Ds. M. Karens - 1 Johannes 1 : 5 - 10

God is een Licht

Verkondigen en misleiding
Wandelen en reiniging
Belijden en vergeving
Dit is de tweede preek uit een serie over de 3 brieven van de apostel Johannes.

1 Johannes 1 : 5 - 10

1 Johannes 1
5
En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God een Licht is, en gans geen duisternis in Hem is.
6
Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zo liegen wij, en doen de waarheid niet.
7
Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.
8
Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet.
9
Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.
10
Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zo maken wij Hem tot een leugenaar, en Zijn woord is niet in ons.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 89: 7
Lezen : 1 Johannes 1
Zingen : Psalm 51: 1, 2
Zingen : Psalm 25: 5
Zingen : Psalm 103: 6

Gemeente, het gedeelte uit de Johannesbrief dat we samen willen overdenken, vindt u in 1 Johannes 1 vers 5 tot en met 10. Ik lees u daarvan alleen het vijfde vers:

 

En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God een Licht is, en gans geen duisternis in Hem is.

 

Tot zover Gods Woord. Wij schrijven onder dit gedeelte: God is een Licht.

 

Wij letten op een drietal aandachtspunten:

1. Verkondigen en misleiding. Naar aanleiding van de verzen 5 en 6.

2. Wandelen en reiniging. Vers 7.

3. Belijden en vergeving. De verzen 8 en 9.

 

Het thema van de preek is dus: God is een Licht. Het gaat dan in de eerste plaats over verkondigen en misleiding: En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben. Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zo liegen wij.

In de tweede plaats: Wandelen en reiniging. Want het gaat over het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, dat reinigt van alle zonden en noodzakelijk is om te wandelen in het licht van Gods gemeenschap.

In de derde plaats: Belijden en vergeving. Indien wij zeggen, dat wij geen zonden hebben, dan staat het er niet zo best voor. Maar indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.

 

Dus nog één keer om te onthouden: God is een Licht. De aandachtspunten zijn: Verkondigen en misleiding, wandelen en reiniging, belijden en vergeving.

 

1. Verkondigen en misleiding

 

Geliefden, de brief die wij hebben openliggen, is van de apostel der liefde. Het is de eerste algemene zendbrief van de apostel Johannes. We hebben daarmee in een vorige preek een begin gemaakt. Toen hebben we gezien hoe Johannes schrijft over Jezus. Wij hebben hem toen een betrouwbare kroongetuige genoemd. Hij had het Woord des levens, het vleesgeworden Woord, gehoord en gezien, aanschouwd en getast. Ook hebben wij iets gehoord over de rijke boodschap over de gemeenschap met God de Vader en de Heere Jezus Christus. Wij zijn gewezen op het doel waartoe Johannes aan de gemeenten in Klein-Azië een algemene zendbrief schrijft, namelijk: opdat zij gemeenschap aan elkaar en blijdschap zouden hebben.

 

Nu gaan we verder luisteren naar wat Johannes schrijft. In vers 5 zegt hij: En dit is de verkonding die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen.

Het woord ‘verkondiging’ wordt in deze eerste verzen nu al voor de derde keer genoemd. Het is een speciaal woord; de kanttekening zegt dat het Griekse woord Epangelia, ‘belofte’ betekent. Het kan, gelet op wat volgt, ook vertaald worden met ‘verkondiging’. Dus in dit woord verkondiging ligt iets van ‘goede boodschap’. Er klinkt ook iets in door van een gunnende genadeboodschap.

Wat is de inhoud van die boodschap?

Dat God een Licht is, en gans geen duisternis in Hem is.

In de grondtekst staat het lidwoord ‘een’ niet. Eigenlijk staat er: ‘God is Licht.’ Het is alsof Johannes zeggen wil: ‘Zo is God. Hij is enkel Licht.’

De kanttekening zegt: ‘Namelijk zo in Zichzelven met Zijn verstand alles klaarlijk wetende, en in Zijn wil geheel zuiver en heilig zijnde, alsook omdat Hij de mensen verlicht door Zijn Geest.’ Het is zoals de dichter zong in de zevenentwintigste psalm: God is mijn Licht en mijn Heil, wien zou ik vrezen?

 

Gemeente, jongelui, licht heeft in de Bijbel altijd betrekking op gunst, genade, redding en vergeving. Licht staat in schril contrast tot duisternis. Duisternis hoort bij onwetendheid, blindheid, dwaasheid, en goddeloosheid.

God is een Licht. Licht is een van de kernwoorden die Johannes in zijn Evangelie en in zijn brieven gebruikt. Je zou eens na moeten kijken in zijn Evangelie hoe vaak het woord ‘licht’ voorkomt. Om een paar voorbeelden te noemen: Jezus dan, Johannes 8 vers 12, sprak wederom tot henlieden zeggende: Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben. In Johannes 3 vers 19 lees ik: En dit is het oordeel, dat het Licht in de wereld gekomen is, en de mensen (jij, u, en ik) hebben (van nature) de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos. Als Johannes verkondigt dat God een Licht is, dan klinkt daarin door wie God in Christus, Die het Licht der wereld is, voor zondaren wil zijn. ‘Gods vriend’lijk aangezicht heeft vrolijkheid en licht voor all’ oprechte harten, ten troost verspreid in smarten.’

 

God is een Licht. Toch heeft dit nog een andere kant. Want Johannes verkondigt dit in vers 5 als een aanloop naar vers 6. God is een Licht, jazeker, maar het wijst ook op Gods reinheid en heiligheid. Hij zegt tot ons: Zijt heilig, want Ik ben heilig (1Petr.1:16).

Je zou je kunnen afvragen of dit wel een goede boodschap is. Maar Johannes wil met de verkondiging dat God een Licht is, zeggen dat Hij heilig is, en met de zonden geen gemeenschap kan hebben. Zijn alles doorstralend licht dringt door tot op de bodem van ons hart. En daarom zegt Johannes in samenhang met het zesde vers eigenlijk: ‘Omdat God een Licht is, kunnen alleen Zijn kinderen, de ware gelovigen, hierin wandelen.’

‘Wandelen in het licht’ is een Bijbelse uitdrukking die vooral in de brieven van Johannes voorkomt. Het betekent geloofsgemeenschap hebben met God in Christus, en in Zijn wegen gaan. Wij hebben ervan gezongen: ‘Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort! Zij wand’len, Heer’, in ’t licht van ’t Godd’lijk aanschijn voort.’ Nee, ook voor Gods kinderen zijn de dagen der duisternis vele. Maar toch mogen zij door genade en het geloof in Christus, wandelen in de weg van het Woord. Dit Woord is een licht op hun pad en een lamp voor hun voet.

 

Johannes gaat in het volgende vers de duisternis bestrijden. Hij wil zeggen: ‘Leven of wandelen in de duisternis, in de onwetendheid, in de dwaling en de onheiligheid, is leven of wandelen met de vórst der duisternis en zijn werken doen.’

Dit gaat nooit samen met de gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zo liegen wij en doen de waarheid niet, zo staat het in vers 6.

Wat moet je nu onthouden bij deze verzen?

Wel, Johannes wil ons hier onderwijs geven dat iets zeggen, nog geen doen is, en dat wij daarmee nog geen deelhebben aan het geestelijke leven.

De woorden indien wij zeggen komen vijf keer in deze verzen voor. Iets zeggen, zeggen dat we in het licht wandelen, zeggen dat we geen zonden hebben, enzovoorts, gaat ons immers gemakkelijk af. Die dwaalleraars in de gemeenten van Klein-Azië, aan wie Johannes dit pastorale geschrift ook heeft gezonden, zeiden ook dat zij wandelden in het licht.

 

Als wij gemeenschap met God hebben, dan kennen we iets van genadelicht in ons leven. Zoals we zien in het genadeleven van Henoch, die mocht wandelen met God in het licht van Zijn genade. Zo iemand heeft het zaligmakende geloof, en kent iets van de opzoekende ontferming in Christus. Zoals de psalmdichter zegt: ‘Gods verborgen omgang vinden zielen, waar Zijn vrees in woont; ’t Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden, naar Zijn vreêverbond, getoond.’

 

Johannes verkondigt eerlijk en oprecht een eenvoudige maatstaf voor alle eeuwen: Vergelijk spreken maar met doen. Hoe is de praktijk van het leven? Johannes schrijft dan: Er klopt iets niet.

Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en we wandelen in de duisternis. Kanttekening 24 zegt over die duisternis: ‘Namelijk van onwetendheid, dwalingen, onheiligheid, en zonden die werken van de duisternis zijn.’

Gemeente, hier worden we gewezen op mondbelijders in de gemeente. Eigenlijk hebben we het over zelfbedrog. Johannes zegt namelijk in het vervolg van het vers: Zo liegen wij, en wij doen de waarheid niet. Je liegt als je zegt dat je genade bezit en de Heere kent, dat je leeft in Zijn gemeenschap, maar tegelijk de zonde en de duisternis aan de hand houdt. Alles kan ermee door. Kanttekening 26 zegt: ‘Dat is, zeggen de waarheid niet, overmits God de zodanigen Zijn gemeenschap niet heeft beloofd en degenen die waarlijk in de gemeenschap van God zijn, niet wandelen in de duisternis, want het licht en de duisternis hebben geen gemeenschap met elkaar.’ Wij handelen niet oprecht, zegt Johannes, en misleiden wij onszelf. Zo bestrijdt hij deze dwaalleraars.

 

Deze verkondiging van Johannes is voor ons tot ontdekking; om ons aan te spiegelen. Want het wil wat zeggen als de waarheid niet in je is, en je over de eeuwige dingen liegt. Zulke mensen belijden zaken die ze nooit beleefd hebben, ze spreken over dingen die geen praktijk in hun leven zijn, want ze kennen de vreze Gods niet. Ze weten niets van de verborgen omgang met God en hebben het leven met Hem niet. Zij hebben nooit het woord des levens innerlijk gehoord, gezien, aanschouwd, en getast. Ze kennen niets van het zaligmakend geloof. Zo liegen wij, en doen de waarheid niet. De waarheid – dat betekent de wil van God, het Woord van God.

Johannes zegt hier niet dat Gods kinderen niet uit zwakheid in zonden kunnen vallen. Hij heeft het hier over een leven in duisternis zonder God. Hij trekt maar één conclusie: ‘De waarheid is niet in hen.’ Ik lees dit ook in het Evangelie van Johannes in hoofdstuk 3 vers 20 en 21: Want een iegelijk die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden. Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.

 

Onze eerste gedachte spreekt over verkondigen, maar ook over vreselijke misleiding. Wat komt dan als eerste in uw hart op?

Doorgrond m’, en ken mijn hart, o Heer’; is ’t geen ik denk – zeg en ervaar – niet tot Uw eer? Beproef m’, en zie, of mijn gemoed iets kwaads, iets onbehoorlijks voed.’ Is dan uw gebed: Roep mij door het genadewerk van de inwendige roeping door Woord en Geest, trek mij uit de duisternis tot Uw licht?

 

Onze tweede gedachte is:

 

2. Wandelen en reiniging

 

Johannes zegt in het zevende vers: Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonden. Maar dit drukt een tegenstelling uit met vers 6: Mensen die de duisternis, de zonden, de onwetendheid, de dwaling en alles wat hiermee te maken heeft aan de hand houden, doen de waarheid niet.

Over de woorden ‘in het licht’ staat in kanttekening 28: ‘Dat is, niet alleen in de ware kennis van het Evangelie, maar ook in ware reinheid en heiligheid des levens.’ Dus de apostel bedoelt: Als wij in het licht wandelen, dan zullen we iets van de rijkdom van het Evangelie door genade hebben verstaan, en zal ook de reinheid en de heiligheid van ons leven uit Christus worden beoefend. Wandelen in het licht, gelijk Hij in het licht is. Wij zullen dan ook gemeenschap hebben met elkander.

 

Het woord ‘gemeenschap’ is in dit eerste hoofdstuk van de brief van Johannes een centraal woord. Johannes wil vooral oproepen tot de gemeenschap der heiligen. Deze gemeenschap kan alleen worden beoefend als God ons heeft liefgehad en wij getrokken zijn uit de duisternis. Dit schrijft Paulus in Efeze 5 vers 8: Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere; wandelt als kinderen des lichts. En in Efeze 2 vers 4 zegt hij: Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons heeft liefgehad. Leg uw leven eens hiernaast. Kent u hier iets van?

 

Bij wandelen in het licht, ik zei dit al, dringt zich de levenswandel van Henoch aan ons op. Deze man leefde in de goddeloze eerste wereld. Iedereen spotte met God, maar hij wandelde met God. Hij mocht in zijn gezin en omgeving iets uitstralen van dat ‘zijt dan kinderen des lichts’. Hij wandelde in het licht van Gods vriendelijk aangezicht.

De tegenwoordige duistere wereld van liquidatie, en noem maar op, trekt kwaad aan. Maar licht trekt licht aan, dat is nooit van elkaar los te maken. Indien wij in het licht wandelen, zal dit openbaar komen in de gemeenschap der heiligen. Wel gemeenschap met God in Christus menen te hebben, maar elkaar links laten liggen of haten, kan niet, getuigt Johannes hier. In kanttekening 29 lezen we het ook: ‘Wij gelovigen onder elkander en gezamenlijk met God en Zijn Zoon.’

Hoe staat het bij ons met de gemeenschap der heiligen? Hoe is het door het geloof gesteld met de gemeenschap met het levende Hoofd Christus? Want alleen daaruit vloeit de gemeenschap met elkaar voort.

 

Wandelen in het licht. Dan komt Johannes tot zo’n rijk geloofsgetuigenis. Hij zegt in het zevende vers: En het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonden. Daar gaat het om; het is de kern van dit gedeelte. Wij verkondigen u een belofte, een goede boodschap. Johannes wil zeggen: ‘Zij, die iets weten van Wie God in Christus is, leren kennen dat God een Licht is.’ Niet alleen een ontdekkend licht in je leven, dat de zonden blootlegt tegenover Gods heiligheid, maar je mag dan ook weten van dat lief’lijk licht van Gods vriendelijk aangezicht in Christus Jezus.

Degenen die hier iets van kennen, voelen zo vaak dat ze zelf alleen maar duisternis kunnen werken, maar zij weten ook van de reinigende kracht van het zoenbloed van Christus. De apostel wil laten zien dat ons wandelen in het licht niet een verdienende of een werkende oorzaak van onze gemeenschap met God is, maar een vrucht en een kenteken ervan. Johannes schrijft dit om de gemeenten bekend te maken, dat het wandelen in het licht voortvloeit uit de Middelaarsbediening van Christus.

 

Wandelen in het licht met Jezus komt aan op de praktijk. Daarom wijst Johannes op het allesreinigende bloed van Christus, en op de kracht ervan. Hij spreekt dan over het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, Gods Zoon. Dat Johannes dit zegt heeft het optreden van dwaalleraars als achtergrond. Zij loochenen dat het Woord vlees geworden is, en onder ons heeft gewoond. De Godheid van Jezus van Nazareth wordt daarmee geloochend, dat gebeurt tot op de dag van vandaag.

Johannes zegt dus: ‘Jezus Christus is Gods Zoon.’ Zijn drie namen worden in de geloofsbelijdenis, en in de Heidelberger Catechismus als volgt verklaard: Jezus: want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Christus: Hij is door de Vader van eeuwigheid Gezalfd tot Profeet, Priester en Koning. Hij is Gods Zoon. Kanttekening 31 zegt: ‘Dit doet de apostel daarbij, om daarmee uit te drukken de waardigheid van de verdienste van Christus.’

Het is ook ter bestrijding van het docetisme dat toen verkondigd werd. De aanhangers van het docetisme leerden dat Jezus een schijnlichaam had, en Zijn godheid niet waar was.

 

Wat bedoelt Johannes nu eigenlijk met het bloed? Het is zo’n bekende klank in de prediking. Maar wat is nu de betekenis van dat bloed? Gemeente, het is een symbolische aanduiding voor de gehele Middelaarsbediening van Christus, van Zijn lijden en sterven. Het verwijst naar het enige zoenoffer dat op Golgotha is gebracht, naar de kruisdood van het Offerlam. Johannes schrijft het in Zijn Evangelie aldus: Zie, het Lam Gods, Dat de zonden der wereld wegneemt (Joh.1:29). Dat bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, ziet op de volle omvang van Zijn dierbaar borglijden, Zijn vernedering tot in de dood, en Zijn sterven.

Denk eens mee, kinderen? Wanneer is het eerste bloed van de Heere Jezus op de aarde vergoten?

Dat was al op de achtste dag van Zijn leven, toen Hij, die zonder zonden was, Zich stelde onder de wet. Toen Jozef Hem besneed vloeide het eerste Middelaarsbloed van Jezus Christus, Gods Zoon.

Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, werd geperst uit Zijn poriën, toen Hij kroop in de Hof van Gethsémané als een worm, en geen man. Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, drupte toen Hij stond in het rechthuis, en de doornenkroon door de soldaten van Pilatus op Zijn heilige slapen werd geslagen. Toen vloeide het langs Zijn heilig gelaat. Het bloed, dat uit Zijn handen en voeten vloeide, en langs die houten kruispaal drupte op Golgotha, toen de nagels, de spijkers, werden geslagen. Het bloed en water, dat stroomde op Goede Vrijdag, rondom een uur of drie, toen de Romeinse soldaat kwam, nadat Hij gestorven was, en Zijn zijde doorstak.

Johannes schrijft erover: Ik ben er getuige van geweest, en heb erbij gestaan. Dit bloed is van zo’n onuitsprekelijke betekenis. Het is van onschatbare waarde. Er is weer gemeenschap mogelijk met God. Door dit reinigende bloed is er een wandelen mogelijk in het licht van Zijn gemeenschap, is er die geloofsgemeenschap met God en Christus mogelijk, met de Vader, maar ook met elkaar.

 

Jonge vrienden, ouderen, zilver en goud trekken onze aandacht. Wij zouden het niet graag missen. Maar weet je wat eigenlijk het enige is wat je nodig hebt?

Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, want dat reinigt van alle zonden.

Soms is er voor mensen bloed nodig omdat hun leven in gevaar is. Bloed van een donor! Zij ontvangen door dat bloed verlenging van hun tijdelijk leven. Maar weet u wat nu zo’n wonder en voorrecht is? Nu verkondigt Johannes het Evangelie, de belofte, zo gunnend; hij verkondigt dat er nog bloed is. Bloed van die Ander! In dat bloed ligt het leven en de zaligheid. Daardoor kunnen wij God ontmoeten. Door dat bloed van de Zaligmaker kunnen we wandelen in het licht van Zijn vriendelijk aangezicht. En Johannes mag weten, dat het toegepast is in zijn hart door de Heilige Geest.

 

Het bloed werd in de schaduwdienst in de tempel afgebeeld. De Joden verstonden dit toen zij de brief lazen. In het Oude Testament stond degene die offerde bij het altaar. Als het bloed van het offerdier werd gesprengd op het altaar en de offeraar, dan was dit een symbolisch bewijs dat nu zijn zonden verzoend waren. Dan mocht hij weer iets ervaren van Gods licht, van Gods gunst en van Gods genade. ’Zo reinigt’, zegt Johannes, ‘het bloed van Jezus Christus ons.’

 

Ons. Dat zijn de gelovigen, Gods kinderen in de gemeenten in Klein-Azië, Efeze, Sardis, Laodicéa, en noem maar op. Het is Johannes zelf en het zijn de mensen van wie hij mag weten, dat zij het niet alleen zeggen in het licht te wandelen, maar dit door Gods genade daadwerkelijk mogen doen. Die de gemeenschap kennen met Christus, en daardoor ook met Johannes.

Ons. Wat zijn dat voor mensen?

Vuile, onreine zondaars, mensen die in zichzelf nooit verder komen dan duisternis, zonde en schuld.

Ons. Want de zonde maakt scheiding, en maakt schuld. De zonde geeft smet.

Ons. Het zijn van die melaatse zondaren. Walgelijk om te zien. Zij hebben zichzelf door het licht van de Heilige Geest leren kennen als onreinen. Zij zijn van zichzelf gaan walgen, wanneer ze zien op hun zonden en onreinheid.

Ons. Melaats van de hoofdschedel tot aan de voetzool toe. Maar zij leerden – zoals ons doopsformulier zegt – hun reinigmaking en zaligheid buiten zichzelf zoeken. Zij hongeren en dorsten naar de bloedgerechtigheid van de Heere Jezus.

 

Kennen wij iets van dat gezegende bloed? Mag u iets weten van de kracht van dit bloed, gesprengd aan uw schuldige ziel? Begeert u dat bloed te mogen kennen? Is het uw bede dat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, toegepast zou mogen worden aan uw dorstige en schuldige ziel? Want Johannes zegt: ‘Het reinigt van alle zonden.’

Het is heel opmerkelijk, dat dit reinigen in het Grieks in de onvoltooid tegenwoordige tijd staat. Dat is een speciale wijze van uitdrukken. Je kunt eraan zien dat er sprake is van een voortdurend reinigen.

De kanttekening over ‘reinigt ons’ is lang. Ik zal hem toch voorlezen, maar u moet hem thuis maar eens rustig nalezen. Er staat: ‘Namelijk wegnemende van ons de schuld en de straf van de zonde door de weldaad der rechtvaardigmaking, en de smetten van de zonde of de verdorvenheid door de weldaad der wedergeboorte, die in dit leven haar begin heeft, en die hiernamaals ook zal volkomen zijn.’

Volgens Johannes ligt in dat ‘reinigt ons’ de weldaad van de rechtvaardiging en van de heiliging. Dat wil zeggen dat niet alleen de schuld en de straf van de zonden wordt weggenomen, maar het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, neemt ook de smet der zonde en de verdorvenheid van ons vlees weg. Hij wijst hiermee op de wedergeboorte in ruimere zin; het leven der heiligmaking door het reinigende bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon. Het is een voortdurende handeling, die leidt tot rechtvaardiging en heiligmaking.

 

Gemeente, dat bloed is het enige middel tot reiniging en rechtvaardiging. Maar dan moet dat middel wel worden toegepast aan onze schuldige ziel. De Heilige Geest is de Werkmeester, en Hij gaat dit woord toepassen aan het hart. Dan hebben we nodig wat zo vaak bij de Doop wordt gezegd: de besprenging met dat dierbare bloed van Jezus Christus, Gods Zoon. Het is nodig dat de Heere in ons leven – Johannes getuigt ervan –die belofte gaat toepassen: Ik zal rein water op u sprengen, en gij zult rein zijn (Ez.36:25). God zal het dierbaar bloed van de Messias Jezus Christus door de Heilige Geest toepassen aan uw hart, opdat door het geloof de kracht van dit gezegende bloed mag worden ervaren.

 

Vervolgens staat er: reinigt ons van álle zonde. Daar mag je niet overheen lezen. ‘Namelijk, zowel aangeboren als dadelijke, zowel grote als kleine zonden’, zeggen onze vaderen in de kanttekening.

Weet u wat zonde is? Hebben wij de ernst van de zonde wel eens gezien? Wij kunnen zoveel zeggen, maar gemeente, jongelui, hebben wij ooit door Gods ontdekkende genade de ernst van de zonde ervaren?

Nu staat hier: alle zonde. Dit zijn dadelijke zonden, erfzonde, zonden met gedachten, woorden en werken. Zonden van bedrijf, maar ook zonden van nalatigheid; dat ik niet geweest ben wie ik moest zijn, dat ik God niet verheerlijkt heb, waartoe ik geschapen ben.

Dan zing je die bekende psalm in de tegenwoordige tijd: ‘Een stroom van ongerechtigheden, heeft d’overhand op mij.’ Maar dan wijst Johannes in de verkondiging van het Woord de gemeenten in Turkije, maar ook ons, op de alles reinigende kracht van dat dierbare bloed van de Borg. Want het Lam Gods reinigt van alle zonde. Calvijn zegt: ‘Het is een weldaad die de gelovige dagelijks wordt aangeboden in de verkondiging van het Evangelie.’ Daarom is het voor een kind van God dagelijks nodig de toevlucht te nemen.

 

Gods kinderen, die God uit genade aanziet als rechtvaardig en heilig in Christus, hoeven niet meer geheel gewassen te worden. Let maar eens op Petrus bij de voetwassing door Christus. Hij hoeft niet meer geheel gewassen te worden. Hij is rein door de toepassing van het alles reinigende bloed. Daarom zijn de voeten genoeg. Want tijdens het wandelen in het dagelijkse leven, in de weg der bekering, en in een leven van heiligmaking, moeten Gods kinderen zo vaak zeggen: ‘Ik heb vuile voeten gemaakt in deze wereld.’ Hun kleren zijn zo vaak bezoedeld door de zonde. Daarom is het zo nodig om dagelijks te vluchten tot deze fontein van het bloed: Jezus Christus, Gods Zoon. ‘Och, mocht ik in die plassen van Jezus’ bloed, mijn ziele wassen, en dus gereinigd zijn’, heeft één van Gods knechten ooit gezegd.

 

In de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat over het bloed van Jezus Christus – u moet uw leven er maar aan toetsen – zo treffend: ‘De merktekenen van de christenen zijn deze; te weten, uit het geloof, en aangenomen hebbende de enige Zaligmaker Jezus Christus, dat uw leven getekend is in de zonden vlieden, in de gerechtigheid najagen, in de ware God en uw naaste liefhebben, in niet afwijken noch ter rechter- noch ter linkerhand, hun vlees kruisigen met zijn werken. Alzo nochtans niet alsof er geen grote zwakheid in hen zij; maar zij strijden daartegen door de Geest al de dagen van hun leven, nemende gestadig de toevlucht tot het bloed, tot de dood, tot het lijden en tot de gehoorzaamheid van de Heere Jezus Christus, in Dewelke zij vergeving hunner zonden hebben, door het geloof in Hem.’

Als een onreine en schuldige de toevlucht nemen tot het bloed, het lijden, en het sterven van die dierbare Zaligmaker – dat is de verkondiging van Johannes in deze brief. De kanttekening zegt dat als u wilt wandelen in het licht, in ware reinheid en heiligheid, dan heeft u telkens opnieuw dat gezegende bloed nodig. Wulfert Floor zegt in een preek: ‘Ziedaar, een hartversterking voor vermoeide zielen, die onder de last van hun zonden en schuld gebogen gaan. Dit is aangenaam nieuws voor een arme zondaar, die zich onrein voelt, en die geen kans meer ziet zichzelf te reinigen. Al had iemand ál de zonden van Adams nakroost samengebonden, het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden.’

 

Onze derde gedachte is: Belijden en vergeving. Maar we gaan eerst Psalm 25 vers 5 zingen:

 

Lout’re goedheid, liefdekoorden,

Waarheid zijn des Heeren paân

Hun, die zijn verbond en woorden,

Als hun schatten, gadeslaan.

Wil mij, Uwen naam ter eer;

Al mijn euveldaân vergeven!

Ik heb tegen U, o Heer’,

Zwaar en menigmaal misdreven.

 

3. Belijden en vergeving

 

Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid. In de laatste drie verzen van ons teksthoofdstuk staan twee dingen tegenover elkaar: Jezelf verleiden, misleiden, indien wij zeggen geen zonden te hebben of niet gezondigd te hebben, tegenover het ‘indien wij onze zonden belijden.’ Het is dus je zonden verbergen en zeggen dat je die niet hebt, óf je zonden belijden, zegt Johannes. Telkens begint het vers met 'indien'. Indien wij zeggen geen zonden te hebben, of, in vers 10, indien wij zeggen niet gezondigd te hebben.

Ik vraag me trouwens af wie zou durven zeggen, dat hij geen zonden heeft, dat hij niet gezondigd heeft. Dan moet je wel een verschrikkelijke Farizeeër zijn. Dit hoorden enigen uit de Farizeeën, die bij Hem waren, en zeiden tot Hem: Zijn wij dan ook blind? Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zo zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; zo blijft dan in deze uw zonde (Joh.9:40,41).

             

Indien wij zeggen geen zonden te hebben, dan zijn we blind in eigen gerechtigheid, zoals de oudste zoon. Wij hebben het dan aardig met onszelf getroffen. Daarom geloof ik dat er niemand in de kerk zit, van de jongste tot de oudste toe, die zal zeggen geen zonden te hebben. Nee, dat doen we niet. In je reformatorische hart komt dit niet op, en het komt ook niet over je lippen.

Maar mag ik dan de tekst een klein beetje veranderen: Indien wij leven alsof wij niet gezondigd hebben? Komt het dan niet dichterbij? Indien wij rustig voortleven alsof we geen hemelhoge schuld hebben, indien wij voortleven en ons nooit bekommeren over de verschrikkelijkheid van de zonde, indien wij leven alsof wij niet op reis zijn naar de rechterstoel van Christus, om rekenschap af te leggen van heel ons leven?

Dus als we net doen alsof we eigenlijk geen zonden en schuld hebben, alsof we niet in rekening staan met God, en zo maar rustig doorleven, week in week uit, onbekeerd blijven, buiten God en Christus leven, als we geen noodzaak zien van reiniging, genade, vergeving en zaligheid, dan is dat een rampzalige misleiding! Je kunt een ander verleiden, een ander bedriegen, maar hierin bedrieg je jezelf. Daarom zegt kanttekening 34 dat het afleidt ‘van de rechte weg die naar de zaligheid leidt’.

 

Er zit ook een opklimming in. Ik weet niet of u dat opgevallen is toen we het hoofdstuk samen lazen. In vers 6 staat: Zo liegen wij, en doen de waarheid niet. In vers 8: Zo verleiden wij onszelf, en de waarheid is in ons niet. En de climax in vers 10: Zo maken wij Hem tot een leugenaar. Het begint dus met liegen, daarna met jezelf misleiden en daardoor maak je God tot een leugenaar. En de waarheid – Zijn Woord – is in ons niet, vers 6.

Zijn Woord spreekt dus zo anders. Het getuigt juist van onze nameloze ellendestaat, van onze zonden en schuld. Maar wij beschuldigen Hem van leugens, terwijl Hij in Zijn Woord iets heel anders getuigt.

Mag ik daarom die laatste zin – zo maken wij God tot een leugenaar – nog eens onderstrepen? Komt u dat niet bekend voor? Zijn ons aller vader en moeder daar niet mee begonnen? Zij maakten God tot een leugenaar, toen zij luisterden naar wat de duivel zei: Gij zult de dood niet sterven (Gen.3:4). Nadat God had gezegd: Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven (Gen.2:17). Datzelfde doen al de kinderen van dit echtpaar – Adam en Eva – tot op de dag van vandaag, als Gods genade het niet verhoedt.

Geliefde gemeente, zó maken wij God tot een leugenaar. Het is zo’n Godonterend ongeloof; want wij geloven de vorst der duisternis, de vader der leugenen. Door de zonde te ontkennen misleiden we onszelf.

 

Maar Johannes wijst een andere weg. Hij wijst een Ander aan. Johannes schrijft: Houdt nu eens op met jezelf te verleiden, te liegen, en God de schuld geven, Hem tot een leugenaar te maken. Er is een veel uitnemender weg: Indien wij onze zonden belijden.

Ga maar naar huis en buig je knieën voor je bed. Belijdt God maar je zonden. Kanttekening 36 zegt: ‘Namelijk voor God, met een waar berouw en met betering.’ Dus met een hartelijk berouw je zonden gaan belijden voor God.

Uw zonde belijden. Geen algemene overtuiging, want dat gaat over. Zoals Kaïn belijdt: Mijn misdaad is groter, dan dat die vergeven worde (Gen.4:13). Let ook op de algemene overtuiging van Ezau en Judas. Zij zagen ook de ernst van de zonde en hebben het uitgeschreeuwd: ‘Ik heb verraden onschuldig bloed!’ Maar zij misten de liefde. Nee, geen algemene overtuiging, maar door Gods genade, door de Heilige Geest, uw zonden belijden, voor God gaan buigen, en zeggen met de dichter van Psalm 51: ‘Mijn zonde zie ‘k mij steeds voor ogen zweven.’ Dan is het gedaan met dat ‘zeggen niet gezondigd te hebben’.

 

Gemeente, als het zaligmakende licht van Gods Geest in ons leven valt, dan gaan we de zonden kennen, en érkennen. ‘k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog. En ik beleed na ernstig overleg, mijn boze daän.’ Dan komt er een ‘zonden belijden’. Zodat wij gaan gevoelen tegen Wie we de zonde hebben bedreven.

Hebt u er ooit bij stil gestaan tegen een heilig en een goeddoend God gezondigd te hebben? Heeft u uw de zonden ooit gezien als het missen van het doel waartoe God u schiep?

Weet u wie dat deed, achter in de tempel? De tollenaar: O God! Wees mij de zondaar genadig (Luk.18:13). En zoals Efraïm: Ik heb berouw gehad, en op mijn heup geklopt (Jer.31:19). We hebben ook gezongen: ‘k Bekend’, o Heer, aan U oprecht mijn zonden. Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed; Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden. Delg uit mijn schuld. Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad; mijn zonde zie ‘k mij steeds voor ogen zweven. Ik heb tegen U, ja U alleen misdreven.

Ken jij een plaats, waar je je zonden belijdt? Getuigt je kamer ervan? Nee, niet van wat je daar allemaal uitspookt, maar van die hartelijke tranen van berouw? Want, gemeente, wij weten niet wat zonde is, totdat Gods Geest ons de ernst en de diepte van de zonden gaat leren. Kent u dat voortdurend belijden voor de Heere van uw zonden?

Ik noem u maar een paar voorbeelden op uit de Heilige Schrift: De verloren zoon sprak: Ik ben niet meer waard uw zoon genaamd te worden. Ik heb gezondigd tegen de hemel, en voor u (Luk.15:21), de moordenaar aan het kruishout van Golgotha, de kwaaddoener, zei: Wij toch rechtvaardig; wij ontvangen straf (Luk.23:41).

 

Onze zonden. Hebben we een plaats van berouw? Kennen we iets van dat hartelijke belijden? Of is het nooit verder gekomen in ons leven dan God tot een leugenaar te maken, uzelf een beetje te misleiden en de ernst van de zonde weg te redeneren? Vraag dan om het werk van Gods Geest, Die zaligmakend overtuigt, en ons de zonde als zonde en schuld leert kennen.

Onze zonden. Dan gaat het niet over de zonden van een ander. Het is persoonlijk, en zonden is meervoud. Smytegelt zegt: ‘Waarom meervoud? Omdat haar getal zo groot is, omdat ze ontelbaar zijn, en omdat haar soorten zo veel zijn.’

Gods kind is niet zomaar klaar met belijden. Als ze soms in zonden vallen, en als de Heilige Geest het licht daarop laat vallen, gaan ze als Petrus naar buiten, en wenen bitter over hun zonden en afmakingen.

 

Hoe diep moet je zondenkennis en je berouw zijn? Hoe ernstig moet dat belijden zijn? Wilhelmus à Brakel, in zijn Redelijke Godsdienst, schrijft: ‘Zo diep moet uw berouw en uw zondenkennis zijn, dat u buiten Jezus nergens meer terecht kunt.’ Zo diep moet het zijn, dat ik uitgedreven word, door schuldbesef getroffen en verslagen, aan de voeten van Jezus. Want, indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.

 

Nog een paar woorden over het laatste gedeelte van het hoofdstuk. Waarom kan God zonden vergeven?

Door twee eigenschappen en weldaden van God.

Zijn eerste eigenschap is dat Hij getrouw is; pistos, staat er in het Grieks. Dat betekent: betrouwbaar, je kunt op Hem aan.

Hij is ook rechtvaardig, staat er. Maar dat tweede had ik niet verwacht. Ik had gedacht: ‘Hij is getrouw en barmhartig.

Hij, de God aller genade, die mildelijk vergeeft, is, was en blijft getrouw. Je kunt voor honderd procent op Hem aan. Getrouw en betrouwbaar ziet op Zijn persoon, en op Zijn Woord: ‘t Is trouw al wat Hij ooit beval; het staat op recht en waarheid pal.’ Het heeft betrekking op Zijn beloften. Deze zijn ‘ja en amen’ in Jezus Christus. Het wijst op Zijn verbondstrouw: Bergen zullen wijken, heuvelen zullen wankelen (Jes.54:10). De Heer’ is zo getrouw, als sterk; Hij zal Zijn werk voor mij volenden.

Maar nu dat rechtvaardig… Als het gaat over de zonden vergeven, moeten we het dan hebben van Gods rechtvaardigheid? Dat vind ik moeilijk! Ik had gedacht dat Johannes zou schrijven: Indien wij onze zonden belijden… dan is Hij getrouw en zo onuitsprekelijk barmhartig, dat Hij deze zal vergeven...

Je verwacht eigenlijk dat woord ‘rechtvaardig’ niet, zei ik al. Eigenlijk is het een heilgeheim. Kanttekening 38 zegt: ‘Dat is, niet dat de belijdenis van de zonden naar de rechtvaardigheid Gods de vergeving van de zonden zou verdienen, maar dit woord verklaart het voorgaande, alzo de rechtvaardigheid vereist, dat iemand volbrengt hetgeen Hij beloofd heeft.’ Dus omdat God getrouw is, en beloofd heeft dat op grond van de arbeid van Christus Jezus, Zijn Zoon, en Zijn alles reinigende bloed vergeving zou schenken.

Maar nu is God zó rechtvaardig dat Zijn recht en toorn over de zonden van de Zijnen is uitgewoed op Zijn Zoon. Het goddelijke recht is voldaan in de Zoon van Zijn liefde aan het vloekhout van Golgotha. Hij ging in het gericht, om de zonden van al de Zijnen, voor Johannes, de mensen daar uit Klein-Azië, voor de uitverkorenen van verleden, heden en toekomst, te voldoen.

Hij is zo getrouw en rechtvaardig, dat Hij maar één keer de zonden straft. Plaatsvervangend is de gerechtigheid van God in Zijn Zoon voldaan. Sion zal door recht verlost worden (Jes.1:27). Dat is het borgwerk van de Heere Jezus. Hij droeg de straf, en zij krijgen de vrede. Hij droeg de toorn en het oordeel, en zij vergeving. De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem (Jes.53:5).

 

Nu de twee weldaden. Dat zijn twee vruchten: De eerste is de vergeving der zonden. Christus Jezus scheldt, op grond van dat God getrouw en rechtvaardig is, de zonden kwijt. Kom dan, en laat ons tezamen rechten, zegt de Heere; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als de sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes.1:18).

De tweede weldaad is de rechtvaardiging. David, Manasse, maar ook Petrus, hebben dit mogen ervaren. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.

Mag u daar ook van spreken? Zult u niet rusten voordat u het mag weten? Rust niet in uw schuldbelijdenis. Het is weliswaar een voorrecht, maar jaag naar de vergeving, zoals de Catechismus in Zondag 21 verklaart: ‘Dat God, om des genoegdoens van Christus' wil, al mijn zonden, ook mijn zondige aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome.’

De rechtvaardigmaking is: dat Hij ons de zonden vergeeft. En de heiligmaking: en ons reinige van alle ongerechtigheid. Dit is het voortgaande werk van de heiliging waarover we zojuist spraken toen we het hadden over het bloed van Christus. Johannes wil zeggen: ‘Om nu te leven in de gemeenschap met de Vader en met Christus, hebben wij nodig de vergeving van zonden, en de reiniging van ongerechtigheid.’ Want zo mag de zondaar leven uit Hem, vrucht dragen uit Hem, en wandelen met Hem in het licht.

 

Johannes heeft een ernstvolle boodschap over zonde en genade. Laten we dat mee naar huis nemen met de vraag: We kunnen wel veel zeggen, maar hoe is de praktijk? Weet God van de plaatsen van ons berouw? Hebben we onze zonden leren zien? Werd het praktijk: ‘Zo Gij in ‘t recht wilt treden, o Heer’ en gadeslaan onz’ ongerechtigheden, ach, wie zal dan bestaan?’ Maar mochten we ook door genade leren: Indien wij onze zonden belijden, Hij is zó betrouwbaar, want Hij belooft het in Zijn Woord. Hij is betrouwbaar en rechtvaardig, omdat Christus de zonden en de schuld en de straf voor mij gedragen heeft. Dan mag de zondaar vergeving van zonden ervaren, en eeuwige gerechtigheid.

Toe, is dat bloed van Christus voor u noodzakelijk, dierbaar, en beminnelijk geworden? Wandel dan niet in de duisternis, maar in het licht, opdat God mag worden verheerlijkt, u uit de vruchten mag worden verzekerd, en uw naaste door uw godzalige wandel voor Christus gewonnen wordt.

 

Amen.

 

Psalm 103 vers 6:

 

Zo hoog Zijn troon moog’ boven d ’aarde wezen,

Zo groot is ook voor allen, die Hem vrezen.

De gunst, waarmee Hij hen wil gadeslaan;

Zo ver het west verwijderd is van ’t oosten,

Zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten,

Van ons de schuld en zonden weggedaan.