Ds. S.W. Janse - Genesis 15 : 6

Geloof en gerechtigheid

Genesis 15
Abrams vrees
Abrams vraag
Gods troost
Gods gerechtigheid

Genesis 15 : 6

Genesis 15
6
En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 47: 4
Lezen : Genesis 15: 1 - 6
Zingen : Psalm 105: 4, 5 en 6
Zingen : Psalm 147: 2
Zingen : Psalm 136: 7 en 9

Gemeente, in biddend opzien om licht en leiding van boven zouden we vanmorgen Gods Woord willen bedienen uit Genesis 15, en daarvan de verzen 1 tot en met 6. We lezen nu alleen vers 6:

 

En hij geloofde in den Heere; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.

 

Het thema van de preek is: Geloof en gerechtigheid.

 

Vier gedachten:

1. Abrams vrees. We lezen dit in het bijzonder in het eerste vers.

2. Abrams vraag. Leest u die vraag maar in vers 2 en vers 3.

3. Gods troost. We vinden dat in de verzen 4 en 5.

4. Gods gerechtigheid. Vers 6.

 

1. Abrams vrees

 

Gemeente, wat heeft Abram veel meegemaakt! Als hij achteromkijkt ziet hij welke grote dingen hij heeft meegemaakt.

De tekst begint met: Na deze dingen geschiedde het woord des Heeren. Na deze dingen? Welke dingen dan?

Wel, het allerbelangrijkste, kinderen, is dat de Heere Abram als een afgodendienaar opzocht, daar ergens bij Irak, Iran, Mesopotamië. Is dat niet groot? Is dat geen wonder?

Na deze dingen… Abram is in Haran aangekomen. Daar is hij een poosje gebleven. Daarna is hij weer verder gereisd naar het land dat God hem wijzen zou. Hij is in dat land gekomen. Daar heeft hij een altaar gebouwd. Na deze dingen… Maar er is ook die zwarte bladzij in zijn leven: weggevlucht vanwege de honger en naar Egypte gegaan.

Na deze dingen… Abram en Lot zijn gescheiden van elkaar. Lot is meegereisd met Abram. Maar op een gegeven ogenblik vindt er een scheiding plaats. Lots hart lag bij de welvaart, bij de rijkdom, bij de schatten van deze wereld. Na dit alles – nadat Abram Lot bevrijd heeft uit de handen van Kedor-Laómer en nadat Melchizédek hem bezocht heeft (hoofdstuk 14) – geschiedde het woord des Heeren tot Abram in een gezicht.

 

De hoofdstukken 12 tot en met 25 van het eerste Bijbelboek gaan over Abram. Er is daarom heel wat over hem te zeggen. Maar nu gaat het in het bijzonder over de God van Abram. Hij verschijnt weer. Voor de vierde keer in het leven van Abram. Na deze dingen geschiedde het woord des Heeren tot Abram in een gezicht, zeggende…

God verschijnt in een gezicht, een visioen. Dus Abram slaapt niet, hij is gewoon wakker en wordt in een vertrekking van zinnen als het ware door de Heere meegenomen, en krijgt dan in dat gezicht iets te horen en te zien. Als er zoiets staat, is er vaak sprake van iets bijzonders. Dan vraagt dat nadrukkelijk onze aandacht. Dat doet de Heere niet zonder reden. Blijkbaar heeft Abram dat nodig.

U zegt: ‘Dat begrijp ik niet zo goed, want Abram heeft zoveel meegemaakt.’

Nu zit Abram daar in Hebron in het donker van de nacht. De sterren – zullen we straks zien – schitteren aan het firmament. Dan, in de nacht – als Abram daar in zijn tent zit – gaat de Heere iets tot hem zeggen. Waarom? Wel, de Heere weet dat Abram dat nodig heeft.

Maar u zegt: ‘Dat begrijp ik niet, want Abram heeft net Avondmaal gehouden.’

Avondmaal gehouden?

Ja, Melchizédek kwam toch – zo lezen we in vers 18 van het vorige hoofdstuk – met brood en wijn? Abram heeft net dankdag gehouden, zouden wij zeggen. Waarom? Wel, Lot is weer bevrijd en Lot is weer terug in Sodom, waar hij bleef wonen om zijn ziel te verderven en zijn ziel te kwellen.

Dus de Heere heeft Abram geholpen. De Heere heeft Abram bemoedigd en vertroost. De Heere was aan Abrams zij; Hij ondersteunde hem in het leed dat hem genaakte. En nu verschijnt de Heere opnieuw aan Abram. Is dat nodig? Ja.

Als u de Heere mag kennen en vrezen, dan is het niet maar één keer nodig dat de Heere overkomt, dat de Heere spreekt. Dan is het voor Gods kinderen steeds opnieuw nodig dat de Heere terugkomt in hun leven, omdat zij het verzondigen, dagen zonder getal. Dus kunnen ze het niet doen met één keer; nee, het spreken Gods tot hun ziel moet herhaald worden.

 

Nu weet de Heere precies hoe het met Abram gesteld is, hoe zijn omstandigheden zijn. Er staat namelijk: Vrees niet. Nou, kinderen, als je vreest, dan heb je het benauwd, dan ben je bang. Dan heb je het niet breed.

Maar, Abram, het is toch net dankdag geweest? Je hebt toch net Avondmaal gevierd? Nu is de Heere zo goed voor je, en waarom dan nu zo benauwd?

Gemeente, dat ligt niet aan de Heere, laat dat duidelijk zijn, maar het ligt aan Abram! Hij is zo wankelmoedig. Hij is zo twijfelachtig. Hij is zo ongelovig. De Heere heeft wel tot hem gesproken en hem bemoedigd, maar nu zit hij hier in het donker van zijn tent naar beneden te staren en zijn gedachten vermenigvuldigen zich. We horen straks wel bij de tweede gedachte waar dat over gaat. Abram, hij is bevreesd. Maar nu gaat de Heere tot hem spreken om zijn vrees weg te nemen.

 

Kinderen, zitten jullie ook zo in de kerk? Dat kan! Je moet maar eens opletten hoe vaak de Heere niet spreekt in de Bijbel over: ‘Vrees niet.’ Denk maar aan de herders. Voor je het weet is het weer Kerstfeest. Daar staat die engel opeens en die herders liggen daar op de grond: Vreest niet, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal (Luk.2:10).

Dus heel vaak zijn ook kinderen van God bevreesd. Hoe komt dat? Dat hebben we meegenomen uit het paradijs. In het paradijs is de zonde gekomen. Als Adam en Eva wegkruipen in een schuilplaats en ze horen de Heere komen aan de wind des daags, dan staat er: en zij vreesden. Daar komt het vandaan. Daarom bent u vanmorgen bevreesd.

Gemeente, het ongeloof houdt God verdacht. Als ik God ga verdenken, komt er vrees. Het ongeloof gelooft God niet, maar het gelooft de duivel, het vreest de omstandigheden, en we vergeten de Heere. Dan komt er angst, en vrees!

 

Vrees niet, Abram! Als de Heere dat vanmorgen tot uw ziel zegt… Kijk, dan kunnen wel tien mensen tegen u zeggen: ‘Vrees niet!’ Maar als de Heere het zegt, dan wordt alles anders. Want mensen kunnen die vrees niet wegnemen. Maar de Heere spreekt en Hij kan de vrees in één ogenblik wegnemen.

Vrees niet – wordt tot Abram gezegd. Weet u tot wie dat vanmorgen ook gezegd wordt? Tot vrezende zondaren. Er zijn mensen die nooit vrezen. Gemeente, ik hoop dat u weleens bevreesd bent geweest, dat u weleens benauwd bent geweest voor de dood, voor het oordeel.

Maar u begrijpt dat dit niet genoeg is. Het is nodig dat er liefde is uitgestort in uw hart en dat u God gaat hoogachten en Hem gaat beminnen. Mensen die nooit vrezen zouden vanmorgen eens wél moeten vrezen. En mensen die vaak te veel vrezen, hoeven helemaal niet te vrezen! Daarom zegt de Heere: Vrees niet, Abram.

 

Jongens en meisjes, de Heere kent Abram bij zijn naam. De Heere zegt: ‘Ik weet wel, wie je bent! Ik heb je toch uit de duisternis van de afgodendienst geroepen tot Mijn wonderbaar licht? Ik heb je toch geleid over die onveilige wegen, door die snikhete woestijnen, over die hoge bergen, door die diepe dalen, naar Kanaän, het land der belofte? Abram, Ik ken je bij name.’

Dus de Heere noemt hem bij zijn naam. Je zegt: ‘Ja, ik ben ook bij mijn naam genoemd. Toen ik gedoopt werd.’

Dat is waar. Toen heeft de Heere Zijn Naam verbonden aan jouw naam. Toen zijn die beide namen samen genoemd: de Naam van een drie-enig God en de naam van een jongen, van een meisje.

Maar als de Heere je bij je naam noemt in Gods huis, wat gebeurt er dan? Dan leer je wie je bent: zondaar, wetsovertreder. Gemeente, dat is mijn naam. Zo’n goede naam heb ik niet.

 

Abram wordt ook bij zijn naam geroepen. Dat was niet voor het eerst; het gebeurt opnieuw. Maar nu is het niet veroordelend, maar vertroostend. Mag u daar ook van weten? U heeft misschien alle hoop verloren en zit als Abram in uw tent; het is duister in uw hart en erbuiten, en overal om u heen. En dan gaat de Heere woorden van troost spreken. Zoals Hij dat deed door middel van Jesaja: Troost, troost Mijn volk (Jes.40:1).

Vrees niet, Abram. Uw naam is in de hemel bekend. Uw leven ook. Uw hele weg. Uw omstandigheden zijn voor Mij niet verborgen.

Dat is vertroostend. Dan mag Abram moed krijgen, zou je tenminste denken. Dan mag Abram zijn hoofd omhoogheffen, zou je verwachten. We zullen straks horen hoe het werkelijk bij hem ligt.

 

Vrees niet, Abram, zegt de Heere, Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.
Goed lezen, jongelui! Zegt de Heere: ‘Ik geef u een schild, ik geef u loon?’ Nee, dat staat er niet! Dat kan de Heere natuurlijk ook doen: een schild geven, loon uitkeren. Nee, er staat iets veel rijkers! Ik ben u een Schild. Abram, Ik ben, en ben u tot een Schild.

Wat was dat voor een schild?

Je had in de tijd van de Bijbel van die kleine schilden, maar ook van die hele grote schilden, die iemand totaal bedekten; waar je achter kon schuilen. Je moest dat schild vasthouden om daarmee die pijlen van de vijand af te weren, zodat ze niet doordrongen tot je hart of door je lichaam. Dat wordt bedoeld met: Ik ben u een Schild.

 

Dus Abram krijgt een belofte. God gaat de woorden van Zijn eigen lippen als het ware in het hart van Abram afdrukken. Beloftewoorden, toezeggingen van de hemel, uit dat vaste genadeverbond, waarvan we gezongen hebben: God zal Zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Zijn verbond gedenken.

Ik ben u, Abram, tot een Schild. Hoe gepast, gemeente, hoe overeenkomstig de omstandigheden. Ik heb het al aangehaald: Abram was toch in oorlog? Hij wilde zijn neef Lot bevrijden, die in handen gevallen was van koning Kedor-Laómer. Dus Abram was in strijd; hij zal zijn schild ook wel gebruikt hebben en zijn wapens. En nu zit hij daar thuis; door Gods genade heeft hij de overwinning behaald, en dan spreekt de Heere: Ik ben u een Schild.

 

Kom, misschien zijn er hier ook wel mensen die in strijd zijn. In strijd? Ja, het geestelijk leven is een strijdend leven. Paulus zegt: Strijd de goede strijd des geloofs (1Tim.6:12). Misschien moet u ook ervaren zo vaak onder te liggen, ervaren dat de vijand de overhand heeft? Dat u geen kracht hebt tegen die grote menigte? O, dat het lijkt of de duivel op de been is, of de zonde tekeergaat vanbinnen en de wereld aan u trekt?

Kom, zwakke strijders, die uw handen misschien slap laat hangen en uw knieën en voeten traag zijn tot de strijd. O, de Heere zegt: ‘U hoeft niet te strijden, maar u mag stil zijn. Ik zal voor u strijden, en gij zult stil zijn (Ex.14:14).

In eigen kracht onmogelijk. Maar: Ik ben u een Schild. Want onze Koning is van Isrels God gegeven. Ja, Hij is een Schild voor allen in het strijdperk van dit leven.

Nee, dat wil niet zeggen, dat u niet mag strijden. Dat begrijpt u wel. Maar wij strijden zo vaak in eigen kracht. Wat een wonder als de Heere het overneemt. Gij, Heer’, alleen, Gij zijt Verwinnaar in de strijd, en geeft Uw volk de zegen.

 

Dus, samengevat, kinderen, het is een bijzonder schild. Dat schild van Abram kon – al was het nog zo groot – je alleen van voren beschermen. Maar o wee, als de vijand je van achteren aanviel, als je hem niet zag aankomen, en zijn pijlen op je afgevuurd werden! Maar de Heere is een Schild rondom. Daarom is het een bijzonder schild. Psalm 140 zegt: ‘Gij hebt mijn hoofd als met een schild bedekt.’

Dus van alle kanten wordt Abram beschut, beschermd en beveiligd. Dan kan geen pijl doel treffen; dan kan geen vijand de overhand krijgen. En daarom: ‘Ik sta voor u, Ik sta achter u, Ik sta naast u. Ik ben overal waar u bent. In uw aanvechtingen, in uw mismoedigheid, in uw wantrouwen. Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.

Dus de Heere zegt: ‘Abram, Ik ben niet alleen Iemand Die voor u strijdt, maar Ik ben ook Iemand Die voor u zorgt. Niet alleen tot bescherming, maar ook tot verzorging.’

Loon, wel, dat krijg je aan het einde van de maand. Loon krijg je uitbetaald. Maar wat staat er? Ik ben u tot een Loon. Zoals Ik u tot een Schild ben, ben Ik u ook tot een Loon. Het is alsof de Heere zeggen wil: ‘Abram, ben je ooit iets tekortgekomen? Nou, Abram kan niet zeggen dat hij ooit iets tekortkwam. Hij kreeg zojuist brood en wijn van Melchizédek, koning van Salem en priester van de allerhoogste God. Het is alsof de Heere zegt: ‘Abram, heeft het je aan iets ontbroken? Ik ben u tot een Loon.

Gemeente, zo worden Gods kinderen beloond. Niet uit verdienste, maar uit genade. Dat is het verschil. Wij krijgen loon omdat we gewerkt hebben. Wij krijgen uitbetaald omdat we ons best gedaan hebben. Maar Gods kinderen krijgen loon om niet, uit genade. En daarom: Ik ben u tot een Schild en Ik ben uw Loon zeer groot.

 

Die koning van Sodom die Abraham ontmoette in het vorige hoofdstuk, zegt in vers 21: Geef mij de zielen, maar neem de have voor u (Gen.14:21).

Wat antwoordt Abram dan in vers 23? Abram wil niets aannemen van die koning, geen enkel geschenk. Waarom niet? Hij zegt: Opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt (Gen.14:23).

Het is best verleidelijk, als je veel kunt krijgen. Maar Abram ziet van alle schatten af. Hij zegt: ‘Ik wil niet, koning, dat u later zult zeggen ervoor gezorgd te hebben dat Abram zoveel bezit.’ Nee, daar heeft God voor gezorgd. Hij heeft genoeg, meer dan genoeg! Hij heeft Christus, hoewel Hij nog verborgen was in het Oude Testament. Gemeente, dan heb je alles! Dan kun je het zingen:

 

Weg wereld, weg schatten,

Gij kunt niet bevatten,

Hoe rijk ik wel ben;

‘k Heb alles verloren,

Maar Jezus verkoren,

Wiens eigen ik ben.

 

En daarom: Uw Loon zeer groot. De Heere keert uit voor tijd en eeuwigheid. Dán lig je in goede handen, dan ben je in veilige handen. Dan lig je voor tijd en eeuwigheid voor Zijn rekening. Abram heeft altijd mogen ervaren dat Hij mild en overvloedig schenkt en dat hem niets ontbroken heeft.

 

Abrams vrees, was ons eerste punt. De Heere gaat die vrees wegnemen. Dan volgt ons tweede punt:

 

2. Abrams vraag

 

Toen zeide Abram: Heere Heere, wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga, en de bezorger van mijn huis is deze Damascener Eliëzer? Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn.

Gemeente, daarover moet u eens even nadenken: Zo is nu een kind van God, en een knecht van God na ontvangen genade. Nu komt de Heere met Zijn bemoedigingen, met Zijn troostwoorden, nu zegt de Heere: ‘Ik ben uw Alles voor tijd en eeuwigheid; Ik zal voor u zorgdragen’, en dan gaat Abram vragen stellen. Dan gaat Abram redeneren. Nou, dat is geen geloofstaal. Want het geloof redeneert niet. Het geloof aanbidt. Het geloof bewondert. Het geloof stelt geen vragen, maar het zegt: ‘Uw wegen zijn wijs en goed.’   

 

Toen zeide Abram: Heere Heere. Het eerste woordje, Adonai, betekent: Eigenaar, Bezitter, het tweede: Jehova, getrouwe Verbondsgod.

Wat zult Gij mij geven, daar ik heenga zonder kinderen? Dus daar zit het op vast! Daarom is Abraham zo somber. Daarom hangen zijn hoofd en zijn schouders naar beneden. Daarom zit hij daar in zijn tent op de grond. Die belofte is nog niet vervuld.

Welke belofte?

Die uit Genesis 12: dat in uw zaad het nageslacht gezegend zal worden! Dat hij kinderen zou krijgen die het land zouden bevolken, het onbekende land waar hij nu naar toe getrokken is, Kanaän. Maar hij heeft geen kind!

Kinderen, er loopt nergens een kind rond. Ik hoor helemaal geen kinderstem. In de tent van Abram en Saraï hoor ik geen kind huilen of lachen. Dáárom zegt Abram dit. Terwijl de Heere zo rijk tot hem gesproken heeft, is hij eigenlijk wat mistroostig. Hij doet zoals soms een klein kind bij zijn vader of moeder wat zit te drammen, wat zit te zeuren. Zo is Abram eigenlijk ook bezig. Een beetje hulpeloos. Hij durft het aan de ene kant niet te zeggen en aan de andere kant wil hij het toch kwijt. Het gaat hem allemaal te langzaam. Het duurt veel te lang! De Heere heeft het al zolang geleden beloofd. Nu moet het maar eens gebeuren. Nu moet dat kind maar komen. En daarom stelt Abram die vraag: Wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga, en de bezorger van mijn huis is deze Damascener Eliëzer.

 

Ja, er loopt er wel iemand rond in Abrams tent, maar dat is geen kind van hem en Saraï; het is iemand uit Damascus, uit Syrië. Eliëzer. Een jongen die in dienst is bij Abram. Zal hij dan degene zijn uit wie...? Gemeente, zó is Abram bezig!

Zo zijn wij ook van huis-uit, zelfs ook na ontvangen genade. Redeneren. Rekenen. Het zelf uitrekenen. God proberen na te rekenen. God een handje helpen. Heere, blijkbaar kunt U de belofte niet vervullen.

Het is nogal wat… Abram zegt eigenlijk: ‘Blijkbaar bent U daartoe niet in staat. Zal ik U dan helpen? Zal ik een voorstel doen, Heere, hoe het wel moet? Zou het niet kunnen via Eliëzer?’ Gemeente, zo is Abram, zelfs na ontvangen genade: een opstandig en een moedeloos kind, dat aan het rekenen is.

 

Kinderen, als je op school zit, leer je in groep 3 rekenen. Dan ga je sommen maken: twee plus twee is vier. Dan kun je iets uitrekenen. Maar wat heb je dan eerst geleerd op school? Wanneer kun je pas sommen maken? Wanneer kun je pas rekenen? Dan heb je eerst geleerd om te tellen. Misschien kun je al tot tien tellen. En als je kunt tellen, dan kun je ook leren rekenen.

Abram is aan het rekenen, gemeente. Hij denkt: het zal wel zó gaan, het zal wel via deze route gaan, en dan komt het mooi voor elkaar. Dan past het precies, want twee plus twee is altijd vier. Dan komt het goed. Dan heb ik het voor elkaar.

Maar Abram kan nog niet eens téllen! En hij is al aan het rekenen… De Heere gaat hem leren – we zullen dat zien in onze derde gedachte – dat hij nog niet eens sterren kan tellen. Maar nu is hij aan het rekenen. Wat een dwaas, gemeente. Zo zijn wij allemaal.

 

Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn.

Dat gebeurde wel meer als men geen kinderen kon krijgen. Dat is trouwens een groot kruis, een groot gemis; wat een zegen als je ze wel mag hebben! Maar als men dan een dienstbode in huis had of een dienstknecht, dan zou de erfenis aan hem gegeven kunnen worden.  Dat ziet Abram nu voor zich. Daarom denkt hij aan Eliëzer.

 

Is dat het enige? Is Abram nu hier in de tent zo bestreden, zo benauwd, zo bevreesd, is hij zo aan het rekenen omdat hij zo verlangt naar de kinderzegen, wat een gezond en natuurlijk verlangen is? Is Abram zo bezig omdat hij denkt: Er komt nooit wat van terecht; van die belofte die de Heere gesproken heeft? Ja… Maar vooral ook om één ding, gemeente: Als er geen kind komt, komt hét Kind ook niet!

Kinderen, het is binnenkort Advent. Dan denken we vier weken lang na over de komst van Immanuël, het heilig Kind Jezus. Als er geen kind uit Abram en uit Saraï geboren wordt, zal Jezus ook nooit geboren worden. Want dat is de lijn. En daar zit Abram mee. Daar loopt hij mee vast. Daarom wordt het daar in die tent zo onmogelijk. Daarom kan hij geen stap meer verzetten en weet hij ten diepste niet meer hoe het verder moet. Want zijn leven hangt van die belofte af. Zijn zaligheid hangt af van dat heilig Kind Jezus. En nu hangt het als aan een zijden draad.

Er komt geen zoon, denkt Abram. Dus komt dé Zoon niet – met een hoofdletter. Hoe moet dat dan? Abram kan zonder Jezus niet leven. Hij ziet uit naar de komst van Jezus. Nee, dit is geen inlegkunde! In Johannes 8 lezen we: Abraham heeft Zijn dag gezien, en is zeer verblijd geweest. Dus Abram is heilbegerig. Abram hoort ook bij het adventsvolk, dat de Heere verwacht, heel persoonlijk in hun ziel.

Gemeente, dat is nou het punt. Abram denkt: Straks sterf ik zonder Gods Zoon. Straks verlaat ik deze wereld zonder Jezus. Hoe moet het dan? Abram rekent en rekent. Hij rekent zelfs ook met de dood, zegt het boek Genesis. Als hij straks gestorven is, hoe moet de lijn dan verder lopen? Daarom zien we hem als een klein kind in zijn tent zitten en hakkelend komen deze woorden er als het ware uit. Het zijn niet eens goedlopende zinnen, in het bijzonder vers 2 niet. En toch ligt het op de bodem van zijn ziel.

 

Gemeente, Abram is wel bij het goede Adres. Hij weet waar hij het kwijt kan. U ook? Stort voor Hem uit uw ganse hart. Zeg het maar allemaal tegen de Heere. Leg het maar voor Hem neer. Misschien wel uw ongenoegen, uw vijandschap, misschien kunt u zich wel niet met de weg van de Heere verenigen, misschien ervaart u wel hetzelfde als Abram. Dat kan een groot kruis zijn. Leg het maar neer voor Gods aangezicht. Giet uw ziel maar leeg, zegt de Heere als het ware. O, zeg maar vrijmoedig bij deze genadetroon wat er in uw ziel omgaat. Abram legt het neer voor Gods aangezicht. Dat is de beste plaats.

Kunt u het niemand vertellen? O, vertel het Hem. Kunt u op aarde bij niemand terecht? Zoek het dan bij Hem, daar bij dat Hemelhof. Abram weet die plaats te vinden en hij doet zich niet beter voor. Nee, hij knapt zich niet op. Hij zegt: ‘Heere, ik leg mijn hart, ik leg mijn wandel voor U neer; ik wil niets daarvan voor U, mijn God, verhelen.’

 

Nu nog een vraag en dan gaan we zingen: Kunt u ook niet zonder de Zoon verder? Als we denken aan dat Heilig Kind Jezus, zullen we dan niet zingen: ‘O, dierbaar Kind, o, Stof van vreugd, Geschenk van ’t Alvermogen!’

Gemeente, zonder Jezus ga je verloren. Zonder Kind kom je om. Zonder deze Zaligmaker kun je gaan proberen Kerst te vieren, maar het is geen Kerstfeest. Maar dat Kind lokt, dat Kind nodigt. En Hij zegt het ook vanmorgen: Er is een plaats bij Mij (Ex.33:21). Zeer veel plaats, zeer veel ruimte! Kunt u zonder Kind niet verder, is het buiten dat Kind verloren? Ja, want God is buiten Christus een verterend Vuur. O, zoek dan dat Kind. Zie dan dat Kind te mogen ontvangen in uw ziel. Daar strekt zich al mijn lust en liefde heen.

 

Abram zit daar in zijn tent. Buiten is het donker. En hij kan zonder zoon niet verder. We gaan zingen. Psalm 147, het tweede vers:

 

Hij heelt gebrokenen van harte,

En Hij verbindt z’ in hunne smarte,

Die, in hun zonden en ellenden,

Tot Hem zich ter genezing wenden.

Hij telt het groot getal der starren,

Die ’t scherpst gezicht op aard’ verwarren;

Hij roept dat talloos heir tezamen,

En noemt die alle bij haar namen.

 

Geloof en gerechtigheid. Abrams vrees, Abrams vraag, en nu in de derde plaats:

 

3. Gods troost

 

En zie – vers 4 – het woord des Heeren was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn, maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn.

‘Abram, met je handen eraf blijven!’ zegt de Heere. ‘Ik zal voor die belofte zorgen. Die is veilig in Mijn handen. Ik zal hem vervullen. Hij zal uit uw lijf voortkomen, uw erfgenaam. Dus niet naar Eliëzer kijken.’ De Heere gaat opnieuw de belofte herhalen en bevestigen, in het donker van de nacht, in de onmogelijkheid voor zijn ziel.

Gemeente, het is nogal eens zo dat Gods kinderen er niets meer van kunnen bezien en dat het onmogelijk is van hun kant. Maar juist tegen die donkere achtergrond laat God Zijn heerlijke beloften schitteren en vervult Hij ze. De belofte ontvangen, maar nog niet vervuld, nog niet de beloofde zaak gekregen. Daartussen ligt het wonder. Zo is het ook bij Abram. De Heere leidt hem van de belofte – zo zeggen we weleens – naar de Belover. ‘Kom maar, Abraham.’

 

Toen leidde Hij hem uit naar buiten en zeide: Zie nu op naar den hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn.

Abram zal straks gaan knoeien met Hagar. Dan probeert hij toch weer zelf die belofte te vervullen. Maar de Heere zegt: ‘Wacht nu.’ Wachten is moeilijk voor Gods kinderen; ze willen altijd maar aan de slag. Ze zijn soms wachtensmoe. De Heere zegt: ‘Ik zal het wel doen, Abram. Op Mijn tijd, op Mijn wijze. Die grote Davidszoon, Die komt er. Hoe dan ook. Ja, uit uw lijf, uit uw lendenen.’

 

Kinderen, wat gebeurt er dan? Ga maar eens mee met Abram. Abram moet zijn tent uit. Hij wordt uit de tent gelokt door de Heere. En dan gaat Abram zijn tent uit. Dan staat hij daar buiten. Prachtig! Hij kijkt omhoog.

Zie nu op naar den hemel. Dat zegt de Heere tegen Abram. Want Abram is somber gesteld. Dat is niet tot eer van Abram. En ook niet tot eer van God. Hij kijkt naar beneden. De Heere zegt: ‘Kom, omhoogkijken.’ Het is alsof de Heere zijn kin optilt, zijn hoofd omhoog richt.

Wat ziet Abram dan, jongens en meisjes?

Moet je vanavond maar eens naar de sterren kijken. In het Oosten was dat nog een veel mooier gezicht. Bij ons is er zoveel kunstlicht dat daardoor het zicht op de hemel soms wat verduisterd wordt. In het Oosten was het pikdonker, inktzwart. Dan kwamen die sterren zo prachtig uit aan het firmament. O, Abram ziet ze! We hebben gezongen van die sterren, en straks gaan we het weer doen uit Psalm 136. Hij ziet ze en nu mag hij ze ook gaan tellen, dat staat er toch?

Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt, staat er. Daar gaat Abrams vinger omhoog en dan gaat hij die sterren tellen. Hoever zou je komen, jongens en meisjes? Tien? Vijftig? Honderd sterren? Abram raakt de tel kwijt! Want er zijn te veel sterren: een tien met eenentwintig nullen – en dat is dan nog maar een ruwe schatting. Een tien met eenentwintig nullen! Ik kan dat getal niet eens uitspreken. Zoveel sterren zijn er ongeveer. Maar de Heere weet hoeveel het er zijn. Hij heeft ze geteld. De Heere weet het exacte aantal. Wij dus blijkbaar niet en Abram ook niet. Abram kan eraan beginnen, maar het lukt hem niet. Ontelbaar!

 

Daar staat Abram, onder die donkere hemel. Het is alsof hij steeds kleiner wordt; en de hemel steeds groter. Het is alsof Abram steeds meer in het niet wegzinkt. Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt? (Ps.8:5).

Wie is God? Hij is majestueus! Almachtig! Een heerlijk Opperwezen. Mag ik het zo eens zeggen: Het is of de Heere tegen Abram zegt: ‘Man, je kon toch zo goed rekenen? De Heere voorrekenen, narekenen, alles uitrekenen. En tellen? Je kunt het nog niet eens… Je kunt nog niet eens tot honderd tellen. Nog niet eens tot tien tellen… Abram, je kunt helemaal niets. Kijk maar naar de sterren… ze zijn niet te tellen...’

Dat is beschamend geweest voor Abram, gelooft u niet? Dat is verootmoedigend geweest. Maar ook bemoedigend! Want de Heere gaat de belofte herhalen. En Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn.

 

De Heere heeft heel vaak gesproken over ‘tellen’ met Abram. Abram moest ook een keer als het ware de zandkorrels gaan tellen. Nou, dat kun je ook niet op het strand. Ga die zandkorrels maar eens tellen… Eén handjevol zand krijg je al niet geteld.

Abram moest de stofjes van de aarde gaan tellen. Als de zon schijnt in de kamer, al die stofjes op de kast… Die kun je niet tellen. De Heere zegt: ‘Zo zal je zaad zijn. Niet alleen als zand, als de stofjes, maar ook als de sterren.’ Dat is Gods eigen woord. En zou de Heere iets zeggen en niet doen, gemeente? Zou Hij het spreken en niet bestendig maken? (Num.23:19).

 

We vatten samen: Abram is uitgeteld. Abram is uitgerekend. Hij verwacht het alleen van boven.

Zijn hier nu ook van die zondaren? Uitgeteld? Uitgerekend? Uitgewerkt?

Doch dengene die niet werkt, maar gelooft in Hem Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid (Rom.4:5). En hij geloofde in den Heere; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid, lezen we in vers 6.

 

We gaan nu naar onze laatste gedachte:

 

4. Gods gerechtigheid

 

Daar staat Abram, met lege handen. Onder een donkere hemel, waar de sterren licht geven en schitteren. Uit de tent gelokt. Gods trouw blijkt in zijn leven. Hij heeft niets meer te zeggen; zijn hand gaat op zijn mond. En dan?

En hij geloofde in de Heere.  Wat was het donker in zijn leven, in die tent, buiten, en in zijn hart. Wat was het onmogelijk. Waar alle hoop mij gans ontviel… Er kon nooit meer een kind komen, er kon nooit meer een Zaligmaker komen. Hoe moest het verder? Zouden Gods beloftenissen immer haar vervulling missen? En hij geloofde in de Heere.

Daarom haalde ik Romeinen 4 aan. Lees dat nog maar eens aan tafel. Boven het hoofdstuk staat: ‘Abraham gerechtvaardigd door zijn geloof’. Daar haalt Paulus deze tekst ook aan. Ik citeer: Want indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zo heeft hij roem, maar niet bij God. Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid. (Romeinen 4: 2, 3). Zo lezen we. Wel, hier staat het ook: En hij geloofde in de Heere.

Was dat voor het eerst? Nee. Abram had het geloof ontvangen van de Heere, als een genadegave. Het is pas Hervormingsdag geweest. Onze tekst zou ook passen bij een Hervormingsdienst. En hij geloofde in de Heere. Hij geloofde Gods Woord. Hij mocht de belofte toe-eigenen. Hij mocht, in de belofte, Christus aan zijn ziel drukken. Hij mocht Jezus omhelzen. Dat is geloven. En hij geloofde in de Heere. Hij had grond onder zijn voeten. Hij stond hier zo vast. Waarom? De Heilige Geest paste het toe in zijn hart. Hij geloofde in de Verbondsjehova.

 

En Hij – dat is de Heere – rekende het hem tot gerechtigheid, zo lezen we. Wat betekent ‘gerechtigheid’? Zal ik het heel eenvoudig zeggen? Het is weer recht. Dus het was krom, maar het is weer rechtgetrokken.

Wanneer ben je krom geworden, kinderen? In het paradijs. Toen leefden we in de staat der rechtheid. Maar toen heb ik niet geluisterd naar die rechte wet van God. Ik ben van God afgedwaald. Ik ben afgebogen. O, ik ben die rechte weg niet ingegaan, maar die doodlopende weg, die eindigt in de dood. Want ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven (Gen.2:17). 

We waren recht voor God in het paradijs. Er lag niets tussen God en ons in. Adam en Eva wandelden met de Heere als met een Vriend. Het lag vlak; het was een effen pad. Wat is er door de zonde gekomen? Een groot obstakel. Wat is er door de zonde gekomen? Een diepe val. En daardoor een breuk, een kloof. Maar die kan nu overbrugd worden, die kan geheeld worden.

Wie maakt die kloof dicht? Jezus! Wie brengt nu een schuldige zondaar bij een heilig en een rechtvaardig God?

De Middelaar!

O, daarom staat er: Hij rekende het hem tot gerechtigheid. In kanttekening 18 staat: ‘Dat is: God heeft uit loutere genade hem, die geen gerechtigheid had in zichzelf om voor Zijn gericht te bestaan, voor rechtvaardig geacht door het geloof aan Zijn belofte en de beloofde Middelaar.’

Zal ik het eenvoudig zeggen? Loutere genade is enkel genade. Het is puur genade wat hier staat. Je hoeft zelf niets mee te brengen, daar kun je zelf niet voor werken; je krijgt het. Gratis en voor niets. Dat krijgt Abram. Dat geloof wordt in zijn hart gelegd. Dat geloof gaat geloven. Daar zorgt de Heere voor.

 

En hij geloofde in de Heere. Dat gaat natuurlijk niet buiten Abram om, dat begrijpt u. De mens is geen stok en blok. Abram mag op God vertrouwen, op Zijn belofte. En daarom had hij geen gerechtigheid in zichzelf om voor Gods gericht te bestaan.

Wat had Abram nu in zichzelf waardoor hij kon zeggen: Heere, ik kan wel voor U bestaan, voor Uw rechtbank? Heere, kijk eens naar mijn leven: ik ben toch uit Ur naar U gelopen?

Nee. De Heere is naar hem toegekomen in Ur. Abram heeft helemaal niets van zichzelf. Abram kan toch zeggen: ‘Ja maar, Heere…’  

Nee… Niets uit ons, het is al uit Hem, zo gaat het naar Jeruzalem.

Gemeente, wat heeft u? Heeft u nu de gerechtigheid van Christus? Want daar gaat het over! Het woord gerechtigheid betekent verschillende dingen. Maar in deze context betekent het de Borggerechtigheid van Jezus. Het is Jezus Zelf, het is Zijn bloed, het is Zijn ontferming, het is Zijn verzoenend werk, het is Zijn Middelaarsarbeid.

 

Wij kunnen zo goed rekenen, toch? Nou, de Heere kan het beste rekenen, kinderen. De Heere rekent tóe! Dat staat er toch? En Hij rekende het hem tot gerechtigheid. De Heere zegt: ‘Abram, je bent een naakte zondaar. Abram, je hebt niets. En nu krijg je alles. Nu zet Ik dat bloed en dat Borgwerk van Mijn lieve Zoon op uw rekening.’ Dan is er geen tekort. Dan is er over. Dat is een wonder! Ja, dat zegt de kanttekening ook: dan kan ik bestaan voor Gods gericht. Dan wordt Abram voor rechtvaardig geacht door het geloof aan Gods belofte.

Dus, de Heere ziet Abram staan. Met de Heere bedoel ik dan: God de Vader. Hij ziet Abraham staan daar in die donkere nacht. Maar er staat Iemand vóór Abram.

Wie bedoelt u?

Christus!

Abram mag zich verschuilen achter de bloedende Borg, Die nog geslacht moet worden op Golgotha, maar Die geslacht is van voor de grondlegging der wereld. Abram heeft Iemand voor Zich als een Schild en als een Loon. Dat is Jezus alleen en Zijn gerechtigheid. Daarom staat Abram er niet meer zelf. Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij (Gal.2:20).

 

O, Abram hoeft niets mee te brengen en niets aan te brengen. U ook niet. Daar is bloed. En de Heilige Geest past dat toe in zijn hart. Daarom staat hij daar voor God de Vader als een zondaar, vol van Christus’ gerechtigheid. Het is dus weer recht. De rekening is betaald, de schuld is verzoend, de ongerechtigheid weggedaan. Gij ziet geen zonde in Uw Jakob en geen overtreding in Uw Israël.

 

Dan wordt gena van waarheid blij ontmoet,

De vrede met een kus van ’t recht gegroet.

 

We zien een Abram die het verzondigd heeft. Maar hij krijgt nu alles wat hij zelf niet kan betalen: Jezus’ werk. Gemeente, u begrijpt dat er nog heel veel van te zeggen is, maar we moeten gaan afronden Wij wilden graag de hele geschiedenis behandelen. Het hoort allemaal bij elkaar.

 

Zijn er dan nu zondaren die dat bloed nodig hebben, die zonder deze gerechtigheid niet kunnen leven? O, daar is een kleed der gerechtigheid. Daar is een mantel der gerechtigheid, geweven aan het kruishout door Jezus Zelf met Zijn bloed. Kom dan maar, naakte zondaar. O, zijn er nog van die overtreders, die moeten zeggen: ‘Abraham, dat is mijn vader?

‘Hij was een bedorven Syriër’, zegt een van de Bijbelschrijvers in Deuteronomium 26 vers 5. Een bedorven Syriër. Zit u zo in de kerk? Stinkend van uw ongerechtigheid, walgend van uw eigengerechtigheid. Want, o, wat zijn we toch vroom! Wat zijn we toch vroom. Maar alles moeten we verliezen. En wat dan overhouden? Zijn voorbede, Zijn offer. Het is om niet te krijgen.

Abram mag er ‘amen’ op zeggen. Het woordje ‘geloof’ heeft in het Hebreeuws het woord ‘amen’ in zich. Abram staat daar buiten en hij zegt: ‘Heere, het is waar! Het is onmogelijk, dat is ook waar. Van mijn kant verzondigd, dat is ook waar. Maar Uw belofte is ook waar. En dat voor mij!’ Het geloof mag eigenen. Dan is het niet alleen voor een ander, maar ook voor mij.

 

Kinderen, zullen jullie vanavond naar buiten kijken? Ik hoop natuurlijk dat er sterren te zien zijn. Kijk anders maar een andere avond. Als ik de sterren zie, kinderen, dan moet ik eigenlijk altijd aan deze geschiedenis denken. Zoveel sterren… Probeer jij ze ook maar eens te tellen, vanavond. Dat lukt je natuurlijk niet. Want als het Abraham niet lukte, lukt het jou natuurlijk ook niet.

Maar dat is juist het wonder! Want zoveel sterren als er staan, zoveel mensen moeten er bekeerd worden. Zoveel kinderen kunnen er nog een plaats krijgen bij de Heere. Nou, dan is er toch ruimte genoeg! God zal Zijn waarheid nimmer krenken.

Ouders, misschien heeft u afgedwaalde kinderen. Kijk dan maar eens omhoog! Als de sterren aan de hemel – maar eeuwig Zijn verbond gedenken.

 

Dan staat Abram sprakeloos. Abram heeft helemaal niets gezegd nadat dit gebeurd is. Hij is vol verwondering naar zijn tent gegaan en ik weet zeker dat hij daar zijn knieën gebogen en de Heere aanbeden heeft. Misschien al buiten in die donkere nacht.

 

Kinderen des Heeren. Uitgeteld en uitgerekend. De tel kwijtgeraakt. Er is er Eén, Die telt. Hij telt. Hij kent de sterren. Hij kent u ook bij name. Moge het u tot troost zijn.

 

Amen.

 

Slotzang.

 

Psalm 136 vers 7 en 9:

 

God schiep aan des hemels trans

Grote lichten, rijk van glans;

Want Zijn gunst alom verspreid,

Zal bestaan in eeuwigheid.

 

Maan en sterren, min in pracht,

Schonk Hij heerschappij bij nacht;

Want Zijn gunst alom verspreid,

Zal bestaan in eeuwigheid.