Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 2

De wet als kenbron van onze ellende

De Gever van de wet
De Onderwijzer van de wet
De ontdekking van de wet

Zondag 2 :

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 18: voorzang
Lezen : Mattheüs 22: 34 - 46
Zingen : Psalm 38: 1, 6, 15
Zingen : Psalm 133: 1, 3
Zingen : Psalm 130: 2

Gemeente, vandaag is uit de Catechismus Zondag 2 aan de beurt. De vorige keer ging het over de drie stukken.

Nu komt het eerste stuk: ‘Van des mensen ellende’.

 

Vraag 3: Waaruit kent gij uw ellende?

Antwoord: Uit de wet Gods.

Vraag 4: Wat eist de wet Gods van ons?

Antwoord: Dat leert ons Christus in een hoofdsom, Matth. 22:37-40: Gij zult liefhebben den Heere uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten.

Vraag 5: Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?

Antwoord: Neen ik; want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.

 

Deze Zondag spreekt over

De wet als kenbron van onze ellende

 

We verdelen de preek in drie gedachten, naar aanleiding van de drie vragen met de bijbehorende antwoorden:

 

1. De Gever van de wet

2. De Onderwijzer van de wet

3. De ontdekking van de wet

 

U hebt misschien gedacht, gemeente, ‘Zondag 2, jammer, dat vandaag die Zondag aan de beurt is.’ Deze Zondag gaat immers over de ellende en daar horen we al zo vaak over. De wereld is er vol van en dan nog eens een hele preek over de ellende! Ja, als je het zo bekijkt, heb je een heel verkeerd begrip van de ellende-kennis, van de wet van God en van God Zelf. Als je zo redeneert, is één ding duidelijk, dan ken je in ieder geval je ellende nog niet.

Bovendien het gaat niet in de eerste plaats over de ellende, maar ten diepste over de liefde. Gij zult liefhebben de Heere, uw God. Er staat niet: ‘Wat eist de wet Gods van ons?’ en dan volgen alle geboden afzonderlijk. Nee, Christus vat ze samen. Waar het dus ten diepste om gaat in al de geboden is de liefde. ‘Gij zult liefhebben de Heere, uw God en uw naaste als uzelf.’ Dat is de inhoud van de twee tafels van de wet. En wie die liefde niet kent, ja, die is echt ellendig. Die kent zijn ellende niet, die kent de wet van God niet en die kent ook God niet. En die heeft het onderwijs van Zondag 2 dubbelhard nodig.

 

De farizeeën hadden, ten tijde van de omwandeling van de Heere Jezus op aarde, een totaal verkeerd begrip van de wet. Dat blijkt uit de Schriftlezing. Zij kenden de wet wel, maar zij kenden zichzelf niet door de wet. Ze waren hele dagen met de wet bezig en ontleedden die helemaal. Het was net een soort verzameling, die ze hadden aangelegd.

De wetsbeschouwing van de rabbijnen kende 613 afzonderlijke geboden, namelijk 248 geboden en 365 verboden. Die vergeleek men met elkaar en zo kwam men tot de indeling van lichtere en zwaardere geboden, alsook van belangrijke en minder belangrijke geboden. Zonder dat ze ooit zich er maar één keer in hadden gezien, waren ze bezig met de spiegel van Gods wet. Ze bleven hangen aan de uitwendige geboden, zonder te letten op het doel en het beginsel van de wet. En dat is de liefde.

 

Op zekere dag komt een wetgeleerde naar de Heere Jezus toe om Hem te verzoeken. ‘Meester, wat is het grote gebod in de wet?’ vroeg hij. Hij bedoelde: ‘Heere Jezus, van heel die verzameling die we hebben aangelegd, die 613 geboden, welke is daarvan de belangrijkste?’ De Heere Jezus antwoordt: ‘Het belangrijkste is de liefde.’

Dat geldt ten opzichte van elkaar, maar ook naar God. Als de liefde in ons hart niet is, dan zijn we bang voor God en bang voor de wet. Maar als de liefde in ons hart is, ja, dan zijn we wel bedroefd over onze zonden en vluchten we er juist mee naar God toe. Juist de liefde verbreekt de vrees. We belijden in de Apostolische Geloofsbelijdenis: Ik geloof... en dan staat er niet: ‘Ik geloof de zonde’ maar: ‘Ik geloof de vergeving der zonden.’

De zelfkennis, de kennis van de ellende en van onze schuld is niet een apart onderdeel uit het Christelijk geloof, maar is slechts in zoverre noodzakelijk, als ze dient om de Naam van God, het Wezen van God en de genade van God te onderstrepen.

 

En opdat we blijvend uit dit wonder van genade van God zullen leven, daarom luidt de vraag van de Catechismus: Waaruit kent gij uw ellende? Met andere woorden, hoe bent u tot de kennis gekomen van dat eerste stuk en hoe functioneert dat in uw leven? Om zalig te leven en te sterven, moeten we weten hoe groot onze zonde en ellende is. Hoe bent u uw ellende gaan beleven?

 

Gemeente, dat woordje ‘ellende’ is niet zomaar een samenvatting van allerlei verdrietige omstandigheden in ons leven, die het gevolg zijn van de zondeval, maar de Catechismus spreekt over ‘onze ellende’. Daarmee bedoelt ze onze verdorvenheid, de zonde, die ons vervreemdt van God. Hier wordt de vraag gesteld: ‘Christen, u die weet hebt van de drie stukken, u die het eigendom bent van Christus, hoe bent u tot die kennis gekomen? Hoe werkt dat in uw leven? Waaruit kent gij uw ellende?’

 

En dat is niet iets voor één keer. Nee, het is een doorgaande zaak, levenslang. Er zijn mensen, die over de wet van God spreken als iets dat eenmaal heeft afgedaan. Ze hebben het over het stuk van de ellende alsof ze dat helemaal achter de rug hebben. Dat hebben ze achter zich gelaten en daar hebben ze niets meer mee te maken. Er zit natuurlijk wel een kern van waarheid in. De vloek en het oordeel van God vanwege de wet, vanwege de overtredingen van de wet, ja, daar heeft een christen, die het eigendom van Christus is, niets meer mee te doen. Want die vloek heeft Christus overgenomen. Maar tegelijkertijd blijven we toch iedere dag bidden: ‘Vergeef ons onze schulden’, want we doen ze dagelijks weer. Gods kinderen leven blijvend uit genade, als bedelaars. De wet is geen verleden tijd. We zijn niet perfect. We zijn niet tot een staat van zondeloosheid gekomen. De eis van de wet blijft en daarom is de kennis van de wet blijvend noodzakelijk. Leest u Romeinen 7 er maar op na. Paulus zegt: ‘Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.’

 

Het is duidelijk, dat de wet van God goed is en deugdelijk. Het is duidelijk, dat ik niet deug en jullie ook niet, jongens en meisjes. Jullie zijn echte deugnieten, maar je vader en moeder zijn dat ook. Gemeente, wij en onze kinderen, die wij hebben voortgebracht, deugen niet. Gods wil en wet zijn heilig, maar wij zijn onheilig en zondig.

Juist nu ik Christus mag kennen als de enige troost in leven en sterven, zeg ik: ‘Heere, o, ik ben zo onheilig, van top tot teen melaats door de zonde, rechteloos en verdorven.’ Dat zie je na ontvangen genade. Dan zegt Petrus, als hij de grootheid van Christus ziet: ‘Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens.’

Als we dat belijden, dan is dat grote wonder gebeurd in ons leven en gaan we God gelijk geven en gaat ons eigen-gelijk eraan.

 

 Waaruit kent gij uw ellende? Hoe kom ik er achter, dat ik een ellendige ben, een van God vervreemde zondaar? Wie haalt me de schellen van de ogen af? Hoe komt het tot dat weten van Paulus in Romeinen 7:14: Wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.?

Daar is een Godswonder voor nodig. Echt waar! Er is genade voor nodig. Niet door ons verstand, noch met ons intellect, kom je erachter. God alleen is in staat en bereid om door de korst van onze onwetendheid, dood en vervreemding heen te boren.

Daarom leert de Catechismus ons, dat we onze ellende kennen uit de wet van God. Het gaat om God. God is de Gever van de wet. En zo ken ik mijn ellende. Niet uit de wet van mensen, maar uit de wet des Heeren, die we zondag aan zondag horen voorlezen.

 

De wet is heilig, rechtvaardig en goed.

Het is een liefde-wet, omdat de wet de uitdrukking is van Gods wezen. De wet schrijft niet alleen voor hoe wij moeten zijn voor Gods aangezicht, maar zij openbaart ons in de allereerste plaats Wie God is. Ook Gods wet is, net als het Evangelie, Gods geopenbaarde woord. Hij laat in de wet zien wie Hij is. God openbaart er Zijn wil en Zijn wezen in. Het is niet de wet van Mozes, maar het is de wet van God. Mozes heeft hem doorgegeven aan het volk. Ik geef hem door aan u. Maar hij komt van God. Hij is de Gever van de wet.

 

De wet Gods vraagt liefde, omdat God liefde is. De wet Gods vraagt het volmaakte omdat God volmaakt is. Wie dus negatief denkt over Gods wet, die denkt negatief over God. Maar de wet is helemaal niet negatief. Zij is volmaakt, heilig, rechtvaardig en goed. God heeft Zijn wet in het paradijs ingeschapen in de harten van Adam en Eva. De eerste zonde is juist geweest de zonde van moedwillige ongehoorzaamheid, om die liefdevolle God en die liefdevolle wet van God niet meer gehoorzaam te zijn. We zouden onszelf voortaan tot een wet zijn, maar we weten hoe fout dat is uitgepakt. Wij hebben het beeld van God verloren en we zijn het rechte zicht op God kwijtgeraakt.

 

En toch is er van die oorspronkelijke betekenis van de wet van God nog een overblijfsel in ons geweten. Ieder mens weet dat er verschil is tussen goed en kwaad. Ieder mens wordt in zijn geweten weleens veroordeeld. Soms wordt dat geweten dichtgeschroeid. Het wordt gevormd door je opvoeding, maar dat het geweten er is, heeft te maken met de ingeschapen kennis van God en van Zijn wet.

Maar dat is anders dan het geestelijk kennen van onze ellende, zoals de Catechismus het hier bedoelt. Het veroordelend geweten brengt ons niet verder dan slaafse vrees. Hooguit word je bang voor God. Maar dan hebben we God niet lief, noch Zijn wet en zijn we bang voor de wet en bang voor God. We leren niet echt hartelijk buigen voor God. Dan zien we de wet niet in de hand van Christus, zij is losgemaakt van Zijn liefde en heeft alleen maar een afschrikwekkende klank.

 

Maar hoe moet het dan? Hoe komen we aan de rechte ellende-kennis door de wet? Wel, dat is heel eenvoudig, daar hebben we een Onderwijzer voor nodig, Die de wet van God van binnenuit kent, Die die wet van God in Zijn hart en in Zijn ziel heeft en Die zegt: ‘Ik draag Uw heilige wet.’

De kennis der ellende is uit de wet van God. Maar wat hebben we aan die wet, als we deze aangereikt krijgen zonder een Onderwijzer daarbij? Wat heeft een kind op school aan de mooiste leerboeken voor aardrijkskunde, als er geen juf of meester voor de klas staat, die het uitlegt en die de leerstof de kinderen eigen laat maken?

Voelt u, wat er nodig is? Op de school van de genade hebben u en ik voor alles een Onderwijzer nodig, een Leermeester.

En dat is het tweede waar we op gaan letten.

 

2. De Onderwijzer van de wet

 

We gaan naar vraag 4:

Wat eist de wet van God van ons?

Dat leert ons Christus in een hoofdsom: Gij zult liefhebben de Heere uw God

Ùw God. Zie je wel, in het kader van het verbond en het recht dat God op ons heeft.

met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de profeten.

 

Gode zij dank, dat Hij Zijn eigen Zoon naar de aarde gezonden heeft om ons die wet te onderwijzen! Hij is de Docent, zo staat het letterlijk in antwoord 4. Dat leert ons Christus in een hoofdsom.

Hij doceert de wet, Hij onderwijst de wet. Dat doet de Zaligmaker. Dat doet God. Hij, Die liefde is en uit eeuwige zondaarsliefde Zich heeft overgegeven, Hij, Die beter dan wie dan ook, de goede wet van God kent, leert ons het geestelijke ABC van het geloof.

Gode zij dank, dat Hij door de Vader is verordineerd, aangesteld en bekwaam gemaakt, om onze hoogste Profeet en Leraar der gerechtigheid te zijn! Buiten Hem is er geen enkele zaligmakende kennis van de wet van God. Buiten Hem kan God niet verheerlijkt worden.

Dat zagen we in de vorige Zondag al duidelijk. Ellende-kennis is door genade. Het is niet een voorwaarde om tot genade te komen, maar het is dóór genade, door het geloof. Geloven is: alles voor waarachtig houden, wat God in Zijn Woord openbaart.

 

Dat Woord veroordeelt mij in het licht van Gods liefde, dat Woord beurt mij op. Boetvaardigheid is altijd vrucht van het geloof. Het is geen voorstadium voor de genade. Het is geen voorwaarde om voorwerp van genade te worden. Het is geen stadium, dat aan de ontmoeting met Christus voorafgaat.

‘O’, zegt u, ‘maar het gaat toch wel aan de verlossing vooraf?’ Jawel, er zijn drie stukken, zij hebben een orde: ellende, verlossing, dankbaarheid. Boetvaardigheid gaat wel aan de verlossing vooraf. U moet goed begrijpen wat ik bedoel. Het gaat niet aan de Verlosser vooraf, want Hij is het, Die in Zijn profetische bediening door Zijn Heilige Geest een mens ontdekt en plaats maakt voor Zijn priesterlijke offer. Dat doet Hij, dat leert ons Christus.

Het gaat wel aan de verlossing vooraf, maar niet aan de Verlosser. Wie moet het ons leren als Hij het niet doet? Die grote Profeet leert ons dat door Zijn Heilige Geest. Hoe zouden we enige geestelijke kennis kunnen ontvangen buiten de leerschool van Christus om?

 

We mogen de wet en de ellende-kennis door de wet dus nooit losmaken uit de hand van Christus. Wat een prachtig antwoord! Dat leert ons Christus! Buiten Hem is er geen geestelijke ellende-kennis. Buiten dat Woord van God om geeft Hij geen onderwijs. Hij onderwijst alleen door Zijn Woord en Geest. En dat Woord is Wetswoord en Evangeliewoord. In Zijn handen is dat geen tegenstelling. Door Zijn liefde, die Hij uitstort in het hart van de zondaar, wordt Zijn onderwijs echt beleefd in de binnenkamer. Dan werkt het iets uit en komt die echte kennis der ellende door de wet.

 

U moet bij het woordje ‘wet’ niet alleen maar denken aan de Tien Geboden. Natuurlijk, die in de eerste plaats, maar u moet denken aan alle vermaningen en eisen van het Woord van God, niet alleen negatief maar ook positief.

Christus leert het ons in één hoofdsom: ‘God lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf.’ En dan zegt Hij: ‘Hieraan hangt de ganse wet en de profeten.’ Dat is het antwoord op de vraag: ‘Wat is het grootste gebod uit de wet?’

 

Wet betekent het hele Oude Testament, heel Gods Woord, heel de oudtestamentische wet in de zin zoals Psalm 119 daarover spreekt. De Heere Jezus heeft de wet samengevat. Buiten Christus is er niemand, die ons zaligmakend iets ten goede leren kan, met de heilige wet van God in de hand. Waar zouden we anders de rechte ellende-kennis vandaan moeten halen, als Hij er niet was? Hij predikt de wet met Zijn bloed, vanuit het zicht op Golgotha, vanuit het zicht op Zijn stervende liefde. Daar gaan harten buigen, zondaren breken en gaan mensen hun schuld en zonden belijden.

Christus leert het. O, dan zie je de eis van de wet en de liefde tot God als de vervulling van de wet! Christus leert het in één hoofdsom. De ganse wet en de profeten hangen aan de vervulling van de wet door de liefde vast.

 

De wet is de bekendmaking van Gods wil. Heel de dienst van de Heere hangt aan deze liefde-geboden, net zoals een schilderij hangt aan een spijker. Als je de spijker uit de muur haalt, valt het schilderij naar beneden. Welnu, zo is het hier ook. Als je de liefde uit de wet haalt, dan valt heel de wet uit elkaar en komt de wet helemaal niet meer tot haar doel. Dan valt alles in duigen. Dan kun je je overal op willen beroemen, maar als de liefde van God en de liefde tot God en de naaste niet in je hart is, dan is er niets.

 

Hij maakt Zijn wil bekend in Zijn heilige wet. Hij maakt zich daarin bekend. Hij wordt daarin zichtbaar. U moet eens horen wat Paulus zegt: ‘De wet is geestelijk.’ Dat betekent: van God afkomstig, Die geestelijk is. Van de Heilige Geest afkomstig, gevuld met God, en met het Gods gezag.

Daar hoort de wet thuis, de wet is van God. De wet is geen sociaal contract of een aantal regels. Nee, de wet is geboren in het hart van God. En God is liefde. De wet is, zeg maar, de buitenkant van God. Het is de buitenkant van Gods binnenste Wezen. Daar is maar één woord voor. Paulus zegt: ‘De wet is geestelijk.’ Dat ziet dus op haar oorspronkelijk en geestelijk gehalte.

 

Omdat het de wet van God is, kunnen we het niet met een gebod van God op een akkoordje gooien. Dat kan met menselijke wetten wel, daar zitten allerlei mazen in. Maar Gods wet is niet zo. Daar valt niet mee te schipperen. Het is niet maar een aantal richtlijnen bij elkaar, een aantal vingerwijzingen. Nee, de wet is God Zelf! Het is de uitdrukking van Gods heilige liefdeswil. Zo kijk je God in Zijn hart. God staat voor je.

Hij staat daar opdat wij zo zouden zijn, zoals Hij van ons eist. En als we dat niet zijn, dan ligt de schuld aan onze kant, want Hij heeft ons goed geschapen. God stapt nooit van de eis van Zijn heilige wet af. Het is Zijn wet.

Tegelijkertijd zie ik in die spiegel van Gods wet mezelf, maar niet zoals ik me in een gewone spiegel zie, want dat valt meestal nog wel mee. Zulke ijdeltuiten zijn wij wel. Maar wie in de spiegel van Gods heilige wet kijkt, zegt:

‘O, God, wat valt dat tegen! Dat had ik niet gedacht van mezelf. Zie ik er zo uit in Uw heilige ogen? Ben ik zo verminkt, Heere? Zit er nog zoveel eigen eer tussen? Zit er nog zoveel eigen vlees tussen? O, God, ik ben het aankijken niet waard. Wat een wonder, Heere, dat U met zo’n mens verder wil! Wat is de mens, dat Gij hem gedenkt, en des mensen zoon, dat Gij hem bezoekt?

 

Waarom houdt God ons die goede, heilige wet voor? Wel, om ons te ontdekken aan onszelf. Zo opent Hij onze ogen voor het zelfbedrog, waartoe een mens altijd maar weer in staat is. We zullen moeten bekennen mensen te zijn, die slecht en verdorven zijn; en dat het echt niet meevalt. Het is zo erg, dat zelfs het bloed van Christus eraan te pas moet komen om ons te reinigen van al onze zonden. Daarom laat Hij dat allemaal zien. Daarom gaat de Heere Jezus zover in de samenvatting van de wet.

Kijk, als deze God liefde is, dan is het niet minder dan een halsmisdaad om deze God één keertje niet lief te hebben. O, leg je hart er eens naast! Eén keertje God niet liefhebben. Slechts één keertje jezelf bedoelen in plaats van God. Dat is Majesteitsschennis. Voelt u, hoe diep dat gaat? Voelt u, dat niemand daar zonder schuld onderuit komt. Ook nu niet, als ik u de wet van God predik in het kader van Zijn liefde?

 

Wat eist de wet? Waarom heeft God iets volmaakts van onvolmaakte mensen te eisen? Omdat het niet Gods schuld is, dat wij onvolmaakt zijn geworden, maar omdat het onze schuld is. Wij zijn van de Heere afgegaan, wij hebben de Heere verlaten, wij en onze vaderen. Wij zijn goddeloze mensen geworden. Daarom kan God Zijn eis niet ongedaan maken. De Heere eist ons weer helemaal op. Hij zegt: ‘Mens, Ik wil u weer terug hebben. Ik wil u weer zien, zoals Ik u schiep. Volmaakt, met Mijn liefde in uw hart. Ik wil de mens terug hebben, die boordevol liefde is tot Mij en de naaste.’ Want de liefde is de hoofdsom van de wet. Dat is de gouden draad, die door heel het leven van de Heere Jezus loopt. Hij is de Wetsvervuller:

Ik draag Uw heil’ge wet,
Die Gij den sterv’ling zet,
In ’t binnenst’ ingewand.

Dat is heel diep in Zijn hart. God had Hij lief boven alles en Zijn naaste als Zichzelf. Zo lief had Hij een verloren wereld, dat Hij naar deze aarde kwam en dat Hij Zijn armen gewillig uitstrekte om doornageld te worden met de spijkers van onze zonden.

O, dat we de wet mogen zien in het licht van de liefde van Jezus! Zo breekt God mensenharten.

 

Zo deed Hij het op de Pinksterdag. Deze Jezus, Die gij gekruisigd hebt! En als zij dat hoorden, werden zij verslagen in het hart en zeiden: ‘Mannenbroeders, wat moeten wij doen?’ De harten gingen breken en buigen. Als we Christus zo leren kennen in Zijn Woord en bij het licht van Zijn Heilige Geest, dan gaan wij in Hem zien wat wij missen. En hoe meer we dat liefde-beeld van God in Hem zien - want God is in Christus lichamelijk neergedaald op aarde - des te meer gaan we ons veroordelen in ons tegenbeeld van Hem. Des te meer gaan we onze zonde en ellende beleven, dat we God moedwillig zijn kwijt geraakt.

 

Het eerste en het grote gebod is: Gij zult liefhebben de Heere uw God. En het tweede, daaraan gelijk is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.

Die twee geboden mogen nooit van elkaar worden losgekoppeld. Wie zegt de Heere lief te hebben en zijn broeder haat, die is een leugenaar en in hem is de waarheid niet.

Uw naaste liefhebben als uzelf. Vindt u dat niet moeilijk, gemeente? Als dat iemand is met een moeilijk karakter, die als hij met iets voor de dag komt, je altijd zeer doet? Die naaste, met wie je zo vaak te maken hebt en bij wie je misschien weleens de neiging voelt opkomen in je hart, als hij langskomt: ‘Ik kijk hem niet aan of ik draai gewoon mijn hoofd om, dan hoef ik in ieder geval niet met hem te praten.’ Dat is wat!

U snapt wel, dat daar een Godswonder voor nodig is. Daarvoor moet de liefde Gods in je hart uitgestort zijn, om daar totaal door te veranderen. Het is heel wat om te kunnen zeggen: ‘Heere, U bent alles voor mij, en mijn grootste vijand wil ik liefhebben, vanuit het zicht op wat U gedaan hebt. U bent niet voor vrienden, maar voor vijanden gestorven.’

 

Uw naaste liefhebben als uzelf. Nee, dat wil niet zeggen dat we egoïsten moeten zijn, want daaraan moeten we juist sterven, maar ik kan mijn naaste niet liefhebben als ik mezelf niet liefheb. Dan zie je de waarde van het leven, dat voor een eeuwigheid geschapen is. Dat kan alleen maar behouden worden door Christus. Wie dat ervaren mag, kan door Hem zegenen wie hem vloekt en bidden voor wie hem vervolgt.

Christus heeft dat gedaan. Hij had God lief boven alles en Zijn naaste als Zichzelf. Hij heeft er Zijn leven voor gegeven aan het kruis.

 

Zit u en zitten jullie, jongelui, en u, ouderen, al op de leerschool van Christus? Hij doet niets liever dan u onderwijzen. Daartoe komt Hij ook vandaag in het gewaad van Zijn Woord tot u, in de prediking van deze Zondag, in wet en evangelie.

Ja, die twee horen bij elkaar. Want als we zeggen: ‘Waaruit kent ge uw ellende? Uit de wet van God’, dat is ten diepste het hele Oude Testament, al de geboden en beloften van God, samengevat in de liefde.

 

De kennis van onze ellende is door de wet, maar de inhoud van die wet is de liefde.

U vraagt misschien: ‘Wat leer je eerst, de liefde of de ellende?’ Dat zou ik u niet kunnen zeggen en dat mag u ook niet uitzoeken. Dat mag u niet uit elkaar rafelen, want daar ligt namelijk helemaal geen scheiding tussen. Het gaat samen op, of het is er niet.

Waar God ons leert wat ware liefde is, daar gaan we zien, dat we die echte liefde missen. En dat hoort juist tot de kennis van onze ellende. Want daardoor worden we diepbedroefd vanwege al ons overtreden van de geboden van God, vanwege al ons nalaten om het goede te doen.

 

En zo gaat het samen op: Godskennis en zelfkennis, ellende-kennis en liefde-kennis. Die liefde eist Hij van ons, volmaakt en volkomen.

Zou dat lukken, denkt u? Daarover gaat het in onze derde gedachte: De ontdekking door de wet.

Maar we zingen eerst over die liefde uit Psalm 133, het eerste en derde vers:

 

Ai ziet, hoe goed, hoe lieflijk is ’t, dat zonen

Van ’t zelfde huis, als broeders samenwonen,

Daar ’t liefdevuur niet wordt verdoofd;

’t Is als de zalf op ’s hogepriesters hoofd,

De zalf, waarmee Hij is aan God gewijd,

Die door haar reuk het hart verblijdt.

 

Waar liefde woont, gebiedt de Heer’ den zegen;

Daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen,

En ’t leven tot in eeuwigheid.

 

3. De ontdekking door de wet

 

Dat is door het werk van Christus, dat Hij door Zijn Heilige Geest doet in het hart van een mens. Daarover gaat de laatste vraag:

Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?

Neen ik, want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.

 

Dat is een ontdekking, als je dit naspelt en dat moet u doen, gemeente! Kunt u dit houden? Nee! Er staat niet: ‘Zou je het willen?’ Dan zeg ik: ‘Ja!’ U ook? Er staat niet: ‘Lukt het soms weleens een beetje? Probeert u het echt?’ Nee, er staat: ‘Kunt u het ook?’ U, jij?

Er staat niet: een mens. Daar verschuilen we ons graag achter. Er zijn mensen, die spreken over het geestelijk leven in de derde persoon. Dan hebben ze het over ‘een mens’, een ‘hij’ en ze bedoelen zichzelf. Dat is raar. Er staat niet ‘de geestelijke mens’, er staat niet ‘de zondaar’, er staat niet ‘het kind van God’, maar u.

Recht op de man af, heel persoonlijk. U! Kunt u het? En jij? Dit alles? Niet zomaar een beetje, maar alles. De volmaakte liefde tot God en tot de naaste volkomen houden, zonder gebrek, zonder ooit een keer te falen, perfect? Zo staat het in het Latijn. Kunt u het perfect houden? De Heere eist kwalitatief en kwantitatief het volkomene.

 

En dat kan ook niet anders. Want de liefde schippert niet. God is volmaakt. En het is voor de heilige God. Bij die liefde is het alles of niets.

Er staat niet: Vindt u het wel billijk? Nee, ‘Kunt u het houden?’ En wat is daarop uw antwoord? Ten overstaan van God, Die in uw hart kijkt.

De Catechismus vraagt niet: ‘Heb je het weleens leren verstaan, of in het verleden misschien een keer beloofd.’ Kunt gij het, heden, volkomen? Wat is uw antwoord?

‘Ja maar, om daar eerlijk en ronduit een antwoord op te geven, althans het antwoord van de Catechismus, moet er toch een wonder met je gebeurd zijn? En telkens weer gebeuren?’ Dat is zeker waar. Maar, gemeente, het behaagt de Heere om dat wonder telkens te verrichten, door de prediking van het Woord en van Zijn heilige wet, ook in Zondag 2. Hij wil het ook heden doen. Nu! In deze bediening van het Evangelie wil Hij mensen op de knieën brengen. Hij wil ons de wet voorhouden in het licht van Zijn liefde, opdat u voor het eerst of opnieuw door de knieën zult gaan.

U moet niet zeggen: ‘Ja, maar, Heere, het is toch eigenlijk Uw schuld, want U eist iets wat we niet kunnen.’ De Heere zegt ons het antwoord voor en zeg het Hem maar na: ‘Nee, ik kan het niet volkomen houden, want ik ben van nature, dat betekent na de zondeval, geneigd om God en mijn naaste te haten.’

 

Eerlijk zijn voor God, gemeente. Schipper daar niet mee en zeg niet: ‘Ja, maar als God me nu eens ontdekte aan mijn zonden. Ja, dan zou ik het antwoord wel helemaal kunnen spellen.’

Gemeente, daar is God heden mee bezig, om u te ontdekken aan uw zonden. Hij houdt ons de spiegel van de wet voor. Ga toch door de knieën voor de wet van de levende God en geloof toch wat de Heere zegt.

‘Mijn grote ellende is, dat, zoals ik geboren ben, ik God niet liefheb en ik Hem niet wens te gehoorzamen. Sterker nog, van nature heb ik een afkeer van God.‘ Dat is erg! Ja en dat komt omdat u Hem niet kent, want anders zou u Hem liefhebben. We hebben een afkeer van God en goddelijke zaken, een afkeer van Gods wegen en geboden. Buiten God en buiten Christus haat ik mijn naaste.

 

Kijk, daartoe ben ik van nature geneigd, zegt de Catechismus. Dat is wat ik ben, verder weet ik het niet te brengen. Bah, wat ben ik een ellendig, verdoemelijk mens voor God! Dat gaat diep hè! Die haat is erg en zo onterend voor God! In die haat brandt iets van het vuur van de hel. Echt waar!

Dat komt soms openbaar in een stuk vlijmende vijandschap tegen God en de gekruiste Christus.

Maar, gemeente, als de Heere in ons hart één straaltje van Zijn liefde zendt, is dat al genoeg om u en mij helemaal voor de bijl te doen gaan; dan moeten we sterven. Maar dat is een heilzaam sterven, want dat is een sterven met Hem, Die aan de vloek van de wet gestorven is. Hij deed dat in onze plaats.

Hij heeft gezegd: ‘Ik zal aan de wet sterven, Ik zal het oordeel dragen, Ik zal de dood ingaan, want anders moet u de eeuwige dood sterven. Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.

Christus neemt je mee onder het oordeel van God, want al de golven en baren van Gods toorn zijn over Hem heengegaan.

 

En zo is Hij nu in het midden van ons en Hij zegt:

O, arme zondaar, zit u daar? Bent u bedroefd omdat u God zo liefhebt en u toch niet kunt doen wat Hij van u vraagt, wat Hij zo graag wil, wat Hij eist in Zijn heilige wet? Bent u daar bedroefd over? Is uw zonde tot zonde geworden, is uw schuld tot schuld geworden. Is het u bitter geworden? Snikt u het weleens uit voor God: ‘O, God, geef me wat ik niet ben, maar wat ik zo graag zou willen zijn, want daar hebt U recht op.’

O, zondaar, kunt u niet aan die heilige en volmaakte wet van God voldoen? Ik heb eraan voldaan, volmaakt en volkomen. Wilt u een eerlijke behandeling? Ja? Ik zal ik u voorzeggen en zeg het mij maar na: Wie u ook bent, u bent vanaf de moederschoot een overtreder, want er is niemand rechtvaardig, er is niemand die goed doet, ook tot niet één toe.

 

Dat staat in Romeinen 3. Dat zegt de Heere heden. En zeg dat eens na, gemeente! Of stuit u dat tegen de borst? Bent u daar toch te hoog voor? Bent u er te net, te fatsoenlijk of te orthodox voor om dit na te zeggen? Vraag maar of de Heere uw mond en uw hart wil openen, om dat van harte toe te stemmen, want het zal toch van Hem vandaan moeten komen. Niets uit ons, maar alles uit Hem.

 

O, dat profetische onderwijs, waarin Hij u ontdekken wil aan schuld en zonde, om plaats te maken voor dat dierbare kruis en die schuldvergevende liefde van Hem, zodat we die mogen eigenen en Hem mogen kennen in Zijn priesterlijk gewaad.

Dat is het Evangelie dat achter de wet zit, als ik het zo eens mag zeggen. Want wat zou er anders achter die wet moeten zitten? Achter die toornende, dodende en vloekende wet van God zit niets anders dan de vlam van Zijn eeuwige liefde.

O, laat daar toch geen misverstand over bestaan. De Heere is gaarne vergevende, Hij wil u graag vrijspreken van schuld en straf. Daarom moeten we onze ellende kennen en ontdekt worden aan wie we zijn. We moeten het doodvonnis van God over ons leven onderschrijven. Voelt u, wat een worsteling dat is? Daar praat je niet over met andere mensen, maar ben je alleen voor God.

Je ligt geknield en je zegt:

‘Heere, ik heb de dood verdiend, als ik zie op wat ik U heb aangedaan en wat ik U dagelijks aandoe. O, God, wat doet dat zeer in mijn hart. Maar U bent rechtvaardig Heere, als U mij voor eeuwig veroordeelt, want Uw oordeel rust op de allerbeste wetten. Ik heb het verdiend, Heere, Uw wet is goed en heilig, volmaakt en liefdevol. En daarom zijn al mijn zonden, die Uwe hoogheid schonden, zo verschrikkelijk.

O, ik moet gewassen worden in het bloed van de Heere Jezus! Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Ik ben niet geestelijk, niet heilig, niet aan U onderworpen, maar verkocht onder de zonde, verknocht aan de zonde en een slaaf van de zonde!’

 

O, dat is wat, dat ik de zonde liever wel doe dan niet! Dat zegt Paulus. Maar wat bedoelt hij als hij dat zegt? Paulus is toch een bekeerde man? Ja, maar hij zegt meer. Want hij bedoelt met dat ‘ik’ de oude mens. Maar voor zover God en Zijn Geest en Christus Zich in mijn leven geopenbaard hebben, zegt Paulus, voor zover wil ik niet meer zondigen.

Ik wil het goede doen, al ligt het kwade mij bij.

Gemeente, kent u daar iets van? Ik vraag niet hoe diep, want hoe meer u Christus ziet, hoe dieper u aan uw zonden ontdekt wordt en hoe meer de behoefte komt om gevonden te worden in de doorboorde handen van deze Middelaar.

 

Laat ik daarmee eindigen. Ja, het is best een moeilijke Zondag. Het ging over de ellende en tegelijkertijd ook over de liefde, over het zware gewicht van Gods oordeel en over de eeuwige liefde Gods. God doet niets liever dan in Zijn toorn aan Zijn ontfermen gedenken.

 

Ik mag eindigen met de bedoeling van Christus. Hij wil, dat u Hem toevalt in Zijn recht, dat u God bijvalt, dat u niet met allerlei ‘ja maars’ komt, maar dat u buigt voor God in het stof, in Zijn recht en in Zijn liefde.

Weet u, waar dat ten diepste gebeurt? Op Golgotha. Zou u een plekje weten op deze wereld, waar dieper gebleken is hoe geestelijk de wet is, hoe vloekend Gods toorn is en hoe vleselijk u en ik zijn?

Daar bleek ook hoe groot de liefde Gods is:

dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, gegeven in de kribbe en gegeven aan het kruis, opdat eenieder die in Hem gelooft niet verderven zal, maar het eeuwige leven hebbe.

O, laat ons heengaan naar Golgotha! Daar hangt de Borg. Hij geeft Zich uit liefde en Hij bidt voor Zijn vijanden. Op Golgotha zien wij een stervende Christus en daar zien wij wat het betekent om vlees te zijn. Daar zien we hoe groot de vloekwaardigheid en de toorn van God is en dat Hij vanwege Zijn recht de zonde niet door de vingers kan zien.

Eer Hij ze ongestraft liet blijven, heeft Hij ze gestraft aan Zijn lieve Zoon, Jezus Christus.

 

Daar gaan we eerlijk voor God bekennen: ‘Heere, tegen U, ja U alleen, heb ik misdreven. Ik heb gedaan wat kwaad was in Uw ogen.’

Maar daar leren we ook dit: ‘O, Heere Jezus, U deed alles wat kwaad was in Gods ogen weg en U bracht aan wat goed was in Gods ogen. Mag ik daarin delen? O, wat een eeuwig wonder!’

 

Die hartgrondige schuldbelijdenis wordt gedragen en omringd door de schreeuw om genade, de blijdschap vanwege de genade en de verbrokenheid door de liefde. Ik ben een boeteling en verder kom ik niet. Maar toch een boeteling, die telkens weer het leven mag vinden in de Heere Jezus Christus.

Dat is het moordenaarsgeloof van die ene kruiseling die naast Jezus hing. Hij leerde, vanuit de biddende Jezus uit liefde voor Zijn beulen, zien Wie Hij was. Wij rechtvaardig, wij ontvangen straf, waardig hetgeen we gedaan hebben, maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.

Zo brengt de stervende liefde van Christus aan het kruis dat vloekende moordenaarshart vol haat tot zwijgen. Zo zag hij, in het licht van Jezus’ liefde, zijn eigen ellende. Hij aanvaardde zijn veroordeling en zo kwam hij binnen, achter de Koning aan.

 

En daar is het God om begonnen in ons leven, in de verkondiging van het Evangelie. Ook vandaag. Dat we de genade op waarde leren schatten in Christus en dat we door die genade gevoed worden en dat we Hem zo zullen liefhebben. God in de eerste plaats en onze naaste als onszelf. Door Zijn grote liefde opent Hij ogen om de ellende te zien.

Hij brengt tot verwondering, dat Hij zo’n mens als ik ben, niet heeft verdoemd.

 

Opdat we de genade Gods in Christus Jezus op rechte waarde zouden leren schatten, laat Hij ons de spiegel van Zijn heilige wet zien. Dan zullen we ontdekken wie wij zijn voor God. Ik ben een groot zondaar en van nature geneigd om God en mijn naaste te haten. In die spiegel ziet u de Gever van de wet, God, de Onderwijzer van de wet, Christus. De ontdekking door de wet is het werk van de Heilige Geest.

 

Zalig hij en zij, die in deze spiegel van Gods volmaakte heiligheid zijn of haar grondeloze verdorvenheid hebben gezien en daarmee terecht gekomen zijn aan de voeten van het Lam, om zo te mogen belijden:

 

Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt,

toen werd in mijn ziele de vreze gewekt.

Toen voeld’ ik wat eisen Gods heiligheid deed.

Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed.

 

Toen vlucht’ ik tot Jezus. Hij heeft mij gered!

Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet!

Mijn heil en mijn vreugd’ mijn leven werd Hij.

Ik boog m’, en geloofd’, en mijn God sprak mij vrij!

 

Amen.