Ds. C. Harinck - Psalmen 27 : 13

Davids levensbalans

Psalmen 27
Een leven zonder het goede des HEEREN
Een leven met het goede des HEEREN

Psalmen 27 : 13

Psalmen 27
13
Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 90: 1
Lezen : Psalm 27
Zingen : Psalm 27: 1 en 2
Zingen : Psalm 73: 1
Zingen : Psalm 27: 7
Zingen : Psalm 89: 19 en 7

Gemeente, het is vandaag Oudejaarsdag. Dit jaar ligt weer achter ons. En het is nog maar zo kort geleden dat we dit nieuDwe jaar begonnen. Hoe waar is het gedicht: Uren, dagen, maanden, jaren, vliegen als een schaduw heen. De tijd vliegt, zeggen we dan.

Kinderen, jullie vinden dat helemaal niet erg. Jullie willen zo spoedig mogelijk groot worden. Je droomt van spoedig groot worden en zegt: Als ik groot ben, dan….

Jonge mensen, jullie vinden dat ook niet erg, want jullie hebben zo je plannen voor de toekomst. Je zegt: Als ik maar eens 18 ben, dan kan ik mijn rijbewijs halen; dan ben ik eigen baas, dan ga ik studeren, carrière maken. Dan begint het echte leven.

Maar als je oud bent, denk je daar heel anders over. Waarom? Omdat je dichter bij je einde bent, omdat alles je zo toeroept: we hebben hier geen blijvende stad. Omdat je weet dat je weldra voor God, je Schepper zult staan.

Maar daar moeten niet alleen oude mensen aan denken. Als je naar een begraafplaats gaat, vind je daar ook kleine kindergraven en graven van jonge mensen. We zullen ten slotte allen sterven. De vraag is dan of we God, onze Schepper, in vrede kunnen ontmoeten. Daar willen we in deze dienst aandacht aan besteden.

 

Onze tekst kunt u vinden in Psalm 27, het dertiende vers, waar wij lezen:

 

Zo ik niet had geloofd dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan.

 

We ontmoeten hier Davids levensbalans.

Daarbij letten we in de eerste plaats op een leven zonder het goede des Heeren en in de tweede plaats op een leven met het goede des Heeren.

 

1. Een leven zonder het goede des Heeren;

2. Een leven met het goede des Heeren.

 

1. Een leven zonder het goede des Heeren

 

Gemeente, er zijn psalmen die onder Gods kinderen van alle tijden zeer geliefd zijn. Zij vertolken de taal van het hart. In hun donkerste uren sterken en vertroosten die psalmen hen. Het zijn psalmen waarvan ze met David zeggen: En des nachts zal Zijn lied bij mij zijn (Ps. 42:9).

Psalm 27 is ook zo’n psalm. Met name het laatste vers: Zo ik niet had geloofd dat in dit leven mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou, mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven? Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

 

Psalm 27 valt in twee delen uiteen, van vers 1 tot en met 6 en van vers 7 tot het einde. En de toon in die twee delen is erg verschillend. In het eerste deel voelt David dat God zijn Licht en zijn Heil is. Hij is voor niemand bang. Hij durft zijn vijanden te tarten en te zeggen: Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen (vers 3), want hij weet het: Hij versteekt mij in Zijn hut ten dage des kwaads (vers 5).

Maar in het tweede deel verandert het. Dan smeekt David de Heere: Verberg Uw aangezicht niet voor mij, en keer Uw knecht niet af in toorn (vers 9). Dan zegt hij: Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten (vers 10). Dat betekent eigenlijk dat zijn vrienden en bekenden hem in de steek hebben gelaten. Vijanden benauwen hem, want hij smeekt de Heere hem toch niet over te geven in de hand van zijn vijanden.

Maar hij eindigt ten slotte met een lied van vertrouwen in de God Die hem in alle tijden en omstandigheden heeft bijgestaan. Wanneer hij terugkijkt en de balans opmaakt van zijn leven, zegt hij: Zo ik niet had geloofd dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan.

Het is eigenlijk een afgebroken zin die David gebruikt, want ‘ik was vergaan’ is er door de vertalers aan toegevoegd. Het is eigenlijk een onuitgesproken gedachte, een uitroep, die luidt: Indien ik toch eens níet geloofd had! En daar stopt David dan. De vertalers hebben daar toen achter gezet: ‘Ik was vergaan’.

 

David kijkt terug op een veelbewogen leven, en hij probeert zich voor te stellen wat er van hem geworden zou zijn als hij níet had geloofd, als God níet zijn Heil en zijn Licht was geweest. Hij maakt de zin niet af, maar wil zeggen dat hij dan inderdaad bezweken was, dat hij dan was omgekomen in zijn ellende. Zo ik niet had geloofd.

Maar …, wát niet had geloofd? Hij zegt: Zo ik niet had geloofd dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden. Wat bedoelt David met dat goede des Heeren? In de berijmde psalm zingen we over ‘Gods gunst’ en ‘Gods hulp genieten zou’, maar eigenlijk is het zo ontzaglijk veel meer, en ontzaglijk veel dieper. Het goede des Heeren is een bekende uitspraak in de Bijbel.

U vindt die bijvoorbeeld in Jesaja 52:7, waar de profeet zegt: Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen die het goede boodschapt. Die de goede boodschap brengt van het goede. En dan gaat het over het Messiaanse heil; dat is ‘het goede’ in de profetie van Jesaja.

Paulus haalt dat aan in Romeinen 10, als hij het heeft over de evangeliepredikers. Dan noemt hij hen goede boodschappers van het goede. Het goede! De Heere zegt dat Hij het goede niet zal onthouden degenen die in oprechtheid wandelen. En de Heere Jezus leerde: Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel temeer zal uw Vader Die in de hemelen is, het goede geven dien die ze van Hem bidden (Matt. 7:11). Wat is toch die steeds terugkerende benaming ‘het goede’? Dat is het heil van de Messias, het heil van het Kind in de kribbe, het heil van de Kruiseling van Golgotha, het heil van de Middelaar Die tot God is weergekeerd en nu Hogepriester is in de hemel.

‘Het goede’, gemeente, dat is eigenlijk de troost van Zondag 1: Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en in het sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen heeft betaald en mij van de heerschappij des duivels heeft verlost en alzo bewaart, dat zonder de wil van Mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet. Dat is de prachtige omschrijving van ‘het goede’ in onze Catechismus.

 

En van dat heil zegt David nu: Zo ik niet had geloofd dat ik het goede zou zien in het land der levenden. Indien ik niet geloofd had dat ik deel had aan het heil van de Messias, indien dat licht niet op mijn pad geschenen had, indien ik het goede des Heeren niet had ervaren in het land van de levenden, wat zou er dan van mij geworden zijn? Het is een onuitgesproken vraag. Hij vraagt zich af: wat zou er dán van mij geworden zijn? Ik was vergaan, hebben de Statenvertalers erachter geplaatst.

Het is of David zeggen wil: toen ik ronddoolde in het gebergte van Judea, opgejaagd door Saul en mij in diepe spelonken moest verbergen, toen er een prijs op mijn hoofd stond; als ik toen niet geloofd had, als ik toen niet gelóófd had, Heere, dat U mijn Hulp en Licht wilde wezen!

Hij bedoelt verder: toen de koning van de Filistijnen, Achis, mij in de donkere kerker wierp en ik slechts op mijn dood kon wachten; indien ik toen niet geloofd had! En toen in Ziklag alles verbrandde en mijn vrouwen en mijn kinderen werden weggevoerd door de Amalekieten en mijn trouwste volgelingen tegen mij opstonden en mij wilden doden, als ik niet geloofd had! Indien ik toen niet geloofd had, Heere, als ik toen niet op U vertrouwd had, mijn Deel en Toeverlaat, ik was vergaan!

Toen ik zo zwaar gezondigd had, overspel had bedreven met Bathseba, zelfs haar man had laten doden, en toen de schuld als een zware last op mijn geweten drukte en mijn levenssap werd veranderd in zomerdroogte; als ik toen niet geloofd had dat er bij U, mijn God, vergeving is, ik ware vergaan. Toen mijn eigen zoon Absalom mij vervolgde en ik moest vluchten naar het Overjordaanse en Simeï mij vloekte in de Naam des Heeren, indien ik toen niet gelóófd had, Heere, wat zou er dan van mij geworden zijn?

 

Zo ziet David terug op zijn leven. Zo ik niet had geloofd dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden …, wat was er dan van mij geworden? Wat zou er dan van mij overgebleven zijn? Hoe ellendig en verloren zou ik dan geweest zijn! Dat wil David eigenlijk zeggen. Die afgebroken uitroep versterkt dus wat hij zegt. Hij kan het als het ware niet in woorden vatten hoe ellendig hij dan geweest zou zijn. En daarom roept hij alleen maar: Zo ik niet had geloofd! Hij kan het niet verder invullen. Wat was hij dan ellendig, verloren en geheel verwoest geworden. David heeft er geen woorden voor.

Inderdaad, gemeente, er zijn geen woorden voor hoe arm en ellendig een mens is zonder geloof, zonder Gods hulp, zonder Zijn gunst, zonder Zijn bijstand, zonder de enige troost in leven en in sterven, zonder het heil van Christus. David heeft er gewoon geen woorden voor, en er zijn ook geen woorden voor.

 

Zo’n leven ziet er aan de buitenkant niet altijd zo ellendig uit. Het kan er zelfs plezierig en voornaam uitzien, zoals Asaf dat in Psalm 73 ook zegt: Want er zijn geen banden tot hun dood toe en hun kracht is fris. Ze zijn niet in de moeite als andere mensen en worden met de andere mensen niet geplaagd. Ze hebben rust in de wereld en vermenigvuldigen het vermogen.

Ze leven zorgeloos, ze bekommeren zich niet om God of de eeuwigheid. Ze maken plezier, ze leven naar het goeddunken van hun eigen boze hart. Zo ziet dat leven er dikwijls uit. En als je niet verder kijkt, val je in dezelfde kuil als waarin Asaf viel. Hij was jaloers op de voorspoed van de goddelozen. En ziende op zichzelf zei hij: Mijn bestraffing is er alle morgen. Hun ogen puilen uit van vet, zegt hij, hun harten gaan de inbeeldingen te boven. Alles schijnt voorspoed; ze hebben plezier, ze feesten.

Misschien lijkt uw leven daar wel op en u denkt dat u het bijzonder getroffen hebt. Maar dan zegt Asaf: totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.

Hij moest weer dirigeren in de tempel en toen hij in de tegenwoordigheid van God kwam, veranderde hij. Toen lette hij op hun einde. Toen verlichtte de Heere zijn benevelde blik, en de Heere liet hem zien wat het einde is van de goddelozen. Toen zag hij de dingen weer door de goede bril, en hij zag de uitkomst van hun leven. Hij zag dat ze van de top van eer neerstortten in een eeuwige verwoesting. En hij zegt: Als een droom na het ontwaken. Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten. Hij zag hoe al hun schijngeluk zou vergaan, en dat ze als uit een droom zouden ontwaken in een eeuwige duisternis. Toen Asaf dat alles weer ontdekte, was hij weer genezen van zijn jaloersheid op de rijken en machtigen der aarde en zei hij: Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te zijn.

 

Gemeente, wat hebben ook wij deze genezing nodig. Wat hebben ook wij nodig dat God ons de dingen in het rechte licht laat zien. Op Oudejaarsavond zijn wij er toch wat vatbaarder voor dan op andere dagen van het jaar om de dingen in het rechte licht te zien, om de twee wegen te zien. De brede weg die naar het verderf leidt, en de smalle weg die naar de hemelse heerlijkheid leidt.

Dat heeft allemaal te maken met bekering. Bekering kun je uitleggen als – dat zegt Calvijn bijvoorbeeld – op een nieuwe manier gaan denken, tot een nieuw denken komen, tot een nieuwe beschouwing van de dingen komen. Dat gebeurt in de bekering. Dan ga je zien hoe de dingen in werkelijkheid zijn. Dan zie je de leegheid en de armoede van een leven zonder God, al is dat een leven in voorspoed, een leven van eer en plezier maken. Dan zie je wie de echte gelukkigen zijn: de mensen die God tot hun deel hebben en in Christus geborgen zijn.

 

Welke conclusie moet u nu trekken? Moet u tot de conclusie komen dat uw leven arm is, omdat u God niet kent, u niet in Christus geborgen bent en geen goede verwachting hebt voor de eeuwigheid? Laat dat brengen tot een zoeken naar God. Dan komt die ene grote vraag naar voren: Mijn ziel, doorziet ge uw lot? Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?

Het goede des Heeren, het heil van de Messias. Dat kende David, daar vond hij zijn sterkte en zijn troost in. We letten daarop in de tweede gedachte.

 

2. Een leven met het goede des Heeren

 

Zo ik niet had geloofd dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden. Ja, wat dan? Waar zijn we en waar blijven we dan, u en ik, wanneer we geen deel hebben aan Christus, aan het goede des Heeren, aan het heil van Christus? Wat moet onze zonde dan bedekken voor Gods heilige ogen? En wat moeten we dan, als we staan voor Zijn geduchte rechterstoel? Wat kan ons dan bekleden met een kleed van heil en een mantel van gerechtigheid?

Ja, waar zullen wij blijven, indien wij het goede des Heeren niet kennen? Waar zal je blijven met je levensschuld, waar moet je dan heen met je zonde en waar kun je dan troost vinden in het uur van je sterven? En waar moet je je dan verbergen voor de vloek van de overtreden Wet? En waar ben je dan veilig voor de toorn van de Almachtige, Die zeer vertoornd is om onze zonden?

Zo ik niet had geloofd. Het is als het ware een niet uitgesproken vraag. Dat houdt in: Hoe noodzakelijk, hoe onmisbaar is toch een waar geloof in de Heere Jezus Christus. Zo ik niet had geloofd; indien ik toch het geloof, het echte geloof niet had, Heere, dan was ik vergaan.

 

Alle nadruk ligt op het geloof. Ligt dan de grond van de zaligheid in ons geloof? Heeft Davids geloof hem gered? Is dan zijn geloof het fundament waarop hij zijn verwachting bouwt? Als dat zo is, moet David straks zijn geloof de eer geven van zijn eeuwige behoudenis. U begrijpt wel dat we zo niet over het geloof mogen spreken.

Toch doen mensen dat wel. Je hoort mensen zo dikwijls zeggen: ik steun op mijn geloof. Je hoort mensen ook bijna hetzelfde zeggen als wat David zegt: Als ik mijn geloof toch eens niet had gehad. Maar ons geloof redt ons niet, gemeente. Hetgeen ons geloof aangrijpt, Christus door het geloof aangegrepen, het bloed van Jezus waarachter het geloof schuilt – dat redt en dat behoudt.

Het geloof is wel onmisbaar. De doodslager had wel een hand nodig om zich vast te grijpen aan de bebloede hoornen van het altaar. Maar zijn hand redde hem niet. Het bloed van het offerdier aan de hoornen van het altaar, dat redde hem. Daar was reeds iemand gedood, en dan mocht de doodslager niet gedood worden.

 

Zo ik niet had geloofd. Dat dwingt ons toch om iets te zeggen over de vraag wat het geloof is. We hebben er dikwijls zulke verkeerde voorstellingen van. Allereerst: geloof staat in verband met de menselijke verlorenheid, met onze zonde en vooral met onze schuld. Daar weten we verstandelijk natuurlijk alles van. We kunnen die menselijke verlorenheid precies onder woorden brengen. Maar het gaat in het geloof om een besef van je verlorenheid en schuld, en niet alleen maar om een koude en beschouwende kennis. Het gaat om een besef van je verlorenheid en schuld dat je ráákt. Het gaat om een gekende en een gevoelde nood. Het zijn toch altijd de nood en de ellende die ons naar Christus de Zaligmaker brengen.

 

Gemeente, we moeten ons niet tegen het leerstuk van de ellende verzetten, want noodzaak en behoefte is de kortste weg naar Christus. Zondebesef begeleidt het geloof levenslang. Het is altijd weer de kennis van onze ellende, die gevoelde en doorleefde kennis van onze schuld voor God die ons vatbaar maakt voor het Evangelie, die ons vatbaar maakt voor het goede des Heeren, voor het door Christus aangebrachte heil. Dat maakt de belofte van God ook dierbaar, de belofte waarin de Heere zegt dat ieder die de gekruisigde Jezus aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven zal hebben. Het geloof redt dus omdat het zich aan Christus vastgrijpt.

De bekende Hugo Binning zegt: ‘Het geloof is het aankleven van een verloren ziel aan Christus.’ Wat is dat een gezegend aankleven, dat zegt: Tot Wien zullen wij heengaan, Gij hebt de woorden van het eeuwige leven. Tegenover alle veroordelingen van de Wet en het eigen geweten klampt het geloof zich vast aan Christus, aan het goede des Heeren, aan het heil dat in Christus is verschenen. Het geloof heeft altijd de eigenschap om hulp en redding bij God te zoeken in alle nood.

 

Wat zien we dat in het leven van David, en in de psalmen die hij dichtte. De psalmen leggen er getuigenis van af: Zo ik niet had geloofd dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden. Dan merken we dat het geloof van David op het nauwst verbonden is met zijn gebed. Zijn nood bestaat uit een roepen en zoeken van hulp en troost bij God. Daarom zegt Calvijn: ‘Het gebed is de krachtigste oefening van het geloof.’

Er is meer geloof in bidden dan wij denken, want biddend en roepend neemt de zondaar toevlucht tot God, zich verlatend op Zijn beloften.

Wat zien we dan in de psalmen? Daar zien we dat het ‘zo ik niet had geloofd’ maar geen woorden zijn van David. Nee, het was zijn leven! Dat zien we als hij in de gevangenis zit van koning Achis. In Psalm 34 zegt hij bijvoorbeeld: Ik heb den Heere gezocht, en Hij heeft mij geantwoord (Ps. 34:5). Dan zegt hij: Deze ellendige riep en de Heere hoorde (Ps. 34:7).

In Psalm 142, waar boven staat ‘Een gebed van David toen hij in de spelonk was’, zegt hij: Tot U riep ik, o HEERE; ik zeide: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden (Ps. 142:6).

In zijn psalmen ontmoeten we David als een gelovige, maar vooral als een gelovige bidder. Hij zei: Ik riep met mijn stem tot den Heere, en Hij verhoorde mij van den berg Zijner heiligheid (Ps. 3:5).

Zo ik niet had geloofd. Als dat er niet geweest was, als dat biddend geloven er niet geweest was, dan was ik vergaan, zegt David. David kende God als zijn Toevluchtsoord en dat zegt hij ook in Psalm 27: De Heere is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De Heere is mijns levens Kracht, voor wien zou ik vervaard zijn? (vers 1)

Ook op zijn sterfbed ontmoeten we dit geloof. Het begint met een belijdenis: Hoewel mijn huis alzo niet is bij God (2 Sam. 23:5). David moet zeggen: Hoewel ik en mijn gezin niet geweest zijn wie wij voor God hadden moeten zijn. Maar dan volgt: Nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gemaakt, dat in alles wel verordineerd en vast is. Voorzeker, daarin is altijd heil en altijd rust.

Zo ik niet had geloofd … David verlaat zich op het goede des Heeren, op het heil van de Messias. Hij kan met recht zeggen: O, als ik toch eens niet geloofd had, wat was er dan van mij geworden?

 

De vraag is: kennen wij dit biddende geloof van David? Maar laten we samen nu eerst zingen van Psalm 73 en daarvan het eerste vers:

 

Ja waarlijk, God is Isrel goed

Voor hen die rein zijn van gemoed.

Hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen,

Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.

Maar ach, hoewel mijn ziel dit weet,

Mijn voeten waren in mijn leed

Schier uitgeweken; en mijn treên

Van ’t spoor der godsvrucht afgegleên.

 

Gemeente, het komt als een vraag op de Oudejaarsavond naar ons toe: kan ik David nazeggen: Zo ik niet had geloofd dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden? Kunt u zeggen: indien ik toch eens níet geloofd had dat God mijn Licht en mijn Heil is, dat ik deel heb aan het goede des Heeren, aan het heil van Christus, wat zou er dan van mij terechtgekomen zijn?

Als u de vreselijke boodschap ontvangt dat u ongeneeslijk ziek bent, dat men niets meer voor u kan doen, dat u zich op de dood moet voorbereiden, kunt u dan zeggen: Zo ik niet geloofd had? Als uw leven instort, uw huwelijk stuk loopt of uw kind, uw man of uw vrouw u ontvallen, als u werkloos wordt of uw bedrijf failliet gaat, als uw idealen worden vernietigd, als alles onder uw voeten wordt afgebroken? Houdt u dan over wat David overhield en kunt u met David zeggen: Zo ik niet had geloofd dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan?

 

Gods kinderen zeggen het David na, want zij weten ervan dat zonde tot zonde werd, en schuld tot schuld, en Gods Geest hen overtuigde dat ze al Gods geboden hadden overtreden. Toen zagen ze dat al hun gerechtigheden een wegwerpelijk kleed zijn, en dat ze God zeer vertoornd hadden met hun zonden en bedreven kwaad. Toen verstonden ze ook dat God de zonde niet ongestraft kan laten; toen leefden ze hun verlorenheid in en moesten ze zeggen: ‘k Wou vluchten, maar kon nergens heen, daar mij de dood voor ogen scheen.

O, indien ik toen niet geloofd had, als er toen geen deur was opengegaan in het dal van Achor, als ik toen geen blik des geloofs had mogen slaan op de gekruisigde Jezus Die de vloek van vloekelingen heeft gedragen, ik ware vergaan.

Ja, wat zal er van de christen worden in zijn strijd tegen de driehoofdige doodsvijand, te midden van al zijn beproevingen en noden, indien hij door het dierbare geloof geen houvast heeft aan God en aan Zijn beloften? Wat zal er van hem worden als hij de troost niet kent, de enige troost in leven en sterven, namelijk het eigendom van Christus te zijn? Het is het geloof dat de wereld overwint, zei Johannes. En dit is de overwinning die de wereld overwint, zegt hij nogmaals: namelijk ons geloof (1 Joh. 5 : 4). Het geloof dat in bidden en schreien, in roepen en vluchten de toevlucht neemt tot God en zich verbergt onder Zijn vleugelen. Dit geloof ziet op de Gekruisigde, Die dood, hel en graf heeft overwonnen; en daardoor weet en ervaart de gelovige dat er geen verdoemenis is voor hen die in Christus Jezus zijn.

 

Aan het eind van het jaar maken we de balans op en kijken we terug. Kunt u dan met David zeggen: Zo ik niet had geloofd dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden? Kunt u als het ware die uitroep ook slaken: O, indien ik toch eens níet geloofd had! Indien ik toch eens níet wist dat ik deel aan Christus en Zijn heil had, dat de Heere mijn Licht en mijn Heil is, dan was ik vergaan in al mijn smart en rouw. Ik zei het al: David heeft er geen woorden voor hoe arm en verloren, hoe uitzichtloos, hoe donker en hoe wanhopig zijn leven dan geweest zou zijn.

En ja, misschien is uw leven zo, misschien is uw leven een leven zonder geloof, zonder dat levend geloof dat zich uit in roepen en smeken, in vluchten, in komen tot God en Christus. Misschien is uw leven een leven zonder geloof. Wat moet er dan van u worden als de dood aan uw deur komt en als u God moet ontmoeten?

Kinderen, als de Heere Jezus niet je Zaligmaker is, als je niet echt met je hart in Hem gelooft, hoe moet het dan met je als je plotseling zou moeten sterven?

En jonge mensen, wanneer jullie een dodelijk ongeval zou overkomen en je moest God ontmoeten zonder het echte geloof dat vlucht en zich verbergt bij God en bij Christus, hoe moet het dan?

 

Zo ik niet had geloofd, zegt David. Hij heeft er als het ware geen woorden voor. En gemeente, ik ook niet. Ik zou voor duizend werelden niet in de schoenen willen staan van een mens die onbekeerd en zonder Christus is.

Daar moet u aan denken op de Oudejaarsavond. Want de Heere klopt op onze deur. Ook op jullie deur, jonge mensen, heeft de Heere geklopt. Dat gebeurde toen een leeftijdsgenoot zo plotseling stierf en voor zijn Schepper moest verschijnen. Laat dat toch zo maar niet aan je voorbijgaan, zodat je je vanavond weer uit kunt leven in de Oudejaarsnacht. Denk er aan wat de Heere je te zeggen heeft door die klop op jouw deur: dat je Hem zoeken zult terwijl Hij te vinden is.

 

Daarom: Ontwaakt gij die slaapt en sta op uit de dood, opdat Christus over u lichten zal. Want heden is de aangename tijd, de dag der zaligheid. U leeft in een aangename, in een zeer voorspoedige tijd. U wordt geroepen en genodigd. Engelen zijn bereid u bij de hand te nemen en u uit Sodom te leiden. En God verklaart: Ik heb geen lust in uw dood maar daarin, dat u zich zult bekeren en leven. O, wat bent u nu in een gunstige positie, als u leeft onder de verkondiging van het Evangelie.

Maar wat zal het zijn als u niet geloofd hebt, als u de weg geweten hebt, als Jezus u verkondigd is, als de deur van de genade voor u is geopend, maar dat u niet hebt gewild dat God Koning over u zou zijn!

David had er geen woorden voor: Zo ik niet had geloofd, wat zou er dán van mij geworden zijn? En wat moet er van u worden als u onbekeerd leeft en sterft?

 

Maar volk des Heeren, u bent getroost, beide in leven en sterven, want u hebt deel aan het goede des Heeren, aan het allerbeste deel, het allerbeste van de Heere. U hebt deel aan Christus en Zijn heil. Hij heeft u niet alleen met Zijn dierbaar bloed verlost heeft en voor al uw zonden betaald, maar Hij zal het ook zó met u maken dat alle dingen zullen medewerken ten goede, dat alle ding tot uw zaligheid dienen moet.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 27 : 7

 

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven

Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Wacht op den Heer’, godvruchte schaar, houd moed;

Hij is getrouw, de bron van alle goed;

Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;

Wacht dan, ja, wacht; verlaat u op den Heer’.

 

 

Na het noemen van de namen van overleden gemeenteleden: Psalm 89 : 19 en 7