt Johannes tegen de kinderkens, de ware gelovigen, dat ze moeten waken en bidden. Zó moeten ze hun leven inrichten, in de verwachting van de komende Bruidegom. Zo moeten ze naar het Woord van God Zijn komst verwachten.

 

2. De afval

Johannes schrijft in vers 19: Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn.

Johannes gaat verder over de antichristen, de verleider. Het is heel aangrijpend, wat hij zegt: Ze zijn uit ons uitgegaan. De verleiders met de misleidende leer komen niet uit de wereld, maar uit de gemeenten in Turkije, aan wie hij schrijft. Kantekening 68 zegt: ‘Dat is, voortgekomen, opgestaan, en hebben zich van ons afgezonderd.’  De dwaalleraars hoorden bij de gemeente mét de dwalingen die ze probeerden in te voeren! Ze waren eerst belijders van dezelfde leer, behoorden tot dezelfde gemeente, zongen dezelfde psalmverzen, zaten in dezelfde bank, aan dezelfde avondmaalstafel, en noemden elkaar ‘broeders en zusters.’

Gelooft u niet, gemeente, dat Johannes die woorden ‘zij zijn uit ons uitgegaan’ met verdriet, met smart in zijn hart heeft opgeschreven? Toch heeft Johannes er een verklaring voor. Hij zegt tegen de gemeenteleden: ‘Zij kregen andere gedachten over leer en leven en hebben gebroken met het lichaam van Christus en met de gemeente van Christus.’

Nee, het gaat hier natuurlijk ten diepste niet over het veranderen van kerkverband, hoewel dat altijd verdrietig blijft. Het gaat hier over een breken met de Kerk, de Kerk met een hoofdletter. Het gaat er hier over dat men zich losmaakt van de plaats waar God werkt. Ze hebben de gemeente verlaten waarbij ze hoorden, en kozen voor een valse godsdienst. Voor de leer dat Jezus de Christus níet was en de Zoon van God níet was.  

 

Zij zijn uit ons uitgegaan. In het Grieks staat er: ze zijn afgescheiden; ze zijn zelf weggegaan. Je hoort het verdriet als je de woorden van de apostel leest. Is er dan een afval der heiligen? Kan het dat degenen die werkelijk bij de gemeente hoorden, door verleiding en valse leer afvallen? Nee, dat kan niet. Johannes zegt: Weet je hoe het dan wel komt? Maar zij waren uit ons niet, want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn.’ Johannes zegt eigenlijk: ‘Ze waren er wel, maar hebben er nooit echt bij gehoord. Ze zijn nooit als kinderkens door het wederbarende werk van de Heilige Geest in Christus ingelijfd. Ze waren nooit werkelijk medegezalfden van Christus. Ze behoorden niet tot de heilige vergadering van ware Christgelovigen, al hun zaligheid verwachtend in Christus Jezus. De geloofsband die de Heilige Geest legt in de wedergeboorte met het levende Hoofd Christus, hebben ze nooit gekend. Ze kenden niet meer dan een tijdgeloof. Er was misschien aanvankelijk opzienbarende vreugde,  en er waren opzienbarende dingen, maar… ze zijn uit ons uitgegaan. Judas is uit hen gegaan. Daar weet Johannes van.

 

Gemeente, als u nu aan uzelf denkt, welke vraag komt er dan in u op? Als er in uw hart oprechtheid is gewerkt door de Heilige Geest, zult u zeggen: Ben ik het, Heere (Matt. 26:22)?  Als we zien wat er allemaal kan zijn, en ook hoe de afval tot op de dag van vandaag doorgaat, dan kan het gebed alleen maar zijn: Doorgrond m’ en ken mijn hart, o Heer’; Is ’t geen ik denk niet tot Uw eer? Beproef m’, en zie of mijn gemoed, Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed’ (Ps. 139:14, ber.).

 

Maar dan is er toch de troost: een werk uit God dat de Heere werkt door Zijn Geest, kan niet gebroken worden. Paulus mag schrijven aan de gemeente van Filippi: Vertrouwende ditzelve, dat Hij Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus (Filipp. 1:6).  Er kunnen in het leven wel verkeerde wegen worden ingeslagen, een schaap van de gemeente kan gaan dwalen, maar er is geen afval der heiligen. Het werk voor de Kerk ligt vast in een Drie-enig God.

 

Waarom moest dat nu gebeuren? Waar was dat nu voor nodig? Dat zegt Johannes ook als het gaat over de afval. Hij zegt namelijk: Dit is geschied opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn. Johannes zegt: ‘Daarom is het gebeurd, zodat die dwaalleraars, die antichristenen, openbaar zouden komen.’ Johannes ziet in het vertrek van de dwaalleraars en de leden die deze leer aanhingen, dat zij openbaar kwamen. Hij ziet er Gods hand en doel in.

Het doel is om dat werk aan het licht te brengen. Er is kaf en koren, onkruid en tarwe op de akker van Christus. Dan is beproeving noodzakelijk en soms strijd rondom de leer, opdat God zou openbaren wat niet uit Hem is. Alleen zo kan de heiligheid van de gemeente worden bewaard. Langs deze weg wordt het duidelijk dat zij niet allen van ons zijn en dat het geen levende leden waren van de heilige, algemene, Christelijke Kerk.

 

Zo kwamen de antichristenen voor de dag en zo werd de misleiding weggenomen. De gemeente werd hierdoor gezuiverd en mocht bewaard blijven bij de leer die naar de godzaligheid is. Zo werd het duidelijk wat de waarheid was en werden andere gemeenteleden en jongeren niet in verwarring of op een dwaalspoor gebracht door allerlei wind van leer om hen heen.

Paulus schrijft in de eerste brief aan Korinthe, hoofdstuk 11: Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u (1 Kor. 11:19).

De loutering, dwaling en strijd maken iets openbaar. En dat is het doel, zegt Johannes. Nu nog een keer Matthew Henry: ‘De gemeente kan niet nauwkeurig weten, wie haar levende leden zijn, en wie niet, en daarom wordt de gemeente, ten opzichte van haar innerlijke heiliging, de onzichtbare kerk genoemd. Sommigen van de huichelaars moeten hier openbaar worden, en dat tot hun eigen schande zowel als tot hun eigen voordeel en tot schrik en waarschuwing van anderen.’ Matthew Henry zegt dus: Zo zijn kaf en koren bij elkaar. Nooit kan iemand precies weten wie nu de levende leden van de gemeente zijn. Maar er kan een ogenblik komen dat het wel openbaar komt, en dat is tot stichting van de Kerk. Johannes schrijft hier: ‘Dit was nodig, opdat die misleiders en huichelaars openbaar zouden komen en de gemeente van Christus gezuiverd werd tot schrik en waarschuwing van anderen.’

De afval zoals het hier werd getekend, heeft tot doel dat de gemeente zal volharden in de leer der apostelen en der profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste Hoeksteen is.

 

Gemeente, welke vraag klonk in de vallende avond voor de synagoge van Kapernaüm? Daar gingen ze allemaal, één voor één; bij tientallen tegelijk gingen ze. Velen dan van Zijn discipelen wandelden niet meer met Hem (Joh. 6:66). Deze rede is hard. Daar staan ze, die twaalf, en dan stelt Jezus de vraag: Wilt gijlieden ook niet weggaan? (Joh. 6: 67). Weet u het antwoord? Ziin er hier die ook zouden zeggen: Heere, tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods (Joh. 6:68.69).

Tegenover alle loochening en verlating in mag Petrus dit belijden op de vraag van Jezus, en zulke zielen zullen er alle eeuwen zijn.

We gaan naar ons derde punt, de zalving, maar we gaan eerst zingen:

                                                                                                                                               

Psalm 40:5

 

Uw heilleer wordt door mij alom verbreid;

 ‘k Bedwing mijn tong en lippen niet;

Gij weet het, HEER’, Die alles ziet;

Mijn hart verbergt nooit Uw gerechtigheid;

Uw waarheid doe ik horen;

Uw heil, den mens beschoren,

Vloeit daag’ lijks uit mijn mond;

Uw gunst, Uw trouw, Uw woord

En Godsgeheimen, hoort

Uw talrijk volk in ’t rond.

 

Leugen en waarheid. We hoorden over de antichrist. We hebben iets gezien van de afval die Johannes hier tekent. Letten we nu op de zalving.

 

3. De zalving

Vers 20 begint met Doch – dat geeft een tegenstelling aan. Tegenover de antichristen gaat Johannes nu wijzen op de mensen die de zalving van de Heilige hebben ontvangen. Als u een beetje meedenkt, begrijpt u waarom. Want een antichristen is een antigezalfde. De Naam Christus is Gezalfde, Messias. Tegenover al de misleiders, al de verlaters – die uit ons zijn uitgegaan – hebt gij (de kinderkens} de zalving van de Heilige ontvangen, en gij weet alle dingen.

Kanttekening 73 zegt: ‘De apostel wijst de gelovigen nu aan het rechte middel om de verleidingen der antichristen te ontkomen, namelijk dat zij vast blijven bij de leer die zij door de verlichting van de Heilige Geest eens hebben geleerd en aangenomen.’ De apostel wijst hen erop: Gij hebt de zalving van de Heilige – dat is de Heilige Geest. Hij zegt tegen hen dat dit nu het rechte middel is om vast te houden aan de leer die naar de godzaligheid is, tegen de verleidingen van de antichristen met al de wind van leer.

 

De zalving. Iedereen weet dat dit in het Oude Testament een beeld was van de verkiezing, de bestemming en de afzondering tot een bepaald ambt. Het was ook een beeld van de bekwaammaking. Nu zegt Johannes hier in vers 20: ‘Het kenmerk van een ware christen is, dat je de zalving van de Heilige Geest hebt ontvangen, dat is: van Christus Jezus. Waardoor de gelovige verstaat de genadige werking van de Heilige Geest, en door welke zij wedergeboren en met de zaligmakende kennis van Christus verlicht en versterkt zijn. Dit wordt met de uitstorting van een kostelijke zalf vergeleken. ‘

 

De vraag is nu of ook u deze zalving van de Heilige deelachtig bent. Onze Catechismus zegt: Dan kun je weten of je door een waar zaligmakend geloof Christus bent ingelijfd en Zijn zalving deelachtig’ (Zondag 12). Deelhebben aan Christus, de Gezalfde, de Christos, als medegezalfde, door het geloof. Waarin komt dat openbaar in uw leven? Dan gaat u als profeet Zijn Naam belijden, want u kent Hem door de verlichtende werking van de zalving door de Heilige Geest. U gaat in beginsel Zijn Naam belijden. Dan strijdt u als koning tegen de zonde, de duivel en de wereld. U gaat als priester uw leven wijden tot eer van de Heere. Dat mislukt vaak, maar als u de zalving van de Waarachtige deelachtig bent en deel krijgt aan Christus, wordt het toch uw hartelijke begeerte. We gaan door Hem bediend hier weer het drievoudige ambt bedienen, het ambt aller gelovigen.

En gij weet alle dingen is het tweede kenmerk van de ware kinderen Gods in de gemeente. De kanttekening zegt eenvoudig: ‘Namelijk, die u ter zaligheid nodig zijn om te weten en waarover ik u schrijf.’ Nee, ze weten lang niet alles. Wie van Gods kinderen zou durven zeggen dat hij alle dingen weet? Het is maar een beginsel, wat ze hebben geleerd. Maar ze mogen met de geloofskennis door de Heilige Geest toch weten van de dingen die nodig zijn tot zaligheid. Ze weten er niet alleen met hun verstand van, maar ze weten ook van een zielsbevindelijke geloofskennis.

 

De Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en Hij zal u indachtig maken alles wat Ik u gezegd heb (Joh. 14:26). Ja, ze moeten nog  heel veel leren en afleren. Maar door de Heilige Geest verlicht mogen ze weten van de dingen die God hun geleerd heeft. Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt (Matth. 11:25). Want de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn (1Kor. 2:14), maar door de zalving van de Heilige wordt het de kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U (Matth. 11:25,26). Dan wordt hun verstand verlicht en gaan ze ook de waarheid leren en de leugen onderscheiden.

 

Als de Heere werkt in uw leven, gaat u horen, luisteren naar de waarheid van het Goddelijke Woord. Dat is zo’n wonder in het beginnende leven. Nee, dan bent u niet meer zo kritisch, dan gaat het u niet meer om ‘dominee die of die’, maar dan gaat u naar Gods huis om te mogen hóren. Dan gaat u luisteren of uw ziel niet bedrogen wordt op weg naar de eeuwigheid.

Het lijkt net alsof Johannes een excuus gaat maken. In vers 21 staat: Ik heb u niet geschreven, omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij die weet, en omdat geen leugen uit de waarheid is.’ Deze vriendelijke apostel der liefde zegt: ‘Ik schrijf dit niet om jullie te bestraffen, of om tegen jullie te zeggen alsof je dit niet zou weten.’ Kanttekening 78 luidt: ‘Dat is, om u de gedachtenis van hetgeen gij weet te verversen, en u daardoor in de waarheid meer en meer te versterken tegen de verleidingen.’ Dus: gij weet deze dingen, maar het moet ververst worden, in herinnering gebracht worden om u op te scherpen, zodat u des te sterker zoudt staan tegenover de verleidingen. Dat is het doel van Johannes.  De gemeente moet het verschil weten tussen leugen en waarheid.

 

Hier staan leugen en waarheid tegenover elkaar. Hier staat de boodschap van de vader der leugen en de mensenmoordenaar van den beginne, die niet anders doet dan leugens verspreiden, tegenover de waarheid van God, geopenbaard in Zijn Woord.

Het is groot  als we door Gods genade de waarheid mogen kennen door de zalving van de Heilige Geest. Wat is het een weldaad als we iets mogen kennen van het werk van wedergeboorte en zaligmakend geloof. Nee, dan weten we niet alle dingen. Maar dan is er één ding zeker: dat je mag weten van de weg der verlossing, die geopenbaard is in Christus Jezus. Hij is in de wereld gekomen en heeft ons vlees en bloed aangenomen. Het is het werk van de Heilige Geest om leugenachtige harten te gaan onderwijzen in de waarheid.  Hij zal u in al de waarheid leiden, (…) Die zal Mij verheerlijken (Joh. 16:13,14).

De leugen hoort bij de duivel, bij de wereld. De waarheid hoort bij het Woord van God. Het is een groot wonder als dat werkelijkheid in ons leven mag zijn, en openbaar komt in leer en leven. Ik heb al vaak gezegd: de waarheid kennen is te weinig. Voor de waarheid strijden zal ons ook de zaligheid niet brengen. Alleen als wij in de waarheid mogen wandelen door het werk van Gods genade, zal ons dat tot zaligheid zijn. Dan mogen we volharden in de leer die naar de godzaligheid is, door een waar geloof in Christus. Daartoe wekt Johannes op in het laatste gedeelte, ons vierde aandachtspunt: het blijven in u.

 

4. Volharding

Die nu mede gezalfd zijt zijn door de Heilige – die de zalving deelachtig zijn en in Christus mogen blijven. Er is een belofte aan verbonden in vers 25. Dit is de belofte, die Hij, Christus, ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven. Johannes mag die kinderkens een toezegging, een aankondiging doen, zoals het Grieks ook vertaald mag worden. Eigenlijk betekent het ook de vervulling ervan. Hij heeft het beloofd, maar ze hebben hier al de vervulling, want het is geschonken in de wedergeboorte. Die belofte mogen ze hebben, omdat ze Hem kennen. Hem te kennen betekent immers het eeuwige leven! Het zal straks in zijn volkomenheid komen. Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden (Matth. 24:13).  

 

U gelooft toch ook wel dat dit een troost is voor de kinderkens aan wie Johannes schrijft? In een chaotische tijd van afval en verval, in een tijd van velerlei wind van leer, gaat de duivel rond als een briesende leeuw en sleept zijn prooi naar de afgrond door middel van allerlei verslaving. Hij gaat rond als een engel des lichts en verleidt jongeren en ouderen. Dan schrijft de apostel Johannes aan Gods kinderen: Dit is de belofte, die Hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven.’ Deze belofte is vast te midden van allerlei verval en afval, omdat Jezus Zelf voor hun het Leven is geworden en ze in Hem het leven leerden zoeken en vinden.

Daar zegt onze Catechismus treffend van: ‘Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven? Dat, nademaal ik nu het beginsel van de eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien heeft en geen oor gehoord heeft, en in geen hart van de mens is opgeklommen, maar die God bereid heeft voor al degenen die Hem liefhebben, en dat om God eeuwiglijk te prijzen’ (H.C. Zondag 22, vraag en antwoord 58).

Johannes zegt: ‘Dat is voor de kinderkens, door Christus beloofd.’ En daarom staat er dat de zalving blijft. En de zalving die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van node dat iemand u lere; maar gelijk dezelve zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult gij in Hem blijven.

 

Om deze volharding samen te vatten zegt Johannes: ‘Dat kan alleen door in Hem, in Christus te blijven.’ Dit is een typische uitspraak van Johannes in zijn Evangelie en zijn brieven. Voortdurend wijst hij erop: in Hem moeten we worden ingeplant. In Hem moeten we blijven om vrucht te dragen. Dat komt hier, aan het einde van de tekst, in deze laatste woorden weer naar voren.

Dan heeft men ook geen behoefte aan nieuwe leraars, aan dwaalleraars, aan allerlei wind van leer. En hebt ge niet van node dat iemand u lere. Kanttekening 92 zegt: ’Namelijk deze dingen, die gij alrede weet, of de gronden der Christelijke leer, die gij alrede gelegd hebt.’ Dan heb je niet meer nodig in de nieuwe leer te worden onderwezen.

 

Waarheid en leugen. De scheiding daartussen valt in deze tekstwoorden. Gemeente, laten we nu onszelf onderzoeken. Jongeren in ons midden, de oude Johannes zegt vanavond tegen jullie: ‘Houd toch vast aan de waarheid van Gods Woord, die je van kind af geleerd hebt. Laat je niet verleiden door allerlei wind van leer. Hier is de Christus en daar is de Christus. Gelooft ze niet, maar vraag of de Heere je de zalving van de Heilige Geest wil schenken. Blijf bij de leer die naar de godzaligheid is. Blijf bij wat je gehoord hebt. Bewaar het pand je toevertrouwd.’ Dat is de eigenlijke boodschap uit dit gedeelte van Johannes.

En tegen Gods kinderen zegt hij: ’Kinderkens, wie volhardt, zal zalig worden. Want Hij heeft beloofd het eeuwig zalig hemelleven.’

 

De zalving die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u. Daar zegt Matthew Henry nog vier mooie dingen over: ‘Zij is blijvend en duurzaam. Zij is beter dan alle menselijke onderricht. Zij is een zeker bewijs voor waarheid en al wat zij leert is onfeilbare waarheid. En zij heeft een bewarende invloed. Zij bewaart voor verleiders en hun verleiding.’

Ze legt beslag op uw verstand en op uw hart. De Goddelijke zalving wekt het geestelijke leven, onderhoudt het en doet u volharden tot het einde. Laat het daarom ons gebed mogen zijn om die genade te ontvangen, die de kinderkens daar in de Turkije mochten kennen. Vergeet dit niet als uw laatste uur geslagen is.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 25: 2

 

HEER’, ai, maak mij Uwe wegen,

Door Uw Woord en Geest bekend;

Leer mij, hoe die zijn gelegen,

En waarheen G’ Uw treden wendt;

Leid mij in Uw waarheid; leer

IJv’rig mij Uw wet betrachten;

Want Gij zijt mijn heil, o HEER’

’k Blijf U al den dag verwachten.