Ds. M. Karens - 1 Johannes 2 : 1 - 6

Jezus Christus, de Rechtvaardige

Het benodigen van Zijn voorspraak
Het delen in Zijn verzoening
Het bewaren van Zijn geboden
Het blijven in Zijn gemeenschap

1 Johannes 2 : 1 - 6

1 Johannes 2
1
Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige;
2
En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.
3
En hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijn geboden bewaren.
4
Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet;
5
Maar zo wie Zijn Woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden; hieraan kennen wij, dat wij in Hem zijn.
6
Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 51: 1 en 4
Lezen : 1 Johannes 2: 1 - 11
Zingen : Psalm 32: 1, 3 en 7
Zingen : Psalm 40: 4
Zingen : Psalm 1: 1

Gemeente, met de bede ‘Zendt Uw licht en Uw waarheid neder’ gaan we uit 1 Johannes 2 samen de verzen 1 tot en met 6 overdenken. We lezen alleen vers 1:

 

Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige

 

We schrijven onder de verzen die we behandelen: Jezus Christus, de Rechtvaardige.

 

Wij letten op vier aandachtspunten:

 

1. Het benodigen van Zijn voorspraak. Want in vers 1 staat: En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader.

2. Het delen in Zijn verzoening. In vers 2 staat namelijk: En Hij is een Verzoening voor onze zonden.

3. Het bewaren van Zijn geboden. Naar aanleiding van de verzen 3 en 4: En hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijn geboden bewaren.

4. Het blijven in Zijn gemeenschap. Want, vers 5 en 6: Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft.

 

1. Het benodigen van Zijn voorspraak

 

Gemeente, u weet dat de apostel Johannes, de apostel der liefde, op hoge leeftijd deze zendbrief heeft geschreven. Het is een algemene zendbrief bestemd voor een aantal gemeenten in Klein–Azië, het huidige Turkije. Hij zendt deze brief met een drievoudig doel, zoals dit staat in de inleiding op de brief in onze Statenbijbel.

In de eerste plaats wilde hij Gods kinderen, de ware gelovigen, in de waarheid van de Evangelische leer versterken tegen de dwaalleraars.

Het tweede was, dat hij de gelovigen wilde aansporen tot een Godzalige levenswandel. Hen bewegen om te wandelen in de vreze des Heeren te midden van een krom en een verdraaid geslacht.

Het derde doel van deze brief was het oproepen tot onderlinge liefde; het aanmanen tot liefdesgemeenschap in de gemeenten; en dat niet alleen met woorden, maar ook met de daad jegens elkaar te bewijzen.

 

In het eerste hoofdstuk schreef Johannes over zonden, verleiden en belijden. Je misleidt jezelf als je zegt: ‘Het valt wel mee.’ Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zo verleiden wij onszelven, en de waarheid is in ons niet (1Joh.1:8). Johannes spoort ook aan: Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid (1Joh.1:9). Hij spreekt dan over de ernst van de zonde, over het belijden van de zonde, maar ook over de reinigende kracht van het bloed van Jezus Christus.

Nu gaat hij in het tweede hoofdstuk verder: Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. In de Statenbijbel staat boven dit hoofdstuk: ‘De apostel verklaart, dat hij de belofte van de vergeving der zonden voorgesteld heeft, niet om die te misbruiken tot zondigen, maar tot troost van de zondaar.’ Johannes heeft al rijk geschreven over het bloed van de Heere Jezus Christus en over de vergeving van zonden. In het tweede hoofdstuk schrijft hij dan verder dat dit niet mag leiden tot misbruik. Daarom spreekt hij in het tweede hoofdstuk de gemeenteleden letterlijk aan met: Mijn kinderkens.

 

Zien jullie hem zitten, jongens en meisjes, die negentig jaren oude Johannes? Hij schrijft: Mijn kinderkens. Dit woord gebruikt hij om zijn vriendelijkheid jegens de gelovigen te betonen, naar het voorbeeld van Christus.

Johannes gebruikt deze liefdevolle en tere aanspraak omdat er velen in de gemeente zijn, die door het zaad van het Woord, dat Johannes heeft mogen verkondigen, wederom geboren zijn, maar ook vanwege zijn hoge ouderdom.

Het is een liefdevolle aanspraak vol van vertrouwen. Hij gebruikt deze aanspraak, mijn kinderkens, vaak in zijn brief. Hij noemt hen in het zevende vers broeders, maar op andere plaatsen noemt hij ze weer kinderkens. Dit geeft de warme band aan die er is tussen de apostel Johannes en de gemeente van Efeze en de omgeving. Hij voelt zich als een geestelijke vader; als een leraar met zijn leerlingen. Zoals een meester of juf weleens zegt: ‘kinderen’, zo zegt Johannes: mijn kinderkens.

In de benaming geestelijke kinderen en in die liefdevolle aanspraak ligt ook apostolisch gezag, want hij spreekt als een vader tot zijn kinderen. Ik moet denken aan wat ik ooit eens heb gelezen van Calvijn. U weet waarschijnlijk dat Calvijn één zoontje heeft gehad, dat op jonge leeftijd is gestorven. Toen werden er lofzangen gezongen in Rome onder leiding van de paus en anderen. Het was goed dat zo’n ketter geen nageslacht had. De reactie van Calvijn was: ‘Mijn geestelijke kinderen, die God door de prediking van het Woord en door het schrijven van brieven en geschriften gegeven heeft, zijn niet te tellen.

Er klinkt hier een bewogen oproep in door. Mijn kinderkens, mijn verlangen is dat jullie niet zondigen. Ik zou het hem na willen zeggen: ‘Mijn lieve kinderen, mijn verlangen is dat u niet zondigt.’

Het is een liefdevolle aanspraak, maar ook een ernstige waarschuwing. Luister toch niet naar die dwaalleraars. Luister toch niet naar degenen die je verleiden en aftrekken van de leer die naar de Godzaligheid is. Laat je niet misleiden. Als het gaat over de zonde, blijf dan in hetgeen je van mij geleerd hebt; laat je niet meeslepen, maar bewaar het pand u toebetrouwd (1Tim.6:20).

 

In dat eerste hoofdstuk en in heel de brief schrijft Johannes over deze dingen; over de Heere Jezus, Zijn reinigend bloed, de ernst van de zonde, en de leer der genade. Dit schrijf ik opdat – dit geeft het doel aan – gij niet zondigt.

De kanttekening zegt: ’Dat is niet, opdat gij deze leer zou misbruiken om daarop vrijer te zondigen.’ De leer van de reinigende kracht van het bloed van Christus, mag je niet misbruiken. De ruimte in het bloed van Hem mag niet leiden tot gemakkelijker denken over de zonde. Het mag niet voeren tot de gedachte, dat zondigen niet zo erg is, wanneer er toch vergeving is. Kinderkens, let op, misbruik de leer niet, want God haat de zonde, en vertoornt Zich schrikkelijk over de aangeboren en werkelijke zonden. En daarom staat er: Opdat gij niet zondigt. Want ook de kinderen van God, de ware gelovigen in Turkije, zondigen. Ze kunnen wel in zonden vallen, maar niet erin leven. Daar heb je nu het grote verschil.

 

Als we nog onbekeerd voortleven, dan zondigen we naar hartenlust. Dan ligt in de begeerlijkheid van de wereld en het verachten van God, onze lust en leven. ‘Maar’, zegt Johannes, ‘let eens op, zondigen en leven in de vreze des Heeren horen nooit bij elkaar. Als je iets van genade kent, van de vergeving en reiniging in het bloed van de Heere Jezus Christus, dan zul je bang worden voor de zonde, want genade is niet goedkoop. Het is wel gratis, maar zij is verdiend door de Zoon van Gods eeuwige liefde, de Heere Jezus Christus. Hij heeft voor goddelozen en vijanden vrije gunst en genade verworven.’

De leer van vrije genade, maakt geen zorgeloze of goddeloze mensen. De Catechismus leert ons: ‘Neen, zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.’ Daarom schrijft Johannes deze dingen, opdat je de genade niet zou misbruiken.

 

Zullen we bedenken, gemeente, dat dit woord van de apostel Johannes aan Gods kinderen en aan ons allen is gericht? De rijkdom van Gods genade is geen vrijbrief om te zondigen, of om een leven in de zonde te leiden.

Je noemt dat met een moeilijk woord: antinomiaans. Dit woord betekent: wetsbestrijder. Het zijn mensen die zeggen: ‘Nu er zoveel genade en bloed is en Christus het offer heeft gebracht, dan kan ik raak leven. Dan hoef ik me niet zo nauw aan al die dingen te houden, en mag ik in vrijheid van Gods genade leven. Geboden houden? Kom nu, dat heeft Christus gedaan.’

Dan zegt Johannes tegen zulke dwaalleraars: Opdat gij niet zondigt. Weet je wat nu zo mooi is? Terwijl hij dit schrijft op die papyrus- of perkamentenrol, ziet Johannes de lezers, de hoorders in de gemeente voor zich. Er zijn er die door wederbarende genade last hebben van hun zonden en ertegen strijden. Zij komen daarmee in de strijd, en in de aanvechtingen. Het zijn mensen die er iets van geleerd hebben: Want het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik (Rom.7:19). Ik ellendig mens (Rom.7:24). Daarom voegt Johannes er direct aan toe: En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige.

Het woordje ‘en’ in het Grieks mag je ook vertalen met ‘maar’. Dus mag je zeggen: ‘Opdat gij niet zondigt, maar indien iemand gezondigd heeft.’ Johannes roept het ze toe in hun innerlijke strijd tussen de oude en nieuwe mens. Het zijn de mensen uit hoofdstuk 1 vers 8: Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelven, en in vers 10: Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zo maken wij Hem tot een leugenaar, en Zijn woord is niet in ons.

 

Maar indien iemand gezondigd heeft… Dat dagelijkse struikelen met gedachten, woorden en werken is de smart in het leven der genade. Zijn er ook jonge mensen die dat verdriet, die strijd, en die smart kennen over het zondigen tegen een goeddoend en heilig God? Maar indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige.

Wij hebben… Dat zijn Gods kinderen, en Johannes mag dit weten en ook de geoefende kinderen van God in de gemeente. De kanttekening zegt: ‘Dat is opdat gij zoudt weten en u daarmede troosten, dat wij een Voorspraak hebben.

Wij hebben… Wat een voorrecht, gemeente, als je dit met bewustheid van het geloof mag weten. Wat kan het een strijd zijn, waar het zaligmakend geloof is gewerkt, maar de zekerheid ontbreekt. Johannes mag samen met Gods kinderen in die gemeenten van Turkije zeggen: Wij hebben een Voorspraak bij de Vader.

 

Je moet in deze brief goed in de gaten houden wie er met ‘wij’ bedoeld worden. Weet je wat zo vertroostend is? Johannes bedoelt er de gehele Kerk mee, met een hoofdletter; de heilige vergadering van ware Christgelovigen, die allen hun zaligheid verwachten in Christus Jezus, gewassen in Zijn bloed en geheiligd door Zijn Geest. Zo staat het in artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Johannes ziet die gemeente voor zich en denkt echt niet dat al die mensen bekeerd zijn. Dit is heel belangrijk om in de gaten te houden. Zeker in onze tijd van veralgemenisering en van: ‘wij en ons.’ Johannes doet net als Paulus. Als u de brieven van Paulus leest, dan moet u opletten aan wie hij de brieven adresseert. Er staat: De geroepen heiligen (Rom.1:7), aan de geheiligden in de Christus Jezus (1Kor.1:2). De kanttekenaren bij de Korinthebrief schrijven dan: ‘Waardoor hij het beste deel van de gemeente, dat is, de ware gelovigen, verstaat.’ Dat zeggen de mensen zelf niet, maar de apostel spreekt hier Gods kinderen aan. Zo is het bij Johannes ook.

 

Gemeente, de Kerk mag een Voorspraak hebben aan de rechterhand van de Vader.  Voorspraak is de vertaling van het Griekse woord, dat je vast wel eens gehoord hebt, Parakletos, Parakleet. Het betekent letterlijk ‘een erbij geroepene’. Iemand die te hulp geroepen wordt. Je mag dat woord ook vertalen met advocaat, verdediger, of pleitbezorger. Iemand die tot een hulp is, om te pleiten ten gunste van een ander.

Het is opmerkelijk dat onze statenvertalers dit woord in de Evangeliën vertalen met Trooster. In het Evangelie naar Johannes wordt ditzelfde woord ook gebruikt voor de Heilige Geest. We lezen daar in hoofdstuk 14 vers 26: Maar de Trooster, de Parakleet, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles wat Ik u gezegd heb. Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren.

Wij mogen daaruit afleiden, dat Gods kind twee Voorspraken heeft. Hier staat de Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige en de andere wordt genoemd de Heilige Geest, de Trooster.

 

Het oorspronkelijke woord geeft ook aanleiding tot de betekenis van bidden en smeken.

De Heilige Geest, de Trooster in het hart, bidt met onuitsprekelijke zuchtingen, zoals Paulus schrijft in Romeinen 8: En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.

Gods kinderen hebben een Voorbidder aan de rechterhand van de Vader: Jezus Christus, de Rechtvaardige. Wat zijn deze mensen gelukkig, die door Gods genade daarin mogen delen. Een Pleitbezorger, een Parakleet in de hemel, en een Voorspraak en Trooster in het hart. Dit staat ook in kanttekening 5: ‘Parakleet, welke titel betekent eigenlijk een advocaat of voorspraak, die iemands zaak voorspreekt en uitvoert in het gericht. Het wordt hier aan Christus toegeschreven, omdat Hij bij de Vader voor ons bidt.’

 

Kinderkens, ik verlang dat jullie niet zondigen, maar indien iemand gezondigd heeft, u die in de zonde bent gevallen, en elke avond uw knieën buigt, weet dan dat wij een grote Voorspraak hebben bij den Vader: Jezus Christus, de Rechtvaardige. Johannes mag door het geloof deze mensen moed en troost geven. Hiervan schrijft ook de apostel Paulus in Romeinen 8 vers 34: Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt. En in de Hebreeënbrief lees ik: Maar Deze, omdat Hij in der eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap; Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden (Hebr.7:24,25).

Wat zijn ze welgelukzalig, die mogen delen in die genade. Een Voorspaak bij de Vader, een Advocaat werkzaam aan het hof bij de Rechter. Christus is verhoogd aan de rechterhand van de Vader, en voert daar in het binnenste heiligdom het pleidooi bij de Vader.

 

Zal ik u voorlezen wat de kanttekenaar zegt bij ‘Vader’? ‘Namelijk Dien wij met onze zonden hebben vertoornd.’ Deze Vader is onze Rechter en vertoornt Zich ook als Gods kinderen zondigen. De heilige en rechtvaardige God ziet ons in gramschap aan en Hij vertoornt zich schrikkelijk over de aangeboren en werkelijke zonden. Deze Vader is onze Rechter geworden vanwege de zonde. Dan geldt: Zo Gij in het recht wilt treden. Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? (Ps.130:3).

De Geest van Christus doet dit ook beleven. Voor het eerst in de zaligmakende overtuiging, maar ook telkens opnieuw in het leven van Gods kinderen, wanneer de Heilige Geest de ernst van de zonde laat zien. U laat zien wat u vandaag hebt gedaan: Gods geboden overtreden, geen daarvan gehouden, en een hart dat tot alle boosheid geneigd is. Als alles u aanklaagt: de Heilige Wet, de vorst der duisternis en uw eigen geweten, dan blijft er niet anders over dan de bede: ‘Verzoen de zware schuld, die mij met schrik vervuld, bewijs ons uw genade.’

 

Johannes mag een rijke boodschap verkondigen. Wij hebben een Advocaat, een Voorspreker aan de rechterhand van de Vader. Hij heeft geen waarde voor mensen die zeggen geen zonde te hebben of voortleven alsof er geen eeuwigheid en geen schuld is.

Zeg nu eens eerlijk, jongelui, je hebt toch geen behoefte aan een advocaat als je niet naar de rechtbank hoeft? Dan kun je zeggen: ‘Ik heb gelukkig tot hiertoe geen advocaat nodig gehad. Ik zou niet weten waarom.’

Weet je voor wie een advocaat belangrijk wordt?

Voor een misdadiger, een schuldenaar, zo iemand krijgt behoefte aan een strafpleiter, die het pleidooi voor hem voert. Als er hier zulke schuldige, door schuldbesef getroffen en verslagen zondaren zitten, dan weet ik een Strafpleiter van naam! Een Advocaat met een goede naam en een grote reputatie. Hij, Jezus Christus de Rechtvaardige, heeft nog nooit een zaak verloren! Johannes mag in deze brief Hem aan die kinderkens aanprijzen. Wij hebben een Voorspraak bij de Vader en hij heet: Jezus Christus. Hij is door Zijn Vader gezalfd om een Voorspraak te zijn, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Matth.1:21).

 

Hij is de Rechtvaardige. Dit betekent dat Hij zonder zonde is, de Zondeloze. Hij wordt zo genoemd, omdat Hij zonder enige zonde is geweest en daarom bekwaam is om onze Voorspraak te zijn.

God zag vanuit de hemel of er iemand rechtvaardig was, en er was er niet één. Maar nu heeft God er Zelf in voorzien door Zijn Zoon. De Enige die rechtvaardig is. Het heilige Kind Jezus is de Voorspraak van de Kerk. Hij pleit voor het aangezicht van de Vader op grond van de gerechtigheid die door Hem is aangebracht. Hij eist vrijspraak op grond van Zijn gebrachte offer. Hieraan mag het geloof van Gods kinderen houvast hebben, als de zonde hen benauwt.

Wij hebben een Strafpleiter in de hemel, Jezus Christus de Rechtvaardige. De Catechismus zegt in antwoord 49 dat Hij in de hemel voor het aangezicht Zijns Vaders onze Voorspreker is. En Matthew Henry verklaart aldus: ‘Daarop pleit Hij opdat Zijn cliënten hun zonden niet toegerekend zullen worden.’

Bent u al een cliënt van deze Advocaat? Hij pleit, opdat Zijn cliënten, dat zijn degenen die Hem van de Vader gegeven zijn, en door een waar geloof in Zijn weldaden delen, hun zonden niet worden toegerekend. Hij staat aan de rechterhand van de Vader en pleit op Zijn verdienste. Het gebed van deze Rechtvaardige vermag alles!

 

Deze Advocaat wordt altijd verhoord. De Vader hoort Hem. In Zijn voorspraak ligt alles wat de Kerk nodig heeft. Wat heeft deze Voorspraak Jezus Christus, de Rechtvaardige, voor u of jou te betekenen?

Weet je wat de betekenis is?

Ik bid niet alleen voor dezen – Zijn kinderen – maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen (Joh.17:20).

Dus die Voorspraak bij de Vader bidt ook voor jongens en meisjes, voor jongeren en ouderen of ze door het Woord van de prediking, door waarachtige bekering, wedergeboren mogen worden en door het geloof met Christus verbonden mogen worden. Hij bidt aan de rechterhand van de Vader voor de toebrenging van Zijn kinderen.

Onderzoek dat nu eens in uw leven. Behoort u tot die zondige kinderkens? Mag u iets kennen van deze grote Advocaat? Hoe staat het met uw zaak bij de Rechter? Moet u zelf nog het pleidooi voeren? Zult u er rekening mee houden, dat u straks op duizend vragen niet één antwoord kunt geven? Daarom is het zo noodzakelijk dat de begeerte en het verlangen geboren wordt naar een Advocaat, een Voorspraak.

 

Kinderen van God, ik heb al zo vaak gewezen op dat prachtige artikel 26 in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, waarboven staat: ‘Van de enige Voorbidding van Christus.’ Mag ik er nog een paar regels uit voorlezen voordat we gaan zingen?

‘Waartoe zouden wij een anderen advocaat zoeken, aangezien het God beliefd heeft om Zijn Zoon tot een Advocaat te geven? Laat ons Hem niet verlaten, om een andere te nemen; of veelmeer, een andere te zoeken, zonder hem immermeer te vinden; want toen God Hem ons gegeven heeft, zo wist Hij wel dat wij zondaars waren. Daarom, volgens het bevel van Christus, zo roepen wij de hemelse Vader aan door Christus, onzen enigen Middelaar, gelijk wij in het gebed des Heeren geleerd hebben; verzekerd zijnde dat al wat wij den Vader zullen bidden in Zijn Naam, ons zal gegeven worden.’ Hebben wij deze Voorspraak nodig?

 

We gaan voordat we naar onze tweede gedachte gaan Psalm 40 vers 4 zingen:

 

Brandofferen, noch offer voor de schuld,

Voldeden aan Uw eis, noch eer.

Toen zeid' Ik: Zie, Ik kom, o Heer’!

De rol des boeks is met Mijn naam vervuld.

Mijn ziel, U opgedragen,

Wil U alleen behagen;

Mijn liefd' en ijver brandt:

Ik draag Uw heil'ge wet,

Die Gij den sterv'ling zet,

In 't binnenst' ingewand.

 

Jezus Christus, de Rechtvaardige. Benodigen in Zijn voorspraak. En nu als tweede aandachtspunt:

 

2. Het delen in de verzoening

 

Want Johannes zegt: En, dat woordje in vers 2 heeft ook betekenis. Het verbindt vers 1 met vers 2. De grond van het pleidooi van de Advocaat, van de Voorspraak, is Zijn offer. Hij is een verzoening voor onze zonden. Johannes wijst ons op het enige Offer. Hij, de Middelaar Gods, heeft een verzoening aangebracht tussen de Vader en de mensen. De kanttekening zegt: ‘Hilasmos, verzoening, dat is Verzoener; gelijk in dezelfde zin Paulus Hem noemt. Hilasterion, dat is Verzoendeksel. En Hij wordt hier de Verzoening Zelve genaamd, omdat Hij Zichzelven tot verzoening heeft opgeofferd en dat Hij alleen en volmaakt ons met God verzoend heeft.’

Hij is een verzoening. Johannes wijst hier op de grote Verzoendag, Goede Vrijdag. Toen heeft Christus verzoening aangebracht door Zijn grote Zoenoffer op de heuvel van Golgotha. Tot betaling van de prijs, verzoening van de schuld, en tot voldoening van Gods recht toen Hij uitriep: Het is volbracht (Joh.19:30).

Johannes schrijft dan aan de kinderen Gods in de gemeente: Hij is een verzoening voor onze zonden. De kanttekenaren zeggen hierover: ‘Namelijk, omdat Hij voor dezelve in onze plaats de straf dragende en daarmee de gerechtigheid Gods voldoenende den toorn Gods stilt, en alzo God met de mensen verzoent.’ U moet deze kanttekeningen thuis maar eens rustig nalezen.

In verzoening zit iets in van vrede en het woord ‘zoen’. Dat kan een kind begrijpen. Wie geef je nu een zoen? Een vijand? Welnee, een zoen heeft te maken met liefde en eenheid. Hij heeft God, de heilige Rechter, verzoend met Zijn offer en ook de schuld van mensen betaald en verzoend. Het wijst op wegnemen van zonden en schuld en het herstellen in Gods gemeenschap.  Verzoening… Wat heeft dat Jezus gekost, kinderen van God?

 

Johannes vervolgt met: en niet alleen voor de onze. De kanttekening zegt hierover: ‘Namelijk de zonden der apostelen en andere gelovigen die nu leven.’

Mag u iets van dat ‘onze’ weten? Ik bedoel dit niet in de geest van deze tijd: allemaal ‘onze’ en ‘wij’. Maar als je mag weten ‘voor onze zonden’, dan heb je wel het nodige geleerd op de school van de Heilige Geest.

Als het toe-eigenend geloof er mag zijn en u Johannes mag nazeggen: ‘Niet alleen voor anderen, maar ook voor mij’, dan heeft u iets van de ernst van de zonde en van uw schuld geleerd. Geleerd dat God die, eer Hij ze ongestraft liet blijven, aan Zijn lieve Zoon Jezus Christus met de bittere en smadelijke dood des kruises gestraft heeft, zoals in het Avondmaalformulier staat. Dan hebben we iets geproefd van die onpeilbare liefde van een drie-enig God.

Om nu vijanden met God te verzoenen, gaf Hij Zijn Zoon. Die meerdere Izak is geofferd onder het wraakzwaard van de Goddelijke gerechtigheid, zodat er verzoening, vrede, en zaligheid zou zijn. Maar God, bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is als wij nog zondaars waren (Rom.5:8).

 

Mag u door genade ‘onze’ zeggen? Dan heft u de hand des geloofs weleens mogen leggen op dit Offer. Een stroom van ongerechtigheden… die leerde ik kennen, toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt. Onze zonden, die ik leerde belijden voor God. Ik zie mijn zonden mij voor de ogen zweven. Ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog.

Onze zonden, met de bede: ‘Hoe kom ik ooit met God verzoend?’ Dat wonder toen u God recht en gerechtigheid ging toeschrijven en boog onder Zijn recht. En toch de Heere niet kunnen missen. Door de ingestorte liefde tot al Gods eigenschappen. Toen God Zich openbaarde en u een blik mocht slaan buiten uzelf op deze gezegende Persoon, en u meer en meer door de oefeningen van het geloof ingeleid bent: En Hij is een verzoening voor al onze zonden. Dat toevlucht nemen tot het Lam Gods. ‘Toen vluchtte ik tot Jezus! Hij heeft mij gered’, zegt MacCheyne. In uw zonden en ellenden door het geloof vluchten tot Hem, die grote Verzoener.

 

Dan staat er: En niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de hele wereld. Leert Johannes de algemene verzoening? Is Johannes iemand die dit propageert, net als velen in onze tijd, die u willen laten geloven: Jezus is gestorven aan het kruis voor jou en u en voor alle mensen!

Gemeente, zou dat zo zijn? Wat zegt Johannes hier? Kanttekening 11 zegt: ‘Dat is, van alle mensen die in de ganse wereld uit al de volken nog in Hem zullen geloven. Want dat Hij allen en eenieder mens in de hele wereld met God niet verzoent, blijkt zo uit de ervaring alsook daaruit dat Hij niet voor allen en eenieder mens den Vader heeft gebeden, maar alleen voor degenen die in Hem zullen geloven.’

De Schrift leert dat Christus Zijn Offer heeft gebracht voor Zijn Bruid, Zijn schapen, Zijn Gemeente, en hen met God heeft verzoend. Want: Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uwe (Joh.17:9). Zou Hij dan voor hen geen Voorbidder zijn, maar wel Verzoener?

 

Laten we er in het licht van de Schrift toch eerlijk mee omgaan. De algemene verzoeningsleer heeft misschien een stuk of zes teksten waar het woordje wereld in voorkomt. Hierop beroept men zich! Maar het woordje kosmos, wereld, betekent zondaren uit de Joden en de heidenen, van de gehele wereld. Nergens betekent het dat Christus voor ieder mens Zijn bloed heeft gestort. Deze leer loochent de verkiezing door de Vader en acht het bloed van Christus onrein, miskent het werk van de Heilige Geest en de doodsstaat van de mens.

Lees thuis maar eens de Dordtse Leerregels, die vormen het wapen tegen de remonstrantse verzoeningsgedachte. Let dan vooral op hoofdstuk 2 dat spreekt over de dood van Christus en de verlossing van de mensen door Dezelve.

Ook moet je paragraaf 3 en 8 eens lezen. Dan staat er aan de ene kant dat het verzoenend Offer overvloedig is voor de hele wereld. Opdat er niemand zou twijfelen, al zouden al de zonden van Adams nakroost op hem samengebonden zijn, het Offer van Christus is een volkomen verzoening en is volkomen genoegzaam. Aan de andere kant zegt paragraaf 8 ook: ‘Want dit is geweest de gans vrije raad, de genadige wil en het voornemen van God de Vader, dat de levendmakende en zaligmakende kracht van de dierbare dood Zijns Zoon zich uitstrekken zou tot alle uitverkorenen.’ Die allen en die alleen, uit alle talen, tongen en volken, zal Hij met het zaligmakende geloof begiftigen.

Calvijn spreekt er ook duidelijk over. Mag ik nog een citaat voorlezen? ‘Want omdat de mens in zichzelf onmachtig is het Evangelie te verstaan en aan te nemen en een aparte bovennatuurlijke werking daarbij nodig is, die alleen aan de uitverkorenen wordt geschonken.’ Daarom moeten wij afwijzen dat het Evangelie in het algemeen wordt aangeboden, zodat het eenieder vrij staat om door het geloof de zaligheid aan te nemen.

 

De Heilige Geest werkt het geloof in ons hart. Mogen we dit weten?

‘Een stroom van ongerechtigheden had d’ overhand op mij, maar ons weerspannig overtreden, verzoent en zuivert Gij’, zegt de psalmdichter.

Heeft u weleens door het geloof mogen zeggen: ‘Jezus, uw verzoenend sterven blijft het rustpunt van ons hart?’  

 

Het derde aandachtspunt:

 

3. Het bewaren van Zijn geboden

 

In de verzen 3 en 4 staan twee woorden centraal: ‘kennen en bewaren’. Ik ga dat in hoofdlijnen uitleggen. Johannes bedoelt hier: ‘Hoe kun je nu weten wat jouw verhouding tot de Heere is? Of je het zaligmakend geloof bezit? Of je de Heere Jezus echt kent met je hart?’

Dat zijn toch wezenlijke vragen in het licht van de Rechterstoel en de eeuwigheid?

Vervolgens zegt Johannes: Hieraan kennen wij dat wij Hem gekend hebben, zo wij zijn geboden bewaren. Voor ‘kennen’ en ‘weten’ staat in het Grieks hetzelfde woord; het komt veertig keer voor in deze korte brief. Het gaat dan over de bevindelijke, praktikale geloofskennis. Het gaat over een kennen met liefde en met vertrouwen. De kanttekening zegt: ‘Namelijk alzo dat wij Hem ook voor onze Zaligmaker hebben erkend, Hem liefhebben, ons vertrouwen op Hem stellen en Hem gehoorzamen. Want dit Woord betekent hier, gelijk ook dikwijls elders, meer dan alleen maar een blote (een algemene) kennis.’

 

Het kenmerk van de kennis van God in Christus komt in het leven openbaar door het bewaren van Zijn geboden. ‘Och, of wij Uw geboôn volbrachten! Genâ, o hoogste Majesteit! Gun door 't geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid.’

 

De zekerheid van het geloof rust op de Persoon en het verzoenende werk van Christus. Een vrucht van deze kennis is het wandelen in Zijn wegen, het onderhouden van de geboden met een oprechte vlijt en ijver. Hoewel dat in dit leven niet volkomen geschiedt.

Ga dit maar eens na in uw leven. Zeggen dat je Jezus kent met een slordige levenswandel? ‘Zet daar maar een vraagteken achter’, zegt Johannes.

Het komt openbaar in het stuk der dankbaarheid, in de heiligmaking. Dan zal elk gebod van de tien geboden de praktijk van ons leven zijn en zullen we die bewaren en erin wandelen.

Johannes weet van het verschil tussen kaf en koren. Er zeggen velen Jezus te kennen en te mogen weten van de verzoening. Dan schrijft hij in vers 4: Die daar zegt: Ik ken Hem en Zijn geboden niet bewaard, die is een leugenaar. Van iemand die zegt: ‘Ik ken Hem door het ware geloof, en weet dat Hij mijn Verzoener is’, dat moet je dan in het leven zien. Het komt openbaar in de vruchten.

 

Drie keer wordt het in hoofdstuk 1 gezegd: Indien wij zeggen. Een mondbelijder is iemand, die roemt in Jezus en Zijn werk en die meent de zaligheid te bezitten, maar tegelijk Zijn geboden niet bewaart. Er is dan geen wederliefde.

Wanneer we meer van het verzoenende werk van Christus mogen kennen, zal de ware vrucht zijn: ‘Die gunst heeft God Zijn volk bewezen, Opdat het altoos Hem zou vrezen; Zijn wet betrachten, en voortaan volstandig op Zijn wegen gaan.’ En die dit alleen maar zegt, liegt. De waarheid is niet in hem. Een iegelijk die de naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid (2Tim.2:19). Dan zijn ze niet wat ze zeggen, en doen niet wat ze zeggen. Johannes zegt: ‘Dan dwaal je, je bedriegt jezelf en anderen.’ Onze bede mag wel zijn: ‘Doorgrondt m’, en ken mijn hart o Heer’, is ’t geen ik denk niet tot Uw eer? Beproef me, en zie of mijn gemoed, iets kwaads, iets onbehoorlijks voedt’ (Ps.139).

 

Onze vierde gedachte:

 

4. Het blijven in Zijn gemeenschap

 

Maar zo wie Zijn Woord bewaart en zijn geboden – dat is hetzelfde bij Johannes – in hem of haar is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden. Hieraan kennen wij dat wij in Hem zijn, die zegt dat Hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen gelijk Hij gewandeld heeft. Johannes gaat nogmaals wijzen op het blijven in Zijn gemeenschap. Zo’n mens laat zien dat Hij God oprecht liefheeft. Het is vrucht van het verzoenend werk van Christus. Er is een hartelijke wederliefde tot God, die openbaar komt in een gehoorzaamheid aan Zijn Woord en Zijn wil. In zo iemand is de liefde Gods waarlijk volmaakt.

 

De liefde Gods – in het Grieks staat er: agapè. Het kan grammaticaal betekenen: De liefde in God tot een mens, die Hij van eeuwigheid heeft, en waarmee Hij hem heeft liefgehad. Maar in deze tekst wijst het meer op de wederliefde; de liefde van God in het hart. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft (1Joh.4:19).

Kan die wederliefde liefde in een mens volmaakt zijn? Zoals verwoord in Psalm 18 vers 2: Ik zal u hartelijk liefhebben Heere, mijn Sterkte?

‘Volmaakt’ betekent in het Grieks: ‘vervuld’. ‘Dat is een oprechte ware liefde geworden die al haar delen heeft,’ zegt de kanttekenaar. Het woord betekent: volgemaakt, tot haar doel gekomen. Nee, die liefde is nog niet volmaakt. Wie van Gods kinderen zou het durven zeggen? Maar deze wederliefde is vervuld geworden, tot haar doel gekomen. Hieraan kennen wij het bewaren van Zijn Woord en het wandelen in Zijn wegen. Dan kun je zien dat je deelhebt aan Hem. Je bent als een rank in de Wijnstok ingelijfd.

 

In Hem zijn ziet op de inlijving door het geloof. Kanttekening 19 zegt: ‘Dat is met Hem en Zijn weldaden gemeenschap hebben.’ Daarom blijven zij in Zijn gemeenschap.

In Hem zijn komt eerst en dan in het volgende vers in Hem blijven. Velen hebben het altijd over in Hem blijven, maar er moet wel een wonder van wedergeboorte in ons leven gebeurd zijn. In Zondag 7 van onze Catechismus staat: ‘Degenen, die Hem door een waar geloof zijn ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen.’

In Hem zijn, dat betekent in Hem geloven en gemeenschap met Hem hebben. Dat betekent Hem kennen, Hem hartelijk liefhebben en wandelen in het licht.

In Hem zijn is een uitdrukking die Johannes heeft overgenomen van Zijn geliefde Meester. Dit in Hem zijn heeft Jezus in de gelijkenis over de Wijnstok en de ranken zo helder verklaard. Johannes spreek hier na, wat hij van zijn Meester geleerd heeft.

 

In vs. 6 schrijft de apostel: Die zegt dat hij in Hem blijft – dat betekent in Zijn gemeenschap zijn, én willen blijven – die moet ook zelf alzo wandelen gelijk Hij gewandeld heeft.

Wat betekent dat? De kanttekening geeft de verklaring: Heilig wandelen naar het voorbeeld van Zijn leven, hoewel wij het niet in alles volmaakt kunnen navolgen.

Dus die door een waar geloof Christus is ingelijfd, in Zijn gemeenschap is, moet wandelen gelijk Hij gewandeld heeft.

Weet je wat dat ‘wandelen’ betekent? Ik kan nog maar een paar lijnen trekken. De ware gelovigen, Gods kinderen, moeten volgens Johannes in hun levenswandel het voorbeeld van Christus openbaren. Paulus zegt het in de brief aan de Efeziërs als volgt: Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen; En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer Gode, tot een welriekenden reuk (Ef.5:1,2).

 

Dit laatste betekent: Navolgen van Christus; de wil van God doen, de eer van God zoeken, zoals Hij gewandeld heeft. Johannes heeft het hier over ‘de imitatio Christi’, zoals Thomas à Kempis die beschrijft. Wie wordt er dan niet stil? Vertonen we hiervan iets in onze levenswandel?

We kunnen wel zeggen Hem te kennen en we kunnen wel spreken over verzoening, maar Johannes legt de vinger bij de levenswandel van Gods kinderen. Wat gaat er van u en van mij uit?

Wandel zoals Hij gewandeld heeft, zoals Hij omging met Zijn Vader. Wandel zo in de heilige gebeden, verbonden aan de troon der genade. Zoals Hij met de mensen omging, doet u ook alzo. Dit betekent Zijn voetstappen drukken, Zijn beeld vertonen en delen in Zijn vernedering. Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde (1Petr.2:23). Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen. Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht (Matth.11:29,30). En: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij (Matth.16:24).

Matthew Henry legt dit op de volgende wijze uit: ‘De Heere Jezus was een bewoner van deze wereld, en wandelde hier rond, hier gaf Hij een schitterend voorbeeld van gehoorzaamheid aan God. Zo moet nu de christen trachten te gelijken naar Zijn onfeilbaar Voorbeeld, en wandelen zoals zijn Meester dit heeft gedaan.’

 

Johannes heeft veel te zeggen. Hij stelt Jezus Christus, de Rechtvaardige in ons midden voor. Met de oproep: Wandel gelijk hij gewandeld heeft.

Gemeente, twee vragen, dan gaan wij naar huis: Ooit werd er gevraagd aan een geoefend kind van God: ‘Hoe ver ben je nu gevorderd in het bewaren van Zijn geboden, in dit wandelen zoals Hijzelf gedaan heeft? Hoe ver ben je nu in het leven van heiligmaking?’ Het antwoord was: ‘Ik moet er nog aan beginnen.’

De staat van Gods kinderen ligt vast. Die verzoenende arbeid mag door het geloof worden gekend, maar in het dagelijkse leven, in de stand van het leven, is het ‘dagelijks struikelen in velen’. Er is zo weinig vertonen van het beeld van Hem, Die ze willen volgen. Daarom luidt de aansporing van de apostel: Mijn kinderkens, wandel gelijk Hij gewandeld heeft. Hij besluit dan met: Mijn lieve kinderen, uw leraar schrijft u, predikt u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien gij gezondigd hebt, wij hebben een voorspraak bij de Vader.

Zoek dan dagelijks in de verzoenende kracht van dat grote Offer te delen! Want dan ben je welgelukzalig, en dan mag er de vrucht zijn, die Johannes hier verwoordt. ‘Welzalig die bij dagen en bij nachten, Gods wil bepeinst en Hem als ‘t hoogste goed, van harte zoekt met ingespannen krachten.’ In zo’n levenswandel wordt uw Vader verheerlijkt en Christus benodigd. Dan worden we geleid door de Heilige Geest en dat strekt tot: ‘Drie-enig God, U zij al de eer!’

 

Amen.

 

Psalm 1 vers 1:

 

Welzalig hij, die in der bozen raad

Niet wandelt, noch op 't pad der zondaars staat,

Noch nederzit, waar zulken samenrotten,

Die roekeloos met God en godsdienst spotten;

Maar 's Heeren wet blijmoedig dag en nacht

Herdenkt, bepeinst, en ijverig betracht.