Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 5

Verlossing door recht

Die verlossing is er in overeenstemming met Gods eisende gerechtigheid
Die verlossing is er met uitsluiting van onze eigen gerechtigheid
Die verlossing is er alleen door Christus' borggerechtigheid

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 18
Lezen : Jesaja 43: 1 - 12
Zingen : Psalm 32: 4, 5 en 6
Zingen : Psalm 143: 2 en 11
Zingen : Psalm 130: 4

Gemeente, we gaan verder met het onderwijs uit onze Heidelbergse Catechismus. Vandaag begint het stuk ‘Van des mensen verlossing’ in Zondag 5.

 

We lezen deze Zondag samen.

 

Vraag 12: Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?

Antwoord: God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan haar, óf door onszelven, óf door een ander, volkomenlijk betalen.

Vraag 13: Maar kunnen wij door onszelven betalen?

Antwoord: In generlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder.

Vraag 14: Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden dat voor ons betale?

Antwoord: Neen; want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen die de mens gemaakt heeft; ten andere zo kan ook geen bloot schepsel den last van den eeuwigen toorn Gods tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen.

Vraag 15: Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken?

Antwoord: Zulk een, Die een waarachtig en rechtvaardig mens is, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, Die ook tegelijk waarachtig God is.

 

Gemeente, het gaat in deze Zondag over

Verlossing door recht

 

Drie gedachten, aan de hand van de drie vragen en antwoorden, vragen onze aandacht:

 

1. Die verlossing is er in overeenstemming met Gods eisende gerechtigheid

2. Die verlossing is er met uitsluiting van onze eigen gerechtigheid

3. Die verlossing is er alleen door Christus’ borggerechtigheid

 

Gemeente, ik denk dat u allen weleens een zonsopgang hebt gezien. U weet hoe dat gaat. Niet ineens, niet plotseling, maar langzamerhand. Vooral in de bergen is een zonsopgang schitterend. Als de nacht nog heerst in het donkere dal aan de ene kant, is de eerste morgenschemering aan de andere kant van de berg reeds begonnen. Nog even en de eerste stralen van de opkomende zon worden zichtbaar.

Dit beeld moet u vasthouden als het gaat over Zondag 5. Het gaat over de verlossing. Zoals de zon langzaam opkomt, zo zie je eigenlijk ook in Zondag 5 de Zon der gerechtigheid langzaam opkomen.

Eerst gaat de deur der hoop op een kleine kier. De mogelijkheid van zalig worden komt ter sprake: ‘Is er nog een middel om de straf te ontgaan?’ Alle zelfverlossingspogingen worden van de hand gewezen. Er moet betaald worden, maar zelf kunnen we dat niet.

Tenslotte wordt er over een Middelaar en Verlosser gesproken, Die ons helpen kan en wil, maar nog is Zijn Naam omfloerst met een waas, althans hier in Zondag 5. Nog staat de zon niet helemaal in volle luister aan de hemel. Dat zien we pas in Zondag 6, waar de Naam van onze Heere Jezus Christus voluit wordt genoemd.

 

Misschien zit u te denken: ‘Hoe kan dat nu? We hebben toch al eerder gezien, dat de Naam van de Heere Jezus, als de enige Verlosser en Zaligmaker, met grote letters het opschrift vormt van heel de Catechismus en van iedere Zondag?’ Zondag 1 staat toch immers als opschrift boven alle andere Zondagen? Jazeker, dat is waar, maar de bedoeling van Zondag 5 is om ons te leren, dat het geen kille conclusie is. Zo van: ‘God is Liefde, Jezus bracht de verlossing aan, dus zijn wij van de straf van de zonde bevrijd door Hem. Waar maken we ons dan eigenlijk nog druk over?’ Zo niet! Nee, het geloof is geen koele constatering maar een worsteling.

Het is een worsteling, die begint met de vraag: ‘Hoe word ik verzoend met God?’ Die worsteling gaat door met de vraag: ‘Hoe leef ik heilig voor God?’ Daarom bewandelt de Catechismus deze weg in Zondag 5. De Catechismus wil ons laten zien, dat God niet anders kon en niet anders wilde, opdat de verlossing waarover het hier gaat, voor ons niet een vanzelfsprekende zaak zou zijn, maar een ongedacht wonder.

 

Zondag 5 neemt ons mee in de praktijk van de geloofservaring op weg naar de verlossing. Om zo langzaam, maar zeker, ons iets te laten ontdekken van het grote wonder van de verlossing. Misschien vraagt u zich af: ‘Waarom wordt nu niet eerst de Naam van de Heere Jezus genoemd. Waarom zo’n omweg? Als je deze hele Zondag leest, kom je uiteindelijk toch bij Hem uit?’ Gemeente, dan antwoord ik u, dat dit van de Catechismus niet een omweg is, maar een toegangsweg, een toeleidende weg. De Heere wil ons zo iets van het ondoorgrondelijke geheim van de verlossing verklaren. Als dan straks de Naam van de Middelaar valt, dan valt Hij als een compleet reddingswonder in onze doodsnood.

De Naam van de Verlosser krijgt zijn waarde tegenover de zwarte achtergrond van onze verlorenheid. Daar schittert Hij het meest, daar is de Heilige Geest in Zijn element, daar verheerlijkt Hij Hem. Daar gaan ook harten branden van verlangen om Hem te mogen kennen. Geef me Jezus of ik sterf! Vandaar die omtrekkende beweging, laten we het zo maar noemen, in al die vragen en antwoorden van Zondag 5, als een soort toegangsweg tot Jezus.

 

U ziet, dat de Catechismus hier geen theorieles geeft. Nee, het gaat over de praktijk van het genadeleven. Het gaat hier om de worsteling van een zondaar om verlossing. Maar dan wel met behoud van Gods gerechtigheid en Zijn deugden. We beluisteren hier de schreeuw om de straf te ontgaan.

De verlossing, zoals die hier beschreven wordt, is een proces, wat betreft onze beleving, onze ervaring. De Catechismus wil ons op deze manier brengen aan de voeten van de Heere Jezus, om in Hem de verlossing te mogen vinden. Wat de ervaring betreft, kunnen we zeggen, dat het Gods gewone weg is om niet alles op één dag, niet in één keer te leren.

Het gaat meestal langzamerhand, als een zonsopgang in de vroege morgen. Ulieden daarentegen die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan. Het wonderlijke is, dat in Maleachi 4, waar deze tekst staat, niet gesproken wordt over de Zon des heils of over de Zon der genade, maar over de Zon der gerechtigheid. Dat wil zeggen: er is heil, er is genade, maar alleen in een rechte weg, door gerechtigheid. Niet genade in plaats van recht, maar genade door recht. Sion zal door recht verlost worden.

 

Daarover gaat het in Zondag 5. Dat is het thema: ‘Verlossing door recht’. Er is verlossing! Gelukkig, Gode zij dank, dat Hij daar Zelf voor gezorgd heeft. Maar het gaat in een rechte weg. Dat wil de Catechismus ons leren.

Nee, onze zaak is niet hopeloos. Niemand hoeft te wanhopen of hij nog met God verzoend kan worden. Er is uitzicht voor mensen, die aan dat recht van God niet kunnen voldoen.

In Zondag 2 hoorden we over de kennis van de zonde. In Zondag 3 ging het over de oorsprong van de zonde. In Zondag 4 over de straf op de zonde. En in Zondag 5 gaat het over de betaling van de zonde. Ziet u, dat er een duidelijke lijn loopt? In die weg is er verlossing. Er is verlossing, maar niet goedkoop! Dat wordt ons vandaag onderwezen. Zo komt in Zondag 5 het morgenrood van de verlossing boven het donkere dal van onze schuld en ellende uit. Over de schaduwen des doods, die ons omringen vanwege onze zondeval, gaat de Zon der gerechtigheid op in deze vijfde Zondag.

Er zal verlossing komen;

Zijn goedheid is zeer groot.

 

God is zo goed en zo genadig, dat Hij Zijn eigen geliefde Zoon gegeven heeft. Zondag 1 heeft ons dat duidelijk geleerd en Zondag 5 leert ons wat het God heeft gekost. Er ís verlossing! Waaruit? O, dat is nu niet moeilijk meer om te beantwoorden. Hij verlost ons uit de gevangenis van onze zonde, uit onze schuld, uit onze verlorenheid, uit onze ellende. Hij verlost van de zonde, van de straf op de zonde, van de dood en de eeuwige toorn van God. Hij verlost van tijdelijke en eeuwige straffen, van de macht en de schuld van de zonde.

In het stuk van de verlossing gaat het ten diepste over de vergeving van de zonde en het herstel van de verbroken gemeenschap met God.

We herinneren ons nog wel uit Zondag 1, dat de enige troost in leven en sterven bestaat in drie stukken: Hoe groot mijn zonde en ellende is, hoe ik daarvan verlost kan worden en hoe ik God voor zo’n verlossing dankbaar zal zijn.

Welnu, dat eerste stuk is behandeld. Het stuk van de ellende nam maar drie Zondagen in beslag. Blijkbaar is dat dus niet het één en het al en staat het ook niet op zich. Het is op zich ook niet een toeleidende weg tot de genade of een voor bereidende fase. Het is wel een weg tot Christus, om Hem te kennen als je Zaligmaker en Verlosser. Maar de kennis van de ellende hoort er wezenlijk bij. Dat is een onderdeel van het werk van de Heilige Geest, Die ons wil leren om de enige troost deelachtig te worden en te blijven.

 

Het stuk van de ellende is niet een kort onderdeel omdat het niet belangrijk zou zijn. Dat niet! Het is ook niet kort omdat het maar een korte periode in het geestelijk leven bestrijken zou. Dat ook niet! Maar het is kort omdat de overtuiging van de zonde dienstbaar is aan het eigenlijke hoofddoel van het Evangelie, namelijk de verzoening met God. Daaruit spruit het leven voor God in waarachtige dankbaarheid en de dagelijkse bekering voort.

Dus de genade van de ontdekking maakt plaats voor de genade van de vergeving. Eens voor het eerst, maar telkens weer opnieuw, ons hele leven lang. Dat moeten we niet vergeten. Ontdekking en ellende-kennis is genade. Het is geen voorwaarde tot genade of voorbereiding tot genade. Nee, het is genade zèlf.

 

Als de Heilige Geest de wond van onze ellende open snijdt, is het doel alleen maar om de genezing te bevorderen. De ellende-kennis mag in ons leven nooit een eigen leven gaan leiden. Dat is een doodlopende weg. Van je ellende kun je niet leven. Maar elke wond, die de ontdekkende Geest van Christus met het zwaard van Gods wet aanbrengt in ons leven, is bedoeld om ons in hechtere gemeenschap te brengen met Hem, Die om onze overtredingen is verwond.

Laat niemand nu opgelucht adem halen en denken: ‘Ziezo, het stuk van de ellende hebben we gehad.’ Nee, dat hebben we niet gehad. Ja, wel de behandeling van dat stuk hier, maar het komt erop aan dat we dat heel ons leven leren, hoe langer hoe meer, hoe langer hoe dieper. De rechte kennis van de verlossing houdt in, dat we die ellende-kennis ook meedragen en dat deze verdiept wordt. De drie stukken gaan mee, nergens staat er een streep of een punt. Nooit kun je zeggen dat je ze onder de knie hebt.

 

De Catechismus gaat ons hier onderwijzen uit de Bijbel zelf, want daarop is alles gegrond.

De verlossing door recht was het thema. De Heilige Geest begint altijd van de grond af aan, bij het begin. Daarom spellen we de eerste vraag samen na en de bedoeling is niet alleen om dat met ons hoofd te doen, maar met ons hele hart. We lezen nog eens wat er staat in vraag 12:

Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?

 

In deze vraag ligt de erkenning van twee belangrijke dingen. Gods rechtvaardig oordeel en onze eigen strafwaardigheid.

Nee, er worden geen verontschuldigingen meer naar voren gebracht, zoals in de vorige Zondag. Nee, de mond is volledig gestopt. Iedere tegenspreker zwijgt. Alle wapens worden ingeleverd. Er is iemand aan het woord, die buigt voor Gods Woord. Hier is iemand, die zich op de borst slaat, niet om zichzelf te prijzen, maar juist als teken van zelfaanklacht. Hier hoor ik iemand roepen: ‘O God, wees mij, de zondaar, toch genadig!’ Hier knielt een boeteling neer, om God toe te vallen in Zijn recht:

Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, Heer’;
Uw oordeel rust op d’ allerbeste wetten.

 

Het oordeel van God over mijn leven aanvaard ik. Op grond van Zijn recht moet Hij mij straffen, tijdelijk en eeuwig. Het Is alles verdiend. ‘O God, ik heb de straf verdiend, ik kan niet anders dan het eens zijn met Uw vonnis. Ik kan voor U niet bestaan, Heere.’

Bent u die man of vrouw, die dat zegt? Ben jij die jongen of dat meisje, die zo weleens gebogen ligt voor God, en zegt: ‘Heere, hoe kom ik ooit met U verzoend? Verdiend heb ik het niet en verzondigd heb ik het wel.’

Gemeente, hier beluisteren we de stem van het ontwakend geloof. Maar niet minder de stem van het geoefend geloof. Want ik zei u, dat de verlossing door gerechtigheid niet alleen een wonder is, maar ook een wonder blijft, heel ons leven lang.

De zonde wordt niet langer ontkend, maar erkend. De straf op de zonde wordt aanvaard en voor Gods recht wordt gebogen. ‘Ik heb het oordeel van God verdiend.’ Dat is de taal van het geloof. Dat kan ook niet anders.

Heel wonderlijk, u ziet het hier, dat hoort thuis in het stuk van de verlossing. Waar de liefde van God werkt tot schuldbesef, daar rijst onmiddellijk de vraag: ‘Is er nog een middel om de straf te ontgaan?’ Het is waar, dat deze vraag ingegeven is door de vrees voor de straf, maar er is toch meer. Kijkt u maar.

Door de liefde van God in het hart is er ook een zoeken naar de genade van God, naar de verzoening met God. Het moet weer goed worden tussen God en je hart.

 

De straf ontgaan. Ja, maar er staat nog wat achter: ‘en wederom tot genade te komen’. Dat zijn dus twee dingen. Wie een kinderlijke smart met zich draagt over de zonde, die zoekt niet alleen maar van de straf af te komen, maar die wil ook weer in genade aangenomen worden door God.

Twee dingen zegt de Catechismus: de straf ontgaan, jawel, maar ook: weer tot genade te mogen komen. Het moet weer goed worden met God. De verbroken gemeenschap met God moet hersteld worden.

Je kunt niet tevreden zijn als alleen maar de straf wegvalt. Je wil ook weer in gunst bij de Heere worden aangenomen. Als je God moet missen, dan mis je toch alles? Vandaar de vraag: ‘Is er nog een middel om die straf te ontgaan en weer tot genade te komen?’ Dat hoort bij elkaar.

 

Welk antwoord komt er op deze oproep, op deze roep uit de diepte om genade? Wel, we lezen het antwoord:

God wil, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan haar, òf door onszelf òf door een ander, volkomenlijk betalen.

 

Dat valt tegen, zegt misschien iemand.

God eist betaling en nog wel volkomen ook!

Er wordt gesmeekt om genade en het antwoord verwijst ons naar Gods eisende gerechtigheid.

Er wordt gevraagd om kwijtschelding van schuld en over straf betalen! Hoe zit dat? Is dat nu liefde? Is dat nu Evangelie?

Heeft de Catechismus het hier wel bij het rechte eind? Jawel,want de Catechismus wil hier alleen maar uitleggen wat genade is. Daar ging toch de vraag over? Wederom tot genade komen. Welnu, de Catechismus begint hier over Gods eisende gerechtigheid. Want ze wil uitleggen wat genade is en hoe duur die genade is. Genade en recht zijn helemaal niet tegengesteld in God. Zijn barmhartigheid en Zijn rechtvaardigheid zijn één in Hem. Wij zouden misschien met een beroep op genade de straf willen ontgaan, buiten de enige rechtsgrond om, buiten het offer om, buiten Christus om. We zouden dan een tegenstelling scheppen tussen recht en genade.

 

Maar de Catechismus zegt: eerst moet aan Gods gerechtigheid genoeg geschieden. Het geschonden recht van God moet eerst worden hersteld. Een spreken over wederom tot genade komen buiten Gods geschonden recht om, is zinloos. God laat geen genade voor recht gelden, maar Hij schenkt genade door recht. In God zijn al Zijn deugden één.

Dat zien we op Golgotha. Gods genade en Gods recht kruisen elkaar in het kruis van Christus. Iemand die de misdaad niet straft, is volgens ons natuurlijk rechtsgevoel een verdorven rechter. Voor de misdaad moet geboet worden, dat is duidelijk. Dat is bij God ook zo. Als God geen recht zou doen, wie zal het dan nog doen? Nee, God is een Man van Zijn Woord. We zullen nooit zalig kunnen worden ten koste van Gods recht, maar alleen maar door recht. En dat wil de Catechismus ons hier leren.

 

De vraag komt op: ‘Is er een weg ter ontkoming?’ En dan zegt de Catechismus in eerste instantie eigenlijk nog geen ‘ja’ en geen ‘nee’, maar eerst iets anders.

De Catechismus zegt: ‘Er ligt nog een vraag voor.’ God wil. Wat wil God? Hij wil twee dingen: betaling van de zondeschuld en het dragen van de zondestraf. Dat wil God. Dat is eigenlijk dus wel ‘ja’. Want dit betekent, dat God een verlossingsplan heeft. Er is ontkoming, namelijk door betaling.

 

God had ook kunnen willen dat er geen middel was voor u en mij om wederom tot genade te komen. En dan hadden we niets te zeggen gehad. Maar God wil dat niet. Gelooft u dat ook? Gelooft u, dat God wil dat u de straf ontgaat en weer tot genade komt? Dat is echt waar, anders had Hij Zijn Zoon niet gezonden in deze wereld en anders had Hij de weg der verlossing niet telkens opnieuw laten prediken. Als er gestaan had, dat wij zonder meer moesten betalen, ja, dan was het antwoord definitief ontkennend geweest. Maar nu staat er: òf. De deur staat nog wel niet wagenwijd open, maar de deur gaat hier toch op een kier open.

In gedachten zien wij de Ander, met een hoofdletter geschreven, Die betaalt en we roepen het uit: ‘Heere Jezus, Gij Zoon van David, ontferm U over mij, want U bent toch de door God gegeven Verlosser?’ Ja, Hij is het, maar de Catechismus wil ons leren wat het God heeft gekost en wat dat Christus heeft gekost.

De eerste stralen van de Zon der gerechtigheid gaan hier al op over het donkere dal van onze schuld. Het gaat geleidelijk. Maar het wordt toch licht! En in dat licht zien we iets van die verlossing door recht.

 

Het is in overeenstemming met Gods eisende gerechtigheid, maar ook, en dat is het tweede waar we nu op gaan letten:

 

2. Met uitsluiting van onze eigen gerechtigheid

 

De schuld moet betaald worden, dat is duidelijk.

Daarom ligt vraag 13 voor de hand: ‘Als er betaald moet worden, als dat nu de weg ter ontkoming is, kunnen wij van onszelf betalen?’

Dat is een logische vraag en misschien hebt u het weleens geprobeerd. Wie eigenlijk niet? Wie probeert dat eigenlijk niet? Het is net als bij de schuldige dienstknecht: ‘Heer, heb geduld, ik zal alles betalen.’

Gemeente, de zelfverlossing zit ons in het bloed. De heidenen offeren hun offers daarvoor aan de afgoden. Dat is ten diepste hetzelfde. De Joden willen door hun godsdienstige ijver en offers en door het houden van hun verbodsdagen de gunst van God kopen.

U en ik, wij zijn allen geboren onder een verbroken werkverbond. Je wilt deugdzaam leven, heel nauwgezet en godsdienstig. En dat is goed. Alleen, het zet geen zoden aan de dijk. Het brengt niets in als het gaat over onze verlossing

 

De Catechismus snijdt dat af en zegt: ‘In generlei wijze kun je zelf betalen, want je maakt de schuld iedere dag groter.’

Ziet u dat ook in uw eigen leven? En jullie, jonge mensen? Zie je het ook, dat je de schuld iedere dag groter maakt? De Catechismus zegt het en het is echt waar. Alleen, dat moet je beleven. In die weg wordt de verlossing een wonder en de Verlosser een groot genadewonder.

 

Alle verontschuldigingen, geschenken en beloften van betaling ten spijt, moeten we toch erkennen, dat we helemaal failliet zijn. Ik kan niet betalen. Integendeel. Ik maak mijn schuld dagelijks groter.

Maar waar ligt de oplossing?

‘Wel,’ zegt de Catechismus, ‘hier.’

Ze neemt ons bij de hand en zegt:

‘Hier ligt de oplossing. Ga naar uw Rechter en voldoe aan Zijn eis.’

‘Ja’, zegt u, ‘maar dat kan toch niet? Ik kan voor Hem niet bestaan. Dat kost mij het leven!’

Inderdaad, dat is waar. Maar dat wisten we toch al? God is toch een Man van Zijn Woord? Hij heeft gezegd: ‘Ten dage als ge daarvan eet, zult ge de dood sterven.’

Daarom zegt de Catechismus in dit onderwijs, dat uitloopt op de verlossing door de Heere Jezus Christus:

‘Doe dan het koord van de veroordeling om uw hals en ga maar onder tranen uw Rechter om genade smeken. Belijd maar schuld! Er zit niets anders op. Trek het boetekleed maar aan. Wie weet, Hij mocht Zich wenden.’

‘Maar’, zegt iemand,

‘zo kom ik toch niet van mijn schuld af, want al is mijn schuldbelijdenis nog zo oprecht en ongeveinsd, daar ligt toch geen grond voor de vergeving in? Mijn boete is toch geen afbetaling? Mijn tranen van spijt zetten toch geen streep door de rekening van mijn schuld?’

Inderdaad, dat is waar.

‘Maar wat moet ik dan?’

‘Betalen’, zegt de Catechismus, ‘volkomen betalen en als u het niet kunt, dan door een ander.’

 

De Catechismus vraagt in vraag 14:

Kan ook ergens een ‘bloot’, dat betekent ‘louter’, iemand die een louter schepsel is, gevonden worden, zodat die voor ons betale?

Dat is dus een tweede mogelijkheid. Een ander.

Voelt u, hier hebben we het eerste voorzichtige tasten naar de plaatsbekleding, naar een Borg, Die in onze plaats de schuld wil betalen en de straf dragen, opdat Gods gerechtigheid niet geschonden zal worden.

Het antwoord hierop luidt echter:

Nee, dat kan niet, want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen die de mens gemaakt heeft en ten andere, zo kan ook geen schepsel de last van de eeuwige toorn Gods tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen.

Kort gezegd: ‘God wil het niet en een ander schepsel kan het niet.’ God wil het niet. Hij neemt geen genoegen met een ander schepsel. Ik heb als mens gezondigd en de majesteit van God beledigd. Daarom moet ik, als mens, betalen. En geen ander schepsel kan daarom voor mij in de bres treden. De engelen kunnen dat niet, want die hebben niet gezondigd en die hebben geen lichaam en ziel zoals wij. Dieren kunnen ook dat niet.

 

Nee, alleen onze medemensen blijven nog over.

Nu, stel voor dat er een medemens is, die dat wil doen. Ik denk aan Mozes. Hij wilde dat wel voor het volk Israël, toen de Heere zei: ‘Ik ben boos op Israël omdat ze dat gouden kalf gemaakt hebben, delg Ik ze uit Mijn boek, Ik laat dat volk los.’ Daarop knielt Mozes voor de Heere en daarin is iets te zien van de plaatsbekleding, de ene mens voor de ander. Mozes zegt: ‘Heere, ach, delg mij dan maar uit Uw boek.’ Wat een edelmoedigheid! Maar dat kan niet. De Heere wijst dat ook af bij Mozes.

Onze medeschepselen kunnen voor ons niet betalen. Niemand kan borg staan voor zijn naaste. Want ieder Adamskind zit, net als u en ik en jij, tot over zijn oren in de schuld bij God. En hoe zouden we dan voor een ander kunnen betalen? Dat kan toch niet? En de last van de eeuwige toorn van God is zo zwaar, dat die door geen mensenschouders te tillen is.

 

Wie is zo sterk, dat hij de last van de eeuwige toorn van God zal kunnen dragen vanwege zijn eigen zonden? Laat staan voor de zonden van iemand anders. Welk schepsel zou het kunnen opnemen tegen de eeuwige toorn van God?

O, gemeente, dat zal straks de straf zijn van de verlorenen in de hel. Dat is wat! De hele eeuwigheid zal nodig zijn, om de toorn van God te dragen. En dat is uw toekomst, als u Jezus afwijst, als er geen voldoening is voor uw zonden, als u Hem, Die spreekt in het Evangelie, verwerpt. O, laten we daar toch eens over nadenken.

Hij kan dien prijs der ziele, dat rantsoen,
Aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen.

 

Welk mens? Wie van ons? Niemand! Alle mond is gestopt, want heel de wereld ligt verdoemelijk voor God. Toch zal een mens dat offer moeten brengen. Als er dan verlossing is, dan is dat in overeenstemming met de gerechtigheid van God, maar ook met uitsluiting van onze eigen gerechtigheid, want dan vraagt vraag 15:

Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken?

Dan? Voelt u dat woordje ‘dan’? Dat betekent, dat ik het bij mezelf niet meer kan vinden en een ander kan me niet helpen. Ik loop helemaal vast en sta met de rug tegen de muur. Ik moet het nog toegeven ook.

 

Wat moet ik dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken? Is er dan geen Plaatsbekleder, Die in mijn plaats wil staan en mijn zaak bij God bepleiten wil? Iemand, Die dat niet alleen kan, maar ook wil? Wie zal de last van de toorn van God voor mij torsen? Wie zal Borg worden met Zijn hartenbloed? Wie klimt de berg des Heeren op?

Alleen wie rein van ogen en zuiver van hart is, zegt de dichter. Wie is dat? Wie kan en wil mijn Borg zijn? Is er enig middel?

Ja, er is een Middelaar, dè Middelaar. Die Naam hoeven we echt niet te verzwijgen, al is Die eigenlijk nog omfloerst in Zondag 5. Die Naam komt pas heel duidelijk naar voren in Zondag 6.

Onze Heere Jezus Christus is de Middelaar Gods en der mensen, Die in Zondag 1 al zo duidelijk beschreven werd als de trouwe Zaligmaker. Ja, Hij is het!

 

In deze weg - voelt u dat? -  worden we afgesneden aan alle kanten, maar zo wil de Catechismus ons duidelijk het wonder laten zien, dat Hij er is en dat Hij in onze plaats wilde gaan staan. Hij zal de schuld betalen, de straf dragen en dan hoef ik het niet meer te doen. Want God straft de zonde geen twee keer. Dat zou onrechtvaardig zijn.

Ik mag het niet, ik kan het niet en ik hoef het ook niet, want er is een Middelaar, Die het wil en kan en dat is de Heere Jezus, de Zoon van God.

Er is verlossing in overeenstemming met Gods gerechtigheid, met uitsluiting van ons, van onze eigen gerechtigheid en alleen door Christus’ borggerechtigheid. Dat is het derde waar we samen op gaan letten.

Maar we zingen eerst uit Psalm 143 het tweede en elfde vers:

 

Wil Uwen knecht, door schuld verslagen,

O Heer’, niet voor Uw vierschaar dagen;

Want niemand zal in dat gericht,

Daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen,

Rechtvaardig zijn voor Uw gezicht.

 

Laat Uwe gunst mij niet begeven;

Schenk mij, om Uwes Naams wil, leven;

Laat mijne ziel, die tot U schreit,

Van haar benauwdheid zijn ontheven;

Red mij om Uw gerechtigheid.

 

3. Verlossing alleen door Christus’ borggerechtigheid

 

Gemeente, we lezen nog een keer vraag en antwoord 15:

Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken?

Zulk één, Die een waarachtig en rechtvaardig mens is, nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, Die ook tegelijk waarachtig God is.

 

Alle wegen zijn toegemuurd. Wat moeten we dan, als wij het zelf niet kunnen, als een ander ons niet kan helpen en God van Zijn recht geen afstand kan doen? Wat moeten we dan voor een Middelaar zoeken? We hebben gezien, dat God geen ander schepsel wil straffen. Een ander schepsel kan het ook niet.

 

Hier, in dit laatste gedeelte, is het precies omgekeerd. God wil het zo en Hij, Jezus, kan het ook. Hij kan de last van de eeuwige toorn van God dragen. Hier gaat het over een Middelaar en Verlosser.

Een middelaar is een tussenpersoon, die bemiddelt tussen twee partijen om ze tot elkaar te brengen. God en mens moeten weer bij elkaar gebracht worden. Er is een scheiding gekomen, door de zonde, tussen ons en God. Jezus heeft die overbrugd door Zijn borggerechtigheid. In de kloof tussen God en ons zakt het kruis. Ja, het heeft Hem Zijn leven gekost. Zo alleen is de kloof overbrugd. Hij heeft de schuld betaald, de toorn gedragen en de wet vervuld.

 

Om Borg te kunnen zijn, moet Hij, zo zegt onze Catechismus, waarachtig en rechtvaardig mens zijn en ook waarachtig God. Over die eigenschappen gaat het in Zondag 6. In Zijn menselijke natuur moest de zonde gestraft worden en in Zijn goddelijke natuur, uit kracht van Zijn godheid, kon Hij die zware last dragen. Zo heeft Hij een eeuwige waarde aan Zijn verdiensten gegeven en eeuwig geldende gerechtigheid aangebracht, zodat arme, verloren zondaren, u en ik, weer in een weg van recht terug kunnen naar God.

 

Zoekt u een Middelaar voor al uw zonden? Dat is een belangrijke vraag. We komen in de kerk en dat is goed, want daar deelt Hij Zijn genade uit, maar hebt u daar echt belang bij? Zoekt u dat ook? Is hier iemand die, zoals de Bijbel dat zegt, een door onweder voortgedrevene en ongetrooste is en een Middelaar en Verlosser zoekt? Om van de straf af te zijn? Jawel, maar ook om weer tot genade te komen.

 

Wilt u met God verzoend worden? Zoekt u de Heere Jezus? Is er enig middel? Is er een Middelaar en Verlosser? Ja, dat weten we uit het Evangelie. Maar nu zegt de Catechismus: ‘Hij is er.’ Alleen bedenk wel: Hij is ook de Enige, want Hij moet waarachtig en rechtvaardig mens en waarachtig God zijn. Als mens mag u Hem zoeken in de Bijbel, in de kribbe van Bethlehem, waar Hij is neergedaald in de donkere diepten. Voor een wereld verloren in schuld, nam Hij de zondeschuld en de zondesmet op Zich. In doeken werd Hij gewonden en gelegd in de kribbe onder het oordeel van de vloek van God. Hij is om onzentwil arm geworden daar Hij rijk was.

Daarom, kom, zoeker of zoekster, laat dat licht stralen over uw zoeken! Voeg u maar bij de herders in de velden van Efratha: Laat ons heengaan tot Bethlehem en laat ons zien het Woord dat er geschied is.

 

Waarachtig mens moet Hij zijn, maar ook rechtvaardig mens. Dat betekent zondeloos mens. Hij mag geen zonde gekend of gedaan hebben; geen enkele smet of schuld mag Hem aankleven. Is zulk één niet uw Liefste geworden? U, die Hem kent, u die het eigendom bent van deze Verlosser. Roept u het weleens uit als Zijn Naam wordt verkondigd en Zijn heerlijkheid wordt uitgestald in al Zijn Middelaarsgraveerselen: ‘Zulk één is mijn Liefste, Hij is blank en rood en Hij draagt de banier boven tienduizend.’

Hij is blank: rechtvaardig, heilig, onschuldig, onbesmet als de Zon der gerechtigheid, geen vlek of rimpel is op Hem.

En toch, rood, beladen met de schuld, de vloek en de toorn van God.

Blank is Hij in Zijn onschuld en rood als het vloekdragende Lam. En daarom zegt God: ‘Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen worden wit als de sneeuw.’

 

Zoek Hem maar in de lijdensgeschiedenis. Lees maar een hoofdstuk of een paar hoofdstukken per dag en graaf in het Woord. Daar zien we Hem die zware weg van Zijn lijden gaan, bevend, beangst en nochtans vastberaden als een Held, bij Wie hulp beschoren is. Als waarachtig mens zucht en bezwijkt Hij onder het zware kruis. En toch, ook waarachtig God. Op Golgotha werd het drie uur donker, toen Hij de toorn van God ging dragen. Daar hangt de Zoon van God onder die loodzware last.

Gemeente, er is verlossing in Jezus Christus, maar alleen door Zijn borggerechtigheid. Daar hangt Hij tussen hemel en aarde. De gramschap van Zijn Vader verteert Hem. Dat moet wat voor Hem geweest zijn!

Zondag 5 wil ons zeggen, dat die verlossing niet goedkoop is, maar ontzettend duur. Dat heeft Hem veel gekost, daar is Hij mens voor geworden en als mens is Hij daarvoor gestorven. Hij kon het en Hij wilde het.

 

Zoekers in ons midden, wordt uw blik niet heengetrokken naar deze Heere Jezus Christus? Wordt uw hart niet op het Zijne betrokken, als u hoort wat Hij ervoor over had om de zonde te dragen en om mensen te herstellen in de gunst en gemeenschap van God?

De Zon der gerechtigheid, het Licht der wereld ging onder op Golgotha om vrede te maken, om de verlossing te verwerven, om vergeving, verzoening en eeuwig leven aan te brengen. Daarom moest Hij sterven. Daarom stelde Hij Zich in het gericht voor de majesteit van God. Als een Lam is Hij ter slachting geleid, het Offer is gebracht, Zijn hartenbloed heeft Hij gegeven en zo alleen is de vrede getekend en bezegeld. Hij werd verbrijzeld om zoekende zondaren te vertroosten en te zeggen: ‘Zie, hier ben Ik. Zie hier ben Ik. Ik ben uw Heil alleen. Vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn.’

 

Met de ganse zondelast stond Hij daar in het gericht van God en is Hij tot zonde gemaakt. ‘Kom dan, en laat ons tezamen rechten’, zei God tegen Zijn Zoon en toen ging Hij onder in de toorn van Zijn Vader als plaatsbekledend Lam, opdat God nu tot u en tot mij zou kunnen zeggen: ‘Er is vrede bij Mij en vergeving en herstel in de gemeenschap met Mij.’

Jezus volbracht alles, Hij droeg de straf, Hij betaalde de schuld en Hij gaf Zijn leven. Waarachtig God is deze Middelaar. Zo blank als de sneeuw, zo rein stond Hij op uit het graf. Hij is opgewekt tot onze rechtvaardiging.

Zoek Hem in de opstandingsgeschiedenis, want daar gaat de deur van de hoop open voor zondaren. Jezus deed de dood teniet.

 

Zeg het anderen, dat Hij leeft! Ja, nu is er leven, eeuwig leven in Hem, de eeuwige Zoon van God. De Zon der gerechtigheid is opgegaan en in Zijn lichtstralen mogen wij het zien en horen: ‘Kom tot Mij! Hoor naar Mij! Het leven deel Ik uit met Mijn doorboorde handen.’ U mag het zingen met de dichter:

Gij vindt in gunst, en niet in wraak, Uw lust;
De hitte van Uw gramschap is geblust.

Voor eeuwig!

 

Nu komt dat genadewoord tot u, tot mij, tot jullie, jongelui. Er is verlossing in Christus Jezus, door het geloof in Hem. Voelt u de trekkracht niet van het Evangelie? Voelt u het bloed van Jezus niet, dat dat werkt, dat het iets doet? Weet u, als u onder het Woord zit en als het kruis wordt gepredikt, dan drupt Zijn bloed op de harten van de hoorders. Waar dat bloed gestreken wordt aan de posten van uw hart, daar gaat u Hem lief hebben, loven en aanbidden. Daar wordt de vreugde van Zijn dienst ervaren en de vrede met God, die Hij verworven heeft door het bloed des kruises.

 

Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken?

Voelt u wat een belangrijke vraag dat is? Zoekt u met God verzoend te worden? Zeg eens ‘ja’ of ‘nee’ in uw hart. Want dat heeft consequenties. Zoekt u echt? Is dat uw hoogste wens?

Zet al je wensen eens op een rijtje en zet daar de verzoening met God eens naast. Wat kiest u dan? Wilt u met God verzoend worden?

Gemeente, waar moeten we die Parel van grote waarde, de Heere Jezus Christus, anders zoeken dan in de akker van het Woord? Want van Hem zegt de Schrift, dat Hij is opgewekt tot onze rechtvaardiging.

 

‘Zie toe,’ zegt de apostel, ‘dat gij Dien Die spreekt, niet verwerpt.’ Nu spreekt Hij van verzoening, van vrede en verlossing. Verwerp Hem niet, want dat kost u de eeuwige dood!

In het Woord wordt Hij dierbaar voor arme zondaren, die voor Hem niet kunnen bestaan.

Gemeente, Jezus is hier in de verkondiging van het Woord, gehuld in de beloften van het Evangelie, gehuld in de armelijke doeken van de prediking. Hier laat Hij zich vinden, in de kerk, in het gebed, in de prediking, in het lied, op de catechisatie, op de gemeenteavonden, in de binnenkamer, overal waar u, gebogen over de Bijbel, luistert naar wat God de Heere tot u te zeggen heeft.

 

En dan, gemeente, is er nog een wonder. De Bijbel zegt dat Hij gevonden wordt van degenen, die naar Hem nièt zochten. Het is dus niet hopeloos voor mensen die daarnet ‘nee’ moesten zeggen. Het was maar goed, dat u het niet hardop hoefde te zeggen. Je zou je ervoor schamen. Zouden we ons dan voor God niet schamen, als we moeten zeggen: ‘Eerlijk gezegd zoek ik meer andere dingen in plaats van de Heere Jezus als Verlosser.’ Dat is heel erg, dat is verschrikkelijk. Je zou bijna zeggen: hopeloos. Er staat: ‘Wie Hem zoekt, zal Hem vinden.’  Maar als je Hem nu niet zoekt? Nou, dan is het nog niet hopeloos voor zulke mensen. Want Hij wordt ook gevonden door degenen die Hem niet zochten.

Maar dat zeggen ze pas achteraf, hoor! Dan zeggen ze:

‘Het was de Heere, Die mij zoekend maakte en de begeerte naar de Heere Jezus Christus in mijn hart legde. Het is niet aan mij te danken en niet aan mijn ijver of mijn dit en mijn dat, maar het is door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen. Omdat Hij kwam en tot me sprak: Hier ben Ik, zie, hier ben Ik, Ik ben uw Heil alleen.’

 

Wat een blijdschap! Kent u die? Wat een blijdschap als je Hem zo mag vinden. Wat een genade straalt er van deze Middelaar af! O, dan roem je in God en prijs je het onfeilbaar Woord. Dan jubel je het uit: ‘Nu heb ik voor al mijn zonden een Middelaar gevonden!’

Jezus Christus is het plaatsbekledende Lam, Dat onder de toorn Gods wilde wegzinken in mijn plaats. O, wat een genade is er in deze Middelaar!

Hij is God en mens. Bloedend en bezwijkend ging Hij Zijn weg, maar Hij is opgestaan uit de dood en zo komt Hij tot ons, als de Gekruisigde, Die opgestaan is.

 

Wij prediken u Christus, de Gekruisigde. Zo komt Hij tot ons, omkranst met de stralen van Zijn goddelijke heerlijkheid en heiligheid en tegelijkertijd in Zijn diepe zondaarsliefde. Zie Hem als de Zon der gerechtigheid opgaan in de prediking van Zondag 5! Is Hij zo uw Liefste? Springt uw hart op van vreugde en zegt u: ‘Eén uit duizend.’?

Hij is rood in Zijn gewaad en blank in Zijn onschuld. Hij is rood in Zijn bloed en in Zijn offer, maar alleen zo stroomt er genezing uit Zijn pijnlijke wonden.

O, wat een liefde! Hij is tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.

 

Wie zijn die ‘wij’? Dat zijn degenen, die geloven in Hem, in Zijn Naam, die knielen aan Zijn voeten en die met Thomas uitroepen, na alle worstelingen van het geloof: ‘Mijn Heere en mijn God.’

Hij heeft alles volbracht! Gemeente, er is verlossing. Dat is de boodschap van deze Zondag.

 

U denkt misschien: ‘Dat wist ik allang.’ Ja, maar dat is een wetenschap van je bovenkamer, waarvan je zegt: ‘Dat is nu eenmaal zo, we zullen wel zien of we het een keer krijgen.’ Nee nee, zo bedoelt de Catechismus dat niet! Er is verlossing voor de grootste, de slechtste en de meest vastgelopen zondaar. In overeenstemming met Gods eisende gerechtigheid. Jawel, en met uitsluiting van onze eigengerechtigheid.

Van ons uit doet niets mee en het kan alleen door Jezus’ borggerechtigheid.

 

Leerde u al vragen naar het middel om de straf te ontgaan? Beleed u uw onmacht om vanuit uzelf tot verlossing te komen? Dan zijn alle vluchtwegen afgesneden. U wou vluchten, maar u kon nergens heen. En dan de vraag, waar het om gaat en neem die eens mee naar huis: ‘Zoekt u nu werkelijk en waarachtig, al de dagen van uw leven, als u opstaat ’s morgens, als u naar bed gaat ’s avonds, als u wakker ligt ’s nachts, als u zich op uw werk even afzondert, zoekt u werkelijk die enige Middelaar en Verlosser, Jezus Christus?’

 

‘Ach ja’, zegt u misschien, ‘ik zoek Hem wel, maar ik durf me de Zijne niet te noemen.’ Zulke mensen zijn er en die zijn hier ook. Ik zoek Hem wel, maar ik durf Hem de mijne nog niet te noemen. Is Hij u dierbaar? Ziet u heerlijkheid in deze gekruisigde Zaligmaker?

Gemeente, de eerste kennisneming met Hem, de Middelaar en Verlosser, begint als we heerlijkheid in Hem zien, Zijn liefde proeven en ervaren en als heel ons hart hongert en dorst naar Hem.

 

De Bijbel zegt:

Wie Hem zoekt, zal Hem vinden.

Rust dan niet voordat u het zeggen kunt:

Ik heb genade gevonden in Zijn ogen. Ja, nu ben ik als één, die vrede vindt met God. Ik ben verlost, God heeft mij welgedaan, nu en eeuwig.

 

Amen