Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 4

De straf op de zonde

Die straf is rechtvaardig ondanks onze onmacht
Die straf is verschrikkelijk vanwege Gods toorn
Die straf is eeuwig ondanks Gods barmhartigheid
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

We hopen de complete Catechismusverklaring wekelijks opeenvolgend te publiceren.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 100: 1
Lezen : Lukas 23: 33 - 43
Zingen : Psalm 5: 1, 4, 11, 12
Zingen : Psalm 119: 69
Zingen : Psalm 79: 7

Gemeente, het thema van de preek is:

De straf op de zonde

 

Drie gedachten, aan de hand van de drie vragen en antwoorden, vragen onze aandacht:

 

1. Die straf is rechtvaardig ondanks onze onmacht

2. Die straf is verschrikkelijk vanwege Gods toorn

3. Die straf is eeuwig ondanks Gods barmhartigheid

 

Gemeente, wat bedenkt een mens toch een argumenten om zich te verontschuldigen voor God! Dat wil zeggen, dat je de schuld van je afwentelt, zoals we dat ook gewend zijn in het dagelijks leven. Ja toch? Want we willen geen schuldenaar zijn. Voor de mensen niet en ook voor God niet.

En waarom eigenlijk niet? Weet u een betere plaats dan de zondaarsbank, aan de voeten van het gekruisigde Lam? Is er een betere plaats denkbaar om te zijn, dan daar waar genade echt genade is? ‘Uit Zijn volheid’, zegt de apostel, ‘hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.’ Genade voor en genade na. Er is geen betere plaats dan daar waar wij niets meer te verbergen hebben en waar we niet krampachtig onze stand moeten ophouden voor God en mensen, maar waar we eerlijk voor God, ontspannen, in de meest diepe zin van het woord, voor de dag mogen komen zoals we zijn.

 

Maar voor het zover is, hebben we al heel wat keren een vluchtgang gemaakt om te ontkomen aan het eerlijk belijden van onze schuld. We wringen ons liever in allerlei bochten, dan dat we rechtstreeks capituleren. En nu gaat het in Zondag 4 over drie van die ongeoorloofde, dwaze vluchtgangen, die wij proberen te maken om aan schuldbelijdenis te ontkomen, maar die de Heere, middels deze Catechismus, vanuit het Woord, radicaal afsnijdt.

Ons pad wordt versperd. Maar ik verzeker u, het is heilzaam.

 

De bedenkingen in Zondag 4 zijn gericht tegen de redelijkheid van de straf. De met de straf worstelende mens krijgt de gelegenheid om zijn bedenkingen eens een keer helemaal op tafel te leggen. We worden uitgenodigd door de onderwijzer voor een pastoraal gesprek. De onderwijzer zegt: ‘Wat hebt u eigenlijk op deze leer van de rechtvaardige straf tegen? Kom, zeg het maar.’ Hij neemt zelfs de vragen, die in ons hart leven, over.

De eerste vluchtgang: ‘Is de eis van God wel billijk, als Hij van ons iets eist waarvan Hij van tevoren weet, dat wij dat niet kunnen?’

En in de tweede plaats: ‘Al zou die eis billijk zijn, moet God dan wel persé straffen? Hij zou het toch ook niet kunnen doen? Hij is toch liefde?’

En dan de derde tegenwerping: ‘Is God dan niet barmhartig? Hij kan er toch ook zand over gooien?’

Drie tegenwerpingen tegen de redelijkheid van de straf. Drie vluchtgangen om aan het eerlijk schuldbelijden met gebogen hoofd te ontkomen.

 

Zondag 3 blokkeerde ook al zo’n uitvlucht. Weet u het nog? Het ging toen zo:

‘Ik heb mezelf toch zeker niet gemaakt?’

‘Nee, wie dan wel?’

‘Ja, God!’

‘Is de Schepper dan niet Zelf debet aan mijn boosheid en mijn verkeerdheid?’

En toen zei de Catechismus al heel resoluut:

‘Halt! Geen stap verder! Nee Hij! God schiep u goed, volmaakt, gaaf, rijk begaafd, maar u hebt al die gaven verkwanseld.’

 

We geven het zo gauw niet op. De Catechismus kent ons goed, de Heere kent ons arglistig hart en Hij legt het helemaal bloot, ook in deze Zondag. De onderste steen moet boven komen en daarom komt die zo uiterst schaamteloze vraag naar voren, die we God voor de voeten durven te werpen om zelf maar vrijuit te kunnen gaan: ‘Is het eigenlijk niet onrechtvaardig en onbillijk van God, om in Zijn wet van mij te eisen datgene, waarvan Hij allang van tevoren weet, dat ik dat niet kan? Dat klopt toch niet?’

Wees eens eerlijk, komt die vraag u niet bekend voor? Hebt u het nooit gedacht?

‘Ja, ik heb natuurlijk mijn fouten en gebreken. Ik weet best, dat mijn leven niet beantwoordt aan de geweldige maatstaf van Gods wet, maar dat kan toch ook niet? Ik ben nu eenmaal zo, ik ben een zondaar. Dat zegt de Bijbel toch zelf? Kan een Moorman zijn huid veranderen of een luipaard zijn vlekken? Nee, nou dan, net zomin kan ik goed doen.

Wat eist God dan nog van mij? Hij vraagt het onmogelijke, een mens kan toch geen ijzer met handen breken? Tegen een lamme zeg je toch ook niet: ‘Vooruit, ga eens staan!’? En als hij het niet doet omdat hij het niet kan, dan ga je zo iemand toch niet straffen?’

We zullen het niet hardop zeggen, maar de vragensteller brengt toch eigenlijk wel heel precies onder woorden, wat we altijd al hadden gedacht. Alleen, we konden het niet zo mooi zeggen als hij.

Doet God dan de mens geen onrecht? Ja, precies, zo is het! Onrecht! En u voelt wel welke houding hierachter zit. De houding van: op je recht staan, op je strepen staan. Gods recht en Zijn gelijk, dat zal ons een zorg zijn! Maar de Heere wil ons hierin onderwijzen.

Wat is de Heere geduldig! Hij slaat ons niet weg, maar Hij komt ons zelfbedrog breken. Onze schande komt aan het licht, want wie die onmacht ziet, moet eerlijk zeggen: ‘Dat is geen tragiek, maar dat is schuld. Mijn onmacht is niet een onvermijdelijk lot, dat nu eenmaal over me heen gekomen is, maar het is mijn schuld, het is de keus van mijn hart.’

 

God heeft de mens zo geschapen, dat hij de goede wet van God geheel en al kon gehoorzamen en vervullen. God heeft hem goed geschapen, maar de mens heeft zich en al zijn nakomelingen van al die gaven beroofd door het moedwillige ingeven van de duivel en door ongehoorzaamheid. Tegen deze Bijbelse argumenten, die de Catechismus ons voorhoudt in deze Zondagen over de ellende, bestaat veel weerstand. Zeg maar gerust een algemene aversie. Vooral als dat alles nog eens een keer gaat culmineren in de straf, hier in deze laatste Zondag over de ellende.

Straf is een akelig iets, een onaangename zaak, daar willen we veel liever onderuit. Als de straf in zicht komt, dan willen we graag allen onze onschuld aantonen. Maar de Catechismus wijst ons hier een uitnemender weg: ‘Aanvaard nu maar eens gelovig wat de Heere in Zijn Woord zegt, want al die redeneringen van u helpen u uiteindelijk niet verder.’ Het komt op de beleving aan en dan ga je de dingen heel anders zien.

 

Denk maar eens aan de verloren zoon. Snikkend van berouw denkt hij aan zijn vader. Wat had hij het goed vroeger! En nu? Zijn leven is vergooid en zijn vrienden hebben hem verlaten, want zijn geld is op. Bij de zwijnendraf probeerde hij voedsel te vinden. Zou zijn vader nog aan hem denken? Hij beleeft zijn schuld. ‘Ik heb alles verzondigd,’ denkt hij. Ik zal opstaan en ik zal zeggen: ‘Vader, ik heb gezondigd.’

Nee, hij zal geen pleidooi gaan houden voor zichzelf, geen vergoelijking van zijn gedrag. Hij schuift zijn schuld niet op zijn vrienden, die hem verleid hebben. Over rechten heeft hij het niet meer, hij wijst zelfs niet op zijn lompen om het medelijden van zijn vader op te wekken. Een kindsdeel vraagt hij niet. Alleen over schuld spreekt hij. Vroeger was het goed en nu verkeert hij in de diepste ellende en het is alles eigen schuld.

En wat deed zijn vader? Zei hij toen: ‘O, het is goed dat je hier bent, ik zal je eens goed straffen voor je wegloperij?’ Nee! Hij krijgt het beste kleed, een ring aan zijn hand en schoenen aan zijn voeten. Het gemeste kalf wordt geslacht en het wordt feest. Niet alleen voor de zoon, maar ook voor de vader.

Zo moeten wij Zondag 4 lezen. God is de barmhartige God, maar Hij kan van Zijn recht geen afstand doen. Vergelijk u maar eens met de verloren zoon. ‘Heere, U doet mij geen onrecht, als U mij zou straffen, want ik heb het verdiend.’ ‘Maar genâ, o God, genâ!’ Waarom roepen we om genade? Omdat we geloven dat God vergeeft, dat Hij vergevingsgezind is en dat Hij het beste met ons voorheeft.

Als de verloren zoon gedacht had: ‘Mijn vader stuurt me van het erf af.‘, dan was hij niet teruggegaan. Maar hij kende zijn vader en hij heeft gedacht: ‘Mijn vader is zo, dat hij mij in liefde ontvangt.’ En dat gaf hem de moed en de vrijmoedigheid om terug te gaan naar huis.

 

Gemeente, u hoeft niet bang te zijn voor Zondag 4 omdat die éne Zoon des Vaders onder de straffende gerechtigheid van God verloren wilde gaan. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem. Juist in het licht van het kruis leren we zien, dat onze onmacht geen tragiek is, maar schuld. God heeft ons goed geschapen. We konden Zijn wet houden, Hem liefhebben en dienen. Maar wij zijn gevallen, wij zijn veranderd. God is niet veranderd. God bleef Dezelfde. Wij moeten niet denken, nu wij veranderd zijn, dat God dan ook ineens veranderd is. Nee, Hij blijft bij Zijn eis. Al hebben wij de gaven van de gehoorzaamheid en van de liefde verloren, daarmee heeft God Zijn recht nog niet verloren om die verschuldigde gehoorzaamheid te eisen. God doet de mens geen onrecht, want we konden Zijn wet onderhouden.

 

De mens kon Gods wet volbrengen. Toen hij het kon, toen deed hij het niet. En nu hij het niet meer kan en niet meer wil, nu zou God het opeens niet meer mogen eisen. Dat is toch dwaas? God houdt ons aan de hoge stand, waarin Hij ons schiep. God eist alleen maar liefde in Zijn wet, meer niet. Ge zult God liefhebben boven alles en uw naaste als uzelf. Niets meer en niets minder.

 

Stel je voor, dat God die eis zou laten vallen! Zou u veel respect hebben voor zo’n God, Die zegt: ‘Nou, je hoeft Mij niet lief te hebben, hoor!’ Het is toch het hoogste geluk, om God lief te hebben en te dienen? De wet van God is toch goed en volmaakt, die is toch gericht op ons geluk en op ons heil?

 

Trouwens, ons geweten zegt ons al, dat we de zaak niet zuiver voorstellen, als we zeggen dat God onrecht doet. Waarom vluchtte Adam voor God na de zondeval? Dat is duidelijk: omdat hij zich van zijn schuld bewust was. En zo is het nog. We voelen best in ons geweten, dat onze weigering om God echt lief te hebben boven alles niet voortkomt uit het feit, dat we het niet meer kunnen, maar dat we het niet meer willen. Onze onmacht heeft alles te maken met onze onwil.

Wie van zijn onmacht een uitvlucht wil maken, die hoort zich op zijn vlucht tegenwerpen door de Heere Jezus Christus: ‘Ik heb u willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kuikens bijeen vergadert onder de vleugelen, en gij hebt niet gewild.’ Als Christus niet gekomen was, dan zou er nog over te praten geweest zijn.

Dat zegt de Heere Jezus ook: ‘Indien Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde.’ Hij is gekomen, maar ze hebben niet in Hem geloofd.

 

De Catechismus zegt, dat we ons van al de heerlijke gaven, die God ons bij de schepping heeft meegegeven om Hem te dienen, hebben beroofd. Dat is wat! Wij kijken neer op een rover en een dief, maar we zijn het zelf, zegt de Bijbel! Een rover van God, van onszelf, van onze kinderen. Ik heb me van al die heerlijke gaven beroofd.

Weg was opeens al de heerlijkheid, de gave van de vrijheid, de liefde en het leven. Ons verstand werd verduisterd, onze wil geknecht en onze genegenheden verdorven.

Daar staan Adam en Eva in de duisternis, in hun zwakheid, hun broosheid en boosheid! Ze zijn geneigd tot alle kwaad. Adam beroofde niet alleen zichzelf. Nee, zegt de Catechismus en Paulus zegt dat ook, hij beroofde ook al zijn nakomelingen. Al die miljarden mensen, die uit hem voortgekomen zijn, beroofde hij en hij wist dat van tevoren. Dus ook u en mij en onze kinderen, want Adam was ons verbondshoofd. Ik ben een kind van Adam en mijn kinderen ook.

Bedenkt u dat weleens, als u uw kinderen ’s avonds toedekt en boven hun bedje of hun wiegje staat?

Zegt u dan:

‘Ach, Heere, hier ligt er nu één van mij. Ik heb een onrein kind voortgebracht. O, God, neemt U het in genade aan, want dat hebt U beloofd, toen het merk- en veldteken van Christus op hun hoofd is gedrukt. Mogen ze een kind van U worden.’?

 

En dan noemt de Catechismus hier twee kanten van de zondeval: het ingeven van de duivel en onze moedwillige ongehoorzaamheid. Dat eerste is niet bedoeld als een verontschuldiging. De Catechismus noemt het maar in een klein bijzinnetje. Het satanische optreden wordt niet verdoezeld. Nee, maar mijn handelen is de hoofdzin.

Satan gaf mij iets in, staat hier. Wat gaf hij mij in? Hij gaf mij vergif in. Het vergif van de verdachtmaking van God. In het paradijs leefden wij van het ingeven des Heeren, maar de duivel vergiftigde ons en zei in zijn leugentaal: ‘Gij zult de dood niet sterven, maar gij zult als God zijn.’

 

Dat is het eerste, het ingeven van de duivel. Zo kwam het. Maar het tweede is helemaal verschrikkelijk, want er staat: door moedwillige ongehoorzaamheid hebben we ons beroofd van die heerlijke gaven. Moedwillig! Daar hadden wij de moed voor. Dat is wat! We wilden dat ook doen. Er was toch wel euvele moed voor nodig, om God aan de kant te zetten en satan te geloven! Maar hier blijkt het. Wij hebben de zonde gewild, we zijn geen slachtoffer.

Wie met opzet, willens en wetens, door een rood stoplicht rijdt, stort zich bewust in een ongeluk. We moeten in ons denken over deze zaken de rollen niet omdraaien. Laten wij Gods verborgen wil toch geen voorrang verlenen boven onze verdorven wil. Moedwillig, staat er.

Zie je wel, gemeente, dat we er echt niet zonder schuld uitkomen? En zo wordt door de Catechismus de wortel van onze ongehoorzaamheid blootgelegd.

Na de zondeval, staat er, leven we van het ingeven, van de impulsen, van de duivel. En wat een smerige impulsen geeft de duivel!

Tegen de één zegt hij: ‘Maak je niet druk, want je hebt nog tijd genoeg.’

Tegen een ander zegt hij, als die onder de indruk is van de heerlijkheid van het Evangelie en als het bloed van Christus begint te trekken: ‘Ja, maar zo ruim ligt dat niet. Zo is het niet, hoor, met het Evangelie!’

Tegen weer een ander zegt hij: ‘Maak het toch niet zo ingewikkeld, je hebt toch geen hekel aan God? Denk je dan dat God je zomaar wegwerpt? Je doet toch je best. Wat kun je nog meer? Hoe kan God jou nu straffen, terwijl je zo goed je best doet?’

 

Moedwillig ongehoorzaam door het ingeven van de duivel.

Dat was onze eerste gedachte.

 

2. De straf is verschrikkelijk vanwege Gods toorn

 

Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?

Nee Hij, geenszins; maar Hij vertoornt Zich schrikkelijk beide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwig straffen.

Dat is de tweede vluchtgang, die gemaakt wordt. Het ongeloof blijft marchanderen. Wanneer er aan de eis van God niet te tornen valt, misschien valt er wel te sleutelen aan de straf. Het ongeloof zoekt altijd het Woord van God om te buigen. Maar de Catechismus zegt: ‘Nee!’ Net als u, tegen uw kind, als het maar blijft zeuren en iedere keer met hetzelfde argument aankomt. ‘Nee,’ zeg je dan op een gegeven moment.

‘Nee Hij,’ staat er. Vergeet het maar. Waarom? Omdat God geen enkele zonde ongestraft laat. Dat kan Hij niet, want Hij is God. Hij is recht en Hij doet wat Hij heeft gezegd. Je zult de dood sterven als je ongehoorzaam bent.

 

Op de leerschool van Christus wordt de wet der liefde ingeschreven in het hart. Gods beeld wordt opnieuw afgedrukt en zo drukt Christus Zijn gerechtigheid af in je hart en zo krijg je weer een goed, Bijbels rechtsgevoel. Dat is echt kenmerkend voor Sion. Sion wil door recht verlost worden. En daarom zegt de leermeester: ‘Nee Hij.’ Hoort u dat? Voor de tweede keer al. ‘Nee Hij!’

Hij vertoornt Zich verschrikkelijk over de aangeboren en werkelijke zonden. Ja, Hij moet ze straffen met tijdelijke en eeuwige straffen. Hierbij wordt de tekst aangehaald van Paulus: ‘Vervloekt is eenieder die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.’

Om over de toorn van God te spreken, eerlijk gezegd, dat is niet in de mode vandaag. Dat is niet zo behaaglijk. Dat is nooit in trek, maar de Bijbel spreekt ervan. Gods toorn is niet een randverschijnsel, maar die toorn heeft te maken met de kern van de boodschap. Die toorn is niet een onheilige drift, zoals bij ons.

God vertoornt Zich schrikkelijk. Op een huiveringwekkende manier betekent dat. De toorn van God is niet iets wat ineens oplaait, zoals bij ons, maar die komt op vanuit Zijn Wezen. Het is geen blinde toorn. Nee, het is een rechtvaardige toorn over de aangeboren en werkelijke zonden.

 

Met aangeboren zonde wordt de erfzonde, de verdorvenheid waarin we geboren zijn, bedoeld. Dat wil dus niet zeggen dat die niet echt zijn, dat bedoelt de Catechismus niet. De werkelijke zonden zijn de dadelijke zonden, die uit onze zondige natuur voortkomen en die we doen met gedachten, woorden en werken. Die toorn is dus een heilige, goddelijke reactie op de zonde. En onder deze lichtgloed van Gods heiligheid ligt heel ons leven.

U leest in de psalmen, dat de Heere te allen dage toornt over de zonde. Hebt u daar al erg in gekregen? Paulus wel. Daarom zegt hij tegen de gemeente: ‘Wij dan, wetende de schrik des Heeren - de verschrikkelijkheid van de toorn van God over de zonde - bewegen de mensen tot het geloof. Laat u met God verzoenen.’ Als je daar iets van ervaart, dan heb je niemand voor de toorn van God over. Paulus beweegt de mensen tot het geloof in Christus, want hij weet er iets van. Ik denk, dat hij dat geleerd heeft op weg naar Damascus, toen Christus hem verscheen met de woorden: ‘Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?’ Toen heeft hij wel gezien hoe erg het is, om te vallen in de handen van de levende God, als je niet met Hem verzoend bent.

 

U zegt: ‘Maar de Heere Jezus praat daar toch niet over?’ Dat is een vergissing, want niemand heeft zoveel gesproken over de toorn van God en over het helse vuur dan Christus Jezus. Hoe indringend en klemmend heeft Hij afgemaand van de zonde en vermaand om de toekomende toorn te ontvlieden. Wat meer is, als geen ander heeft Hij de eis, de gestrengheid, de straf en de toorn van God niet alleen aanvaard, maar ook ervaren. Hoe heeft Hij gehuiverd in de hof van Gethsémané en gebogen: ‘Mijn Vader, indien het mogelijk is..., deze beker is zo zwaar, dit lijden is zo moeilijk.’ Hij had het er moeilijk mee, om de beker te aanvaarden. En toch heeft Hij het rechtvaardig oordeel van God aanvaard, want Hij zegt: ‘Vader, niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.’ Hoe heeft Hij als Borg en Zaligmaker geweten, dat God onze ongehoorzaamheid niet ongestraft laat!

 

Wij zeggen weleens en je hoort dat zeggen op gezelschap: ‘We moeten het recht van God toevallen.’ Ik zeg niet dat dat niet waar is, alleen moet je daar toch een beetje mee oppassen. Want sommigen spreken daar op zo’n manier over alsof ze de Borg en Zaligmaker zèlf zijn. Alsof dat toevallen van Gods recht nog iets aanbrengt! Wees dan maar voorzichtig. Jezus deed het volkomen. Er is er maar Eén geweest in deze wereld, Die volmaakt en volkomen het recht van God is toegevallen. Dat betekende voor Hem de dood, de vloek, de hel en de verlatenheid. Hij is ter helle nedergedaald.

En wij? Moeten wij het dan niet eens worden met God? Moeten wij Zijn toorn dan niet billijken? Jawel, ik denk aan wat we gelezen hebben over die moordenaar aan het kruis. Hij zei: ‘Wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen we gedaan hebben.’ Door een rechtvaardig oordeel, staat er. Gemeente, dat wordt alleen geleerd op de leerschool van Christus. Daar leert u het recht van God billijken, daar leert u bukken en buigen onder de toorn van God. Maar dat kan alleen in de nabijheid van Christus. Dat kan alleen door Christus, alleen in gemeenschap met Christus.

 

Je ziet het, we hebben het gelezen. De andere moordenaar bleef lasteren. Hij bleef toornen op God en op het oordeel van God. Hij bleef Jezus vloeken. Maar die ene moordenaar gaat toornen op zichzelf en die wordt het eens met God, als hij naast Jezus hangt. Hij gaat zich verdoemen en veroordelen. Wij toch rechtvaardig... Ja, het is recht, het is billijk.

Hoe zou die man zover gekomen zijn? Dat is duidelijk. Dat heeft hij niet van zichzelf, dat heeft hij niet zelf gepresteerd, maar dat kwam, omdat Jezus naast hem hing en omdat hij op de Kruiseling zag aan de middelste kruispaal. Dat kwam omdat hij luisterde naar het gebed van de Heere Jezus, toen Hij bad voor Zijn beulen: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doen.’ Toen heeft hij gedacht: ‘Hoe is het mogelijk, dat iemand bidt voor zijn beulen.’ Toen is de pijl van de liefde van Christus, die gedoopt was in Zijn bloed, maar tegelijkertijd ook omwonden met de heilige toorn van God tegen de zonde, gekomen in zijn hart. Toen heeft hij leren buigen en toen heeft hij gezegd: ‘Heere, gedenk mijner, Gij zijt een Koning, als Ge in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. Denk aan mij.’

Bij de Gekruisigde, Die gehangen heeft onder de ontlading van Gods toorn, worden we het eens met God en met het oordeel van God over ons leven. Anders niet.

En juist daar komt het onderscheid openbaar tussen geloof en ongeloof. Weet u hoe? Het geloof belijdt schuld: ‘Wij toch rechtvaardig’, maar het ongeloof belijdt nooit schuld. Het ongeloof kan een boek schrijven over Gods toorn en over de zonde, maar het buigt niet. Het erkent nooit schuld, want dat doet alleen het geloof. Het geloof, dat het eens geworden is met God door de werking van de Heilige Geest.

 

En nu zomaar een vraagje, gemeente. Mocht u dat al eens doen? En jullie, jongelui? Als je in de Bijbel leest, krijg je de spiegel voorgehouden. Daarin lees je wie je bent: een zondaar voor God. Als je dat gaat zien in het lichtschijn van wat het Christus heeft gekost, heb je dan ooit weleens gebogen onder de Heere en gezegd:

‘Heere, U zou geen onrecht doen als U mij liet liggen, want U bent het niet aan mij verplicht, want ik heb het niet verdiend, Heere.’

Maar dan blijft er toch dat roepen om genade, omdat ik weet, dat Hij vergevingsgezind is en dat Hij onze ondergang niet op het oog heeft. O, dan zegt de wet:

‘Vervloekt is een ieder die niet blijft in al hetgeen in mijn boek geschreven staat.’ Dan zeggen we: ‘Ja, Heere, dat is waar.’

Dan buigen we van harte.

‘De wet is goed en rechtvaardig, maar ik deug niet. Heere, U hebt gelijk, ik zal U niet meer tot een leugenaar maken, ik zal me er niet meer onderuit worstelen.’

 

Gemeente, dan, ja dan buigen we voor de Heere en dan staan we aan Zijn kant, als Hij zegt, dat Hij schrikkelijk toornt tegen de zonde. En we zeggen er ‘Amen’ op omdat het geloof altijd beaamt wat God in Zijn Woord zegt.

We zeggen ‘Amen’ op heel de Bijbel, ook op de vloek. Dan verstaan we wat Paulus zegt: ‘Ik ellendig mens’, ja, maar ook dat andere: ‘Ik dank God door Jezus Christus, onze Heere.’ Ik ben schuldig, ellendig en verdorven, maar er is er Eén geweest, Die volmaakt gebogen heeft onder Gods toorn over de zonde. Wie in Hem gelooft, is vrij van schuld en straf, die ontvangt een recht op het eeuwige leven.

 

U moet niet denken, dat je zo moet buigen onder Gods recht, dat je zegt: ‘Heere, laat mij maar zitten.’ Dat deed de moordenaar aan het kruis ook niet en dat kan toch ook niet? Je wilt toch bij God zijn? Je wilt toch met God verzoend zijn? Je wilt toch niet naar de hel? Dan vraag je daar toch ook niet om? Die moordenaar zei: ‘Heere, gedenk aan mij! Het is mijn schuld, Heere, dat ik hier hang in het oordeel, maar denk toch aan mij!’ Wij zeggen tegen God: ‘Heere, Uw oordeel is rechtvaardig. Het is waar, ik heb tijdelijke en eeuwige straffen verdiend. Maar genâ, o God, genâ, hoor hoe een boeteling pleit!’

Daar wil God ons hebben, want als God er geen behagen in heeft dat we verloren zullen gaan, zouden we daar dan zelf wel behagen in hebben? Dat kan toch niet. God heeft een weg uitgedacht in Christus en daarom mogen we het roepen: ‘Genâ, o God, genâ!’ We roepen omdat we weten en geloven, dat God genadig is en dat Hij de zonden vergeeft. De tollenaar achterin de tempel beroept zich ook op de vergevingsgezindheid van God. Hij zegt: ‘O God, Wees mij, de zondaar, genadig.’

 

Nooit zullen we buiten de genade om het eens kunnen worden met het recht van God. Nooit zullen we buiten de genade om zelfs maar kunnen verlangen naar genade. Het is genade voor genade, genade voor en genade na. Waarom? Omdat alles van Hem en uit Hem komt. Alles komt van de lijdende Christus en van de liefde des Vaders.

Alle roem in ons is uitgesloten,

onverdiende zaligheên

heb ik van mijn God genoten,

‘k roem in vrije gunst alleen!

 

De billijkheid van Gods vloekende wet valt alleen te leren op de leerschool van Christus, de Gekruisigde. Maar ook andersom. Wie op die leerschool komt, zal ook beoefenen, dat wij ‘bij onszelf onze zonde en vervloeking bedenken’.

Doet u dat weleens? Ligt u daar weleens wakker van? Een Jezus, zonder de beleving van onze schuld, heeft geen waarde voor ons hart. Echt, dat hoort bij elkaar. Hij is de Zaligmaker! En dat betekent: Verlosser van het grootste kwaad. Hij alleen kan u van de zonde verlossen.

Als je helemaal geen last hebt van je zonde, hoe kan Jezus dan, in de beleving van je hart, je Zaligmaker zijn? Ziet u, dat dat met elkaar samenhangt? Buigen onder de Heere en roepen om genade. Het bloed van de Heere Jezus is zó duur, zó waardevol, zó dierbaar! Maar daar hoort de belijdenis van onze zonden bij. Zo alleen kan Christus groter, machtiger en heerlijker voor ons worden.

 

Christus is het toorn-dragende Lam. ‘Aangezien de toorn van God zo groot is’, zegt het Avondmaalsformulier, ‘dat Hij die, eer Hij ze ongestraft liet blijven, gestraft heeft aan Zijn dierbare Zoon Jezus Christus.’

 

Dat was onze tweede gedachte. U voelt wel hoe juist het is, dat de Catechismus ook met die derde uitvlucht korte metten gaat maken.

Daarop letten we in onze derde gedachte, maar eerst zingen we met elkaar uit
Psalm 119:69:

 

Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, Heer’;

Uw oordeel rust op d’ allerbeste wetten;

Uw loon, Uw straf beantwoordt aan Uw eer.

Gij eist van ons, dat w’ op Uw waarheid letten;

Dat wij altoos op hogen prijs Uw leer

En ’t heilig recht van Uw getuig’nis zetten.

 

3. De straf is eeuwig ondanks Gods barmhartigheid

 

Is dan God ook niet barmhartig?

God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig, daarom, zo eist Zijn gerechtigheid dat de zonde, welke tegen de allerhoogste Majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is, met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde.

U ziet, een mens is niet zo gauw uitgepraat. ‘Ja, maar...’, dat zeggen we nogal eens, hè! ‘Ja, maar...’ Hier ook. ‘Ja, maar God is toch ook barmhartig?’ Wie dat zegt, bedoelt een barmhartigheid, die tegenover Gods rechtvaardigheid staat. Alsof God zou moeten kiezen tussen òf rechtvaardig zijn, zeg maar: streng zijn, òf barmhartig zijn, zeg maar: toegeeflijk zijn, de zaak door de vingers zien.

Zo is het niet. God komt voor ons niet even van de troon van Zijn gerechtigheid af om in quasi barmhartigheid de zonden door de vingers te zien. Dat zou geen goddelijk erbarmen zijn, maar ongoddelijke slapte, zoals dat ook bij ons weleens gebeurt.

 

Als er iets in het gezin is, dreigen we met een grote mond en dan uiten we allerlei dreigingen. Maar er komt meestal helemaal niks van in, want als puntje bij paaltje komt,  voeren we het niet uit. Verre is de God en Vader van onze Heere Jezus Christus van zulk een onrechtvaardigheid en onbetrouwbaarheid! Nee, Hij gaat door recht verlossen.

Hij doet geen afstand van Zijn recht. God is niet òf rechtvaardig òf barmhartig. Hij is niet de ene keer rechtvaardig en de andere keer barmhartig. Nee, Hij is èn barmhartig èn rechtvaardig tegelijk. Tegelijk! Gods deugden zijn één in God. Hij is niet barmhartig in tegenstelling tot Zijn rechtvaardigheid of rechtvaardig in tegenstelling tot Zijn barmhartigheid. Gods deugden zijn één. Èn barmhartig èn rechtvaardig. Allebei.

Gods liefde en recht ontmoeten elkaar op Golgotha. Ze kruisen elkaar in het kruis van Christus. Dat de toorn Gods neerdaalde over de Heere Jezus, dat is toch Gods rechtvaardigheid. De zonde moet gestraft worden. Er is geen onrecht in God. Dat Hij Zijn Zoon gaf aan een wereld verloren in schuld, dat is Gods barmhartigheid. Hij had er Zijn eigen Kind voor over.

 

Dus, ziet u, èn barmhartig èn rechtvaardig. We proeven hier iets van het Bijbelse evenwicht in de Catechismus. Gods barmhartigheid is juist, dat Hij een Borg heeft gegeven voor mensen, die helemaal failliet moeten gaan onder de eisen van Gods recht. Er is een Borg voor schuldigen. Christus is het bewijs van Gods barmhartigheid. Het is niet zo, dat God door Christus barmhartig is. Nee, God is barmhartig en daarom gaf Hij Zijn Zoon. Alleen in Christus kan Hij barmhartigheid bewijzen aan mensen zoals u en ik.

Het betekent dus niet, dat de Heere zomaar de zonde door de vingers ziet, maar dat Hij u, door schuldbesef getroffen en verslagen, wil brengen aan de voeten van het schuldovernemende Lam.

Genade zonder recht zou een goedkope genade zijn. Dat is geen genade. Genade door recht is dure genade. Dat is barmhartigheid! Het kruis heeft gestaan op Golgotha en Jezus heeft gezegd: ‘Die in Mij gelooft, zal leven.’

Het is Gods hoogste barmhartigheid, dat Hij ons niet ongewaarschuwd naar het verderf laat gaan. Hij vaagt ons niet zonder vorm van proces in één keer weg van voor Zijn aangezicht, maar Hij geeft Zijn Zoon.

 

Hij zegt:

‘Mensen, Ik waarschuw je, Mijn toorn rust op je, maar wie in Mij gelooft, heeft vergeving, die is bevrijd en die zal eeuwig leven.’

Wat doen we met dit Evangelie, gemeente? Slaan we die roepstemmen van de Heere in de wind? Nee toch, hoop ik. Ontvlied toch de toekomende toorn.

Zondag 4 van onze Catechismus predikt ons: God is ook rechtvaardig. Hij straft de zonde, bedreven tegen Zijn allerhoogste majesteit. En wat is er erger dan Majesteitsschennis? Welnu, de ergste straf is daar niet te zwaar voor. Er moet een rechtvaardige overeenkomst zijn tussen de grootte van de misdaad en de grootte van de straf. Wel, de allerhoogste majesteit van God is beledigd. Tegen Hem hebben we gezondigd en daarom staat daar tegenover een eeuwige straf aan lichaam en ziel. Dat is de hel. De straf is eeuwig, ondanks Gods barmhartigheid.

Maar nu is er bloed gestort, het dierbare bloed van de Heere Jezus. Hij droeg de eeuwige vloek aan het vloekhout.

O, die dierbare Borg, die gewillige Zaligmaker van zondaren! Wat een bitter lijden was dat voor Hem. Hij stond daar met de spotmantel om en de doornenkroon op Zijn hoofd. Zijn rug was gegeseld en in Zijn hand was een rietstok geduwd. Maar dat was het ergste niet. Dat de spijkers even later door Zijn handen en Zijn voeten gaan, was niet het zwaarste voor Jezus. Er zijn wel martelaren geweest, die lichamelijk erger hebben moeten lijden dan de Heere Jezus.

Maar wat was dan het ergste voor Hem? Dat was ook niet, dat Hij onschuldig ter dood veroordeeld is. Maar dat was, dat Jezus de volle toorn van God moest dragen, de van-God-verlatenheid. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem en dat was het ergste. Hij moest de gunst van God missen. Hij kwam in de totale verlatenheid, in de helse smarten terecht, in de buitenste duisternis. Daar is Hij verbrijzeld onder Gods toorn. Dat is het ergste geweest.

 

O, bedrieg u niet! Denk niet, dat u het met Gods barmhartigheid of met Gods rechtvaardigheid nog wel op een akkoordje kunt gooien. Er is maar één middel tot verzoening en dat is het bloed van de Heere Jezus. Hoe zullen wij ontvlieden, indien we op zo grote zaligheid geen acht nemen?

Er is maar één verzoeningsweg: ‘Laat u met God verzoenen.’ Doe het toch! Buig toch aan de voeten van het Lam! Belijd je zonden, erken Gods recht en vraag om genade, want Hij geeft genade.

Nooddruftigen zal Hij verschonen;
Aan armen, uit genâ,
Zijn hulpe ter verlossing tonen.

 

Hij is vergevingsgezind. Val daarom als een gebroken, schuldig mensenkind voor God, buig neer aan Zijn voeten en zeg maar met die moordenaar: ‘Heere, gedenk mijner.’ Voor zulk moordenaarsgeloof valt het eeuwig mee. Voor zulk moordenaarsgeloof valt God eeuwig mee.

 

Hiermee eindigt het korte stukje in de Heidelbergse Catechismus over des mensen ellende. Ja, de verlossing wordt in vele Zondagen behandeld en de dankbaarheid ook.

De ellende hoort er wezenlijk bij, maar de Heere wil niet, dat we daar altijd maar in roeren. De Heere wil dat we het beleven voor Zijn aangezicht en uitgedreven worden naar de Verlosser, Jezus Christus. Het is kort, maar krachtig. Krachtig, scherp insnijdend, afsnijdend ook.

Zo krachtig, dat het ons allen heendringt naar de Heere Jezus. Het zwaard van de wet ligt in de doorboorde handen van Christus en het is gedoopt in Zijn Middelaarsbloed. De wet wil niet anders dan een tuchtmeester tot Christus zijn. Iedere hamerslag van de wet drijft ons uit naar Jezus. Dat is de bedoeling van dat deel over de ellende in onze Catechismus. Nee, het is geen moralisme: ‘Je moet dit en je zult dat.’ Het lijkt wel zwaar, maar het is zo licht als de lucht.

Wat wij moeten doen en moeten hebben stelt niets voor. Iedere stoot van de wet stuwt ons heen naar de Middelaar. God heeft er behagen in, dat we geloven in Zijn Zoon Jezus Christus. Elke afgesneden vluchtgang wijst ons heen naar de wijdgeopende poort van Gods genade. Die poort is smal, zo smal, dat je daar alleen maar als een naakte zondaar doorheen kunt. Je kunt niets meer bij je hebben aan eigengerechtigheid of aan zonde. Nee, we moeten alles laten liggen. Alleen een naakte, kale, schuldige, verloren zondaar kan door die poort.

 

Gemeente, wat is de dienst van God toch heerlijk! Wat ben je toch rijk als je geborgen mag zijn in de Heere Jezus en in de kracht van Zijn bloed! Je bent aangenomen door God. Je bent Zijn kind, een rechthebbend kind zelfs, uit genade, op de erfenis die wacht in de hemelen.

Voor veel mensen is dit de grote levensvraag. Zij durven niet te zeggen dat ze een kind van God zijn. Als ik vraag: ‘Ken je de Heere’, dan antwoorden ze: ‘Nee.’

Daarom predik ik u vandaag:

Verloren zonen en dochters, Vader staat op de uitkijk. Zijn armen zijn naar u uitgebreid en Hij wil u ontvangen. U, die van God bent afgedwaald en ver van het Vaderhuis verwijderd bent. O weet, de poort blijft openstaan. Kom, kom naar huis. Want anders zal de eeuwige straf over ons komen.

Het wordt u nog verkondigd:

Er is een God, Die vergevingsgezind is en verloren zonen en dochters wil ontvangen.

U mag u met de Catechismus van harte belijden:

God doet geen onrecht, maar ik heb mezelf moedwillig van die gaven beroofd. God moet mijn ongehoorzaamheid straffen krachtens de deugd van Zijn rechtvaardigheid. Ik heb gezondigd tegen de Allerhoogste Majesteit, maar God zond Zijn Zoon in deze wereld en Hij betaalde aan het kruis. Hij voldeed aan het recht van God. Hij voor mij. En toen heb ik Hem lief gekregen. Ik ben voor Hem gaan leven. Ik werd het eigendom van die trouwe Zaligmaker. 

Zegt u het na?

 

Gemeente, God straft de zonde geen twee keer. Dat zou niet rechtvaardig zijn. God straft de zonde maar één keer. En als u mag weten: ‘De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem’, dan gaat u vrijuit en wordt u niet gestraft.

 

Zondag 1 staat als opschrift boven alle Zondagen in onze Heidelberger. Met grote letter staat boven iedere Zondag de Naam van Jezus geschreven in bloedrode letters. Ook boven deze Zondag, die handelt over Gods straffende gerechtigheid, waarin Hij onderging, opdat ik behouden zou worden.

Hoe? Door het geloof, dat de Geest werkt in mijn hart onder de verkondiging van het Woord.

 

Amen.