Ds. A. Elshout - Openbaring 12 : 14

Een vrouw die gevoed wordt

Wie die vrouw is
Wat die vrouw heeft
Wat die vrouw ondervindt

Openbaring 12 : 14

Openbaring 12
14
En der vrouwe zijn gegeven twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halven tijd, buiten het gezicht der slang.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 1: 1 en 2
Lezen : Openbaring 12: 1 - 17
Zingen : Psalm 147: 2, 3 en 6
Zingen : Psalm 72: 6
Zingen : Psalm 105: 24

De tekst waarbij we u willen bepalen, kunt u vinden in Openbaring 12:14:

 

En aan de vrouw zijn gegeven twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een halven tijd, buiten het gezicht van de slang.

 

In dit Schriftwoord worden we bepaald bij een vrouw die gevoed wordt. Laten we ten eerste nagaan wie die vrouw is, die gevoed wordt. Verder, wat die vrouw die gevoed wordt, heeft. En ten slotte wat die vrouw die gevoed wordt, ondervindt.

 

Dus: Een vrouw die gevoed wordt.

1. Wie die vrouw is.

2. Wat die vrouw heeft.

3. Wat die vrouw ondervindt.

 

1. Wie die vrouw is

De apostel Johannes ontving een gezicht, een visioen, waarin hij een vrouw zag aan wie twee vleugelen van een grote arend gegeven zijn, opdat ze zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt. Toen Johannes dat visioen zag, stond hij op het zand der zee van het eiland Patmos in de Egeïsche Zee, tussen Griekenland en Turkije. Daar was hij naartoe verbannen vanwege het Woord Gods dat hij verkondigd had. De Openbaring van Johannes is geschreven opdat u en ik en vele anderen zouden verstaan wat er in het verleden is gebeurd. Daarover laat de Openbaring het licht van Gods Woord vallen. Maar het boek werd ook geschreven opdat we zouden weten wat er nog zal gaan gebeuren tot aan de dag van de wederkomst van Christus. In de Openbaring wordt duidelijk dat Gods besluiten vervuld maar ook verheerlijkt zullen worden. Gods rechtvaardigheid zal bevestigd worden in het straffen van de zonde, maar ook Zijn barmhartigheid in het offer van Zijn Zoon voor zondaren, om Christus’ wil. Dat wordt ons in het boek Openbaring bekend gemaakt.

Een deel ervan is reeds gebeurd, en een ander deel moet nog gebeuren. Tevens laat het boek Openbaring zien dat de satan en zijn trawanten Gods Kerk zullen bestrijden met alle hun ten dienste staande middelen. Als het mogelijk was, zouden ze het werk van de Heere vernielen, maar dat zal niet gelukken. Soms zullen er wel veldslagen worden verloren tussen de christelijke Kerk en de satan, maar de oorlog wordt gewonnen. Uiteindelijk staat de zege van Christus vast en zullen ook zij die Christus toebehoren, overwinnen. Dat zal gebeuren in de kracht en de mogendheid van de Heere Zelf. Een stukje van die strijd wordt ons beschreven in dit hoofdstuk.

Een vrouw die gevoed wordt – is dat één persoon of wordt met die vrouw een groep van mensen uitgebeeld? De vrouw heeft een Manspersoon gebaard. Dat ziet niet op het geslacht van de Zoon, maar wijst op het mannelijke, op kracht, op actie, op de heldhaftige wijze waarop de Zoon Zich gedraagt. Wie is die vrouw? Wel, in haar wordt heel de oudtestamentische Kerk uitgebeeld, in het beeld van een moeder. Het is dus niet een specifieke vrouw. De vrouw over wie het gaat, is het scheppingswerk van God; en dat niet alleen, want ze is ook de vrucht van Zijn herscheppingswerk. Uw Maker is Uw man (Jes. 54:5), zo sprak de Heere tegen Zijn gemeente in het Oude Testament. De profeet Hosea heeft ook het beeld van de Man gebruikt. De Heere zegt: Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en den most, en de olie gegeven heb (Hos. 2:7). Want Ik heb u getrouwd (Jer. 3:14), zegt de Heere op een andere plaats.

Dus de vrouw over wie het hier gaat, is bij wijze van spreken de vrouw van God – de gemeente des Heeren. Ze is Zijn scheppingswerk, maar ook de vrucht van Zijn herscheppende kracht. Ze is de vrouw over wie het in de profetie gaat; de vrouw die een Vrouwenzaad ter wereld zal brengen dat satans kop zal vermorzelen. De hele oudtestamentische Kerk is zwanger geweest vanaf het moment van de moederbelofte tot op de dag van de vervulling daarvan in de geboorte van Christus. De hele heilsgeschiedenis werkt eropaan om Hem, Gods Zoon, voort te brengen, de beloofde Messias en Zaligmaker, Die satans kop zou vermorzelen. Satan heeft als het ware al die tijd dat het hem mogelijk gemaakt werd, voorkomen dat het Kind, dat beloofde Kind, die beloofde Zoon geboren zou worden. En áls Hij geboren zou worden, wilde satan Hem meteen verslinden.

Als we de oudtestamentische geschiedenis nagaan, zien we dat het naar de mens gesproken wel eens heel weinig gescheeld heeft of het geslacht van David was ten onder gegaan. Daarmee zou de belofte dat uit dit geslacht de Messias geboren zou worden, niet in vervulling zijn gegaan. Maar dit geslacht is níet uitgeroeid. God heeft gewaakt. Het geslacht van David is in stand gebleven en we weten hoe het uiteindelijk Maria, de van God verkorene, is geweest om het beloofde Vrouwenzaad Christus ter wereld te brengen. Zo mogen we deze vrouw dus zien als de heilige, algemene, christelijke Kerk. Die Kerk is er geweest is vanaf het moment dat de Heere de moederbelofte heeft verkondigd. Dat was vanaf het moment dat Hij het geloof gewerkt heeft in het hart van onze eerste ouders om als boetelingen alle hulp en kracht van Christus te verwachten. In Hem lag de redding van alles waaraan wij onderworpen waren; in Hem alleen zullen we het eeuwige, zalige leven verkrijgen. Dat is de Kerk: een gemeente, verkoren van God de Vader, gekocht door God de Zoon, bearbeid en toegebracht door de Heilige Geest. Een gemeente, die Christus verkregen heeft door Zijn eigen bloed.

Deze vrouw heeft op haar hoofd een kroon; ze is bekleed met de Lichtbron. Dit beeld laat zien hoe de vrouw getrokken is. Het licht van de Zon der Gerechtigheid heeft haar beschenen. Zo is de gemeente des Heeren getrokken uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht. Al Gods kinderen woerden beschenen door deze Zon en dat heeft een vernieuwing in hun leven teweeggebracht. Ze zijn door Gods genade en door Zijn Licht ontdekt aan hun ellende, maar dat niet alleen – ze zijn ook uit de duisternis getrokken tot Zijn wonderbaar licht. Het zijn degenen die de geboden Gods bewaren en het getuigenis van Jezus Christus hebben.

In de Bijbel, in de brief aan de Galaten, wordt de christelijke kerk een moeder genoemd. God is de Vader en de Kerk is de moeder van alle ware vromen. En deze moeder, deze vrouw wordt bekleed met de Zon om waardig te wandelen naar het Evangelie. Daardoor haten de ware vromen ook alles wat met de duisternis te maken heeft: de satan, de wereld en hun eigen vlees. Zij willen in oprechtheid voor de Heere leven in het strijdperk van dit leven. Er staat: en de maan was onder haar voeten. De maan, heerseres van de nacht, het symbool van de zonde. Onder haar voeten – zo wordt ze gemaakt tot een nieuw schepsel met de keus om alle werken der duisternis te bestrijden, te haten en ervandaan te vluchten. En zo wordt het hart van alle ware vromen geneigd om in alle gerechtigheid voor het aangezicht van God te wandelen, naar het voorschrift en voorbeeld van de Zaligmaker.

Deze vrouw leeft in een wereld, een woestijn, een plaats van eenzaamheid, waar ontbering, gevaar, wilde dieren en rovers zijn. Een plaats waar je zo spoedig mogelijk weg wilt wezen. Zo wordt het leven hier uitgebeeld voor degenen die godzalig willen wandelen naar het voorbeeld van Christus Jezus. Ze voelen zich in de wereld niet meer thuis, zoals dat met de natuurlijke mens wel het geval is. Ze zijn een vreemdeling hier beneden. Ze kunnen het niet meer vinden in de dingen die de wereld te bieden heeft, ook niet in de godsdienstige wereld zonder God. Een christendom zonder Christus, met wat vorm en ‘sleurreligie’. Nee, hun hart dorst naar God, naar de levende God en naar de gemeenschap met de Heere en Zijn volk. Daar gaat hun hart naar uit. En als ze niet kunnen komen waar ze willen zijn, klagen ze: Mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water (Ps. 63:2). Zo worden ze opgejaagd, ze kunnen niet rusten in de woestijn van dit leven. Er zijn wel oasen in de woestijn van dit leven. Er zijn oasen in de woestijn waar ze een ogenblik van kracht tot kracht worden gevoerd, getroost en geleid. Er zijn weleens ogenblikken van rust onder de bediening van het Woord van God en onder de bediening van de sacramenten.

Dan kan het weleens bij ogenblikken zijn:

     Hier wordt de rust geschonken;

Hier 't vette van Uw huis gesmaakt;

Een volle beek van wellust maakt

hier elk in liefde dronken.

 

Maar een hemel op aarde is er niet. Wel bij ogenblikken iets van de hemel. Maar een paradijs wordt het op deze wereld nooit, integendeel. De Heere Jezus heeft voorzegd aan allen die willen wandelen achter Christus Jezus aan: In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen (Joh. 16:33).

Welzalig zij die, naar Zijn reine leer,

In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen;

Die Sions Vorst erkennen voor hun Heer’!

      Welzalig zij die vast op Hem betrouwen!

 

Ze zullen allemaal ondervinden dat de driehoofdige doodsvijand niet werkeloos toe zal zien als zij naar de wil des Heeren willen leven. Iemand zei ooit tegen Luther: ‘Meester Luther, u hebt het steeds maar over de duivel, die het u zo lastig maakt. Ik merk er nooit wat van.’ Het antwoord van Luther was: ‘Ga maar eens heiliger leven, dan zul je meer last van hem krijgen.’ En zo is het ook, want hoe nauwgezetter iemand tracht te leven naar de geboden des Heeren, hoe meer satan en de zijnen zich zullen opmaken om hem te bestrijden en het leven zuur te maken. Ja, als het mogelijk was, wil de satan degenen die de Naam des Heeren aanroepen, tot afval verleiden.

 

De draak, de satan die voor de vrouw heeft gestaan voordat ze haar Zoon heeft gebaard, heeft tevergeefs moeten toezien. Hij heeft dat Kind willen verslinden, maar het is hem niet gelukt. Dat Kind, die Zoon, is weggerukt van de aarde naar de hemel. Dat gebeurde bij de hemelvaart van Christus. Satan is toen op de aarde geworpen, en hij concentreert nu al zijn haat en actie op het Zaad van de vrouw, op Christus en Zijn volgelingen. Hij richt zich met al zijn krachten op degenen die het getuigenis van Jezus Christus hebben, op hen die Gods geboden doen uit dankbaarheid, maar het heil alleen van Jezus Christus verwachten. Is die vrouw nu geheel overgeleverd aan de satan? Nee, zeker niet! Ze heeft twee vleugelen gekregen. Dat is het tweede dat we willen overdenken.

 

2. Wat die vrouw heeft

Er staat: Aan de vrouw zijn twee vleugelen gegeven. Dat is natuurlijk beeldspraak en symboliek, zoals dat in het hele boek Openbaring het geval is. En het is ook beeldspraak als we lezen: een plaats waar ze gevoed wordt; buiten het gezicht van de slang. Daar kan de slang dus niet bijkomen, al is het tandenknarsend. Hij moet toezien dat die vrouw gevoed wordt, dat ze alles ontvangt wat ze werkelijk nodig heeft tijdens haar verblijf in de woestijn. Alle het nodige naar lichaam en ziel wordt haar gegeven. De Heere zorgt ervoor dat het haar aan niets ontbreekt. Nee, de Heere heeft nergens beloofd dat Hij de Zijnen met allerlei luxe en met allerlei uiterlijke welvaart zegenen zal. Maar toch, uw brood is zeker en uw water gewis. Daar mag op gerekend worden, daar zal Hij voor zorgen.

Maar hoe moet ze aan het voedsel komen dat God bereid heeft, terwijl ze in de wereld leeft? Wel, ze moet twee vleugelen gebruiken als van een geweldige arend; die zijn aan haar gegeven. Ze heeft niets van zichzelf, maar door de gave van de twee vleugels kan ze zich voortbewegen. Ze vaart op gelijk een arend naar de plaats waar ze gevoed zal worden. Wat moeten we ons voorstellen bij die twee vleugels? De meest eenvoudige verklaring lijkt mij om de ene vleugel de vleugel van het geloof te noemen, en de andere die van het gebed. Als geloof en gebed samenwerken, zit er een verheffende kracht in. Geloof is nodig voor het gebed. Als er geen geloof is, is er geen gebed. Het gebed is nodig voor het geloof om in actie te komen. Geloof en gebed zijn de twee geschenken die door God gegeven worden aan Zijn strijdende Kerk. De Heilige Geest is zowel de Werkmeester van het geloof als de Bron van het gebed. God Die niet liegen kan, werkt het geloof: Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken (Hebr. 11:6). Het is de Heilige Geest Die het geloof werkt, maar ook Die dat geloof actief maakt in het gebed:

Ik hef tot U, Die in den hemel zit,
Mijn ogen op, en bid;
Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heren,
Om nooddruft te begeren,
En ’t oog der maagd is op haar vrouw geslagen,
Om hulp of gunst te vragen;
Zo slaan wij ’t oog op onzen HEER’, tot Hij
Ook ons genadig zij.

 

Bij U schuil ik, vinden we in Psalm 143. Ik zoek Uw aangezicht, o HEERE (Ps. 27:8), want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte (2 Kor. 2:12).

 

Haar zijn twee vleugels gegeven om te vliegen naar de plaats waar voeding verkregen zal worden. Dat zal gebeuren onder het aanroepen van de Naam des Heeren. Het geloof moet gevoed worden, het gebed moet eveneens gevoed worden. Ze worden beide geoefend in de samenkomsten van de gemeente, maar ook in het privéleven, in de binnenkamer, in de huiskamer, in de slaapkamer. Waar dan ook. Soms zijn het uitschietende, soms plechtige gebeden. Dit reukwerk der gebeden is nooit los te maken van het geloof – geloof en gebed horen onlosmakelijk bij elkaar. De beide vleugelen stellen in staat om zich van de aarde met alle ellende, aanvechtingen en bestrijdingen, omhoog te heffen. Dat moet steeds weer opnieuw; het geloofs- en gebedsleven moet voortdurend geoefend worden. Maar de Heere staat er garant voor!

Hij zal Zijn hulp en bijstand nooit onttrekken. Hij komt onze zwakheden te hulp! Opdat het geloof niet zal ophouden en ook het gebed niet. Dat zijn de wapens, die God aan Zijn Kerk gegeven heeft in de strijd tegen satan en zijn trawanten. De vrouw heeft twee vleugels opdat ze in de woestijn zou vliegen, in haar plaats, alwaar ze gevoed wordt. Waar kan die plaats anders zijn dan in de hemel? De vrouw, de Kerk, neemt haar toevlucht tot de Onzienlijke om zich te sterken in de Heere, haar God – Vader, Zoon en Heilige Geest. Zij mag gesterkt worden uit kracht die door Hem verleend wordt, door Hem Die zei: Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Kor. 12:9). Zij mag steeds naar Hem vluchten om uit Zijn volheid te ontvangen genade voor genade (Joh. 1:16). Wat een heerlijke kracht gaat eruit van het voedsel dat keer op keer ontvangen wordt: omdat Gij mij wijsheid en kracht gegeven hebt (Dan. 2:23)!

Hoe vaak hebt u dat al ondervonden? Ik twijfel er niet aan dat er ook onder ons zijn die vanuit eigen ervaring kunnen spreken hoe ze in hun strijd en aanvechting, als het hun gegeven werd, keer op keer die vleugels konden gebruiken. Daar mocht u voedsel ontvangen onder de bediening van de middelen der genade, door het gebruik van de heilige sacramenten. Zo wordt u gevoed, hetzij in de eenzaamheid of in het midden van de gemeente, onder de bediening van het Woord en van de sacramenten. Dat zijn de tijden geweest dat het in ons vervuld werd:

Als ik, omringd door tegenspoed,
Bezwijken moet,

Schenkt Gij mij leven.

 

Dat voedsel geeft weer nieuwe kracht. Zo wil de Heere, door het gebruikmaken van de middelen der genade, keer op keer doen ervaren dat Hij geen land van uiterste donkerheid is. Dat wil Hij schenken aan hen die need’rig naar Hem vragen.  Hij geeft keer op keer nieuwe moed en kracht uit de verkondiging van Zijn Woord en uit het gebruikmaken van de sacramenten. Zo kan men door de kracht daarvan soms wel veertig dagen verder door de woestijn. Wat een zalige oasen zijn dat in het woestijnleven, in deze wereld!

Natuurlijk zit satan niet stil. Hij probeert die vleugels te raken met zijn pijlen. Hij weet ook wel dat aan die vrouw twee vleugels gegeven zijn. Hij kan niet voorkomen dat die vrouw gevoed wordt, want het gebeurt buiten het gezicht der slang. Hij kan er niet bij. De vorst der duisternis kan overal komen, behalve bij de plaats waar de Heere de Zijnen voedt. Die voeding kan hij niet tegenhouden en niet tenietdoen. Maar de satan heeft wel wat anders op het oog en daar moeten we goed op bedacht zijn. Hij probeert de vleugel van het geloof te raken. Met zijn influisteringen probeert hij twijfelgedachten te wekken aan het bestaan van God. En als hij geen twijfel kan zaaien wat de macht van God betreft, gooit hij het wel over een andere boeg. Dan probeert de satan de wil van God en de trouw van God verdacht te maken. Als we daaraan gaan twijfelen, ja, dan functioneert de vleugel van het gebed ook niet goed meer. Dat weet de duivel heel goed. Zijn vergiftige pijlen zijn zo uitermate gevaarlijk voor het leven van het geloof. Waarom laat God eigenlijk toe dat de satan zoveel pijlen schiet op Zijn strijdende Kerk? Luister goed: opdat zijn nederlaag uiteindelijk des te groter zal worden!

Maar satan heeft nog een paar pijlen op zijn boog. Hij probeert ook overmoedig te maken. Als we denken zelf iets te kunnen, zelf iets te weten, ja, dan zakt het gebedsleven af en gaan we weer op onze eigen benen steunen of op onze eigen wijsheid. En naarmate dat gebeurt, neemt het gebed ook af. Zo probeert de satan de vleugel van het gebed te raken. En wee ons als wij bij al die aanvechtingen nalaten, hoe gebrekkig dan ook, de beide vleugels te gebruiken om bij de Heere te komen! Dan zullen die vleugels zeker weleens zo gehavend zijn dat we voor een tijd het gebruik ervan zullen moeten missen. Dat zal echter nooit gebeuren, als zij aan wie de vleugels van gebed en geloof gegeven zijn, heel dicht bij de Heere leven. Dan kan satan met al zijn pijlen wel verwonden en benauwen, maar hij is niet succesvol; de duivel kan niet doen wat hij wil!

Maar o wee, als het geloof en het gebed inzinken, als de oefeningen van het geloof afnemen! Dan worden we door eigen schuld een prooi van satan! Dan kan het weleens zijn dat de vleugels lange tijd zo gehavend zijn, dat we er niet mee kunnen werken. Gelukkig, één ding kan de satan niet, de vleugels eruit rukken. Hij kan ze onder de toelating van God wel beschadigen, als straf op onze zonden. Maar uitrukken kan hij ze nooit. Hij zou het wel graag willen, want dan kan die arend nooit meer omhoog.

Daarom moeten u en ik voorzichtig leven in deze wereld waar zoveel verleidingen en verzoekingen zijn. We moeten onszelf niet willens en wetens op plaatsen gaan begeven waar we niet horen. Als we dat wel doen, kan het gevolg weleens zijn dat de Heere het toelaat dat satans pijlen ons treffen. En dan kunnen we voor een tijd lang uitgeschakeld zijn en zullen we dus ook geen voedsel meer vinden. Dan vermageren en verzwakken we met alle ellende die daarvan het gevolg is.

Gelukkig kan de satan de beide vleugels nooit uitrukken! Hij zal ook niet bereiken dat die vleugels van geloof en gebed nooit meer kunnen functioneren. Die twee vleugels heeft de Heere aan Zijn kinderen geschonken, dus dat zal nooit gebeuren! We zien in de Bijbel altijd weer dat de strijdende Kerk na de tijden van inzinkingen en nederlagen toch weer haar vleugels gaat gebruiken – geloof en gebed zullen niet ophouden. En dan wordt de kerk gevoed met genade, barmhartigheid en hulp te bekwamer tijd.

Een tijd en twee tijden en een halve tijd, 1260 dagen worden hier genoemd. Dat is: er zal een lange periode zijn tussen de hemelvaart van Christus en Zijn wederkomst. Maar niet één seconde van die tijd zal de satan volkomen vrij zijn om te doen wat hij wil; en ook niet één seconde zal de Heere Zijn Kerk alleen laten. Naar Zijn trouw verbond houdt Hij door Zijn kracht Gods volk in stand.

Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten (Joz. 1:5). Dat is het troostwoord voor de strijdende Kerk des Heeren, die niet alleen moet uitroepen: ‘Vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren’, maar ook: ‘Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Wil ons toch staande houden, omdat we in eigen kracht niet één ogenblik kunnen bestaan.’ Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid (Matth. 6:13).

Laten we daarvan zingen uit Psalm 72 vers 6:

Ja, elk der vorsten zal zich buigen

En vallen voor Hem neer;

Al 't heidendom Zijn lof getuigen,

Dienstvaardig tot Zijn eer.

't Behoeftig volk, in hunne noden,

In hun ellend' en pijn,

Gans hulpeloos tot Hem gevloden,

Zal Hij ten redder zijn.


 

3. Wat die vrouw vindt

De toekomst van de christelijke Kerk ziet er niet rooskleurig uit. Hoe dichter de dag van Christus nabijkomt, hoe moeilijker de Kerk het zal krijgen in deze wereld. Dat heeft de Heere Jezus al voorzegd toen Hij op aarde wandelde: Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn (Luk. 14:26). Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, dien zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is (Matth. 10:33).

Satan weet dat hij een kleine tijd heeft en hij zal niets nalaten om degenen die tot de Kerk behoren, te verleiden en te misleiden als een brullende leeuw of als een engel des lichts. Hij weet dat hij een kleine tijd heeft. Het zal er niet eenvoudiger op worden voor hen die wensen de geboden te bewaren en die het getuigenis van Jezus Christus hebben om daarnaar hun geloof en leven in te richten. Zij hebben door genade met Mozes gekozen: Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben (Hebr. 11:25). Hij zal hun de twee vleugels van geloof en gebed geven om ze te gebruiken in de woestijn van dit leven. Zo worden ze gevoed buiten het gezicht van de slang. De vleugels van geloof en gebed zijn een geschenk van God. Nee, de satan zal uiteindelijk de overwinning niet behalen. De Heere zorgt er ondanks alle bestrijdingen voor dat degenen die tot de goede keus mochten komen het getuigenis van Jezus Christus bewaren. Satan zal het verliezen en God zal de overwinning geven aan allen die

….. naar Zijn reine leer,
In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen;
Die Sions Vorst erkennen voor hun Heer’!
Welzalig zij die vast op Hem betrouwen!

 

Gods kinderen zullen gevoed worden door Zijn trouw. Ze zullen alles ontvangen wat ze nodig hebben voor lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid. Wat is dat een diepe troost voor Gods strijdende Kerk, strijdend met satan, wereld en eigen vlees! Om de goede strijd te strijden staat u een sterke Held terzijde. Het is de Heere Christus, de Zebaoth.

 

De HEER’ is zo getrouw, als sterk;

Hij zal Zijn werk

Voor mij volenden,

Verlaat niet wat Uw hand begon,

O Levensbron,

     Wil bijstand zenden.

 

Alleen…, wees veel bezig met het gebruikmaken van de vleugels om te vluchten tot de troon der genade. U moet veel op de plaats zijn van waaruit de Heere de Zijnen wil en zal voeden. Hoe meer u gebruikmaakt van de vleugels, hoe meer voedsel u zult ontvangen. Voedsel is nodig om staande te blijven in de strijd, om de listen en aanvechtingen van de satan te boven te komen. Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal (1 Thess. 5:24), namelijk Zijn kracht in zwakheid volbrengen. Zo zal het leven zijn van allen die hopend op Hem wachten.

 

Zeg eens, vrienden, wat is het kenmerk van het zaad van de Kerk, van hen die zullen delen in Gods heil? Die Zijn geboden bewaren en het getuigenis van Jezus Christus hebben. We zijn vandaag bijeen om te smeken om voeding voor lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid. Is het allemaal plicht en gewoonte? Of is het uit behoefte, uit begeerte? Dan kan er niemand buiten het toevlucht nemen tot de levende God, door geloof en gebed, door gebed en geloof. Hoe staat het met het gebruiken van de middelen der genade in ons privéleven? En in ons openbare leven?

 

De HEER’ betoont Zijn welbehagen

Aan hen, die need'rig naar Hem vragen,

Hem vrezen, Zijne hulp verbeiden,

En door Zijn hand zich laten leiden;

 

De vrouw en haar Zaad, ze worden gevoed door middel van het gebruikmaken van de vleugels. Buiten het gezicht der slang.

 

Welzalig hij, die al zijn kracht

            En hulp alleen van U verwacht.

 

In alle dingen van dit leven en het toekomende leven.

 

Steekt hen de hete middagzon

In 't moerbeidal, Gij zijt hun bron,

En stort op hen een milden regen,

Een regen, die hen overdekt,

            Verkwikt, en hun tot zegen strekt.

 

Dat zal hun levensopenbaring zijn: Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen (Jes. 40:31).

Ze zullen opvaren gelijk de arenden. Zie je wel, daar heb je hetzelfde beeld weer in Jesaja 40: Zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden (Jes. 40:31).

En als dat gebeuren mag, wordt alles beneden steeds kleiner. Hoe hoger je komt, hoe hoger je mag opklimmen, hoe kleiner de wereld wordt en alles wat van deze wereld is.

Zijn onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen, die Zijn geboden bewaren en het getuigenis van Jezus Christus.

Zijn gerechtigheid zal hen naar Zijn Woord verhogen. Wat een troost in de bange wereld waarin we leven! Voor hen die hopend op Hem wachten.

 

Maar als onze godsdienst niet meer is dan plicht, vorm, sleur en traditie? En als dat zo blijft? Nee, dan zullen we niet delen in het voedsel dat de Heere bereid heeft voor, maar ook geven zál aan hen die nederig naar Hem vragen.

Mist u die vleugels nog? Ze zijn nog te krijgen, ze zijn nog beschikbaar. Hij kan ze nog laten groeien en uitgroeien tot machtige adelaarsvleugels. Hij wil dat we Hem daar om vragen. Daarom:

 

Vraagt naar den HEER en Zijne sterkte,

Naar Hem, die al uw heil bewerkte;

Zoekt dagelijks Zijn aangezicht,

Gedenkt aan 't geen Hij heeft verricht,

Aan Zijn doorluchte wonderdaân;

     En wilt Zijn straffen gadeslaan.

 

Indien iemand oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeente zegt (Openb. 2:7).

Amen.

 

De slotzang is Psalm 105: 24:

 

Die gunst heeft God Zijn volk bewezen,
Opdat het altoos Hem zou vrezen,
Zijn wet betrachten, en voortaan
Volstandig op Zijn wegen gaan.
Men roem' dan d' Oppermajesteit
Om zoveel gunst, in eeuwigheid.