Ds. D.W. Tuinier - Lukas 2 : 7

Gods Zoon in doeken gewonden

Lukas 2
Onze zonden
Gods genade
De enige troost

Lukas 2 : 7

Lukas 2
7
En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en leide Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 100: 1 en 3
Lezen : Lukas 2: 1 - 20
Zingen : Psalm 132: 12
Zingen : Psalm 72: 6 en 7
Zingen : Psalm 33: 1
Zingen : Psalm 97: 7

Gemeente, het Kerstevangelie uit Lukas 2 ligt voor ons. We lezen met elkaar alleen het zevende vers. Daar schrijft de evangelist, geïnspireerd door Gods Geest, eenvoudig en sober:

 

En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.

 

Het thema van de preek luidt: Gods Zoon in doeken gewonden.

Het is een zichtbare preek van:

 

1. Onze zonden

2. Gods genade

3. De enige troost

1. Onze zonden

Gemeente, vandaag heeft u vast uw speciaal voor deze kerstdag uitgezochte kleren aan. Er zijn mensen die daaraan veel waarde hechten. Kinderen zien er tijdens de kerstfeestviering van school heel mooi uit! Fijn! Dat hoort ook zo.

Vandaag gaat het ook over kleren. Moeder Maria doet haar kind, Gods Zoon, na Zijn geboorte kleertjes aan, zoals elke moeder. De geboren Zaligmaker laat Zich gewillig in doeken wikkelen.

Waarom is dat nodig?

Wel, voor het antwoord op deze vraag moeten we terug naar het paradijs. Onze voorouders Adam en Eva ontvangen van God, hun Schepper, mooie kleren: sierlijke kleding. God heeft Zijn schepselen aangekleed met de kleding van Zijn heerlijkheid! Adam en Eva zijn versierd met Gods Beeld: ware kennis, het kleed van heiligheid en het kleed van gerechtigheid. Zij stralen Gods grootheid, majesteit en heerlijkheid uit.

Maar… zo is het niet gebleven. Door de zonde, door hun moedwillige ongehoorzaamheid zijn ze hun sierlijke kleren kwijtgeraakt. Dat is ook het eerste wat ze ontdekken. Tot hun grote schrik komen zij erachter dat zij naakt zijn! Ze zijn Gods beeld kwijt. De verhouding tussen hen en hun Schepper is niet meer goed. Daarom schrijft Paulus later ook in een van zijn brieven: Wij hebben allen gezondigd en wij derven (dat betekent: we missen) de heerlijkheid van God (Rom. 3:23).

 

Wat doen Adam en Eva als ze erachter komen dat ze geen kleren aan hebben? Onze jongens en de meisjes weten het wel: ze pakken vijgenbladeren van de bomen. Daarmee proberen ze hun naaktheid te bedekken. Ze maken eigen kleren. Maar de Heere zegt: ‘Weg ermee, met vijgenbladeren kunnen jullie voor Mij niet verschijnen.’ Ja, de Heere heeft Adam en Eva, die met bange vrees bezet voor Hem vluchtten, opgezocht, getroost, dieren geslacht en de huid aan hen gegeven om zich voor Hem te bedekken. Wat een wonder! Daarbij heeft Hij hen beloofd dat er bij Hem vandaan een weg zal geopend worden, waardoor er bedekking zal zijn voor hun zonden en schuld.

Hij belooft Zijn Zoon te zenden. Het Zaad van de vrouw zal komen in de volheid van de tijd. In Hem zal de weg van heil en redding worden ontsloten. Daarom gaan we van het verloren Paradijs naar de stal van Bethlehem. Daar laat God Zijn Zoon in doeken wikkelen. Dat is het wondere heilsfeit van kerst. Maria windt haar kind, Gods Zoon, in doeken. En dat is tot verootmoediging.

 

Kerstfeest predikt onze schande. Maar kerst predikt ook Gods onpeilbare liefde voor een wereld, verloren in zonde en schuld. Hij laat Zijn enig geliefde Schootzoon aankleden, zoals Adam en Eva in de hof van Eden. Zo diep moest Hij buigen. Zo laag wilde Hij afdalen. Zo erg zijn onze zonden. Zo diep is uw en jouw verlorenheid. Maar zo groot, onuitsprekelijk groot, is ook Gods genade.

Gods Zoon, God uit God, Licht uit Licht, wordt in doeken gewonden. Dat laat ook zien dat Hij echt mens is. Hij laat Zich aankleden! Dat moest. De engel Gabriël heeft immers tegen Maria gezegd dat de Heilige Geest haar zou overschaduwen! De kracht van de Allerhoogste zou over haar komen en daarom zal dat Heilige, dat uit haar geboren zal worden Gods Zoon genoemd worden! (Luk. 1:32). God neemt de menselijke natuur aan. Hij is de Immanuël, de God met ons! God wordt mens.

 

Maria neemt haar Kind in haar armen. Zoals elke Joodse moeder zwachtelt zij haar pasgeborene in een lange zwachtel, die uit doeken bestaat, lekker warm en geborgen, want het kan koud zijn in die tijd van het jaar. Gods Zoon is de mensen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Maria gelooft het. Het zingt in haar ziel terwijl ze haar lieveling in doeken wikkelt en tegen zich aan drukt: Mijn ziel maakt groot de Heere en mijn geest verheugt zich in God mijn Zaligmaker, omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien (Luk. 1: 46,47).

 

Zij wond Hem in doeken. Het predikt onze zonden. Maar het predikt in de tweede plaats ook:

 

2. Gods genade

 

Gods Zoon wordt echt mens. Hij wordt een heilig, vlekkeloos en rein mens, een mens van vlees en bloed. Dat moet. Dat is naar Gods heilige raad. God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiedt. God wil dat de natuur die gezondigd heeft de straf draagt. Vanwege Zijn waarheid en Zijn gerechtigheid kan er niet anders voor de zonde worden betaald dan door de diepe, diepe vernedering van Immanuël, Die indaalt in de ontluisterde menselijke natuur.

Door Zijn diepe armoede zullen arme zondaren rijk worden. De profeet Jesaja zegt: De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes. 53:5).

Geen dier, geen engel, geen heilige, niemand zal de prijs van uw ziel, in eeuwigheid aan God kunnen voldoen. Eeuwig wonder, heerlijk Kerstevangelie: God laat Zijn Zoon in doeken winden.

De Borg doet dat vrijwillig. Als Gods Geest uw oog daarvoor opent, wordt het Kerstfeest. Als op Hem ontdekkend en Christusverheerlijkend licht valt, zinkt u weg in verwondering en aanbidding aan Zijn kribbe. U gelooft en belijdt met onze vaderen in het avondmaalformulier: Ik voor u daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. In Hem ligt uw leven. In Hem ligt uw zaligheid. In Hem is genade, overvloeiende voor de grootste van de zondaren. Want Zijn Naam is JEZUS. Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Matth. 1:21).

 

Gods Zoon in doeken gewonden. Geliefden, het is een prediking van zonde en genade, dood en leven, vloek en zegen, Adam en Christus. We gaan er eerst over zingen; en wel Psalm 33 vers 1:

 

Zingt vrolijk, heft de stem naar boven;

Rechtvaardigen, verheft den Heer’;

Het past oprechten God te loven;

Zingt Zijnen groten Naam ter eer;

Prijst Hem in uw psalmen,

Met de schoonste galmen;

Roept Zijn weldaân uit;

Laat de keel zich paren

Met den klank der snaren;

Looft Hem met de luit.

 

Gods Zoon in doeken gewonden. We hebben gezien dat het ten eerste onze zonden predikt, ten tweede Gods genade, en nu letten wij ten derde op:

 

3. De enige troost

 

God Zelf zorgt voor kleren in het Paradijs. Daartoe vloeit bloed. Eeuwen later vloeit er op de kruisheuvel Golgotha opnieuw bloed. In het paradijs is het nog bloed van een dier. Maar in de volheid van de tijd zal de Messias komen. In een weg van lijden, sterven en diepe vernedering baant Hij de weg, zodat zondaren kleding ontvangen om voor God te kunnen bestaan.

Geliefden, bedenkt dat als u vandaag elkaars kleren bewondert. Gods Zoon wordt in doeken gewonden. Armer kan niet. Geboren in een beestenverblijf, neergelegd in een voerbak van de beesten. Wat een armoede! Wat een vernedering voor de allerhoogste Majesteit, de Heere der heren en Koning der koningen. Hij, Die de Bezitter is, de Eigenaar van de hemel en van de aarde, vol van majesteit, eer en heerlijkheid. Hij, Die zó hoog was, daalt zó laag af. Hij heeft Zichzelf vernietigd. Hij maakt Zich tot een niet en nul voor mensen die zichzelf een tien geven. Ze verschuilen zich achter de struiken. Ze bedekken zich met hun eigengemaakte kleren. Maar God neemt u al uw eigen kleding af. Op de kerstdag komt u in uw schande en verlorenheid naakt voor God te staan. In uzelf houdt u geen draadje kleding meer over. Eeuwig wonder van Goddelijk welbehagen, eenzijdige, eeuwige zondaarsliefde dat Immanuël de weg tot Gods genadetroon opent. Hij Die God was, blijft God en daalt neer. Hij wordt in doeken gewonden.

Waarom?

In deze weg zal Hij voor naakte zondaren klederen des heils en de mantel der gerechtigheid aanbrengen. Zijn naam is JEZUS! Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Matth. 1:21).

 

Maria windt haar Kind in doeken. Hij is haar Zaligmaker. Stil heeft ze haar lofzang gezongen. De woorden van Gabriel komen terug in haar ziel: Deze zal groot zijn (Luk. 1:32). Jesaja ’s profetie wordt vervuld: Een maagd zal zwanger worden en zij zal een Zoon baren en zal Zijn naam heten Immanuël, dat is God met ons (Jes. 7:14) Zó arm werd de Heere Jezus. Zo diep wilde Hij buigen. Dat doet Hij gewillig, vol overgave, uit liefde tot Zijn Vader en al Zijn kinderen. In de eeuwigheid klonk het: Ik heb lust, o mijn God! Om Uw welbehagen te doen (Ps. 40:9).

En Hij houdt woord. Hij doet wat Hij belooft. Juist in Zijn diepe vernedering, in Zijn grote armoede, in de schamele doeken, is Hij groot, schoon en dierbaar voor een behoeftig volk. In hunne noden, in hun ellend’ en pijn, gans hulpeloos tot Hem gevloden, zal Hij ten Redder zijn.

 

Hij is hun enige troost. De geboren Zaligmaker is de enige Trooster voor u en voor jou als u diep buigt aan Zijn kribbe, met uw zonden en schuld. Moeder Maria verstaat het heilgeheim: armen en hongerigen zal Hij met heilsgoederen vervullen. Rijken zendt Hij leeg weg. Eén van Gods knechten zong erover:

           

‘Moede kom ik,

arm en naakt,

tot de God die zalig maakt.’

 

Straks komen die herders binnen. Wat hebben ze bij zich? Helemaal niets! Ze komen zoals ze zijn. Ze komen met hun vuile, naar de schapen ruikende kleren. Ze komen met hun grote, grove, eeltige handen om te ervaren dat in het Kind bij God milde handen zijn en vriendelijke ogen. Daarom buigen ze heel diep voor hun kribbe maar vooral voor hun Zaligmaker. Ze zien Hem in Zijn schoonheid. Ze zien Hem met ogen van het geloof. Ze zien Hem precies zoals de engel het hen heeft verteld: Gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe (Luk. 2:12).

Ja, de kribbe! Hun kribbe. Maar vooral de doeken. Die zijn een hemelse bevestiging dat het echt waar is wat God heeft gezegd door de mond van de engel. God is een Waarmaker van Zijn Woord. Zijn beloften zijn in Christus Jezus ja en amen.

Als zij hun Zaligmaker zien liggen, in doeken gewonden, buigen ze nog dieper van verootmoediging, blijdschap en verwondering. Dan wordt het Kerstfeest! Kerstfeest is Christusfeest! Zij stemmen in met de dichter:

 

Nooddruftigen zal Hij verschonen,

aan armen uit gena’,

Zijn hulpe ter verlossing tonen,

Hij slaat hun zielen ga’.

 

Gods Zoon, gewonden in doeken. Hoe meer geloof en genade u ontvangt, des te dieper u buigt. Maar des te meer kruipt u ook naar de kribbe. Want in het Kind, in doeken gewonden, ligt uw zaligheid. In Hem wordt Vaders recht verheerlijkt. Door Hem is er voor u een geopende toegang tot de troon der genade. Met uw eigen kleren, hoe mooi ook, zal het nooit Kerstfeest worden. Er is één grond waarop u een verzoend God en Vader ontmoet en dat is het Kind, Wiens naam is JEZUS, in doeken gewonden. Van Hem geldt: Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden! (Matth. 5:4). Straks gaan we zingen: Gods vriend’lijk aangezicht, heeft vrolijkheid en licht, voor all’ oprechte harten, ten troost verspreid in smarten.

 

De geboren Zaligmaker, in doeken gewonden. We lezen verder niet veel meer over Zijn kleren. De bloedvloeiende vrouw pakte de zoom van Zijn kleed. Later lezen we van Zijn kleding op de berg der verheerlijking. Zijn kleding blonk als de zon. Zijn kleren glinsterden vanwege Zijn heerlijkheid.

Aan het einde van Zijn leven zie ik Hem staan in het rechthuis. De vijand trekt Hem Zijn kleren uit en maakt van Hem een spotkoning; met een purperen mantel, een doornenkroon op Zijn hoofd en een rietstaf in Zijn hand. Dan komt de kruisheuvel Golgotha. Daar wordt Hij ontkleed. Zijn kleren worden verdobbeld.

Daar hangt Sions betalende Borg, naakt in Zijn schande.

Waarom?

Om voor naakte zondaren het kleed van Gods heerlijkheid te verwerven.

 

Hij is Middelaar van verdienste. In de kribbe is Hij al de plaatsbekledende Borg. Bij Zijn geboorte wordt Hij in doeken gewonden. In Zijn sterven heeft Hij niets. Maar op Goede Vrijdag, rond de klok van zes uur, wikkelen twee van Zijn kinderen Hem opnieuw in doeken, in een fijn lijnwaad, en in de hof van Jozef van Arimathea leggen ze Hem in het graf.

Het leven van de Borg begint in een beestenverblijf. Zijn leven eindigt aan het vloekhout der schande. Maar… dit is het einde niet. Want op de Paasmorgen is Hij opgestaan. Hij verrijst uit het graf. God de Vader is volkomen tevreden met Zijn offer.

Hij wekt Zijn Zoon op. Daardoor verslindt Hij dood, hel en graf tot een eeuwige overwinning. Het graf is leeg op de Paasmorgen! De zweetdoek en de andere doodsdoeken, waarin het lichaam van de Zaligmaker ingewikkeld was, blijven achter. Dat betekent dat Sions gezalfde Koning de zonden en de schuld van Zijn Kerk in het graf heeft achtergelaten.

 

Hij is opgestaan met een verheerlijkt lichaam. Hij is opgewekt met de klederen des heils en de mantel der gerechtigheid. Daarmee verschijnt Hij aan Zijn jongeren op de Paasavond en zegt: Vrede zij ulieden (Luk. 24:36).

Daarin mogen Zijn kinderen delen. Johannes is er getuige van. Hij ziet het lege graf, de doeken en…gelooft! Jaren later ziet Johannes in Zijn openbaring niet meer de geboren Zaligmaker in de kribbe in doeken gewonden, maar hij ziet Hem als Sions gezalfde Koning, verhoogd en verheerlijkt in de hemel staan, bekleed met een lang wit kleed tot de voeten en omgord aan de borsten met een gouden gordel (Openb. 1:13). Op Zijn kleed en op Zijn dij is geschreven: Koning der koningen en Heere der heren.

Al Zijn kinderen, de herders, Maria en Jozef – u ook? – allen die met hun vuile, onreine kleren tot Hem de toevlucht nemen; hun kleren zullen worden witgewassen in het bloed van het Lam. Ze zullen komen uit de grote verdrukking. Maar Hij is Verwinnaar in de strijd en Hij geeft Zijn volk de zegen.

Johannes in Zijn Openbaring ziet Hem staan in de hemel als de Verhoogde, de Verheerlijkte Christus met bloed op Zijn kleren. U leest dat in Openbaring 19. Bloed is het teken van oorlog. Bloed is het teken van strijd. Maar het is ook het teken van verzoening. Verzoening door voldoening. Vrede met God door het bloed van het kruis. En dat voor vijanden.

 

Zo komen de twee wegen ook vanuit deze kerstprediking naar ons toe: het eeuwig wel voor de rechtvaardigen, maar ook het eeuwig wee voor hen die onbekeerd doorleven en zich handhaven in hun verloren staat voor God. Nog komt de evangelieboodschap tot u: Gods Zoon liet Zich in doeken wikkelen om zondaren zalig te maken. Komt tot Hem! Vlucht tot Hem, in uw schande en verlorenheid.

Maar de andere kant is: Hij zal allen verpletteren die Zijn verschijning niet hebben liefgekregen. Als we niet voor Hem buigen dan wordt u eenmaal gedwongen te buigen. Dat zal zo vreselijk zijn. Daarvoor zijn geen woorden. Maar voor hen die geen kleren meer over houden is er genade in de Zaligmaker, Die in doeken gewonden is.

 

Jongens en meisjes, jullie zien er mooi uit. Wat hebben jullie prachtige kleren aan. Maar vergeet je niet dat je nog andere kleding nodig hebt? Daarom neem ik je, voordat we naar huis gaan, nog even mee naar de paskamer van de Heere. Als Hij met Zijn liefde in je hart werkt, gaan daar al jouw kleren uit. Hij kleedt je dan aan met andere kleding. Nee, geen vijgenbladeren, ook geen dierenvellen, maar Hij doet je de kleren aan die de Heere Jezus heeft verdiend. Daarom liet Hij Zich in doeken wikkelen en in de kribbe neerleggen.

Zijn kleren zijn genoeg om getroost te leven. Het is ook genoeg om te kunnen sterven. Het zijn de klederen van Zijn heil, de mantel van Zijn gerechtigheid. Dan ziet God je aan in Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus. Dan ben je arm met al je eigen kleren, maar je bent schatrijk in Hem, Die in doeken gewonden is.

Welgelukzalig bent u, ben jij als je hiervan iets kent. Dan is het een echt gezegend Kerstfeest!

 

Amen.

 

Psalm 97 vers 7:

 

Gods vriend’lijk aangezicht

Heeft vrolijkheid en licht.

Voor all’ oprechte harten

Ten troost verspreid in smarten.

Juicht, vromen, om uw lot;

Verblijdt u steeds in God;

Roemt, roemt Zijn heiligheid;

Zo word’ Zijn lof verbreid

Voor al dit heilgenot!