Ds. C. Harinck - Psalmen 27 : 14

Wachten op de HEERE

Psalmen 27
Met onze noden en zorgen
Met geloof, hoop en liefde
Met moed en sterkte

Psalmen 27 : 14

Psalmen 27
14
Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den HEERE.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 2
Lezen : Psalm 27
Zingen : Psalm 27: 3, 5 en 7
Zingen : Psalm 62: 1
Zingen : Psalm 130: 3

Gemeente, ik wil beginnen met u allen een gezegend 20… (jaartal) toe te wensen. En dat de Heere uw Toevlucht en Sterkte zijn mag!

Zo staan we samen aan het begin van het nieuwe jaar. We hebben allen een zekere verwachting van dit jaar. Veel jongeren hopen waarschijnlijk hun diploma te behalen. Andere jonge mensen hopen te trouwen. Gehuwden verwachten misschien of hopen op een kind. Werklozen hopen een baan te vinden en ouderen misschien met pensioen te gaan. Zieken hopen op genezing. Zo hebben we allemaal onze verwachtingen en onze hoop. Maar het gaat dikwijls zo anders dan wij denken. Zo dikwijls is er teleurstelling op ons pad. Al ons verwachten loopt zo dikwijls uit op teleurstelling.

 

Er is echter één soort verwachten dat nooit teleur zal stellen. Daar willen we vanmorgen bij stilstaan. De tekst kunt u vinden in Psalm 27 vers 14, waar we lezen:

 

            Wacht op den Heere, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den Heere.

 

Het gaat in deze tekst over: Wachten op de Heere

1. met onze noden en zorgen;

2. met geloof, hoop en liefde;

3. met moed en sterkte.

 

1. Met onze noden en zorgen

 

We zagen gisteravond al dat Psalm 27 in twee gedeelten uiteen valt. Toen hebben we nog niet gezegd wat sommige moderne verklaarders daarvan zeggen. Die denken dat het oorspronkelijk twee kleine gedichten geweest zijn van David, die men samen heeft gevoegd. Dat vinden ze de oplossing, want ze kunnen niet begrijpen dat roem en vreugde en daarna vrees en verdriet, zo dicht bij elkaar kunnen liggen.

Maar er is een betere oplossing en die oplossing is dat in het leven van Gods kinderen roem en vreugde en daarna vrees en verdriet inderdaad heel dicht bij elkaar kunnen liggen. Men heeft met vrucht de kerkdienst bijgewoond, en met zegen aan het Heilig Avondmaal deelgenomen. En plotseling is er bij het thuiskomen een wending door de zorgen en de omstandigheden van huwelijk en gezin en vooral door de bestrijdingen van de boze.

We geloven dat deze hele psalm van David is. David geeft raad en advies in omstandigheden van zorg, nood en vrees. En zijn advies is: Wacht op den Heere, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den Heere.

Wachten is niet erg populair, vooral niet bij de moderne westerse mens. We willen alles snel en we willen het nú! Liever gisteren dan morgen. En we hoeven ook nooit meer lang te wachten. Je foto’s zijn klaar terwijl je wacht. En de kapotte achterruit van je auto wordt gerepareerd binnen een uur. Wachten vinden wij, moderne mensen, heel moeilijk. We horen niet graag: ‘Er zijn nog zoveel wachtenden voor u’.

Als we in de wachtkamer bij de dokter zitten en de klok gaat almaar verder en we zijn nog steeds niet aan de beurt, dan ergeren we ons heel vlug. Een langzame computer en een langzame laptop vinden we ook erg lastig. De moderne mens kan niet meer wachten. Alles moet snel, nú en heden.

 

Maar in het Koninkrijk Gods gaat het heel dikwijls over wachten. Dan gaat het over een bepaald soort wachten, waar David hier ook over spreekt: wachten op de Heere. Het staat er allemaal met hoofdletters, met kapitale letters; daar wordt Jahweh of Jehova mee bedoeld. Dat is de God van het verbond en de God van de genade, van de vergeving. De God Die Zijn Zoon in de wereld heeft gezonden om te bloeden en te sterven voor zondaren. De God en Vader van onze Heere Jezus Christus.

David wekt op om op die God te wachten. En dan bedoelt hij vooral: wachten op Zijn heil, zoals we dat lezen bij Micha: Maar ik zal uitzien naar den Heere, ik zal wachten op den God mijns heils; mijn God zal mij horen (Micha 7:7). Wachten op den Heere.

 

De manier van wachten heeft alles te maken met degene op wie of dat waarop je wacht. Wachten op de Heere is een heel bepaald soort wachten. Dat is heel anders dan wachten op mensen. Wachten op de HEERE is een geestelijke zaak; dat is een zaak van geloof, hoop en liefde. We lezen over dat wachten heel veel in de Schrift. De Bijbel is er als het ware vol van.

De oudtestamentische gelovigen hebben gewacht, gewacht op de vervulling van de beloften, op de geboorte van de Messias. Zij riepen: Wachter! wat is er van den nacht? Wachter! wat is er van den nacht? (Jes. 21:11)

Zelfs in de donkere tijd rondom de geboorte van Jezus ontmoeten we mensen die wachten. De Bijbel spreekt over Anna, die nadat zij in het Kind Jezus de Messias had gevonden, naar verschillende mensen ging, die de vertroosting in Jeruzalem verwachtten. Die waren er en die kende ze.

 Abraham heeft gewacht op een zoon. Jakob wachtte op zijn sterfbed op Gods zaligheid. Hizkia wachtte tijdens het beleg door Assyrië op Gods verlossing, de verlamde aan het badwater te Bethesda wachtte op de beroering van het water door de engel.

Steeds heeft de Bijbel het over wachten. Wachten op de Heere. Dat hoort bij de nieuwe geboorte, bij het nieuwe leven, bij de liefde Gods die in het hart is uitgestort, bij het verlangen naar God en naar Zijn gemeenschap. Daar hoort dat wachten bij. Dat is een uitzien naar de HEERE. Dat is spreken: Mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water (Ps. 63:2).

 

Wachten op de Heere komt voort uit een behoefte aan verzoening, aan vrede met God, aan vergeving van onze zonden. Daar wachten Gods kinderen op, om te mogen horen uit de mond des Heeren: Uw zonden zijn u vergeven. Om de zekerheid te mogen ontvangen dat al hun zonden om Christus wil vergeven zijn.

Dat wachten heeft ook te maken met strijd, met vijanden die hen gedurig aanvechten. Dan zien ze er naar uit dat de Heere zal strijden met de bestrijders en zal twisten met hun twisters. Dan verlangen ze er zo naar dat God tot hun ziel zal zeggen: Ik ben uw heil (Ps. 35:3).

Wachten is ook uitzien naar zekerheid om verlost te worden van twijfel en met geloofszekerheid te mogen weten dat God ons deel is, dat Christus ons heil is. Gods kinderen zien er naar uit dat dit jaar dan ook het jaar mag worden dat ze die zekerheid mogen ontvangen. Dat ze als het ware uit Gods eigen mond mogen horen, dat Hij onze God en onze Zaligmaker is.

Op de HEERE wachten doen de gelovigen vooral in een tijd van noden en bijzondere omstandigheden. Dan wachten ze op de hulp en uitkomst van de Heere. Zij zeggen dan: Mijn ziel vol angst en zorgen, wacht sterker op de Heer’ dan wachters op de morgen, de morgen ach wanneer.

In de Bijbel en de geschiedenis van de kerk ontmoeten we door de eeuwen heen één grote rij mensen, die op de HEERE wachten.

 

Het wachten op de Heere staat ook in verband met Gods beloften. Als God ons niets beloofd had, hadden we ook niets te verwachten. Maar nu mag onze verwachting zó ver gaan als Gods beloften gaan. Wachten op de Heere is dan ook wachten op de vervulling van Gods beloften. Gods beloften zijn het fundament van de verwachting en daarom bieden ze uitkomst in alle omstandigheden en geven ze antwoord op alle noden.

Wat dat betreft is er zelfs verwachting voor de grootste van de zondaren. Gods beloften bieden zelfs hoop aan goddelozen. Want de belofte zegt: De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den Heere, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen (Jes. 55:7). Niemand hoeft hier te wanhopen.

Gods beloften stimuleren het wachten. Ze nemen in dat wachten een grote plaats in. Ze beslaan ook een breed terrein van zorg en ellende. De beloften van God betreffen niet alleen beloften van vergeving, beloften van de aanneming tot kinderen, beloften van vrede bij God door onze Heere Jezus Christus, maar er zijn ook beloften van hulp en bijstand die de Heere belooft in aardse zorgen en in moeite.

De Heere belooft Zijn kinderen: Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn (Jes. 43:2). De Heere belooft aan hen die hem vrezen: Ik zal u niet begeven, noch u verlaten (Deut. 31:6). Hij stelt de vraag: Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten. Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd (Jes. 49:15, 16). Hij belooft zelfs bij het naderen van de dood volkomen uitkomst te geven.

Als het goed is, gemeente, is de Bijbel voor ons een schatkamer waarin we Gods beloften tegenkomen. En als het helemaal goed is, doen die beloften iets met ons. Dan maken die ons werkzaam. Dan krijgen ze waarde en betekenis voor ons.

 

Dat brengt ons tot wachten op de Heere. Wachten op de Heere heeft dus te maken met Gods beloften. De oude Puriteinen spreken dikwijls over een gelukkige ontmoeting. Het is een gelukkige ontmoeting wanneer een arme zondaar een rijke Jezus ontmoet. Maar ze spreken ook over de gelukkige ontmoeting wanneer onze nood en Gods belofte elkaar ontmoeten.

U vreest bijvoorbeeld dat uw zonden teveel zijn, dat u te lang en te zwaar gezondigd hebt, dat u zich teveel tegen de Heere verzet hebt en dat u dingen gedaan hebt die God beslist niet zal vergeven. Daar vreest u voor en daarmee wordt u geplaagd. En dan ontmoet u de belofte: Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes. 1:18). O, wat is dat een gelukkige ontmoeting tussen mijn nood en Gods beloften.

Dan is het met u als met David. Hij vreesde: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen (1 Sam. 27:1). Maar dan leest u de belofte: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Luk. 22:32). U dreigt onder het kruis te bezwijken en ziet de toekomst donker en somber voor u in, maar dan ontmoet u de belofte: Ik help u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand Mijner gerechtigheid (Jes. 41:10). Wat is dat een rijke ervaring, een ontmoeting tussen mijn nood en Gods beloften!

 

We praten dikwijls over bevinding. We hebben dan bepaalde zaken in onze gedachten, meestal een vast schema van elkaar opvolgende bevindingen. Daar is veel van mensen bij. Man-made en niet God-made.

Maar een ontmoeting tussen je zielennood en Gods belofte hoort thuis bij de ware bevinding, bij de ondervinding, bij de ervaring in de omgang met God.

In het wachten op de Heere staan Gods beloften centraal. Wachten op de Heere, hoe doe je dat? We letten erop in onze tweede gedachte en zien dat we dat doen met geloof, hoop en liefde.

 

2. Met geloof, hoop en liefde

 

Wachten op de Heere. Misschien zijn er die zeggen: ‘Wat is dat en hoe doe je dat?’ Het is een geloofswerk; ja inderdaad, het is een geloofswerk. Er zijn krachten in onze ziel voor nodig. Geestelijke krachten, die we van nature niet bezitten. Van nature wachten we niet op de Heere. Dan gaan we onze eigen weg. Hoogstens vragen we achteraf nog om een zegen. Achteraf moet de Heere alles goedkeuren wat wíj doen.

Daarmee lijken we op koning Saul, die niet langer wilde wachten op Samuël. Hij offerde toen zelf en trok in eigen kracht ten strijde. Op God wachten is ons vreemd. Jesaja zegt het: En er is niemand, die Uw Naam aanroept, die zich opwekt, dat hij U aangrijpe (Jes. 64:7). Maar Gods kinderen wachten op de Heere. Ze hebben daarvoor geestelijke krachten van de Heere ontvangen.

Ze wachten op de Heere door middel van nieuwe zielsvermogens, door middel van genadeweldaden die de Heilige Geest hun meedeelt. We geloven dat de Heilige Geest, in de nieuwe geboorte, genadeweldaden meedeelt. De Dordtse Leerregels zeggen het ons: ‘In de ziel stort hij nieuwe hoedanigheden.’ De Heere schenkt Zijn kinderen geestelijke genadegaven en geestelijke krachten.

 

Zo wordt het geloof in de Bijbel heel nadrukkelijk een gave van God genoemd. Maar de Heere deelt aan de gelovigen veel meer genaden en gaven mee. Er zijn allerlei gezegende vruchten van de Heilige Geest. En zijn verschillende gaven. In de Bijbel staan zelfs lijsten met allerlei gaven. In 1 Korinthe 12, Romeinen 12 en Efeze 4 bijvoorbeeld.

Onder die gaven zijn ambtelijke gaven. Dat zijn de vruchten van Jezus’ hemelvaart. Hij is opgevaren in de hoogte en Hij heeft gaven uitgedeeld om in de kerk te kunnen dienen.

Maar de Heere deelt niet alleen gaven uit aan ambtsdragers. Hij deelt ook aan alle gelovigen gaven mee. Soms zijn dat heel bijzondere gaven: het spreken in tongen, gezondmaking, gaven van profetie, wonderen en bijzondere krachten. In de eerste Korinthebrief lezen we erover. Die gaven waren vooral in de eerste christelijke gemeenten aanwezig. Daar bruiste het als het ware van het leven. Daar manifesteerde de Heilige Geest Zich op een heel bijzondere manier.

Naast de bijzondere gaven die er in de jonge kerk waren, zijn er gewone gaven, soms heel gewoon, tenminste in onze ogen. De herbergzaamheid, de mededeelzaamheid en vooral de diaconia: het dienen, het zoeken van het welzijn van de ander, het verzorgen van zieken, het bezoeken van gevangenen. Zij vallen onder het liefhebben van de naaste, ook buiten de kerk.

1 Korinthe 13 leert ons dat de bijzondere gaven zullen verdwijnen maar dat de gewone zullen blijven. Onder die gewone gaven zijn de voornaamste waaraan je de christen kent: geloof, hoop en liefde. Paulus zegt: En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde (1 Kor. 13:13).

 

In het wachten op de Heere zijn deze genadegaven actief. De genadegaven van geloof, hoop en liefde. Het geloof is in het wachten werkzaam. Het geloof is genoemd ‘de officier van de genade’. Het geloof gaat altijd voorop en het richt zich in alle strijd op wat God beloofd heeft. Het gaat met die beloften naar God terug. Het wapent zich ermee tegen de vijand en het zoekt God ermee in het gebed. Een voorbeeld daarvan leest u van Jakob te Pniël; daar zegt hij : O Heere! Die tot mij gezegd hebt: Keer weder tot uw land, en tot uw maagschap, en Ik zal wel bij u doen (Gen. 32:9).

Wachten – dat is geen lijdelijk wachten, dat is worstelen met de geestelijke wapens van geloof, hoop en liefde. Dat is ook worstelen met de geestelijke wapens van gebed en tranen. Hosea zegt van Jakob: Hij weende en smeekte Hem. Te Beth-El vond hij Hem (Hos. 12:5). David durfde zelfs God bevel te weigeren om Hem los te laten. Hij zei: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent (Gen. 32:26). Dan doen we geweld op Gods Koninkrijk, geweld op Gods hart en ook op Gods waarheid. Want Hij kan van Zijn beloften niet af. Dan brengen we die beloften tot Hem terug.

Het wachten bestaat in worstelen, uitzien, smeken en verlangen dat God Zijn beloften aan ons zal vervullen. Kloppen hoort erbij, schreien en pleiten en God niet kunnen loslaten. Wat God belooft, heeft voor deze geestelijke worstelaars immers zoveel waarde. Wat God in de belofte zegt, past bij de nood waarin ze verkeren. Wanneer onze nood en het beloofde goed elkaar ontmoeten, krijgt de belofte zoveel waarde. Dan kunnen wij de Heere niet loslaten, tenzij dat Hij ons zegent.

 

Zo is het geloof werkzaam met Gods beloften. Het wacht op de Heere. In dat wachten op de Heere is echter ook de hoop werkzaam. De hoop richt zich vooral op dingen die niet gezien worden. Dat zijn er nogal wat. In de kerk gaat het bijna altijd over dingen die niet gezien worden; de onzienlijke God, de onzienlijke hemel, de onzienlijke werking van de Geest. De hoop richt zich op dingen die niet gezien worden en dan vooral ook op toekomstige dingen.

De apostel zegt: Want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig (2 Kor. 4:18). Het richt zich dus op wat in de toekomst ligt. U hoopt niet meer op wat u al bezit. De apostel zegt daarvan: Hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? (Rom. 8:24) De hoop ziet op wat God beloofd heeft en wat de gelovige, hopende mens, nog niet bezit. Het gaat om een toekomstig goed, meestal om de toekomstige heerlijkheid. Gods kinderen zijn in hope zalig geworden.

De hoop is nauw verbonden met het geloof. In Hebreeën 11 wordt zelfs gezegd dat het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet (Hebr. 11:1). Geloof en hoop horen dus nauw bij elkaar. De hoop is de onafscheidelijke metgezel van het geloof. De hoop voedt het geloof, ze onderhoudt het geloof en draagt het geloof. Zo lezen we van Abraham: Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens hetgeen gezegd was (Rom. 4:18).

De hoop heeft Abrahams geloof ondersteund. Wat is dat waar in het leven van Gods kinderen. In de donkerste tijden richt de hoop zich altijd weer op en zegt: Maar ik zal uitzien naar den Heere, ik zal wachten op den God mijns heils; mijn God zal mij horen (Micha 7:7). Zo is de hoop werkzaam in het wachten op HEERE en de vervulling van Zijn beloften.

 

Ook de liefde is werkzaam in het wachten op de Heere. De liefde is de voornaamste gave. Als u de verklaring van Calvijn leest, merkt u dat hij het soms zo eenvoudig kan zeggen. Hij zegt: ‘De liefde neemt de eerste plaats in, omdat de liefde God altijd op de voorgrond plaatst’. Het gaat in de liefde altijd om God Zelf. De liefde kan zeggen: Heere, ik zoek niet uw gave, maar ik zoek U. Daarom heeft de liefde de eerste plaats.

Paulus kan dan ook zeggen: En al ware het dat ik de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets (1Kor. 13:2). De liefde geeft warmte aan het geloof. Het geloof van sommige mensen is een koude redenering: Ik ben een zondaar en Jezus is de Zaligmaker, dat is dus mijn geloof. Maar de liefde geeft warmte aan het geloof, want de liefde heeft de Zaligmaker die men zoekt lief. En de liefde geeft warmte aan de hoop. Het zorgt dat de hoop vergezeld gaat van verlangen en uitzien.

 

Zo zien we geloof, hoop en liefde werkzaam. Door middel van deze genadegaven wacht de christen op de Heere, op Zijn heil, op de vervulling van Zijn beloften, op Zijn bijstand in de nood, op Zijn komst in de ziel, op Zijn troost en hulp en op de eeuwige zaligheid bij het sterven.

Dikwijls is er een samenwerking tussen geloof, hoop en liefde. Ik wil niet zover gaan als sommige oude verklaarders die zeggen dat het lijkt op de drie-eenheid. Maar ze horen en ze werken onlosmakelijk samen. Tegelijk zijn ze ook op verschillende manieren werkzaam met Gods beloften.

 

In een geschrift van een Puritein heb ik iets gelezen wat ik graag met u wil delen. Hij zegt:

‘Geloof, hoop en liefde zijn werkzaam in het wachten op de Heere. Ze zijn werkzaam met de belofte.’ Hij zegt: ‘Het geloof klopt op de beloften, net zolang tot de beloften opengaan. Het opent de rijke inhoud van de belofte voor het oog van de ziel. Het geloof wordt daarin geholpen door de hoop. De hoop zorgt ervoor dat de zondaar blijft kloppen en wachten. Waar het geloof op de beloften van God klopt, daar kijkt de hoop door het venster van de beloften en ziet het beloofde goed van verre en werpt zijn anker uit in de onzichtbare wereld, waar Christus is binnengegaan achter het voorhangsel.’

Hij zegt: ‘De hoop kijkt uit het venster, zoals wij uit het raam kijken als we iemand verwachten. We kijken of iemand er al aankomt, en als het iemand is die we lang niet gezien hebben en iemand is die we liefhebben, dan kijken we reikhalzend uit het venster.

Zo kijkt de hoop door het venster van de beloften en ziet uit naar de vervulling, wat de Heere beloofd heeft. De liefde wacht met een brandend verlangen op de Heere, het strekt zich verlangend uit naar het goed wat beloofd is, naar de zegen die de Heere heeft toegezegd.’

Zo zijn geloof, hoop en liefde, deze drie genaden, werkzaam in het wachten op de Heere.

 

Gemeente, wat is dat een gezegend wachten. Kloppen op de beloften, door het geloof. Kijken door het venster van de beloften, door de hoop. En je reikhalzend uitstrekken naar het beloofde goed, door de liefde. Wacht op de Heere, zei David. Het zal geen vergeefs wachten zijn. Want David zegt: Wacht op den Heere, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den Heere.

Daar letten we op in de laatste gedachte als we gaan zien dat we moeten wachten met moed en sterkte.

Zingen we eerst Psalm 62:1

 

Mijn ziel is immers stil tot God;

Van Hem wacht ik een heilrijk lot;

Hij immers zal mijn rotssteen wezen,

Mijn heil, mijn hulp in mijn gebrek,

Mijn toevlucht en mijn hoog vertrek:

Ik zal geen grote wank'ling vrezen.

 

3. Met moed en sterkte

 

Wacht op den Heere, zegt David. Zijt sterk, heb goede moed, staat er eigenlijk. Wanneer het wachten lang duurt, verliezen wij de moed. Als het wachten lang duurt en de omstandigheden niet veranderen en de hulp niet komt, zeggen we al snel: Mijn weg is voor den Heere verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij? (Jes. 40:27).

Daarom hebben we deze vermaning van David zo nodig: Zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den Heere.

Wij verliezen de moed. Ik vind het altijd zo erg oude mensen te ontmoeten die de moed verloren hebben. Ze zeggen: ‘Het zal voor mij niet zijn weggelegd.’ Ze zijn zo neergeslagen door de leer der verkiezing, dat er geen gebed, wachten en hopen meer is.

 

Wacht op den Heere, zijt sterk, zegt David. Hij herhaalt het en zegt: Ja wacht op de HEERE. Hij zegt als het ware: Heb goede moed, geef niet op, maar zeg: Ik blijf de Heere verwachten.

Geef de moed niet op. Dat zeggen ook onze pastorale opstellers van de Dordtse Leerregels. Zij zeggen dat u de moed niet moet opgeven als u over de verkiezing hoort spreken. Waarom moeten we de moed niet opgeven? De leerregels zeggen: ‘Aangezien God het gekrookte riet niet zal verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen’ (DL 2.16). Dat geeft hoop.

 

Wacht op den Heere, zijt sterk. David voegt er een belofte aan toe: En Hij zal uw hart versterken. God zal u niet tevergeefs laten wachten. Hij zal u in het wachten sterk maken en kracht geven om uw weg te gaan.

Er staat niet: Hij zal u uit alle problemen helpen en Hij zal u een zonnige toekomst geven. Nee, Hij zal uw hárt versterken. De Heere neemt niet altijd het kruis weg. Soms zegt Hij tegen ons wat Hij tegen Paulus zei: ‘Het is beter dat je je kruis houdt, Ik zal je genade geven om je kruis te dragen.’

Maar Hij versterkt ons hart, Hij troost onder het kruis met Zijn nabijheid, met Zijn troost en met Zijn liefde. Wat kan dat een hart versterken. Wat kunt u versterkt worden onder de prediking, door het zingen van de psalmen en door de gebeden. Wat kan de Heere een zondaar daardoor versterken. Wat kan het ons innerlijke kracht geven als we de uitlatingen van Gods liefde aan ons hart ervaren.

Dan zijn er de gezegende vergezichten op het goede land dat de Heere voor ons heeft weggelegd. Dan zullen we eens de Koning zien in Zijn schoonheid. O, er is zo dikwijls zo’n verborgen ondersteuning. Achteraf zeggen we dan: ‘Hoe ik er door gekomen ben, weet ik niet.’ De Heere zegt dan: ‘Omdat Ik je heb gedragen!’ Die op de Heere wachten, wordt beloofd: Hij zal uw hart versterken. God geeft kracht naar kruis.

 

Gemeente, Delila vroeg aan Simson: ‘Verklaar mij toch waarin uw kracht gelegen is.’ Wat zou u dan antwoorden? Wat is uw sterkte?

Van nature versterken we ons met allerlei dingen. Bij ziekte sterken we ons met de gedachte dat er zulke goede artsen zijn en dat men zo ver gevorderd is in de medische wetenschap. Dan sterken we ons ermee dat er voor alle ellende wel een oplossing is te vinden en het allemaal wel in orde zal komen.

Als predikant ben ik dikwijls op een afdeling geweest waar heel ernstige zieke kankerpatiënten bij elkaar lagen. Dan hoorde ik hen spreken: ‘We gaan ervoor hoor, kop op, de moed niet opgeven.’ De één zei: ‘Ik heb een vakantie afgesproken, ik ga er eerst nog volop van genieten.’ De ander zei: ‘Onkruid vergaat niet.’ Dat is de verwachting van de wereld en helaas soms ook van kerkmensen.

 

Maar David zegt: Wacht op den Heere, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den Heere. Velen zeggen misschien aan het begin van het nieuwe jaar: ‘Hoe kom ik erdoor, wat zal het mij brengen?’ Ze zien tegen de toekomst op. De noden, de zorgen en het lijden kunnen talrijk, veel en zwaar zijn.

Het betreft dan niet alleen oude mensen. Er vinden in onze welvaartstijd veel zelfmoorden plaats onder jonge mensen. Er zijn veel jonge mensen die – om het maar populair te zeggen – niet meer zien zitten. Ze zijn zonder hoop. Volgens Solzjenitsyn, een Russische  schrijver, is de ergste misdaad van het communisme dat het  de jeugd de hoop heeft afgenomen. En ja, als alles wat het leven is, bestaat uit eten, drinken en vrolijk zijn, dan ontneem je de jeugd de hoop. Onze moderne  maatschappij biedt geen hoop  als je ziek wordt, als je ongewenst zwanger wordt, als je verslaafd raakt, als je huwelijk strandt en als de dood komt.

 

Laat de kerk de wereld daarin niet volgen. Maak van het Evangelie geen gelaten boodschap, die zegt: Je moet afwachten of je verkoren bent en God je grijpen wil. Laten we onze jonge mensen hoop geven, hoop op de Heere. En laten we met David zeggen: Wacht op den Heere, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den Heere.

David wil het als het ware onderstrepen, ja, wacht! Wacht op de HEERE! Doe dat! En Hij zal uw hart versterken.

Wachten op de Heere is vooral een zaak van het gebed, van op de knieën gaan. En een zaak van geloof, hoop en liefde. De genadegaven van de hoop en de liefde zijn werkzaam in het wachten op de Heere. En zij versterken elkaar. Het geloof ziet op Gods beloften en zegt te geloven dat God waarachtig is en in Zijn beloften niet liegt. De hoop ziet door het venster op de toekomstige heerlijkheid en de liefde richt zich op Gods gemeenschap en zegt: Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde (Ps. 73:25).

 

Daarin bestaat nu de ware godsdienst, uit deze uitnemende gaven van geloof, hoop en liefde. Nu zijn er misschien die zeggen: Ik bezit geen geloof, ik kan niet in Christus geloven. Dat is waar, maar u kunt Hem wel de toegang tot uw leven weigeren. Stefanus zei: O gij hardnekkigen van hart en oren, gij wederstaat altijd de Heilige Geest.  Je kunt Stefanus om die boodschap wel stenigen, maar het blijft eigen schuld als je verloren gaat.

Er zijn echter ook andere kerkgangers. Zij zeggen niet dat het aan God en de verkiezing ligt als ze verloren gaan. Zij zeggen: Dominee, Ik heb niets om op te hopen. Ik bezit geen geloof, geen hoop en geen liefde. Ik heb nooit iets van God ervaren. Waar kan ik op hopen?

Een predikant bezocht eens een diep moedeloos mens. Alles wat de predikant zei, stuitte af op: dat is niet voor mij! Toen pakte de predikant ten slotte de Bijbel van die man en schreef erin: Ik doe heden afstand van alles wat in dit Woord beloofd wordt. Hij liet wat hij geschreven had aan die man zien en zei: Ik wil dat hier je handtekening onder zet, want je zegt dat het voor jou toch voorbij is en er voor jou geen hoop meer is. Dus onderteken dit dan maar. Toen brak de strik.

Zou u het kunnen ondertekenen? Of zegt u: Ik blijf de Heere verwachten? Misschien zegt u: Ik bezit geen geloof. Maar wilt u dan zeggen dat God liegt in Zijn Woord?

Misschien zegt u: Ik bezit geen hoop. Maar wilt u dan alle hoop opgeven?

Misschien zegt u: Ik bezit geen liefde. Maar wilt u dan uw hart aan de duivel geven?

Doe wat David ons aanbeveelt: Wacht op den Heere, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den Heere.

Bij de Heere zijn immers uitkomsten, uitkomsten zelfs tegen de dood.

 

Aangevochten en bestreden zondaar! U zegt misschien: Het is allemaal verdwenen. Vroeger kende ik geloof, hoop en liefde. Nu is mijn hart koud en mijn ziel vol duisternis. Ik moet geloven dat het nooit waar is geweest.

Inderdaad kan het geloof in een kind van God verzwakken, de liefde verkouden en de hoop verkwijnen. Het kan zelfs zo ver gaan dat wij er niets meer van kunnen terugvinden. Calvijn zegt echter: ‘Toch kan het geloof, de liefde en de hoop nooit geheel uit een vroom hart worden uitgeroeid.’ Waaruit blijkt dat? Daaruit, dat de ziel toch zegt: Ik blijf de Heere verwachten, mijn ziel wacht ongestoord, ik hoop in al mijn klachten op Zijn onfeilbaar Woord.

O, kinderen Gods, wek uw geloof op, wek uw hoop op en wek uw liefde op! Wacht op den Heere, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den Heere. Kijk door het venster van de belofte, klop op het hart van de belofte en strek je reikhalzend uit naar het beloofde goed en Hij zal uw hart versterken!

 

Tot slot nog íets over de hoop. De hoop is een belangrijke genade. In de Christenreis van Bunyan kunnen we lezen dat Christen een metgezel kreeg; zijn naam was Hopende. Het was een belangrijke metgezel. Dat bleek toen Christen ging sterven. Toen Christen door de doodsjordaan moest waden, dreigde hij te verdrinken. Het water stond al aan zijn lippen. Maar toen was daar zijn metgezel, die heel de pelgrimsreis met hem meegereisd was, Hopende. Die hield toen zijn hoofd boven water. Bunyan heeft het treffend weergegeven. Zo gaat het met de meeste kinderen van God. In de doodsjordaan houdt de hoop ons hoofd boven water. Door het venster van de beloften ziet de hoop op wat de Heere heeft weggelegd voor degenen die Hem vrezen. Dat houdt in alle lijden, strijd en aanvechting ons hoofd boven water.

 

Gemeente, wat is onze verwachting voor het nieuwe jaar? En jongelui, wat is jullie verwachting? Als het geen verwachting op de Heere is, is het een verwachting die teleur zal stellen. Daarom roept David het ons toe: Wacht op den Heere, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den Heere.

Amen.

Slotzang: Psalm 130:3

 

Ik blijf den Heer’ verwachten;

Mijn ziel wacht ongestoord;

Ik hoop, in al mijn klachten,

Op Zijn onfeilbaar woord.

Mijn ziel, vol angst en zorgen,

Wacht sterker op den Heer’,

Dan wachters op den morgen;

Den morgen, ach, wanneer?