Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 7

Het ware geloof

Inlijving en aanneming
Kennis en vertrouwen
Belofte en belijdenis
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

We hopen de complete Catechismusverklaring wekelijks opeenvolgend te publiceren.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 1
Lezen : Romeinen 10: 1-17
Zingen : Psalm 27: 3 en 7
Zingen : Psalm 119: 25
Zingen : Psalm 64: 10

Gemeente, in deze leerdienst is Zondag 7 uit de Catechismus aan de beurt.

 

Vraag 20: Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden?

Antwoord: Neen zij, maar alleen degenen die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen.

Vraag 21: Wat is een waar geloof?

Antwoord: Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik  alles voor waarachtig houd wat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wil.

Vraag 22: Wat is dan een Christen nodig te geloven?

Antwoord: Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, hetwelk ons de Artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof in een hoofdsom leren.

Vraag 23: Hoe luiden die Artikelen?

Antwoord:

1. Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

2. En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onzen Heere;

3. Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria;

4. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle;

5. ten derden dage wederom opgestaan van de doden;

6. opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders;

7. vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.

8. Ik geloof in den Heiligen Geest.

9. Ik geloof een heilige, algemene Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen;

10. vergeving der zonden;

11. wederopstanding des vleses;

12. en een eeuwig leven.

 

Het gaat in deze Zondag, gemeente, over

Het ware geloof

 

Drie gedachten vragen onze aandacht:

1. Inlijving en aanneming

2. Kennis en vertrouwen

3. Belofte en belijdenis

 

Gemeente, het gaat over het ware geloof. Ja, dat is een uitermate belangrijke zaak. De vraag is natuurlijk niet hoe we dat dogmatisch uiteen moeten zetten, maar of wij dat ware geloof deelachtig zijn.

Zijn wij, u en jullie, jongelui, ware gelovigen? Er wordt ons in deze Zondag genoeg aangereikt om op onszelf toe te passen. Als u straks naar huis gaat, hoop ik echt, dat het voor u duidelijk is of u een ware gelovige bent of niet.

De Heere Jezus heeft alles verdiend en aan Zijn verdienste krijgen we alleen maar deel door het geloof.

 

Zijn er ook weinigen, die zalig worden? Nee, de Bijbel zegt: Het is een grote schare, die niemand tellen kan. Maar, en met die vraag zet onze Catechismus Zondag 7 in:

Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden?

 

Worden dan alle mensen zalig?

Sommigen zeggen: ‘Ja, alle mensen worden zalig.’ Dat is de leer van de alverzoening. Alle mensen liggen in Adam verdoemd en Christus is voor allen Borg geworden, dus worden ze allemaal zalig. Ze geloven niet dat er een hel is.

Worden dan alle mensen zalig?

Anderen zeggen: ‘Jawel, tenzij ze het niet willen.’ Dat is de leer van de algemene verzoening. Christus heeft voor ieder mens, hoofd voor hoofd, de zaligheid aangebracht. Maar ja, als ze het niet willen, dan blijven ze buiten staan. De leer van de algemene verzoening vergeet dat onze wil totaal verdorven is.

 

Worden dan alle mensen zalig?

De Catechismus zegt:

Neen zij, maar alleen degenen die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen.

 

Nee, niet alle mensen worden zalig. Gemeente, dat is een huiveringwekkende gedachte. Stel u zich eens voor. We zitten hier allemaal in de kerk te luisteren naar Gods Woord. We zijn onder het gehoor van de prediking en nu staat er: ‘Niet allen worden zalig.’ Dat is toch ontstellend? Er loopt een scheidslijn dwars door het menselijk geslacht, zegt de Catechismus. En de Catechismus heeft dat van geen vreemde, want ze spreekt altijd de Bijbel na. De Heere Jezus zegt het zo: ‘Er zullen er twee op één bed zijn: de één zal aangenomen en de ander zal verlaten worden.’

Twee zullen op de akker zijn - twee collega’s - de een zal aangenomen en de ander zal verlaten worden. Er zullen er twee in een huis zijn, moeder en dochter - ik noem maar wat - de één zal aangenomen en de ander zal verlaten worden.

Dat zegt de Heere Jezus. Is dat niet huiveringwekkend?

Daar kun je toch niet gerust mee doorleven? We kunnen in dit leven al zeker weten of we horen bij diegenen, die aangenomen worden of bij hen, die verlaten worden. Daar moeten we ons dus rekenschap van geven.

 

1. Inlijving en aanneming

 

Wat is nodig om zalig te worden? Hebt u daar belang bij? Kinderen, willen jullie graag zalig worden? Jongelui, denk je daar weleens aan? Wat is er dan nodig? De Catechismus - en dat is best een beetje moeilijke taal - zegt: ‘De inlijving in Christus.’

Hoe weet ik dat, of ik ingelijfd ben in Christus? Wel, dat weet ik uit het vervolg, zegt de Catechismus, dat blijkt uit het aannemen van Zijn weldaden. En dat is door het geloof. Daar gaat het hier in Zondag 7 over. Door het ware geloof worden we Christus ingelijfd en door datzelfde geloof mogen we de weldaden van Christus aannemen.

 

U weet nog wel, in de vorige Zondagen hoorden we over de verlossing, over het middel tot verlossing, over de betaling en over de Middelaar, onze Heere Jezus Christus. Hij is ons door God geschonken in de belofte van het Woord en Hij is geopenbaard in het heilig Evangelie.

Maar, we hebben ook gehoord, dat die wetenschap niet voldoen de is. We moeten deel aan de Middelaar krijgen. Hoe? Door het geloof, zegt Zondag 7.

 

Wat hebben we nodig om zalig te worden? Het ware geloof. Het is een belangrijke vraag. Bent u in Christus ingelijfd?

Hoe zit het bij u met het aannemen van Zijn weldaden? Als we Christus zijn ingelijfd, dan blijkt dat uit het aannemen van Zijn weldaden. Inlijving en aanneming zijn twee kanten van één-en-dezelfde medaille, namelijk het geloof.

 

Over de uitleg van dit gedeelte in de Catechismus is nogal wat misverstand. Velen leggen hier niet de nadruk op het geloof, maar op de levendmaking of wedergeboorte. Daar staat het geloof niet los van, maar het is niet de bedoeling van de Catechismus om hier te leren dat een zondaar zonder zijn weten passief wordt ingelijfd in Christus als het ‘nieuwe leven’ wordt ingestort. In dat geval zou je er zelf niets vanaf weten als je in Christus wordt ingelijfd.

Dat leert de Bijbel nergens. De Reformatoren leren dat ook nergens. Zij hebben de inlijving in Christus altijd verbonden met de daad van het geloof. Laten we eens luisteren naar wat Ursinus, de opsteller van de Catechismus in zijn verklaring schrijft bij de uitleg van dit zinnetje:

die Hem door een oprecht geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen.

Hij zegt:

dat zijn degenen, die het Evangelie geloven en door een oprecht geloof zich de verdienste van Christus toe-eigenen.

Hij bedoelt hier dus niet een onbewuste inlijving, maar heel duidelijk de geloofsdaad, de geloofswerkelijkheid. Het gaat hier over de levende plant van het ware geloof.

 

Houdt dat beeld van die plant nog even vast. Hoe komt die plant van het geloof daar? Er is een zaadje gevallen, het zaad van het Woord. ‘Het zaad van de wedergeboorte’ noemt de Bijbel dat. Het is gevallen in de akker van het hart. We hebben dat gelezen in Romeinen 10: Het geloof is uit het gehoor.

Daarom zitten we hier. Om tot geloof te komen of om daarin versterkt te worden door het gehoor van het gepredikte Woord van God. De Heilige Geest bereidt de akker van het hart om het zaad te ontvangen, opdat het mag ontkiemen in een waar geloof. En door dat ware geloof, zo zegt de Catechismus, worden we Christus ingelijfd en nemen we Zijn weldaden aan. Inlijving en aanneming zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wie niet in Christus is ingelijfd, kan ook Zijn weldaden niet aannemen.

 

Gemeente, aan de inlijving in Christus gaat wat we zouden kunnen noemen de uitleiding uit Adam vooraf. De Catechismus zegt immers: ‘Allen zijn in Adam verdoemd.’ Zo worden we geboren, als kinderen van Adam. Van nature zijn we van zijn geslacht. Door deze vereniging met Adam liggen we, zegt de Bijbel, onder de vloek en de dood. We moeten afgesneden worden van Adam. Die gemeenschap met Adam, waarin we geboren zijn als kinderen des toorns, moet verbroken worden. We moeten Christus worden ingelijfd door een oprecht geloof.

Dat is geen mensenwerk, dat is het werk van God. Zijn machtige hand komt daaraan te pas. Hij werkt dat door een oprecht geloof.

‘Ingelijfd worden’ staat er. Ziet u het passieve? Dat doet God. En diezelfde afsnijdende hand, diezelfde uitlijvende hand van God is ook de inlijvende hand. Die brengt tot Christus, Die gekomen is om het verlorene te zoeken.

En wat gebeurt er dan? Wel, dat merkt je heel goed! Dat gaat niet aan je voorbij. Als een alles missende, verloren zondaar mag je dan houvast krijgen aan het verzoenend werk van Christus en aan Zijn gerechtigheid en genoegdoening.

 

Wat doet Gods hand? Gods hand schenkt het geloof, het ware geloof en daardoor komt de band, de vereniging met Christus. Daardoor komen we dus in nauwe gemeenschap met de Heere Jezus en met Zijn verdiensten. Om zalig te worden, om behouden te worden is een waar geloof nodig en de inlijving in Christus.

Neem dat woord eens even letterlijk, want zo is het bedoeld. Inlijven. Lijf, dat is lichaam. Het gaat dus om de inlichaming in Christus. Dat wijst op de innerlijke gemeenschap, die er is tussen Christus en de zondaar die gelooft. De zondaar wordt een lid van Christus’ lichaam. Christus is het kloppend hart. Zijn bloed stroomt naar de leden om ze te voeden. Zo vormen ze samen het lichaam van Christus, de gemeente.

Christus is het hoofd. We worden één met Hem. Nauw is de band van de gemeenschap, teer is de omgang met Hem en het is veilig in Zijn tegenwoordigheid.

 

Wij zijn met Hem één plant geworden in de gelijkmaking van Zijn dood, zegt Paulus, zo zullen wij het ook Zijn in de gelijkmaking van Zijn opstanding. Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.

Ingelijfd in Christus. ‘Ja’, zegt u, ‘maar hoe werkt dat dan? Hoe lang duurt dat uitgesneden worden uit Adam en dat ingelijfd worden in Christus?’ Dat is bij iedereen verschillend. Dogmatisch gezien, kun je zeggen: ‘Kijk, als we wederom geboren worden, komen we te liggen voor rekening van God.’

Maar nu hebben we het over het geloof. Hoe beleven wij dat?

Bij sommigen zal dat in één keer zijn, op één dag. Denk aan de Samaritaanse vrouw. Zij kende God niet en zij kende Christus niet. Ze leefde in de zonde. Het was een slechte vrouw. Maar door de ontmoeting met Christus verandert alles in haar leven. Ze wordt ontdekt aan zichzelf en ze ziet Christus als de Gezondene, de Messias. Ze wordt evangeliste in het dorpje Sichar. Alles op één dag. Dat kan. Vanuit de ontmoeting met de Heere Jezus Christus, tijdens een preek misschien of onder het lezen van Gods Woord, kan de Heere overkomen.

Maar, gemeente, het kan ook langer duren. Dat komt natuurlijk door ons tegenstribbelen. Wij geven ons zomaar niet gewonnen en de Heilige Geest gebruikt niet graag geweld. Hij wint in en neemt in. Dan duurt het wat langer.

Maar de uitkomst is eender, we worden in de gemeenschap gebracht met Christus door het geloof. Vergeet dat niet!

 

Een onbewust geloof bestaat niet. Ursinus zegt in zijn verklaring: ‘Wie gelooft, weet ook dat hij gelooft.’ Dat moet u maar eens goed vasthouden. Anders krijg je mensen, die getroost worden met iets waar ze niet mee getroost mogen zijn. Het geloof is dus de band, die met Christus verenigt. Tegelijkertijd is het de hand, die al Zijn weldaden aanneemt. Die twee zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden; het zijn twee kanten van één en hetzelfde geloof.

Ze worden gewerkt door de Heilige Geest. Door de Heilige Geest wordt de band met Christus gelegd. Door het Woord, want het geloof is uit het gehoor. De geloofsvereniging met Christus, de inlijving is door het Woord. En door de Heilige Geest wordt de hand naar Christus uitgestrekt om Zijn weldaden aan te nemen.

 

Als u hier zit en de Heere Jezus wordt verkondigd en alles wat Hij gedaan heeft, dan is het de Geest, Die de lege hand doet uitsteken naar Hem, om te zeggen: ‘Heere, geeft U het ook aan mij?’ De honger en dorst naar Hem, het verlangen om Hem te mogen kennen en Zijn eigendom te mogen zijn en vergeving van zonden te mogen ontvangen, dat is de lege hand, die uit gestrekt wordt naar Hem.

Zo is het geloof de band met Christus en de hand, die Zijn weldaden aanneemt.

 

Band en hand.

Inlijving en aanneming. Het eerste zegt iets over de Persoon van Christus, de band met Hem en het tweede zegt iets over Zijn werk, de weldaden die Hij verworven heeft en die we door het geloof mogen ontvangen. Maar houd dit vast: het zijn twee kanten van dezelfde zaak. Van Gods kant bekeken is het de inlijving, de schenking van het geloof. Van onze kant bekeken is het de aanneming, de oefening van het geloof.

En de Heere is niet karig met het uitdelen van Zijn weldaden. Integendeel! Hij deelt rijk en royaal uit. Hebt u dat nooit ontvangen en ervaren als u onder het Woord des geloofs zat? Hij deelt zo rijk uit, dat Hij Zichzelf uitdeelt, dat Hij Zichzelf laat zien, dat u houvast mag krijgen in wat Hij heeft gedaan.

Hij is een Zaligmaker, Die precies past bij arme en verloren zondaren. Weet u, daar gaat zo’n kracht van dat Woord van God uit, dat Hij onze hand openmaakt om Zijn weldaden aan te nemen.

De geloofsband opent als vanzelf de geloofshand. Als het gebeurt, waar Hij verzekert dat ik de Zijne ben, daar kan ik niet langer meer ontkennen dat Hij de mijne is, met alles wat Hij gedaan heeft, met al Zijn schatten en weldaden.

 

En nu de vraag, gemeente: Wat zit er in uw hand? En jullie, jongelui, wat doen jullie met je handen? Waar zijn we dagelijks mee bezig. Wat leeft er in onze gedachten? Waar gaat ons hart naar uit?

Hoe houdt u uw hand? Is het een gesloten hand, vol met alles wat van u is en wat op deze wereld is? Of hebt u een lege hand? Leeft u van het gekregene? Dat is een groot verschil. Een mens kan zoveel hebben, ook aan eigen gerechtigheid, dat hij de Heere Jezus niet nodig heeft, dat hij de enige Zaligmaker, door God geschonken, afwijst.

Doet u dat nog? Zit hier iemand, die de Heere Jezus nog steeds afwijst? Zitten er heel andere dingen in uw handen? Dan moet u de conclusie maar trekken. Dan hebt u ook geen band met Christus, want Hem en Zijn weldaden ontvangen we met lege, schuldige handen.

 

Dat is het geloof, de lege hand van de bedelaar. Op zich heeft die hand niets verdienstelijks, want we worden natuurlijk niet zalig omdat we een lege hand hebben, maar we worden zalig omdat daar zoveel rijkdom van Christus ingelegd wordt.

De lege hand van het geloof ontvangt Zijn gerechtigheid. ‘De hand is het instrument, dat ons in gemeenschap houdt met Zijn goederen,’ zegt Ursinus.

Bent u zo’n bedelaar? Bent u zo deze zondag begonnen?

Hebt u op je knieën gebeden:

‘Heere, het is Uw dag. Wat een wonder dat ik er nog mag zijn, dat er een gemeente is waar ik naartoe mag, dat er een Woord is dat verkondigd wordt! Heere, aanschouw mijn lege handen. Geef me een kruimel, Heere, van Uw genade. Een kruimel!’

 

Weet u, die Kananese vrouw was het daar ook om te doen. Zij kon de Heere Jezus niet missen. Zij ging met de nood van haar leven tot Hem. Ondanks de afwijzingen van de discipelen en van Jezus, houdt ze vol en houdt ze vast. Ze zegt: ‘Heere, ja, het is waar, ik ben een hond en die krijgen het brood van de kinderen niet. Maar, Heere, de kruimeltjes vallen toch ook onder de tafel en daar ben ik al tevreden mee.’ Ze had zo’n lege hand en een kruimeltje was genoeg.

 

Bent u zo naar de kerk gekomen? Hebt u gebeden voor de prediking:

‘Heere, geef dat er mild en overvloedig uitgedeeld mag worden. Kom met Uw Geest, want Die werkt en versterkt het geloof. Eén kruimel, Heere, van dat kinderbrood, van dat ware Brood des Levens, dat uit de hemel is neergedaald en mijn ziel mag weer ademhalen. Dan kan ik weer verder en dan is mijn honger gestild en mijn dorst gelest.’

 

Dat is geloof, gemeente. Want de Heere Jezus zei tegen die vrouw, toen ze zo aanhield: ’O vrouw, groot is uw geloof.’

Houd uw hand maar op! Hij deelt zo gul uit aan armen en berooiden.

Kent u iets van de gemeenschap met God? Kent u dat verlangen naar de Heere Jezus, de droefheid over uw zonden, de hartelijke belijdenis van uw schuld en de honger en dorst naar de gerechtigheid? Kent u het zien op de Heere Jezus? Leeft u dagelijks uit Hem in afhankelijkheid?

 

Ursinus noemt drie kenmerken van het ware geloof. Toets uzelf dan maar een keer. Neem de proef op de som.

In de eerste plaats noemt hij: ‘Een waarachtige en ongeveinsde begeerte om de aan ons aangeboden weldaden van Christus deelachtig te worden.’ Dan heb je het nog niet, net zomin als die Kananese vrouw. Zij had het nog niet, maar ze greep ernaar. Zij wilde het ontvangen, ze bedelde daarom: ‘Heere, alstublieft een kruimel.’

Is de Heere Jezus dierbaar voor je geworden, jongelui? Als ik over Christus spreek, gaat dan je hart open en zeg je: ‘O Heere, dat is nu mijn lust en mijn verlangen? Heere Jezus, mag ik Uw eigendom zijn?’

 

In de tweede plaats zegt Ursinus: ‘En ook de strijd van het geloof tegen de twijfel.’

Niet de twijfel zelf, dat is natuurlijk geen kenmerk van het geloof. Dat is een kenmerk van het ongeloof. Calvijn heeft eens gezegd: ‘Bij het vuur van het geloof zal altijd de rook van de twijfel zijn.’ Daar moet je tegen strijden en je niet bij neerleggen. Je mag zeggen, met de vader van de maanzieke knaap: ‘Ik geloof, Heere, maar kom mijn ongelovigheid te hulp’

 

Dan noemt Ursinus nog een derde kenmerk: ‘Een ernstig voornemen en ijver om God naar al Zijn geboden te gehoorzamen.’

Dat is dus de heiliging van het leven. Hebt u het verlangen om de Heere te dienen? Jongens en meisjes, zouden jullie graag de Heere willen dienen? Is dat de lust van uw hart, ouderen? Heere, daar strekt zich al mijn lust en liefde heen.

Mijn hart, o Hemelmajesteit,
Is tot Uw dienst en lof bereid.

Ik wil de zonde niet meer doen, ik vecht ertegen.

Het gaat om God, om een heilig leven voor de Heere.

 

Herkent u het? Kunt u die toets doorstaan? Kent u de begeerte om alles wat Christus heeft gedaan deelachtig te worden? Kent u die strijd tegen de twijfel en dat ernstige voornemen om heilig voor de Heere te leven? Ursinus zegt heel nuchter: ‘Nou, mensen, als je dat nu bij jezelf waarneemt, twijfel er dan niet langer aan of de Heere in je leven is begonnen.’

 

Maar het geloof moet wel opwassen, het moet gaan functioneren, het moet geoefend worden. Daarover gaat het in onze tweede gedachte.

 

2. Kennis en vertrouwen

 

Want, zo vraagt de Catechismus in vraag 21:

Wat is een waar geloof?

Het antwoord luidt:

Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voorwaarachtig houd, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus’ wil.

 

In deze vraag en dit antwoord wordt gewezen op de aard, het karakter, de wezenlijke eigenschappen van het geloof.

 

Geloven, hoe gaat dat? Wat is dat eigenlijk?

Een waar geloof, een oprecht geloof staat tegenover schijngeloof. Ursinus behandelt in zijn verklaring het historisch geloof, het tijdgeloof en het wondergeloof. Daarna komt hij tenslotte uit bij het rechtvaardigend geloof. Zo noemt hij dat. En dat rechtvaardigend geloof, zo zegt hij, is vooral een zaak van je hart. Dat heeft te maken met je verstand, je gevoel, je wil, je begeerten. Ja, de totale mens is daarbij betrokken.

Dit moeten we bedenken, ook bij de begrippen kennis en vertrouwen, dat daar heel de mens bij betrokken is. Dat is een eenheid. Het zijn niet twee zelfstandige grootheden, die los van elkaar te verkrijgen zijn. Het is niet enerzijds een verstandelijke kennis en anderzijds een hartelijk vertrouwen. U moet het niet zien als een soort optelsom van verstandelijke kennis en vertrouwen. Nee, het geloof is één. Het is geloofskennis en geloofsvertrouwen. Die kennis is een kennen in liefde.

 

Je ontmoet de Heere in Zijn Woord en je wordt daardoor aangesproken en getrokken. Je zoekt Hem telkens weer te ontmoeten. Je bent daar waar het Woord verkondigd wordt.

Die kennis wordt gewerkt door de Heilige Geest. ‘Hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt.’ Het is niet zo, dat de Heere zegt: ‘Nu moet je zelf maar voor die kennis zorgen en de Heilige Geest zorgt voor het vertrouwen.’ Nee, de Bijbel zegt: De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn.

 

Het is een eenheid. Het is geloofskennis en geloofsvertrouwen.

Het zijn ook hier weer twee kanten van één en dezelfde zaak. Het geloof kent en het geloof vertrouwt. Die eenheid van het kennend, vertrouwend geloof komt door het ene voorwerp van het geloof, waar het geloof zich op richt. Dat is de Bijbel. Dat is de God van de Bijbel. Dat is Christus. Dat is het Woord. Dat is de belofte van het Evangelie.

Geloofskennis is niet zomaar een brok verstandelijke kennis en geloofsvertrouwen is niet zomaar een oeverloze gevoelsstroom, maar ze is gericht op die kennis.

In orde gaat de kennis voorop en het vertrouwen volgt. U kunt iemand niet vertrouwen als u hem niet kent. Je moet hem eerst leren kennen, dan kun je hem pas vertrouwen. Als je niet weet wat je gelooft, hoe zou je je daar dan op kunnen verlaten? Zo mag je ook de Zaligmaker kennen en je op Hem verlaten.

 

Vertrouwt u Hem ook? Verlaat u zich op Hem, zoals Hij tot ons komt in het Evangelie? U begrijpt, die geloofskennis draagt een heel bevindelijk karakter. Die omvat heel ons wezen. De Heilige Geest betrekt ons daarbij. En die kennis richt zich op de openbaring van God in Zijn Woord. Dan houden we, zo zegt de Catechismus, alles voorwaarachtig wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard.

Doet u dat ook? ’Ja’, zegt u, ‘dat doe ik. Ik geloof alles wat er in de Bijbel staat, van kaft tot kaft. Van Adam tot en met Johannes op Patmos.’ Ja, maar dat wordt niet bedoeld. Want het is kennis en vertrouwen. Het is kennis in liefde, het is kennen, zodat je je erop verlaten kunt.

 

Het geloof heeft twee benen: kennis en vertrouwen. En met die twee benen staat het geloof vast op het fundament van Gods Woord.

Je moet alles voor waarachtig houden wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft.

Hoe kom ik daarbij? Guido de Brès zegt in zijn geloofsbelijdenis: ‘Doordat de Heilige Geest in mijn hart getuigt, dat dit Woord van God de waarheid is.’ U voelt wel, dat dit iets anders is dan geloven in de historiciteit van de feiten, die in de Bijbel beschreven zijn. Dat noemen we een historisch geloof. Dan gelooft u wel dat de Bijbel waar is, maar vertrouwt u niet op God. Dan mist u het ware vertrouwen en dus ook de kennis. Want het gaat niet om feitenkennis, maar om Godskennis. Het gaat om geloofskennis, om zelfkennis en om Christuskennis.

Het rechte geloof buigt voor de openbaring van God in Zijn Woord. Herkent u het? Als het Woord van de eeuwige God opengaat, komt u onder het beslag van dat Woord.

 

Kent u dat? Dan komt de heerlijkheid van God, de begeerlijkheid van Christus en de gewilligheid van de Geest om te werken in uw hart tot u, zodat u onder het Woord gaat buigen. Hoe groter God voor u wordt, hoe kleiner u wordt. Dan buigt u voor het Woord. Dan geloof je het, ook met betrekking tot jezelf. Je gaat alles voor waarachtig houden wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft. Je gaat het op jezelf toe passen.

Het gaat niet om een algemeen geloof, dat er een ‘eeuwig wel en wee’ is, dat er een hemelen en een hel is, dat de Heere Jezus eenmaal zal wederkomen en dat deze ontredderde wereld zal worden vernieuwd en dat alle tranen zullen worden gedroogd. Dat gelooft de duivel ook.

 

Nee, het gaat erom, dat Hij voor mij gestorven is aan het kruis en dat mijn zonden vergeven zijn, dat de Heere Jezus voor mij weder zal komen, dat ik eeuwig gelukkig zal zijn.

Dat getuigenis werkt de Geest in je hart, door de kracht van het Woord.

 

Gods Woord voor waarachtig houden in alles.

Gemeente, dat zeg ik niet voor niets. Wij houden vaak maar een deel van de Bijbel voor waar, namelijk dat deel dat buiten ons eigen leven staat. Maar zodra het onszelf raakt, dan haken we af. Dat is niet goed. Dat is het ware geloof niet. We moeten niet een bloemlezing maken van de Bijbel en die geloven. Nee, we moeten alles voor waarachtig houden. Wet en Evangelie, schuld en vrijspraak. Het gaat om beide kanten. In Zijn Woord openbaart de Heere, dat u en ik zondaar zijn en dat we voor Hem niet kunnen bestaan omdat we schuldig staan voor Zijn aangezicht. Wij bedoelen Hem niet, we leven voor onszelf. Dat ga je voor waar houden en zo kom je in de schuld. Dat is de ene kant.

 

Maar de andere kant is, dat Christus gekomen is om zondaren zalig te maken. En daar word ik bij ingesloten. Jezus heeft vergeving van zonden verworven door Zijn bloed. Jezus Christus reinigt van alle zonden. Dan mag je zeggen: ‘Ja, Heere, ook voor mij.’ Dat is het toe-eigenende geloof. Het geloof kent en vertrouwt, dwars door alle kritiek, dwars door alle verdachtmakingen heen. Want de Geest getuigt in mijn hart, dat het Woord van God waar is, ook voor mij.

Kijk, als die kennis gegrond was in onszelf, dan was er niets zeker. Maar het voorwerp van die zekere kennis ligt buiten mij in het Woord. De Geest van God hecht ons daaraan vast.

Ik zal u een voorbeeld geven. Een schip, dat in storm en nood verkeert, gooit het anker niet uit op eigen dek, maar in de vaste zeebodem. Dat doet nu ook het geloof. Dan hoeven we onszelf niet vast te houden, maar dan houdt God ons vast. We laten ons anker zinken in de vaste Rots van Christus’ kruisverdiensten. Dan wordt God op het hoogst verheerlijkt en de zondaar op het diepst vernederd en dan zegt het geloofsvertrouwen: ‘Heere, op U alleen vest ik het oog. Ik verlaat me op Uw Woord. Op Uw Woord heb ik gehoopt, laat mij niet beschaamd worden.’

 

Het oudtestamentische woord vertrouwen betekent: vastgehecht zijn aan. Het anker is vastgehecht aan de zeebodem. Het nieuwtestamentische woord vertrouwen betekent vanuit het Grieks ‘je verlaten op’. Je verlaten op God, op Zijn Woord, op Zijn belofte.

Gemeente, u voelt wel, dat hebben u en ik niet van onszelf. Daarom staat er, dat de Heilige Geest het door het Evangelie in ons hart werkt. Wij wantrouwen God eerder dan dat we Hem vertrouwen. Het wonderlijke van de genade Gods is, dat Hij, onder de verkondiging van het Evangelie, dat vertrouwen wil werken in ons hart. Dat is het lievelingswerk van de Heilige Geest.

 

De Catechismus noemt drie dingen waar we ons op verlaten mogen. Dat zijn: de vergeving der zonden, die Hij verwierf, de eeuwige gerechtigheid, die Hij aanbracht en de zaligheid, die daar het gevolg van is.

Dat is toch wel opmerkelijk, dat de Catechismus direct komt aandragen met de meest wezenlijke punten van het christelijk geloof. Het geloof is dus nooit los te zien van de rechtvaardiging. Daarom noemt Ursinus het ook het rechtvaardigend geloof. Dat is een waar geloof. Dat is niet bedoeld om de kleinmoedigen in het geloof te ontmoedigen, maar juist om u op te wekken en u heen te drijven naar de Heere Jezus. Want wie zonden heeft, kan bij Hem terecht. O, twijfel maar niet aan Zijn gewilligheid, aan Zijn gerechtigheid, aan Zijn algenoegzaamheid, aan Zijn betrouwbaarheid.

Hij is zo betrouwbaar! We mogen de hand op het Lam leggen om met God verzoend te worden. Kijk, dan is het de Geest, Die in ons hart dat vertrouwen werkt, dat het niet alleen voor anderen is. Ik word erbij ingesloten. Ik word zo overweldigd door de kracht en de overmacht van de Geest, dat ik mag zeggen: ‘Ja, Heere, ik dank u, het is ook voor mij.’

 

Daar hebt u de bevindelijke kant van het geloof, de toe-eigening van het geloof. Ook voor mij! Daar spoort de Geest toe aan en dat werkt de Geest in het hart.

Kent u die overredende kracht? U durfde niet, ziende op uzelf. U bent zo’n grote zondaar en God is zo heilig en zo heerlijk en toch... U kon niet anders meer, de Geest trok u over de drempel heen onder de prediking, onder het lezen van Gods Woord. Als een zondaar, die alles verbeurd en verzondigd heeft, mag u uit loutere genade, om de verdienste van Christus’ wil, dat grote geschenk van God aannemen.

U kon het geschenk niet langer weigeren, u kon er niet meer tegenop. God gaf het u. Alleen de aanbidding bleef over: ‘Heere, ik dank U. Is dat nu voor mij? Heere, wat is dat groot! Ik kan het niet op. Voor mij, Heere?’

 

Alle weerstand in ons hart wordt overwonnen, alle ongeloof wordt uitgebannen en onze zondaarsplunje is geen verhindering meer om tot God te gaan. We doen juist wat past bij die bedelaarslompen: we strekken de lege handen uit naar dit genadegeschenk van God. U ontving vergeving, gerechtigheid, vrede. En toen kwam dat vertrouwen: ook voor mij. Daar mogen we van zingen en in roemen omdat we het uit Gods eigen Woord hebben gehoord.

 

Voordat we onze derde gedachte behandelen, zingen we eerst uit
Psalm 119:25

 

’k Zal Uw geboôn, die ik oprecht bemin,

Mijn hoogst vermaak, mijn zielsgenoegen achten;

Ik reken die mijn allergrootst gewin;

Ik grijp ernaar, en zal er heil uit wachten;

Ik heb ze lief, en zal met hart en zin,

Al ’t geen Gij ooit hebt ingezet, betrachten.

 

3. Belofte en belijdenis

 

De derde gedachte was: Belofte en belijdenis, naar aanleiding van vraag 22 en 23.

Wat is een christen nodig te geloven?

Het antwoord is:

Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, hetwelk ons de Artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof in een hoofdsom leren.

 

Wat is een christen nodig te geloven?

Dat is een beslissende vraag, want er zijn nogal wat mensen in de wereld die geloven. Ik geloof wel dat er iets is, een opperwezen, de voorzienigheid, iemand die alles bestuurt. Maar de moslims geloven ook. Zij geloven in Allah.

En daarom staat er: ‘Wat is een christen nodig te geloven?’ Er staat niet: Wat vindt u ervan? Wat wilt u graag? of Wat denkt u, dat er nodig zal zijn? Nee, wat is een christen nodig?

En dan antwoordt de onderwijzer: ‘Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt.’ Je zou ook kunnen zeggen: heel de Bijbel. Niet een deel, maar geheel het Woord.

Lees ook niet over deze woorden heen: ons beloofd. Ons. U, jou, mij. Beloofd. Er staat niet: geleerd. Op zich is dat ook waar, maar het Evangelie is ten diepste een belofte.

Zo noemen de Dordtse Leerregels het Evangelie: ‘Voorts is de belofte van het Evangelie, dat een ieder, die in de gekruiste Christus gelooft, zalig zal worden.’

 

Het Evangelie is geen optelsom van allerlei losse beloften, maar heel het Evangelie is belofte. De Reformatoren hebben ons geleerd, dat ons geloven volstrekt is aangewezen op Gods beloften.

Wat betekent dat? Dat betekent twee dingen. In de eerste plaats: de Heere belooft het, Hij zegt het toe, Hij schenkt het, het komt bij Hem vandaan. In de tweede plaats zit daar nog een eschatologische spits in. Het is beloofd, maar nog niet vervuld. Er is nog veel verhuld. Het is nog toekomst.

We mogen het weten door het geloof, maar we aanschouwen het nog niet met onze zintuigen. De Geest is wel geschonken als de eersteling en het onderpand van de erfenis, maar de werkelijke vervulling van alles wat God ons toegezegd heeft, staat nog uit. De laatste onthulling van het Koninkrijk Gods is nog toekomst. Het is nog niet geopenbaard wat we zijn zullen. We zien nu nog als in een spiegel, maar we zullen het krijgen en daarom houden we deze onwankelbare belijdenis vast.

We kennen de drie-enige God nu nog niet van aangezicht tot aangezicht, maar Hij is nog gewikkeld in het kleed van Zijn belofte, in het gewaad van het Evangelie.

 

U weet, er wordt nogal eens gesproken over het krijgen van een belofte. Wat is dat eigenlijk? Dat betekent, dat, onder bepaalde omstandigheden in mijn leven, een bepaald gedeelte, een woord, een belofte uit de Bijbel door de Heilige Geest onder mijn aandacht wordt gebracht en mij troost.

Het is werkelijkheid. Als ik verlang naar de wederkomst van Christus en ik lees of hoor: ‘Zie Hem, Hij komt, springend op de bergen, huppelende op de heuvelen’, dat kan dat mijn ziel vervullen met dank, troost en geloof. Dat is het werk van God.

Alleen, nu moeten we oppassen. Is het noodzakelijk om een belofte te krijgen van God voor de zaligheid? Nee! Want wij worden niet zalig op grond van een belofte, die we van de Heere gekregen hebben. We worden alleen maar zalig als we door een waar geloof de belofte van het Evangelie aannemen.

 

Al wat ons in het Evangelie geopenbaard is, staat er in de Catechismus. Het is niet maar één belofte, maar dat is de totaliteit van het heil van God in Christus. Daarom moet u er nooit naar staan om beloften te krijgen, maar we moeten ernaar staan om de belofte van het Evangelie des te beter te kunnen verstaan en des te vaster te mogen geloven. Het gaat om de kracht van het Woord. Het gaat om het toepassende werk, het indachtig-makende werk van de Geest. Dan pakken wij niet de belofte, maar de belofte pakt ons en neemt ons in beslag. Zo, dat we er niet meer onderuit kunnen. Dat we met ontroering worden vervuld en met verwondering vragen: ‘Heere, is dat echt waar? Zegt U dat tegen mij? O, dank U, Heere.’

             

Dat indachtig-makende werk is heel verscheiden. Iemand kan ons erop wijzen, iemand kan een briefje sturen of een kaart met een bemoedigend woord erop. Je kunt het horen in de kerk, je kunt het thuis lezen. Dat is niet zo belangrijk. Belangrijk is, dat het verbonden is met de Belover, met God en met Zijn Woord.

In Zijn Woord komt Hij ons nabij, telkens weer. We hebben dat gelezen in Romeinen 10: Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij u prediken: namelijk, indien gij met de mond zult belijden de Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.

Kijk, daar hebt u het verband tussen belofte en belijdenis. De belofte van God, het Evangelie, wil beleden worden.

 

Dat heeft de kerk ook gedaan. Zij heeft de leer van het Evangelie samengevat in een belijdenis. Belijdenissen worden niet gemaakt, maar geboren in strijdsituaties, als het erop aan komt, als op de leer wordt afgedongen. Denk maar aan Nicea, in het jaar 325, toen Arius de Godheid van Christus loochende. Denk maar aan Athanasius, in het jaar 333, toen het ging om de twee naturen van Christus.

De oudste belijdenis is de Apostolische Geloofsbelijdenis, waarschijnlijk stammend uit de tweede eeuw. Oorspronkelijk was dit een doopbelijdenis. De catechumenen moesten deze belijdenis kennen en opzeggen voordat ze gedoopt werden. Inhoudelijk ging het over het werk van de drie-enige God: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Deze belijdenis is uitgegroeid tot wat we nu hebben in de Twaalf Artikelen van het algemeen ongetwijfeld Christelijk geloof.

 

Deze belijdenis is algemeen, of katholiek. De gereformeerden, de luthersen, de roomsen, de baptisten, allen zetten ze hun handtekening onder de Apostolische Geloofsbelijdenis.

Deze belijdenis is ongetwijfeld en heeft volkomen zekerheid onder ons. Niemand hoeft het te betwijfelen, ook niet in deze tijd waarin zoveel onzekerheden op ons afkomen.

 

Deze belijdenis is christelijk, want Christus staat in het middelpunt van deze belijdenis. Kijk maar, de meeste artikelen gaan over de Heere Jezus.

Gemeente, deze samenvatting van het Evangelie is de kern van ons geloof.

U moet voor uzelf maar uitmaken hoe het is. Jongelui, ouderen, is de Apostolische Geloofsbelijdenis echt de inhoud van uw geloof, van jouw geloof? Is je leven met de Heere daar nu precies in samengevat?

De Heere zegt het ons iedere zondag voor, opdat wij het Hem in het geloof na zullen spreken en er ‘amen’ op zullen zeggen.

Ik geloof in God, de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde. Hij is de bron van mijn zaligheid. Het Evangelie kwam uit Zijn hand en deze Schepper van hemel en aarde is mijn Vader.

Ik geloof in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere. Om deze Zoon des Vaders mogen verloren zonen thuiskomen en tot kinderen worden aangenomen.

 

’Ach’, zegt iemand, ‘maar ik ben in ongerechtigheid geboren.’

Let dan eens op het derde artikel: ‘Ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria.’ Hij is het, Die met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonden, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.

 

‘Maar ik heb de dood verdiend en ik ben de vloekwaardig.’ zo zegt u. Luister dan naar die heerlijke samenvatting van de belofte van het Evangelie: ‘Christus heeft geleden onder Pontius Pilatus, Hij is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle.’ De vervloeking, die op u lag, heeft Hij op Zich geladen. Het kostte Hem de dood. O, dierbare Christus!

In het kruis zal ‘k eeuwig roemen!

En geen wet zal mij verdoemen;

Christus droeg de vloek voor mij!

 

‘Maar, ik zie niet door de dood heen.’

Luister: ‘Ten derde dage is Hij weder opgestaan van de doden.’

 

En voor wie zichzelf aards uit de aarde weet: ‘Hij is opgevaren ten hemel en Hij zit ter rechterhand Gods, des almachtigen Vaders.’ Hij heeft Zijn Kerk al meegenomen in Zijn hemelvaart en zij zal zeker zijn waar Hij is.

 

Bent u bevreesd voor het oordeel dat God straks zal vellen? Zeg het dan maar na: ‘Vanwaar Hij zal wederkomen om te oordelen de levenden en de doden.’ Hij is Dezelfde, Die Zich voor u in het gericht van God gesteld heeft.

 

En voor u, in de strijd tegen uw onheilige vlees, is hier het achtste artikel: ‘Ik geloof in de Heilige Geest, tot troost en tot heiligmaking.’

En voor wie eenzaam en verschoven is: ‘Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen.’ Dat merk je soms in de kerk, onder het Woord en aan het Avondmaal en ook door de week.

 

Wie gebogen gaat onder de drukkende last van zonde en schuld, mag het naspellen op grond van Jezus’ dierbaar borgbloed: ‘Ik geloof in de vergeving der zonden.’

 

Maar de gedachte aan het graf kan mij zo benauwen. Hoor! Daar is de redding al: ‘Ik geloof de wederopstanding des vleses.’

 

En als u zeggen moet: ‘Ja, maar de gebrokenheid en de ontluistering van dit aardse bestaan beklemmen mij zo’, dan is daar het twaalfde artikel nog: ‘Ik geloof het eeuwige leven.’

 

Zegt u ‘amen’ op deze belijdenis?

 

Gemeente, dit is de waarachtige en volkomen leer der zaligheid. Hierin is alles samengevat wat het Evangelie belooft.

Wie dit Evangelie met de mond belijdt en met het hart gelooft, zal zeker zalig worden.

 

Amen.