Ds. A.A. Brugge - Maleachi 3 : 6

Het behoud van Gods gemeente

tot verheerlijking van God
tot vernedering van de mens
tot vertroosting van de Kerk

Maleachi 3 : 6

Maleachi 3
6
Want Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 90: 1 en 2
Lezen : Maleachi 3
Zingen : Psalm 102: 15 en 16
Zingen : Psalm 74: 10 en 12
Zingen : Psalm 66: 4

Geliefden, met Gods hulp wens ik u in deze dienst te bepalen bij Maleachi 3 vers 6, waar we lezen:

 

Want Ik, de Heere, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.

 

Dit spreekt over het behoud van Gods gemeente. We staan stil bij een drietal gedachten:

  1. tot verheerlijking van God – Want Ik, de Heere, word niet veranderd
  2. tot vernedering van de mens – daarom zijt gij, o kinderen Jakobs
  3. tot vertroosting van de Kerk – niet verteerd

 

  1. Tot verheerlijking van God

Nooit genoeg, nooit tevreden. Dat is niet iets van de tijd en de dagen van de profeet Maleachi. Dat is niet iets wat voorbehouden is aan onze tijd en onze eeuw. Dat bestaat al sinds de val in Adam. Gaven zijn normaal; daar heb ik kennelijk recht op. Ik-gericht, geen plaats voor God, geen oog ervoor hebben dat de Heere het niet verkeerd doet als Hij

geen zegen geeft, niet tevreden zijn.

Weet u, dat ze in Babel zaten – de plaats waar de harpen aan de wilgen hingen – was door eigen schuld. Ze hadden niet geluisterd naar de Heere en naar de waarschuwende stem van Zijn knechten, de profeten. Dat ze waren teruggekomen, teruggekeerd naar het Beloofde Land, dat was maar gewoon. Natuurlijk, er zullen misschien wel dankdagen zijn gehouden en misschien is er wel gezegd: ‘Dit is van de Heere geschied.’ Maar heel veel woorden die we spreken en die we op dat moment vanuit onze emoties en gevoelens wel menen, zijn geen hartenzaak.

De tempel was herbouwd. Niet alleen waren de mooie gebouwen hersteld, maar ook de dienst der verzoening kon weer plaatsvinden; ze konden weer offers brengen. God, die heilige God, kon alleen door de offers weer bij een onheilig en geesteloos volk wonen en werken; daar was deze dienst der verzoening het teken van.

 

Het is waar: zelfs de stadsmuren van Jeruzalem zijn opgetrokken, maar het is niet genoeg. Het leven gaat verder. De dagen gaan open en dicht; de weken gaan open en dicht, net zoals die van u, en die van jou, en die van mij. En er valt altijd wat te mopperen: een misoogst, een dikke streep door de rekening van de boeren, misschien een veepest of een sprinkhanenplaag, wie zal het zeggen? Ze mopperen over de regering: ‘Vroeger waren we een koninkrijk, maar nu? Nu zijn we verantwoording verschuldigd aan Perzië, de wereldmacht.’ Ontevredenheid maakt zich van hen meester. Ze gaan nog wél, om het eens eigentijds te zeggen, naar de kerk; ze laten hun plaats nog niet leeg. Maar dat is slechts de buitenkant. Aan de binnenkant nemen ze een loopje met de dienst van de Heere, met Zijn Woord, met Zijn openbaring, met Zijn Wezen.

 

De mens durft wat om het op een akkoordje te gooien met Zijn Schepper! De Heere moet bijvoorbeeld maar genoegen nemen met het mindere. In de wetten van Mozes was omschreven dat de dieren bij de offers volmaakt moesten zijn, zonder enig gebrek. Maar een gezond dier, dat is best een duur offer. Daarvoor in de plaats dan maar beter een ziek en toch al afgeschreven beest offeren – dat was de tijd van Maleachi. En de zorg voor de naaste was misschien wel net zo individualistisch als in deze tijd: geen oog voor de wees, geen oog voor de weduwe. Als ík het maar heb, desnoods ten koste van een ander.

De gaven die de Heere schonk, weet u hoe ze daarmee omgingen? ‘Dat is van mij; daar heb ik recht op’ in plaats van: ‘Dat is een gave van de Heere.’ Bent u ook zo?

Ze wisten het vóór de ballingschap. Ze wisten het ná de ballingschap. U weet het zo goed. Hoe komt het nu dat u het zo makkelijk neemt? Hoe komt het nu dat u het zo ruim neemt? Het zou begrijpelijk zijn als de Heere tegen u zou zeggen: ‘Je bent gewaarschuwd; je weet het. Ga maar verder. Je bent zo verhard; je wilt niet luisteren. Volg dan in verharding je eigen koers verder maar.’

 

En nu het wonder. De Heere roept een knecht: Maleachi. Zijn naam betekent letterlijk vanuit het Hebreeuws: ‘Mijn bode’. Hij is niet geroepen om de bode van mensen te zijn, om mensen naar de mond te spreken, maar om Gods Woord te spreken. En Gods Woord is niet aangenaam naar het vlees. Het getuigenis van de Heere is niet náár de mens, maar wel vóór de mens, in gunst en zegen. Ik hoop dat het in uw leven zo mag zijn voordat u sterft.

Maleachi heeft niet zijn eigen boodschap gepredikt. Hij was niet bang voor wat de mensen van hem zouden vinden. Hij dacht niet: Zouden ze me een aangename prediker vinden? Zal ik grote scharen mensen trekken met mijn gaven? Nee, hij heeft vloek en zegen, wet en Evangelie, beide kanten evenwichtig neergelegd, ook in het Bijbelboek dat voor u openligt: de laatste bladzijden van het Oude Testament. Hij heeft geprofeteerd.

En er is veel mis … Een opsomming volgt. Huwelijken worden ontbonden. Het lijkt onze tijd wel: wél de lusten, niet de lasten. Om het minste of geringste gaat men uit elkaar en op trouw wenst men niet te worden aangesproken.

Vervolgens lezen we in hoofdstuk 3 vers 5: En Ik zal tot ulieden ten oordeel naderen; en Ik zal een snel Getuige zijn tegen de tovenaars – afgoderij, zonde tegen het eerste gebod – en tegen de overspelers – zonde die geen zonde meer is – en tegen degenen, die valselijk zweren, en tegen degenen, die het loon des dagloners met geweld inhouden, die de weduwe, en den wees, en den vreemdeling het recht verkeren, en Mij – concluderend – niet vrezen.

‘Gij hebt de naam dat gij leeft, maar gij zijt dood’ (Openb.3:1). Gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt (Openb.3:17).

Wat zouden we nu verwachten? Een vermenigvuldiging van Gods oordeel, dat gewis als een golf komt aanrollen en zulke schepselen uiteindelijk zal vernietigen. De weg geweten – toch? – en niet bewandeld.

‘Ja, maar ik ben Adamskind.’ En niet gewandeld …

‘Ja, maar ik ben Adamskind.’ En niet gestreden om in te gaan …

Breed is de weg, die tot het verderf leidt (Matth.7:13).

 

Maar dan spreekt de Heere. Dan openbaart Hij Zich aan een volk dat Zijn Woord verwerpt, aan mensen die niet geloven dat Gods Woord wat te betekenen heeft en te zeggen heeft over hoe ze moeten leven, hoe ze moeten denken en wat ze moeten doen. Hoe is dat in uw leven, in jouw leven, in mijn leven?

Want Ik, de Heere, word niet veranderd. Voor wie zou de Heere dat nu zeggen? Ze verstaan het toch niet. U kunt de hele Bijbelse geschiedenis van A tot Z kennen, maar verstaat gij ook hetgeen gij leest? U kunt de dogmatiek, de leer, de vragenboekjes van Hellenbroek van buiten leren, maar ik vraag u: Verstaat gij ook, hetgeen gij leest? (Hand.8:30).

Maleachi, wie zal je boodschap begrijpen? Die lijkt soms aan dovemans oren gericht. Heere, wat zal er met Uw Woord? In het bekende hoofdstuk uit Jesaja lezen we: Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des Heeren geopenbaard? (Jes.53:1). Aan wie? Het lijkt zo vruchteloos, maar weet u wat het geheim is? Mijn bode, de profeet Maleachi, ziet maar aan wat voor ogen is. Ook ik als predikant zie maar aan wat voor ogen is: het volk dat in de kerkbank zit. Maar de Heere ziet het hart aan (1Sam.16:7). Hij weet wie er onrustig over de wereld gaan. Hij weet wie er dag in dag uit met een last op de schouders, met onrust, met zonde, met schuld, met het gewicht van de ziel en de eeuwige dingen leven. Moeten leven en niet weten hoe – ik bedoel: leven voor Gods aangezicht, niet ‘leven’ in de zin van ademen en hartslag.

Ben je zo’n overtreder? Zijn er hier die valselijk zweren? Zijn er hier die het recht van de dagloner met geweld inhouden? Zijn er hier die geen keurig nette, vrome zondaar, maar een stinkende, walgelijke doorbrenger zijn?

 

Dan klinkt het Woord: Want Ik, de Heere, word niet veranderd. Ik, de Heere – wat een lankmoedigheid! Alleen die zin al is zeer betekenisvol om meer dan één reden. Letten we eerst op de woorden.

Heere betekent Ik zal zijn die Ik zijn zal (Ex.3:14). Dat is de naam waarmee de Heere Zich in Exodus aan Mozes heeft bekendgemaakt, in het brandende braambos die niet verteerde. Eigenlijk wordt het woord ‘Ik’ dus dubbelop gebruikt: Ik, de Heere – Ik, de Ik zal zijn die Ik zijn zal.

Indirect worden ook de woorden ‘niet veranderd’ dubbelop gebruikt. Ik zei zo-even al dat het woord ‘Heere’ Ik zal zijn die Ik zijn zal betekent, Ik ben die Ik ben. Daar zit de onveranderlijkheid al in. Hij is de onveranderlijke God, de Getrouwe. Ook dat wordt dus eigenlijk dubbelop gezegd in deze eerste zin: Want Ik, de Heere, de Ik ben Die Ik ben, word niet veranderd. Waarom?

Zijn er hier in de kerk die beloofden hun leven te zullen beteren, maar bij wie er niets van terechtkwam? Zijn er hier in ons midden die ooit beloofden hun levenskoers te zullen veranderen, maar bij wie de mooie voornemens allemaal verdampt zijn? Misschien hebt u het in emotionele toestand gezegd: ‘Ik heb de vermogens niet. Ik ben onwillig en onmachtig om mezelf te veranderen’, maar werd u daar werkelijk ten diepste van overtuigd? Ach, de stroom van het leven kwam en nam en voerde steeds verder bij de Heere vandaan. Zijn die er hier?

Onveranderlijk is de Heere! En u? Zo veranderlijk als uw emotie, zo veranderlijk als het weer. Maar Hij blijft Dezelfde. Hij is onveranderlijk. Wordt Hij die mensen niet moe die naar willekeur luisteren, die God iets beloven en ‘ja’ zeggen, maar uiteindelijk weer ‘nee’ durven doen? Met het grootste gemak halen ze hun schouders op over het ‘nee’ doen en ze denken: ik ben nu eenmaal zondaar en Adamskind.

 

Is het geen wonder dat de Heere door de profeet laat profeteren: Want Ik, de Heere, word niet veranderd? Er is nog verwachting, maar niet uit het hart van mensen. Er is nog verwachting, maar niet uit de Joden. Er is nog verwachting, maar niet om het land Israël en ik zou willen zeggen: ook niet om Nederland. Er is nog verwachting, maar niet om een kerk. Er is nog verwachting: niet om een hart, maar om de naam ‘Heere’! Omdat Hij de dingen die er niet zijn, roept alsof ze waren, opdat Hij zou voeren uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, met smeking en geween.

 

Want Ik, de Heere, word niet veranderd. Hoe kan het nu toch dat de Heere dat wil? Hij heeft gezegd de zondaar die zondigt te zullen straffen met de dood: Want de bezoldiging der zonde is de dood (Rom.6:23). Is het u ooit een wonder geworden dat u onder de prediking van Gods Woord mag opgaan en eronder mag verkeren, dat de aarde u draagt en de hemel u dekt, dat u nog in het heden der genade bent? Mag ik vragen hoeveel aandacht u besteedt aan de zorg voor uw ziel? Meer dan aan de zorg voor uw lichaam? Gaat het meer om úw naam en úw eer dan om de naam van de Heere Die niet veranderd wordt en om Zijn eer?

 

Want Ik, de Heere, word niet veranderd. Gode zij dank! Zou ik die zo veranderlijk is als de emoties en gevoelens waarmee ik beschaamd ben uitgekomen, Hem Die alwetend is kunnen bewegen om op mij in gunst van boven neer te zien? Nee toch immers? Dat is onmogelijk!

Maar nu het wonder: God is hun een eeuwigheid voor geweest. ‘Eer iets van mij begon te leven, was alles in Uw boek geschreven’, zegt David in Psalm 139. Hij was ze een eeuwigheid voor. Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen (Jes.46:10). Denkt u dat het is om uw kerkgang, om uw bidden, om uw lezen? Daarom zal het niet zijn. Het is alleen omdat Hij God is, omdat Hij de Onveranderlijke is. Het is alleen omdat Hij eind noch oorsprong heeft. Het is alleen met voorbijzien van het onbeschaamde, van hun emoties, van hun gevoelens, van hun zonden, van hun willen, van hun wensen. Maar Ik, de Heere, heb Mijn Zoon gezalfd, ‘met heil’ge zalf aan Mij en ‘t rijk verbonden’. Ik ben niet veranderd. Wie zal hen onder de kinderen zetten, zulke beesten – mag ik het plat zeggen? – zulke onveranderlijke schepselen, geesteloos en zonder indrukken? Wie zal hen onder de kinderen zetten? Niet één wilde, omdat niemand het zag en onderkende. Toen zeide Ik: zie, Ik kom (Ps.40:8).

 

Onveranderlijk. Er was geen plaats. Hij werd gehaat, maar Hij is gekomen. Dan roept Maleachi 3 op de laatste bladzijden van het Oude Testament om de vervulling van het Nieuwe Testament, het betere Testament. En Hij is gekomen.

Niet veranderd. Ik geef Mijn rug dengenen, die Mij slaan, zo lezen we in Jesaja 50. En Zijn rug is geploegd (Ps.129:3). Hij trok Zich niet terug. Hij was alleen, maar Hij bleef getrouw. Zelfs Zijn discipelen, zelfs Zijn kinderen waren als de grote massa zondaren. Je kunt die oude mens proberen weg te snijden met een fileermes; je kunt proberen de zonde weg te boenen met een bijtend middel, maar die oude mens, die ik-mens, blijft. En toch lezen we dat Hij voor de overtreders gebeden heeft (Jes.53:12), ook voor Zijn volk, en ook voor Zijn discipelen die bij Hem wegvluchtten op Golgotha.

 

Want Ik, de Heere, word niet veranderd. Hij zal u een andere Trooster zenden. Die zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen (Joh.16:14). Weten van bemoediging, weten dat er hulp besteld is bij een Held Die verlossen kan, en wil, en zal, en ook mag, en toch proberen zelf staande te blijven, toch proberen in eigen kracht de zekerheid, de verkwikking, de zaligheid te bewerken.

Vrienden, wat een wonder dat Hij met Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest niet wijkt van Zijn kerk. Weet u waarom? Niet uw eer, niet mijn eer, niet uw naam, niet mijn naam is daaraan verbonden, maar Gods Naam en de eer van Zijn Zoon.

 

Want Ik, de Heere, word niet veranderd. Niet veranderd, ondanks alles. En zeg nu niet dat de tijden en culturen zijn veranderd. Hoor eens, het mag allemaal waar zijn: de techniek heeft een ongekende hoogte bereikt, met alle verleiding en verlokking van dien en gevaar erin, maar de Heere is Dezelfde en Hij zal de Zijnen lokken en zal ze voeren. Eén ding: deze God begint niet met Abraham, maar met Adam. Hij begint waar Hij de mens ziet: dood in zonden en misdaden. Desondanks is Hij zo getrouw als sterk en zal Hij Zijn werk voleindigen. Zitten er hier die ‘zal het voor míj voleindigen’ zeggen met de schreeuw in het hart: Heere, dat ik licht en waarheid mag ontvangen – om het met het derde vers van Psalm 43 te zeggen? Zend toch, o Heere, Uw licht en Uw waarheid neder.

 

Want Ik, de Heere, word niet veranderd. Niet veranderd? Ik wás veranderd. God in je leven gekomen, van koers veranderd, boeken gaan lezen, preek-cd’s beluisterd: het kan allemaal mooi zijn, maar lieve vrienden, ben je van hart vernieuwd? Is de Heere in je leven begonnen?

En nog iets. Kind van God, de oude mens weet ook dat je veranderd en vernieuwd bent, hè? Die weet het zo fijnzinnig te beschrijven. Die oude mens zou denkbeeldig met de hand van de nieuwe mens een schrift vol kunnen schrijven met wonderlijke dingen, die misschien waar zijn en niet mogen worden ontkend, maar waar ik mijn rust, mijn vrede en mijn troost in ga zoeken. En omdat ik het geschreven heb, zal ik die ook zeker gaan vinden. Tenzij, tenzij … Is het dan geen wonder? Want Ik, de Heere, word niet veranderd. Ik zal niet laten varen het werk Mijner handen. En niet alleen dat, maar Hij blijft nabij.

 

U zegt: ‘Hoe weet ik nu dat de Heere in mijn leven is begonnen?’ Mag ik een vraag stellen? Kun je je vinger bij een tekst leggen? Want de Heere spreekt door Woord en Geest. Kun je je vinger … Niet om u wat af te nemen, hoor, maar zullen we beginnen met datgene wat de Heilige Geest, met alle eerbied gesproken, Zelf geschreven heeft: Zijn Woord, de Bijbel, Gods openbaring? Hij zal Zichzelf openbaren door de middelen die Hij Zelf gegeven heeft: Woord en Geest. En als je door Zijn Geest overschaduwd, overvleugeld bent, dan weet je het. Wat een wonder dat Hij niet laat varen de werken Zijner handen. Wat een wonder dat Hij op Zijn eigen werk terugkomt. Sterker nog, Hij laat Zijn eigen werk benoemen. Denk daar eens over na! Hij laat Zijn eigen werk benoemen. Dat heeft de zondaar niet zozeer nodig, want het gaat niet om de eer van de zondaar; het gaat om de eer van God. Maar het is wel tot zaligheid van de zondaar. Mag ik u vragen: hebt u in die zin uw naam weleens horen noemen, uw ziel horen noemen en de legering erin? Dan hoef je niet iets te concluderen en iets naar jezelf toe te trekken, want dan is het zo krachtdadig. Dan zal de Heere met Zijn Woord en Geest op datzelfde ogenblijk de strijd die eraan vooraf ging met één pennenstreek wegvegen. Dan zijn bergen vlak en zeeën droog. Onvergetelijk.

Want Ik, de Heere, word niet veranderd. Maar wat is het tot vernedering van de mens – onze tweede gedachte.

 

  1. Tot vernedering van de mens

Daarom zijt gij, o kinderen Jakobs!

Kinderen van Jakob, nazaten van Jakob. Ik moet iets duidelijk maken. Het is heel eenvoudig, maar ik moet het wel scherp proberen te houden, kernachtig, puntig.

Toen Jakob geboren werd, hield hij de hiel van zijn broer vast. Jakob betekent letterlijk: hielenlichter. In de tweede lijn betekent hielenlichter ‘bedrieger’. Wat hebt u met de bedrieger, met Jakob? We zijn toch kinderen van Adam? Ja, maar zo kwam in de aartsvader Jakob ook iets van Adam openbaar: bedrieger.

In de derde lijn zijn wij plotseling allemaal verbonden met Jakob: kinderen van Jakob, de bedrieger. We laten ons bedriegen door satan, door de zonde, door de wereld, door ons eigen vlees. In Johannes 16 lezen we: En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel. Ben je er ook van overtuigd door de Geest, overtuigd van zonde, gerechtigheid en oordeel?

 

Die kinderen van Jakob zijn niet zozeer alleen verbonden aan Jakob, maar ook aan Adam. En in Adam zijn ze ik-mens. Een ik-mens ben je als vrouw van je man en als man van je vrouw, als ouders van je kinderen en als kinderen van je ouders. In elk verband ben en blijf je ik-mens. Ik en de anderen zijn pionnen op mijn schaakbord. Dat is de mens, kind van Jakob. Weet je waarom? Het is misschien wel scherp dat ik het zo in uw midden zeg, gemeente, maar: ík wil bepalen het goed en het kwaad. Dat liet ik me in Adam maar wat graag aanleunen en wijsmaken.

Kennende het goed en het kwaad … (Gen.3:22). Weet je wat dat betekent? Ík bepaal wat goed en kwaad is. En daarom praat ik alles zo gemakkelijk goed. Het lijkt zo onschuldig, dat snoepje uit de snoeppot bij je ouders of opa en oma. Ík bepaalde dat dat nodig was. Ik kon niet wachten tot het mij gegeven werd, want ik dacht dat ik het anders misschien mis zou lopen. Ik heb er recht op en ik was bang dat ik achtergesteld zou worden ten opzichte van broer of zus. Zo wérkt het!

 

Kinderen van Jakob: dat zijn geen nette, geen vrome mensen. Al ben je van adel, al heb je een academische titel, al ben je boer of kantoorman, al ben je gepensioneerd of in de kracht van je leven, je bent kind van Adam. Iedereen, vorst en onderdaan, jong en oud, is kind van Jakob.

Dat is het adres. Of bent u nog te goed voor een kind van Jakob? Het valt misschien nog wel mee, vindt u: een ander doet het ook. Jij praatte in de klas en toen de onderwijzer ingreep, was het eerste wat je zei: ‘Ja, maar hij of zij deed het ook.’ We praten niet over eigen schuld. Jakob nam het ook voor zichzelf op. Hij bedroog zijn oude vader, dacht God een handje te moeten helpen – mag ik het zo eens uitdrukken? – door zichzelf op te werpen, vroom te zijn, stipt te zijn. U weet wel wat ik bedoel.

 

O kinderen Jakobs, hoeveel werken van het werkverbond hebt u gedaan, menend dat u zalig zou worden? Hoeveel stiptheden hebt u betracht? Hoe groot is uw verzameling goede werken en goede daden? Aan de ene kant bent u er zo trots op en aan de andere kant bent u zo slap en toegefelijk in andere zaken.

 

O kinderen Jakobs. We gaan nog een stap verder. Jakob dacht de Heere een handje te moeten helpen. Weet u al wat u in het geestelijk leven nodig hebt en hoe de Heere dat volgens u zou kunnen werken? Wees eens heel eerlijk: hebt u daar een voorstelling bij? Uw bekering vermengd met uw eer is u meer waard dan Gods eer. Misschien is het u toch meer te doen om de hemel dan om de weg waarin de Heere Zijn volk door dit tranendal der ellende onderhoudt.

 

O kinderen Jakobs. Heb je je boekje met verzamelingen al eens voor de Heere geopend? Misschien één bladzijde van de tachtig, of moet ik zeggen: één van de duizenden? Heb je alle rechten al eens verloren? Zijn er hier onbekeerd geworden, die de franje van de bekering hebben verloren, die als Jakob wel op voorwaarden onderhouden wilden worden, maar niet zonder voorwaarden? Genade is niet voorwaardelijk; genade is onvoorwaardelijk. Wie het begrijpen kan, die begrijpe het.

 

O kinderen Jakobs, rekenwonders. Toen het tegenzat en het anders ging dan u hoopte en had gebeden, toen uw eigen berekeningen niet klopten, kwam u in het diepste ravijn terecht. Het wordt nooit wat! U hebt meer met uzelf te doen dan dat het u gaat om de naam, de zaak en de eer van de Koning. Dat is een kind van Jakob. U zegt: ‘Dominee, wie kan dan zalig worden? Wie kan dan zalig worden? Moet ik dan alles verliezen?’ Vijand van vrije genade, ik net zo goed. Wie kan dan zalig worden? U kunt van uzelf ook niet zalig worden, wat u ook doet, wat u ook slaaft, wat u ook slooft, wat u ook poogt. Niets. Een dikke streep erdoor.

Maar hebt u het gehoord? Want Ik, de Heere, word niet veranderd. Het is niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods (Rom.9:16). Het komt alleen bij de Heere vandaan.

 

O kinderen Jakobs. Zijn er hier kinderen van Jakob? Met al je berekeningen niet meer wijzen naar boven, niet meer wijzen naar je naaste, maar zeggen: ‘Heere, hier ben ik.'

Doorgrond m', en ken mijn hart, o HEER;

Is 't geen ik denk niet tot Uw eer?

Beproef m', en zie of mijn gemoed

Iets kwaads, iets onbehoorlijks voedt'.

Als kinderen van Jakob laten we ons niks gezeggen. Door onszelf willen we misschien nog wel gecorrigeerd worden (al doet ook dát soms al enorm veel pijn), maar zeker niet door Gods Woord en Geest, tenzij we ervoor worden ingewonnen – alleen dan.

 

Is er dan nog hoop, nu de Heere dit zegt? Het eerste gedeelte was een bemoediging, in lankmoedigheid. Maar in het o kinderen Jakobs klinkt een zeker verwijt door en – ik zeg het met grote en diepe eerbied – ook een zekere smart bij de Heere: Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtelijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen (Jes.55:2), o kind van Jakob. Want Ik, de Heere, word niet veranderd.

Maar zou dat nu voor mij kunnen? Zit de doodslager je op de hielen? Ben je bitterlijk bedroefd en zie je uit naar de spelonk van Adullam? Ik, de Heere, word niet veranderd. Daarom zij gij, o kinderen Jakobs! – en dan een dikke streep onder de vertroosting – niet verteerd. Dat is onze derde gedachte. Maar we gaan eerst zingen: Psalm 74 en daarvan de verzen 10 en 12.

 

Hoe lang, o God, zal, in dit zwaar verdriet,

De vijand ons zijn wrede trotsheid tonen?

Zal hij Uw naam in eeuwigheid dan honen?

Neen, 't kan niet zijn; dat duldt Uw glorie niet.

 

Gij, evenwel, Gij blijft Dezelfd', o HEER;

Gij zijt van ouds mijn toeverlaat, mijn Koning,

Die uitkomst gaaft, en, uit Uw hemelwoning,

Voor ieders oog Uw haat'ren gingt te keer.

 

  1. Tot vertroosting van de Kerk

Het behoud van Gods gemeente – tot verheerlijking van God, tot vernedering van de mens en nu onze derde gedachte: tot vertroosting van de Kerk.

 

Niet verteerd. Een mooi beeld: Je legt een stok in het vuur. De stok is droog en die gaat smeulen, wordt zwart. Het hout zet aan de buitenkant al wat uit om uit elkaar te gaan vallen; u kent het. Dan wordt eraan gerukt, net voordat het uit elkaar valt. De profeet zegt: een vuurbrand uit het vuur gerukt (Zach.3:2). Niet verteerd. Wij wandelen op de rand van het ravijn. Kind van God, zo wandelden wij naar de eeuw dezer wereld, naar de begeerlijkheid des vleses.

Als een vuurbrand uit het vuur gerukt – niet verteerd. Waarom niet verteerd? Het is een beeld van Gods toorn, van Gods wraak. Je hebt de zonde lief, hè? Maar je praat die zo makkelijk goed. En dan wil je ineens barmhartiger zijn dan de Heere: de zonde vasthouden en toch ruim sterven, maar die twee gaan niet samen. Genade is altijd in een rechte weg. Dat is in de eerste plaats billijk en in de tweede plaats naar recht.

Waarom niet verteerd? Omdat de Heere in Zijn trouw Dezelfde bleef, ondanks ontrouw. Omdat de Heere in Zijn liefde Dezelfde bleef, niet zonder tussentreding van een Middelaar, maar omdát er een Middelaar is! Alzo lief heeft Hij die zondige, smerige, vuile wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft (…)

Geloven – Heere, wat is dat dan? Is het iets aangenaams?

Lieve vrienden, wie het verstaat, die versta het. Geloof is iets wat niet kon; het was onmogelijk. Als kleingelovige zag ik grote bergen van onmogelijkheden om daar ooit te kunnen komen. Maar weet u wat klein geloof niet ziet? Dat er een God is Die boven die bergen woont en Die bergen vlak kan maken.

 

Niet verteerd. Maar hoe kom ik er dan toe om te vertrouwen en te bouwen op U alleen? Hoe kan dat dan? Het kan zijn dat het voor u onmogelijk is, dat u altijd maar rondom het centrum van uw leven aan het tollen bent: heb ik dit en heb ik dat? Maar nu het wonder: als de Heere met Zijn lieve Woord en Geest komt, is het onmogelijk om nog te vluchten, is het onmogelijk om het niet toe te eigenen, zij het met schroom en met diepe verwondering. Wie het vatten kan, vatte het.

 

Niet verteerd. Onmogelijk. Maar weet u, dat geestelijk leven richt zich niet op de mens, op ‘ik’. Het gezonde geestelijk leven richt zich buiten de mens op Hem Die gezegd heeft: ‘Wat hitte doet Mij branden?’, op Hem Die gezegd heeft: De ijver van Uw huis heeft Mij verteerd (Ps.69:10). Daarom niet verteerd. Hij werd gebonden om hen te ontbinden, opdat zij niet verteerd zouden worden. Hij heeft ontelbare smaadheden geleden, verteerd in Zijn ijver als Borg, als Tussentreder voor blinden, geestelozen, indruklozen, onverbeterlijken, opdat zij nimmermeer te schande zouden worden, een eeuwige schande buiten God, in een poel die brandt van vuur en sulfer. En daarom niet verteerd.

 

Ik preek u niet de mens, maar ik preek u wat er te vinden is in de Held Die verlossen kan. Ik preek u niet uw ziel, hopelijk wel de ziel die hoopt en verlevendigd werd en wat die ziel mag vinden in Hem. Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet (Hoogl.2:3). Hij het allerslechtste, om het allerbeste te kunnen geven aan één die het allerslechtste had moeten ontvangen.

 

Niet verteerd. Gemeente, ik zag niet Zijn zorg. Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht (Jes.53:3). Wat een zorg. En wij zo ontevreden. We vinden het vaak allemaal maar zo gewoon. Maar door Zijn zorg zijn we niet verteerd.

Kent u met Thomas Boston iets van het kromme in het levenslot? Zelfs de haren van hun hoofd zijn geteld. In vruchtbare en onvruchtbare jaren, in droge en in natte jaren doet Hij het hun aan niets ontbreken, niet alleen in Zijn voorzienigheid, maar met name voor hun ziel.

 

Niet verteerd.

Hoe branden mijn genegenheên, om 's HEEREN voorhof in te treên!

Dan zult gij recht naar 't outer treden, en off'ren God een rein gemoed.

Niet verteerd, omdat er Eén verteerd werd. Gemeente, mag ik u wat vragen? Maakt u zich rijp om verteerd te worden door de vlam die niet zal worden gedoofd? Gaat u zo slordig om met uw ziel, met de zaligheid, met die ene Naam?

Zou God Zijn genâ vergeten? Nooit meer van ontferming weten?

Nooit om iets in u, maar om Zijns Zelfs wil.

 

Niet verteerd. Nog niet … Met Paulus iets wetend van die vertering, wetende de schrik des Heeren, bidden wij u, alsof God door ons bade: laat u met God verzoenen. Het zal wat zijn om te vallen in de handen van de levende God. Het zal wat zijn om de weg te hebben geweten, de waarheid te hebben toegestemd en buiten te staan: Gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt! (Matth.7:23).

 

Volk van God, in alle mitsen en maren wil ik u één ding meegeven. Ik stond bij het sterfbed van een kind van God, een tobber – altijd tekort, altijd bestreden. Toen kwam de Heere over op zijn sterfbed en weet u wat hij toen zei? Niet wat hij had mogen zien – dat ook wel – maar hij zei: ‘Wat heb ik altijd beneden mijn stand geleefd.’ En dat is waar: altijd zo bezig met onszelf.

Kinderen Jakobs, en toch niet verteerd. Daarvan krijgt Hij alleen de eer!

Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld (Matth.24:34). Wie mogen daar komen? Dat zal ik u zeggen. Ik houd het Bijbels:

Zelfs vindt de mus een huis, o HEER’,

De zwaluw legt haar jongskens neer

In 't kunstig nest, bij Uw altaren.

 

En dan het wonder:

 

Bij U, Mijn Koning en mijn God,

Verwacht mijn ziel een heilrijk lot.

 

Is dat uw leven? Die God leeft nog en Hij is nog niet veranderd. De tijden kunnen donker zijn, met allerlei terroristische dreigingen, maar Hij haalt de Zijnen eruit.

Daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd. Zij zullen zingen:

Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen!

Amen.

 

Psalm 66:4

 

Looft, looft den HEER der legerscharen,

O volken, heft een lofzang aan;

Hij wil ons in het leven sparen,

Ons hoeden op de steilste paân,

Voor wank'len onzen voet bevrijden.

Gij hebt ons voor een tijd bedroefd,

En ons gelouterd door het lijden,

Gelijk het zilver wordt beproefd.