Ds. M. Karens - 1 Johannes 2 : 7 - 11

Een gebod van liefde

Oud en nieuw
Duisternis en licht
Haat en liefde

1 Johannes 2 : 7 - 11

1 Johannes 2
7
Broeders! Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebt; dit oud gebod is het woord, dat gij van den beginne gehoord hebt.
8
Wederom schrijf ik u een nieuw gebod: hetgeen waarachtig is in Hem, zij ook in u waarachtig; want de duisternis gaat voorbij, en het waarachtige licht schijnt nu.
9
Die zegt, dat hij in het licht is, en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nog toe.
10
Die zijn broeder liefheeft, blijft in het licht, en geen ergernis is in hem.
11
Maar die zijn broeder haat, is in de duisternis, en wandelt in de duisternis, en weet niet, waar hij henengaat; want de duisternis heeft zijn ogen verblind.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 3
Lezen : 1 Johannes 2: 7 - 17
Zingen : Psalm 119: 14 en 53
Zingen : Psalm 119: 32
Zingen : Psalm 119: 83

Gemeente, met de hulp van de Heere willen wij samen een gedeelte overdenken uit 1 Johannes 2, dit keer de verzen 7 tot en met 11. Ik lees u alleen vers 10, waar het Woord van God aldus luidt:

 

Die zijn broeder liefheeft, blijft in het licht, en geen ergernis is in hem.

 

Wij schrijven onder dit gedeelte: Een gebod van liefde.

 

Daarbij letten we op drie aandachtspunten:

In de eerste plaats lezen we in de verzen 7 en 8 over ‘oud en nieuw’: Broeders, ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod.

In de tweede plaats, in vers 8b, over ‘duisternis en licht’: Want de duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt nu.

En in de derde plaats spreken de verzen 9 tot en met 11 over ‘haat en liefde’.

 

Het gaat in het voorgelezen tekstgedeelte dus over: Een gebod van liefde.

 

Drie gedachten, die iedereen kan onthouden:

1. Oud en nieuw.

2. Duisternis en licht.

3. Haat en liefde.

 

  1. Oud en Nieuw

 

Gemeente, we denken nu na over het afsluitende gedeelte van de eerste dingen die Johannes aan de gemeenten in Turkije schrijft. Na vers 12 volgt een heel ander thema.

Degenen die Christus kennen worden vermaand om Zijn geboden te onderhouden. Johannes onderwijst hen dat dit in verscheidene opzichten een nieuw en oud gebod is, en wekt ze daarna op tot liefde tot de naaste.

In onze tekst staat deze liefde tot de naaste centraal. We komen dan drie tegenstellingen tegen, drie scherpe contrasten. Het is heel opvallend dat de apostel Johannes in zijn Evangelie en brieven graag over tegenstelde dingen spreekt: dood en leven, licht en duisternis, haat en liefde. Deze drie tegenstellingen brengt Johannes in dit gedeelte vooral naar voren.

 

Johannes begint met een opmerkelijke aanspraak. Hij noemt de gelovigen nu niet ‘mijn kinderkens’, zoals in vers 1, maar ‘broeders’, want hij gaat hier spreken over de gemeenschap der heiligen en de broederlijke liefde. Het is duidelijk dat Johannes schrijft aan de ware gelovigen, aan Gods kinderen, mannen en vrouwen die door Gods genade tot het geestelijk huisgezin behoren.

In artikel 35 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt Guido de Brès dat sommige mensen alleen maar een natuurlijk leven hebben, maar dat er ook mensen zijn die door wedergeboorte daarnaast een geestelijk leven hebben, omdat ze uit God geboren zijn in een geestelijk huisgezin. Zij mogen God tot een Vader hebben en de Heere Jezus Christus als oudste broeder. Zulke mensen spreekt Johannes aan met: broeders, gij die mij dierbaar zijt, door de band der liefde verbonden.

 

Wat schrijft hij ze dan? Je ziet de oude apostel zitten met zijn pen en papyrusrol. Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod. Hij gaat berichten over het gebod om God lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf. Kanttekening 22 zegt: ‘Namelijk als ik met dit mijn schrijven u voorhoud, en ernstig indruk, het gebod van zijn naasten lief te hebben, hetwelk niet nieuw is, daar het niet alleen in het Oude Testament voorgesteld wordt; maar ook van het begin der prediking van het Evangelie altijd sterk is gedreven geweest.’ Johannes zegt dus: ‘Ik ga jullie, broeders, schrijven over het leven van heiligmaking en dankbaarheid. Als ik schrijf over de liefde Gods die in het hart is uitgestort, over de wederliefde tot God en onze naaste, dan is dat niet nieuw.’

 

Blijkbaar hebben de dwaalleraars, de tegenstanders van Johannes – dat is de achtergrond van deze brieven – gezegd: ‘Voor Johannes moet je oppassen, want hij wil iets nieuws invoeren.’ Maar Johannes zegt: ‘Broeders, wees maar niet bang. Ik schrijf jullie geen nieuw gebod.’ Juist zij die de gemeente verlaten hebben, willen allerlei vernieuwingen en veranderingen invoeren.

Maar Johannes heeft daar geen behoefte aan: Ik schrijf u geen nieuw gebod. Hij herhaalt hiermee het aloude gebod, dat in het Oude Testament al ligt verklaard, en dat de Heere Jezus in Zijn prediking de discipelen heeft voorgehouden.

Het voorschrift en bevel om God lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf is dus een ‘oud’ gebod. Het is zo oud als de mensheid zelf, want het was ingeschapen in het hart van onze eerste ouders Adam en Eva.

Twee keer benadrukt Johannes in zijn vermaning dat ze dit kunnen weten. Het is een oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebt. Dit oude gebod is het woord, dat gij van den beginne gehoord hebt. Twee keer staat hier van den beginne, een vaak voorkomende uitdrukking bij de apostel Johannes.

De Goddelijke wil ligt in dit gebod verklaard. In de schepping heeft de Heere dat ingeschapen in het hart van de mens. Bij de Sinaï heeft het gebod geklonken om God lief te hebben boven alles en de naaste als onszelf. Ook de Heere Jezus heeft dit gebod verkondigd: Hebt uw vijanden lief; zegent hen die u vervloeken (Matth.5:44).

 

Met ‘gij’ in vers 7 worden mensen aangesproken van de verschillende gemeenten aan wie deze algemene zendbrief geschreven is: mensen in Sardis, in Philadelphia, en in Laodicéa, in Turkije. De meeste gemeenteleden waren uit de duisternis van het heidendom getrokken, door de kracht van de Heilige Geest. Vanaf het begin dat zij de prediking hoorden en de Heere met Zijn Heilige Geest in hun hart werkte, heeft dit gebod geklonken. We kijken maar naar kanttekening 23: ‘Dat is, van dat gij tot de kennis van Christus geroepen zijt.’

Ze hebben het van den beginne gehoord, vanaf het moment van hun bekering, vanaf het ogenblik dat God hen door genade inwendig door Woord en Geest, uit de dood tot het leven riep. Ze hebben het gehoord vanaf de dag dat de Evangelieprediking gekomen is en door de kracht van de Geest vrucht heeft gedragen. Gemeente, dat wijst op het werk van God in hun hart, het werk van de wedergeboorte en de bekering, en het geloof in Christus.

 

Ligt er in ons leven ook een Goddelijk begin? Mogen wij ook weten van een ogenblik dat dit verkondigd is, toen wij dit Woord hoorden met een doorboord oor en een door de Geest geopend hart?

Koning Zedekia bijvoorbeeld hóórde het wel, maar zijn hart was verstokt en verhard. Hij werd geen dáder des Woords. Hier mogen deze mensen het van de apostel Johannes horen: ‘Vanaf het begin dat gij dit Woord hebt gehoord, vanaf het uur van Gods welbehagen waarin de Heere u bekeerde, zijn uw oren doorboord, uw harten geopend en hebt u dit Woord gehoord en het gebod vernomen.’

Ze horen het dus niet voor de eerste keer. U trouwens ook niet. Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebt.

In zijn tweede zendbrief schrijft Johannes in het vijfde vers: En nu bid ik u, uitverkoren vrouw, niet als u schrijvende een nieuw gebod, maar hetgeen wij gehad hebben van den beginne, namelijk dat wij elkander liefhebben. En dit is de liefde, dat wij wandelen naar Zijn geboden. Dit is het gebod, gelijk gijlieden van den beginne gehoord hebt, dat gij in hetzelve zoudt wandelen (2Joh.5-6). Het komt dus terug in zijn tweede brief, wanneer hij schrijft aan een godzalige vrouw.

 

Als we nu verder lezen wat Johannes schrijft, wordt het wel een beetje vreemd. Want wat zegt hij dan? Wederom schrijf ik u een nieuw gebod. Begrijp jij het nog? Hij heeft zojuist gezegd: Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod. En één vers verder zegt hij: Wederom schrijf ik u een nieuw gebod. Dit vraagt wel enige toelichting.

Het Griekse woord ‘wederom’ betekent: opnieuw, daarentegen. Om u aan te sporen, schrijf ik een nieuw gebod. Het lijkt met elkaar in tegenspraak. Maar kanttekening 25 kan ons waarschijnlijk wel helpen: ‘Dat is, dat op een nieuwe wijze van Christus en Zijn apostelen voorgesteld en gedreven wordt, met zijn eigen voorbeeld en bijzondere liefde bevestigd is en door den Geest van God in de harten der gelovigen wordt ingeschreven, volgens de beloften van het Nieuwe Verbond.’

Dus Johannes zegt: ‘Ik schrijf u een nieuw gebod, namelijk dat oude gebod, maar het is nieuw geworden door Christus en door de apostelen voorgesteld.’ Het is een nieuw gebod van liefde, naar het voorbeeld dat Christus ons heeft voorgehouden en dat door de Heilige Geest in het hart wordt gewerkt volgens de beloften van het Nieuwe Verbond.

In Jeremia 31 staat: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven. Het is hetzelfde als dat oude gebod, maar het is vernieuwd in het licht van wat Christus gedaan heeft in het Nieuwe Testament.

 

Gemeente, jongelui, Gods Woord en Zijn geboden blijven altijd nieuw. Gods Woord is al oud en de geboden ook. Dat gebod van liefde is 6000 jaar geleden al in het hart van Adam en Eva ingeschapen, maar de Wetgever verandert niet, wat er ook allemaal aan vernieuwing in de maatschappij en in de kerk plaatsvindt. ‘Gij evenwel, Gij blijft Dezelfd’, o Heer’!’

 

Zijn geboden en Woord blijven vast en onverbroken. Daarom zegt Johannes: Ik schrijf u een nieuw gebod. Het gebod van de naastenliefde is in het licht van de Heere Jezus Christus komen te staan. Hij maakt alle dingen nieuw. Dat heeft Hij gezegd en dat heeft Johannes goed in zijn oren geknoopt.

Het is heel opvallend hoeveel verwijsteksten naar het Evangelie van Johannes er in deze brief voorkomen. In Johannes 13 zegt de Heere Jezus tegen zijn discipelen: Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt (Joh.13:34).

Johannes heeft het goed gehoord. Door Jezus’ voorbeeld is het gebod vernieuwd. Door het geloof in Christus wordt het werkelijkheid in het leven van de ware gelovigen: ‘Gun door ’t geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid.’

 

In vers 6 staat: Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft. Het nieuwe eraan is dit: Dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was, Die Zichzelf zo nameloos diep heeft vernederd, Die Gode even gelijk was, maar de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen.

Dat nieuwe gebod van de liefde komt duidelijk uit in het licht van de liefde van God de Vader, Die Zijn Zoon heeft gegeven, in de liefde van God de Zoon voor verloren rampzalige zondaren, voor vijanden, en in de liefde van de Heilige Geest, die plaatsmaakt in het hart van een dode zondaar. Zo krijgt dit oude gebod van liefhebben een nieuwe invulling. De hoofdsom van de geboden blijft ‘liefhebben’, maar nu hebben we Jezus’ voorbeeld om na te volgen.

In het boek ‘Schijnbare tegenstrijdigheden in de Heilige Schrift verklaard’ legt dominee Johannes Polyander, een afgevaardigde op de bekende Dordtse Synode, tegenstellingen in de Bijbel uit. Daarin wordt ook deze tekst besproken. Hij schrijft dan: ‘Voor de zwakke mens is dit nodig. Want als wetten nieuw zijn, worden ze vaak stipt nageleefd. Maar op de lange duur slijt dit al spoedig af en worden ze ganselijk nagelaten. Opdat dus de wet der liefde des te dieper in de harten van mensenkinderen zou worden ingedrukt, heeft de Zoon van God dat oude, reeds lang bestaande gebod, voortdurend als een nieuw gebod voorgehouden en laten afkondigen. Zo kunnen wij dus zeggen dat het gebod van de broederliefde oud en nieuw is.’

 

Ik zag vroeger in het zakenleven weleens dat op een product dat al jarenlang in de handel en een beetje verkleurd was, een grote sticker werd geplakt waarop stond: NIEUW. Dan trok het de aandacht weer en werd het alsnog verkocht. Op het oude gebod dat de Heere ons heeft nagelaten, zit nu met eerbied gesproken een sticker, met daarop in grote, felle letters: NIEUW, zodat Gods kinderen in de gemeenten van Turkije en de ware gelovigen in de huidige kerk zouden worden opgescherpt en hun dit gebod opnieuw zou worden voorgehouden.

Wat is dan eigenlijk het nieuwe?

De rest van deze tekst is in het Grieks een heel lastige zin, waar veel verklaarders moeite mee hebben. Hetgeen waarachtig is in Hem, zij ook in u waarachtig. Wat wil dat zeggen?

We gaan naar kanttekening 26: ‘Dat is, de liefde die waarlijk in Christus jegens ons is, die zij ook waarlijk in u.’ Het gaat hier dus over de liefde tot de medemens, in het bijzonder over de liefde tot Gods kinderen: de broederliefde. Zoals deze liefde waar is in Christus, zo moet die liefde ook waar zijn in u. Als we Christus mogen kennen en door een waar geloof in Hem ingelijfd zijn, als we mogen weten van die genade, dan zal diezelfde liefde ook in ons openbaar moeten komen.

Weet u wat me opviel? Er staat: hetgeen in Hem waarachtig ís, niet ‘was’. Als het over de liefde van Christus gaat, zou je kunnen zeggen: ‘was’. De liefde van Christus was onpeilbaar diep en groot omdat Hij neergelegd wilde worden in de kribbe van Bethlehem. Zijn liefde was onuitsprekelijk groot, als een fontein, toen Hij de weg ging van kribbe naar kruis. Hij is God uit God, Licht uit Licht, maar moest klagen: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge (Matth.8:20).

Maar er staat niet ‘was’. Er staat ‘is’. Dus Hij heeft ook vandaag Zijn kinderen lief. Kunt u dat geloven, kind van God? Die onbevattelijke liefde is onveranderlijk en Hij is eeuwig getrouw. Is dat niet het grote wonder? Hij heeft ze lief met een eeuwige liefde. Daarom heb ik u getrokken met goedertierenheid (Jer.31:1).

Deze innerlijke ontferming en liefde die Hij openbaart in Zijn woorden en werken, zij ook in u waarachtig. Dat is: waar, betrouwbaar, werkelijkheid. Die liefde zij ook in u, in Gods kinderen, in de leden van dat lichaam waar hij het Hoofd van is, in die ranken van de Wijnstok. Wat een aansporing en wat een onderzoek in het licht van de genade die we bespreken.

 

Is er nu iets van dit gevoelen dat in Hem is, ook in ons te vinden? Deze liefde zij ook in u waarachtig. Het is wat moeilijk in het Grieks, maar taalkundig kan het woordje ‘zij’ hier zowel een constatering als een aansporing zijn. Dus hetgeen in Hem waarachtig is, is ook in u waarachtig. Maar het is ook een aansporing, een bevel. Dus hetgeen waarachtig is in Hem, moet ook in u waarachtig zijn. Die liefde moet veel meer openbaar komen in uw leven; die moet zichtbaar zijn.

In 1 Johannes 3 vers 16 staat eigenlijk hetzelfde, maar dan met andere woorden: Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen. Als er nu iets van die liefde van God in Christus waar is in ons hart, zal dat in ons leven openbaar komen in liefde tot de naaste, zoals Christus het heeft gezegd in Johannes 15 vers 12: Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs Ik u liefgehad heb.

Daar heb je weer diezelfde woorden. Johannes heeft goed geluisterd naar dat onderwijs. Hij was toen twintig, en nu is hij negentig. Geen leed zal het ooit uit zijn geheugen wissen, want hij is door Christus geleerd.

 

Wat in Hem is, dat zij ook in u. We hebben u deze tekstwoorden verklaard. Laat uw hart en mond, laat uw handen en alles getuigen van die liefde tot God en de naaste.

Gemeente, wij kunnen van alles bespreken, maar bedenk dat alleen wie in Christus is, een nieuw schepsel is. Het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden, zegt Paulus (2Kor.5:17).

Van deze hartelijke vernieuwing door Woord en Geest zal iets openbaar komen in een leven naar dat oude en tegelijk nieuwe gebod van de liefde.

Hoe komt die naastenliefde dan openbaar?

Het Avondmaalsformulier zegt: ‘(…) en zulks niet alleen met woorden, maar ook met de daad jegens elkander bewijzen.’ Dus: Door in liefde werkzaam te zijn voor anderen, voor de gemeente, voor mensen in deze wereld, maar bovenal door in liefde werkzaam te zijn in de gemeenschap der heiligen. Liefde komt ook openbaar in het gebed voor de naaste, in het elkaar ontmoeten aan de troon der genade. Het zal openbaar komen in een meeleven in nood en zorg.

 

In het derde hoofdstuk van deze brief zegt Johannes: Zo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijn broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem? Hoe kan dit bestaan, broeders? Wat waarachtig is in Jezus, dat zal ook waarachtig zijn in u. Zo behoort het te zijn in de gemeenten daar in Turkije. Zo behoort het te zijn in de gemeente van Christus anno nu. Daarin klinkt iets door van Psalm 133: ‘Ai ziet, hoe goed, hoe lieflijk is ‘t dat zonen van ’t zelfde huis als broeders samenwonen.’ Dat die liefdegeur ook voor jongeren mag worden verspreid, opdat zij voor Christus en Zijn liefdedienst ingewonnen mogen worden!

We gaan er eerst van zingen uit Psalm 119 vers 32:

 

Ik ben een vriend, ik ben een metgezel

Van allen, die Uw Naam ootmoedig vrezen,

En leven naar uw Goddelijk bevel.

O Heer’, hoe wordt Uw goedheid ooit volprezen!

Gij doet op aard’ aan alle scheps’len wel;

Och, wierd ik in Uw wetten onderwezen!

 

Onze tweede gedachte:

 

  1. Duisternis en licht

 

We lezen verder in vers 8 en 9: Want de duisternis gaat voorbij, en het waarachtige licht schijnt nu. Die zegt dat hij in het licht is, en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nog toe. Johannes zegt nu dat de liefde tot God en de naaste, die zo openbaar kwam in het leven van Jezus, ook waarachtig (dat is: echt) moet zijn in u: Want de duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt nu. Het woordje ‘want’ geeft aan waaróm wij dit nieuwe gebod moeten opvolgen.

 

Wat betekent ‘duisternis’ in de Bijbel? Het is een beeld van het leven in zonde en van haat. Duisternis heeft te maken met nacht, met angst en met onrust.

Als een klein kind alleen naar boven gaat als het donker is, dan zal het al gauw aan papa of mama vragen of er een lampje aan mag. Want in het natuurlijke duister voelen we ons niet zo thuis. Maar hier gaat het over geestelijke duisternis. In de Heilige Schrift is dat een beeld van onwetendheid en liefdeloosheid. De kanttekenaren merken bij het woordje ‘duisternis’ op: ‘Namelijk van onwetendheid en goddeloosheid die tevoren in de wereld was eer het Evangelie gepredikt werd.’

Duisternis is van nature de staat van de gevallen mens – wij kozen de duisternis boven het licht. Wij kozen voor de vorst der duisternis en doen zijn werken. Daarom is ‘duisternis’ het woord dat precies jouw en uw en mijn leven van nature beschrijft.

Dat hoort u waarschijnlijk al uw leven lang. Maar is dat nu al eens werkelijkheid geworden? Daar gaat het toch om in het licht van de eeuwigheid? Heb ik al leren belijden dat deze duisternis mijn eigen schuld is?

Of wandelen wij in het licht van Gods vriendelijk aangezicht? Mag u weten van zo’n wonder van Goddelijke genade? Al zijn de wegen van de Heere onderscheiden en werkt Hij door Zijn Geest op verschillende wijzen, toch zullen al Gods kinderen zeggen dat ze eertijds duisternis waren, de een in de wereld en de zonde zoals de goddeloze Manasse en de ander godsdienstig, zoals Saulus van Tarsen.

Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, naar Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus. Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave (Ef.2:4,5,8).

 

Mag u weten getrokken te zijn uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht?

Paulus schrijft dat aan de Efeziërs: Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere. Let op: in de Heere. Door het geloof in Christus is de duisternis veranderd in licht. Wandelt als kinderen des lichts (Ef.5:8), is het bevel van de apostel Paulus. Daarover schrijft Johannes ook hier: Want de duisternis gaat voorbij.

In het Grieks staat er letterlijk: de duisternis is bezig voorbij te gaan. Dat is een proces. De duisternis wijkt; hij bedoelt dan in de eerste plaats op deze wereld. Sinds dat gebod van Paulus en het woord van de Heere Jezus Christus in het Evangelie verkondigd wordt, mogen volken die in duisternis waren gehuld, merken dat deze voorbijgaat. Er worden mensen tot bekering gebracht onder de heidenen, waar dan ook op de wereld.

De ruiter op het witte paard gaat uit. De uitbreiding van het Koninkrijk Gods gaat voort. De duisternis gaat wijken, want Jezus heeft op Golgotha’s kruisheuvel de kop van de vorst der duisternis verslagen en vermorzeld. Hij heeft als het vrouwenzaad het slangenzaad gedood en de overwinning behaald. En nu is Hij bezig om uit de duisternis Zijn Kerk te verzamelen. Daarom kan het voor u nog in uw onwetendheid, in uw goddeloosheid.

 

Johannes leefde aan het einde van de eerste eeuw toen het Evangelie van vrije genade over de wereld ging en de duisternis moest wijken. Het waarachtige licht schijnt nu. Kanttekening 30 zegt: ‘Namelijk der zaligmakende kennis van God en Zijner beloften en geboden.’ Het waarachtige licht is het licht van Gods genade in de Heere Jezus Christus, Die gezegd heeft: Ik ben het Licht der wereld (Joh.8:12).

Van dit licht heeft Jesaja geprofeteerd: Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien (Jes.9:1). Over een volk dat gebonden ligt en woont in de schaduwen van de dood, zal een licht opgaan.

De Heere Jezus Christus is het waarachtige, ware Licht, het Licht der wereld. Dat Licht schijnt nu, in het heden van de genade. Dat geldt niet alleen voor de mensen die deze brief lezen. Dat geldt ook voor jou, voor u en voor mij. Wij mogen leven onder de verkondiging van het Licht, onder de prediking van het zaligmakende werk van de Heilige Geest. Kanttekening 31 zegt: ‘Namelijk in de leer van het Evangelie, die wij verkondigen.’ Dus in de boodschap van het Woord wordt nu verkondigd: ‘Een licht, zo groot, zo schoon, gedaald van ‘s hemels troon.’

 

Dat licht schijnt nu! Morgen misschien niet meer. Overmorgen wordt het misschien gedoofd. Wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte en de Morgenster opga in uw harten (2Petr.1:19).

De verkondiging van het Woord is in deze duistere wereld een licht, zegt Johannes. Heb je dat licht in je duistere, stikdonkere bestaan mogen ervaren? Is dat licht gaan schijnen? Gemeente, dan zult u het met de dichter eens zijn:

 

‘Hoe wonderbaar is Uw getuigenis!

Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren;

Want d' oop'ning van Uw woorden zal gewis,

Gelijk een licht, het donker op doen klaren;

Zij geeft verstand aan slechten, wien ’t gemis,

Van zulk een glans een eeuw’gen nacht zou baren.’

 

Als het licht van het Woord door de kracht van de Heilige Geest in ons leven valt en we in het Woord Hem mogen leren kennen Die het licht der wereld is, dan wordt niet alleen dat Woord je lief, maar ook de verkondiging ervan.

 

Johannes heeft geschreven: De duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt nu. Hier op aarde zullen duisternis en licht naast elkaar bestaan. In de wereld overheerst de duisternis, maar ook in de kerk zullen licht en duisternis elkaar afwisselen. Er zullen twisten zijn. Hebben de discipelen niet gestreden wie van hen toch de meeste zou zijn? Moet de apostel van liefde daaraan denken als het hier gaat over licht en duisternis, liefde en haat? Moet hij misschien denken aan de apostel Paulus die onenigheid had met Barnabas?

Duisternis en licht blijven elkaar afwisselen, ook in het persoonlijk leven van Gods kinderen, waar de blinkende Morgenster is opgegaan en de Zon der gerechtigheid Zijn stralend licht heeft geschonken. Hier zijn de dagen der duisternis talrijk, want de zonden maken scheiding. Merkt u dat, kind van God? Dan moet de Heere Zijn vriendelijk aangezicht verbergen. Hij kan zo achter de wolken van ons zondig schuil gaan. En toch mag hier het licht telkens – op Zijn tijd – weer weer opgaan in onze duisternis.

 

Want de duisternis gaat voorbij, is bezig om voorbij te gaan. Johannes doelt waarschijnlijk vooral op de dag van Jezus’ wederkomst. Dan is de duisternis voorgoed voorbij. Dan zullen de kinderen van God wandelen in het licht van Gods vriendelijk aangezicht.

Johannes heeft dit op het eiland Patmos gezien: En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars. En de volken die zalig worden, zullen in haar licht wandelen (Openb.21:23-24).

Verlangt u er weleens naar, kind des Heeren, dat de dagen der duisternis wegvlieden en u eeuwig mag wandelen in het licht van die gezegende Kaars?

 

In vers 9 van ons tekstgedeelte staat wat de gevolgen moeten zijn voor christenen: Die zegt, dat hij in het licht is, en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nog toe. In vers 11 wordt het herhaald: Maar die zijn broeder haat, is in de duisternis en wandelt in de duisternis, en weet niet waar hij heengaat, want de duisternis heeft zijn ogen verblind.

Eigenlijk gaat Johannes steeds in discussie met de dwaalleraars. In de verzen 6, 8 en 10 van het eerste hoofdstuk schrijft hij: Indien wij zeggen. Dat is meervoud. Maar in het tweede hoofdstuk gaat hij over op enkelvoud. In vers 4 staat: Die daar zegt. In vers 6 en 9: Die zegt dat hij. En in vers 10: Die zijn broeder liefheeft.

Wie denkt gemeenschap aan Christus te hebben en spreekt over de vrede des Heeren, maar zijn broeder haat, die liegt. Johannes is de apostel der liefde. Hij was ook de Boanérges, zoon des donders, zoals Christus had gezegd in Markus 3 vers 17. Volgens Johannes kunnen geloof en haat nooit samengaan. Spreken over Christus en anderen haten, kan niet. Het is een onbedrieglijk kenmerk dat je nooit je naaste mag verachten als je door een waar geloof deelt in de genade en in de gemeenschap van Christus; dat is onverenigbaar met elkaar.

Dit is een scherp woord. Johannes waarschuwt ons hier tegen zelfbedrog en dwaalleer in de gemeente. Zie op hun leer en leven. Zij zeggen dat ze in Christus zijn, maar haten elkaar. Paulus zegt het in 1 Korinthe 13 met andere woorden: Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, al ware het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven.

 

Gemeente, het komt aan op geloof en hoop. Maar weet u wat de meeste is van die drie gaven – geloof, hoop en liefde – die in de wedergeboorte in het hart worden uitgewerkt en door Christus en de Heilige Geest worden vermeerderd? Doch de meeste van deze is de liefde (1Kor.13:13). Staat ons leven in het teken van liefde of van haat?

 

Onze derde gedachte:

 

  1. Haat en liefde

 

Laten we onszelf onderzoeken in het licht van wat Johannes hier zegt. Want dat is de derde tegenstelling: haat en liefde.

Johannes schrijft in vers 10: Die zijn broeder liefheeft en in vers 11: Maar die zijn broeder haat. Het Griekse woordje ‘haat’ betekent hier: minachten, verachten, achterstellen, links laten liggen. In vers 15 van hoofdstuk 3 lezen we daar ook over, en in hoofdstuk 4 vers 20 staat: Indien iemand zegt: Ik heb God lief; en haat zijn broeder, die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, Dien hij niet gezien heeft?

Het komt telkens weer terug in deze brief: Een iegelijk die zijn broeder haat, is een doodslager; en gij weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende (1Joh.3:15).

 

Johannes gaat scherp in op dat oude en nieuwe gebod. De wereld haat God, haat Jezus en allen die Hem toebehoren. Als u van de wereld was, zou de wereld u hoogachten. Maar omdat u van de wereld niet bent, zal de wereld u haten. Dat is een werkelijkheid die hoort bij het leven der genade. Haat is een teken van geestelijke duisternis; het natuurlijke bestaan waarin we geneigd zijn God en onze naaste te haten.

Maar de eerste vrucht van de Heilige Geest in het leven der genade is liefde. Als de Heere de liefde uitstort in het hart, gaan we in beginsel Hem liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf. Daarom zegt Johannes dat het haten van je medemens, in het bijzonder ook van broeders en zusters in de gemeente, er een kenmerk van is dat je nog in de duisternis bent.

Je broeder haten – waar denken jullie dan aan, jongens en meisjes? Aan het begin van de Bijbel? Kaïn sloeg Abel dood. De broers van Jozef grepen hem en gooiden hem in de put. Ze verkochten Jozef aan Egypte, vanuit hun haat tegen de tere vreze Gods in zijn hart.

 

In de hele brief wordt een sterk accent gelegd op de naastenliefde, maar in het bijzonder op de gemeenschap der heiligen. Dat was kennelijk nodig. Waarschijnlijk was er door de dwaalleraars verdeeldheid in de gemeenten gekomen. Johannes zegt dan dat haat en onwetendheid, goddeloosheid en duisternis, helemaal bij elkaar horen.

In vers 11 schrijft hij drie dingen over degene die Christus zegt te kennen en toch zijn broeder haat: zo iemand is, zo iemand wandelt en zo iemand weet niet waar hij heengaat. Die is in de duisternis. Verschrikkelijk! Zo’n mens leeft onder de vloek en het oordeel van God. Hij is een vreemde van God en heeft geen deel aan de Heere Jezus Christus. Zo iemand kent niet het zaligmakend geloof en de vreze des Heeren.

Weet je wat nog erger is?

In de tekst zit een opklimming. Zo’n mens is niet alleen in de duisternis, maar hij heeft er een behagen in. Wandelen doe je namelijk voor je plezier.

Weet je dat dit levensgevaarlijk is? Zeker in het oude Oosten en in het gebergte van Turkije. Twee stappen te ver en je stort in een ravijn, of je struikelt over een rotsblok. Johannes zegt: ‘Zo is nu iemand die zijn broeder haat. Die is niet alleen duisternis, maar zo iemand wandelt er ook in.’ Wandelen, als je geen hand voor ogen kunt zien... De zonde aan de hand houden in je onwetendheid en goddeloosheid... Wandelen naar het goeddunken van je hart... Johannes zegt: ‘Hij wandelt en hij weet niet waar hij komen zal.’

Nou, ik wel. Als de dag van zijn dood hem overvalt, zal hij in de buitenste duisternis komen, in de eeuwige nacht. Maar hij weet het niet, want de duisternis heeft zijn ogen verblind. Johannes zegt het in zijn Evangelie als volgt, in hoofdstuk 11: Indien iemand in den dag wandelt, zo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet; maar indien iemand in den nacht wandelt, zo stoot hij zich, overmits het licht in hem niet is (Joh.11:9-10).

Maar hij houdt ons ook het tegenovergestelde voor in vers 10 van ons tekstgedeelte: Die zijn broeder liefheeft, blijft in het licht en geen ergernis is in hem. Liefde en licht horen bij elkaar, zoals haat en duisternis bij elkaar horen. Eenieder onderzoeke zichzelf.

 

Voor ‘liefde’ staat hier agapao – de hoogste vorm van liefde. Zoals u misschien weet, heeft het Grieks drie woorden voor ‘liefhebben’. Agapao is de zelfverloochenende liefde die Christus geopenbaard heeft toen Hij zich overgaf voor zondaren. In die dienende, zelfverloochende liefde die de ander op het oog heeft, hebben we de gemeenschap der heiligen en gemeenschap aan het Hoofd Christus.

Wilhelmus à Brakel zegt in zijn Redelijke Godsdienst: ‘De gemeenschap der heiligen wordt geoefend met elkaar trouwe hulp te bewijzen. Heeft iemand raad nodig, raad hem. Wordt hij gelasterd, sta zijn goede naam voor. Is hij ziek, bezoek hem. Is hij arm, kom hem te hulp met uw middelen en dat in alle betoning van liefde.’

Die zijn broeder liefheeft, blijft in het licht. Wie liefde mag schenken aan zijn naaste, wandelt in het licht van Gods genade. Want Jezus zei: Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben (Joh.8:12).

 

Wie zijn broeder liefheeft en mag dienen uit de kracht die God verleent, draagt vruchten uit de Wijnstok Jezus Christus en blijft in het licht. En geen ergernis is in hem. Dit laatste stukje van onze tekst hebben we nog niet gehad. Wat betekent dat eigenlijk?

Bij het woordje ‘ergernis’ in de Bijbel moet je nooit denken aan wat wíj hiermee bedoelen. Iemand kan ergernis oproepen met iets wat hij doet, maar dat wordt hier niet bedoeld. Hier staat skandalon in het Grieks. Dat betekent ‘muizenval’. Geen skandalon is in hem. Dat klinkt heel wonderlijk. Iedereen weet wel wat een muizenval is. Je legt er iets in om de muizen te lokken en zo worden ze gevangen. Je mag het woord skandalon ook vertalen met ‘struikelblok’ of ‘aanstoot’: geen ergernis, geen aanstoot is in hem. Iemand die zijn broeder liefheeft, blijft in het licht en zal niet struikelen of zichzelf stoten. Hij zal niet in een val lopen.

Maar hij zal ook voor een ander geen reden tot aanstoot of tot ergernis zijn. Wie zijn broeder liefheeft, mag wandelen in het licht van Gods genade en in het licht van Zijn vriendelijk aangezicht.

 

‘Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort!

Zij wand’len Heer’, in ‘t licht van ‘t Godd’lijk aanschijn voort;

Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden.’

 

Het woord skandalon vinden we ook in Mattheüs 16 vers 22. Nadat Petrus zijn belijdenis heeft afgelegd en de Heere Jezus Zijn weg naar het kruis van Golgotha gaat, zegt Petrus: Dit zal U geenszins geschieden. Petrus ging pal voor Hem staan. Maar Hij Zich omkerende zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, satanas, gij zijt Mij een aanstoot, een skandalon. Je bent mij een val, een struikelblok. Want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der mensen zijn (Matth.16:23).

 

Johannes vervolgt in onze tekst: ‘Wie zegt dat hij Jezus kent en de Heere dient, maar zijn broeder haat, die is een leugenaar. Zo iemand is in de duisternis. Maar wie door Goddelijke genade de vruchten van de hartelijke liefde van de gemeenschap draagt, blijft in het licht en is voor een ander niet tot een aanstoot. Zo iemand zal zelf niet struikelen of in de zonde vallen, maar ook een ander niet verleiden.

Iemand die in de duisternis wandelt en zijn broeder haat, bewerkt eigenlijk ook andermans ondergang. Dan zijn we tot een skandalon, tot een aanstoot voor anderen. Hoeveel ergernissen kunnen er niet zijn in het leven van mensen, in het leven van Gods kinderen, uit hoogmoed, uit het zoeken van eigen eer.

 

Johannes houdt ons het gebod van liefde voor – een oud gebod, maar ook een nieuw gebod in het licht van Christus. En dat in onze tijd waarvan Mattheüs heeft voorzegd dat de liefde van velen zal verkouden. Dat ziet u toch rondom u heen? Dat merk je toch? Zoveel onverzoenlijkheid. Lees maar eens aandachtig de eerste vijf verzen van het derde hoofdstuk van de tweede brief van Timotheüs. Het wordt koud op de aarde. Vaak zien we verdrietige breuken tussen broeders, tussen kinderen van God. We moeten één zijn in Christus, maar we maken elkaar verdacht. Daarom spoort de oude apostel met deze woorden niet alleen de gemeenten van Turkije aan, maar ook ons vandaag.

Is het daarom misschien zo donker in uw leven, kind van God? Is er daarom zo veel duisternis waarover u moet klagen? Onderzoek het eens in het licht van Gods Woord. Hoe ligt het in uw leven? Is er misschien een ergernis, een aanstoot?

Wat is het een genadig voorrecht als we dit wandelen in het licht mogen beoefenen in het leven van de heiligmaking uit Christus, als we geen ergernis of aanstoot geven, maar juist mogen leven tot eer van God en tot stichting van onze naaste, opdat deze voor Christus gewonnen moge worden. Zo’n wandel dicht bij Gods Woord, in het pad van Zijn geboden houdt ons dicht bij de Heere. Dan wordt de naaste voor Christus gewonnen.

We laten Johannes nog één keer aan het woord: Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd is het Licht bij ulieden; wandelt terwijl gij het Licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange. En die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat. Terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat gij kinderen des Lichts moogt zijn (Joh.12:35,36). Dat zo de heilige wandel van Gods kinderen openbaar mocht komen.

 

Als laatste geef ik u mee wat Matthew Henry zegt: ‘De Heere Jezus is de grote Leermeester der liefde. Zijn school, Zijn gemeente, is de school der liefde. Zijn discipelen zijn leerlingen in de liefde en Zijn gezin, Zijn kerk, moet een gezin vol liefde zijn.’ Wat is het er vaak ver vandaan. Maar Gods Geest mocht het ons leren opdat we het dagelijks zouden beoefenen!

 

Jongens en meisjes, Johannes was 91 of 92 jaar toen hij op Patmos was. Later mocht hij teruggaan naar zijn gemeente in Efeze. Daar heeft hij ook deze brief geschreven. Johannes werd elke zondagmorgen door twee gemeenteleden in een draagstoel naar de kerk gedragen. Hij kon niet meer preken, maar ze zetten hem voorin de gemeente. Weet je wat hij dan zei? Een hele korte preek: ‘Kinderkens, hebt elkander hartelijk lief.’

 

Amen.

 

We zingen tenslotte Psalm 119 vers 83:

 

Wat vreê heeft elk, die Uwe wet bemint!

Zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten.

Ik, Heer’, die al mijn blijdschap in U vind,

Hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten;

‘k Doe Uw geboôn oprecht en welgezind;

Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.