Ds. A. Elshout - Johannes 8 : 12

Onderwerp

Het Zelfgetuigenis van de Heere Jezus als het Licht der wereld
Een zinrijke benaming
Een heilrijke opwekking
Een troostrijke verzekering

Johannes 8 : 12

Johannes 8
12
Jezus dan sprak wederom tot henlieden, zeggende: Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 92: 1
Lezen : Johannes 8: 12 - 30
Zingen : Psalm 27: 1
Zingen : Lofzan van Simeon: 2
Zingen : Psalm 89: 7

Het Schriftgedeelte dat ik met u zou willen overdenken, is u voorgelezen uit Johannes 8, het twaalfde vers:

Jezus dan sprak wederom tot henlieden, zeggende: Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.


In dit Schriftgedeelte, gemeente, horen wij het Zelfgetuigenis van de Heere Jezus als het Licht der wereld. Deze tekstwoorden vragen in de eerste plaats onze aandacht voor een zinrijke benaming: Ik ben het Licht der wereld. In de tweede plaats wordt onze aandacht gevraagd voor een heilrijke opwekking: Die Mij volgt. In de derde plaats behelst onze tekst een troostrijke verzekering: Die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.

 

Het Zelfgetuigenis van de Heere Jezus als het Licht der wereld.

 

Dit vraagt onze aandacht voor:

1. Een zinrijke benaming.

2. Een heilrijke opwekking.

3. Een troostrijke verzekering.

 

1. Een zinrijke benaming

 

Het Schriftgedeelte dat we willen overdenken, neemt ons in de gedachten mee naar Jeruzalem in de dagen van de omwandeling van de Heere Jezus. Het neemt ons in het bijzonder mee naar het centrum van de stad Jeruzalem. Niet alleen het stadscentrum zoals dat te vinden is in elke stad, maar in het religieuze centrum van die stad, namelijk de tempel. In het huis van Zijn hemelse Vader was de Zoon des mensen bij de schatkist, toen Hij de woorden sprak: Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben. De Zoon des mensen, de Zoon van God was altijd verenigd met Zijn hemelse Vader, altijd doende wat Zijn hemelse Vader behaagde. Hij was door Zijn Vader geleerd en door de Heilige Geest bekwaam gemaakt om het werk te doen waartoe Hij gezonden was. Zo was Hij ook werkzaam – wéér – in de tempel. Zijn werk bestond uit het zalig maken van zondaren, zoals u wel weet. Daartoe was Hij tot drie ambten gezalfd: Profeet, Priester en Koning. Die drie ambten heeft Hij doorlopend vervuld.

 

Maar soms trad een ambt bijzonder op de voorgrond. Zo was het ook toen Hij sprak, wederom sprak tot de scharen. Toen trad vooral het profeet-zijn van de Heere Jezus op de voorgrond. Zijn profetisch ambt functioneerde toen op een voor ieder zichtbare en hoorbare wijze. De Profeet was aan het woord, van Wie Mozes had gezegd, eeuwen daarvoor: Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken (Deut. 18:15). Een Profeet. Hoe triest was het, dat zij die zich discipelen van Mozes noemden niets van de Profeet wilden weten, van Wie Mozes had gezegd dat Hij komen zou, de Messias. En wie niet naar Hem zou horen, diens ziel zou worden uitgeroeid. Dat had Mozes gezegd. En helaas, de discipelen van Mozes ontvingen Hem niet.


Jesaja had gezegd, eeuwen na Mozes: Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien (Jes.9:1). Een groot licht voor degenen die in duisternis wandelen. Duisternis is in de Bijbel vaak het woord waarin alle ellende wordt uitgedrukt waaraan wij mensen onderworpen zijn door eigen schuld en door de schuld van anderen. Deze wereld is geworden tot een duistere plaats, zegt ons de Bijbel.

Ach, vele mensen zijn er zich niet van bewust dat ze in duisternis wandelen! Ze weten niet beter, ze hebben het nooit gehoord dat ze in duisternis wandelen, in ellende verkeren, zonder God, zonder Christus en zonder hoop. Ze weten niet dat ze midden in de dood liggen en dat ze, als het niet verandert, de eeuwige duisternis zullen ingaan.

Maar er zijn er ook die wel weten dat ze ellendig, jammerlijk en blind en naakt zijn, vanuit het onderwijs dat ze uit het Woord van God hebben ontvangen. En toch weten ze niets van het bekommerd zijn vanwege de zonde, omdat ze nog leven zoals ze geboren zijn. Niet wedergeboren. En daarom, ze horen de klanken wel en ze stemmen het verstandelijk misschien ook wel toe, maar, ach nee!, het bekommerd zijn, omdat ze zo in het duister moeten omdwalen, wordt gemist.

 

Dan zijn er nog anderen die wél bekommerd zijn geworden vanwege dat wandelen in de duisternis door eigen schuld, door eigen dwaasheid. Ze weten geen uitweg om eruit te komen. Ze dwalen maar rond in het donker. Ze zien geen lichtpunt. Bekommerd, angstig en bevreesd gaan ze hun weg door dit leven. Vermoeid, belast, beladen. Hoe kom ik ooit met God verzoend? Hoe kom ik ooit van de zonde af? Hoe word ik ooit gered uit banden van de dood? De Bijbel noemt dat ‘leven in het dal der schaduw des doods’. Jesaja had al gezegd: Het volk, dat in duisternis wandelt – en daar bedoelt hij kennelijk toch degenen mee die bekommerd over de zonde ronddwalen over de wereld – het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Maar het wandelen in het dal der schaduwen des doods zal veranderen in het wandelen in het vrolijk levenslicht,  dat straalt van Gods vriendelijk aangezicht in Christus Jezus.

 

Welnu, dat woord is werkelijkheid geworden. Hij was het waarachtige Licht, zegt ons het Evangelie van Johannes. Hij sprak van Zichzelf: Ik ben het Licht der wereld (Joh. 8:12). Een licht, zo groot, zo schoon, daalde neer van ’s hemels troon, toen de Heere Jezus in deze wereld werd gezonden door Zijn hemelse Vader om te schijnen als de Zon der gerechtigheid in zo’n donkere wereld. O, wat een zinrijke benaming was het, die de Heere Jezus Zichzelf gaf, toen Hij zei: Ik ben het Licht der wereld.

In de middeleeuwen zei men van Erasmus dat hij vanwege zijn grote wijsheid het licht van Europa was. Maar van de Heere Jezus kan en mag en moet gezegd worden dat Hij het Licht der wereld is. Vanwege de wijsheid die Hij heeft. Vanwege het onderwijs dat Hij gaf aangaande God: ‘Wie God is’ en ‘wie wij mensen zijn’. De eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard (Joh. 1:18).

 

Er was vroeger onder de Joden zoveel onkunde over wie God is. Dat is ook nu nog zo onder vele mensen van allerlei godsdiensten, maar zeker ook onder christenen, of ze nu regelmatig of onregelmatig naar de kerk gaan. Er zijn zoveel karikaturen die men van God maakt, die helemaal niet kloppen met de werkelijkheid! Velen denken over God alsof Hij een tiran zou zijn, die niets liever doet dan slaan en vernielen en kwellen. Wat een vreselijk iets, als men zulke gedachten koestert van God, Die Zich zo heel anders in Zijn Woord geopenbaard heeft! Hij is wel heilig en wel rechtvaardig. Zeker! Maar Hij heeft in gunst en niet in wraak Zijn lust, zoals wordt gezegd in Psalm 85.

Anderen hebben een gedachte van God alsof Hij te goed zou zijn om te kunnen straffen. Dat is ook niet waar, want: eer Hij de zonde ongestraft liet, heeft Hij ze gestraft in Zijn eniggeboren Zoon.

 

Nog steeds laat de Heere op Zijn tijd en wijze blijken dat Hij onze zonden niet door de vingers kan zien en wil zien. Dat Hij hen die dwaas of wree’vlig overtreên, bezoekt met de roe en bitt´re tegenheden. Dat geldt vooral degenen die leven onder de bediening van Gods eigen Woord en nochtans hun eigen wegen gaan en volharden in het zich verharden. O werkelijk, ze zullen het wel gewaar worden! En men wordt het ook wel gewaar dat de Heere heilig is en rechtvaardig.

 

Maar Hij is toch door goedheid aangedreven, mild in het schuld vergeven. De Heere Jezus heeft Hem ons verklaard op een wijze zoals nooit voordien is gebeurd en nadien ook niet meer zal gebeuren. Hij kon weten Wie Zijn hemelse Vader was en Hij heeft al die waandenkbeelden willen verdrijven door Zijn onderwijs.

Maar Hij heeft ook niet verzwegen wat de mens is. Niemand heeft de mens zo getekend, in z’n bittere vijandschap en goddeloosheid, in de schijnheiligheid en gemaakte vroomheid die bij velen te vinden is. Wie heeft er ooit zo scherp gepreekt als de Heere Jezus? Niemand! Om de mens te tekenen, wie wij werkelijk zijn uit en van onszelf. Hij heeft al dat gepolijste, al dat schijnheilige er afgehaald en ons werkelijk doen zien: Gij zijt uit den vader den duivel (Joh. 8:44). Dat zei Hij tegen mensen die dachten dat God hun Vader was. Hij zei: Indien God uw Vader ware, zo zoudt gij Mij liefhebben (Joh. 8:42), maar Gij haat Mij. Waarom? Omdat ik van uw werken getuig dat zij boos zijn.

 

Wat heeft de Heere Jezus de zonde getekend in zijn vreselijke karakter: als ongehoorzaamheid tegenover zo’n goeddoend God. Die prediking heeft Hij willen gebruiken door Zijn Heilige Geest om mensen ertoe te brengen – in het verleden en tot op heden – om in Zijn licht te zien Wie God is voor ons. Ondanks al onze zonden zond Hij zelfs Zijn Zoon in de wereld tot een Zaligmaker van zondaren. In dat licht zien we ook wie wij daartegenover zijn geweest. Wat is het nodig, gemeente, dat u en ik, niet alleen eens maar telkens weer, in dát licht onze zonden leren zien! Want als we onze zonden alleen maar zien in de spiegel van de heilige wet en verder niets, dan worden we alleen maar bang. Dan worden we wel benauwd, maar het brengt in ons hart absoluut geen afschuw van de zonde teweeg. Het brengt beslist geen walg aan onszelf teweeg. Het brengt beslist geen afkeer van de zonde zelf teweeg. Misschien leven we wel met zware overtuigingen en hartkloppingen, als er wat ergs gebeurd is. Dan roepen we: ‘Ach, ach, ach, wat vreselijk!’ Maar het zakt wel weer, het gaat wel weer over. En we gaan weer verder. We zijn zo uit de aarde aards, zo verkleefd aan het hier-en-nu, slaven van de zonde!

 

Maar als het Licht der wereld niet alleen in de prediking maar ook in ons hart gaat schijnen en ons hele leven gaat doorlichten, zullen we steeds meer zien hoe schandalig het toch eigenlijk is dat wij van onze kant de goedheid van God beantwoorden met zoveel kwaadheid en ongehoorzaamheid. Dan ontstaat die droefheid, de droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid. Dan kúnnen we niet alleen in de zonde niet meer leven, maar we willen het niet ook. Dan ontstaat een hartelijke droefheid om onze zonden oprecht te belijden, maar ook een innerlijke begeerte om de zonde oprecht te bestrijden tot in de diepste schuilhoeken van ons hart.

 

Jezus, het Licht der wereld. O, Hij sprak: Ik ben het Licht der wereld. Want Hij wees ook de weg aan voor zondige mensen zoals wij die tot onze laatste snik zondaar zullen blijven, ook tegen onze wil in. Zo slecht als we zijn, zo goddeloos als we zijn, zo helwaardig als we zijn. In die weg kunnen we een welverdiende straf ontgaan en wederom tot genade komen. Het zal aan Hem niet liggen als we in onze zonde sterven, als we in de duisternis voor eeuwig zullen ondergaan. Het zal aan Hem niet liggen! Nee, want Johannes heeft het al gezegd in hoofdstuk 1: Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens; komende in de wereld (Joh. 1:9).

Overal waar Hij onder Zijn voorzienig bestel Zijn Woord doet komen, daar schijnt Hij. Ook hier schijnt dat Licht in de verkondiging van Zijn Woord. Wij zijn er als predikanten niet om onszelf te prediken; laten de mensen van ons niet denken dat we zo’n groot licht zijn. We zijn er alleen maar om van hét Licht te getuigen, van ons af te wijzen, naar Hem heen te wijzen, naar de grote Profeet, de Leraar ter gerechtigheid, Die door Zijn Woord en Geest ons kan en wil onderwijzen.

 

Ja, Die zál onderwijzen, zoals de Bijbel het zegt in Psalm 25: ‘door onderwijzing hen die dwalen, brengen in het rechte spoor’. Die ‘op het vredepad zijn voeten richt’ (Lofz. v. Zach. 5). Die Mij volgt – die kant moet het op – Die Mij volgt, zal in de duisternis niet blijven. Want de Heere Jezus dankte eens en zei: Ik dank U, Vader, dat Gij deze dingen… die Hij verkondigde aangaande God en de mens, maar ook aangaande Zichzelf als die bekwame, gewillige, getrouwe Zaligmaker van zondige mensen, van jong en oud. Ik dank U, Vader, (…)  dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard. Ja, Vader! Want alzo is geweest het welbehagen voor U (Matth. 11:25,26). En als Hij aan Zijn discipelen vraagt: Wie zegt gij, dat Ik ben? (Matth. 16:15), dan vertolkt Petrus wat door Gods genade leeft in de harten van Zijn discipelen: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods (Matth. 16:16). Hij had het al eens eerder gezegd: Heere, tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh. 6: 68). Wat heeft de Heere Jezus toen gezegd? Vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is (Matth. 16:17). Want die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij (Joh. 6:45).

Zo gebeurt het nog steeds. De Vader onderwijst mensen door middel van Woord en Geest, zodat ze hun zonden gaan erkennen, maar ook hun reinigmaking en zaligheid buiten zichzelf in Christus Jezus gaan zoeken. Dan mogen ze in Hem zien en vinden Degene die Hij zegt te zijn: het Licht der wereld. Dan mogen ze Hem aanhangen met de bede, altijd weer: Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden (Ps. 43:3). Zelf kan ik de weg niet vinden, ga mij toch met Uw heillicht voor.

 

Die Mij volgt… dat licht, zo groot, zo schoon, gedaald van ’s hemels troon (Lofz. v. Sim.:2), Gods Licht, waarvan we hebben gezongen: ‘Uw licht doet, klaarder dan de zon, ons ’t heuglijk licht aanschouwen’ (Ps. 36:3 ber.) Het licht van de Zon der gerechtigheid, waarvan gesproken is: Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien (Jes. 9:1). Hij van Wie Jesaja zei: Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. En men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst (Jes. 9:5). O, het kennen van die Zon, van dat Licht, wat is het zoet en zalig als ons geestelijke oog, ons hart, ervoor geopend wordt! Om in Hem ook inderdaad te zien het Licht der wereld, als zodanig Hem te waarderen, te accepteren.

Het gaat er om Hem nodig te krijgen! Dat is dan het tweede, waarover onze tekst spreekt. Niet alleen dat Hij dierbaar is, maar er staat: Die mij navolgt, zal in de duisternis niet wandelen.

 

2. Een heilrijke opwekking

 

Zonder de navolging van Christus zal alle kennis van Christus die we verzameld hebben, ons absoluut geen nut doen. De rechte kennis van Christus, zoals die door de Heilige Geest wordt gewerkt tot iemands zaligheid, bewerkt altijd weer een volgen van Hem. Daar is het om begonnen, want alleen voor hen die ín Christus Jezus zijn, is er geen verdoemenis. We kunnen over Hem gepraat hebben, ik kan over hem gepreekt hebben, al zou het zijn als een engel… Maar als ik niets zou kennen van de persoonlijke vereniging met Christus, zou het me niet baten, al was ik professor in de theologie. Het zal er om moeten gaan: kennen wij iets van dat navolgen van Hem, dat aanhangen van Hem, dat toevlucht nemen tot Hem? Die deze Mijn woorden hoort én dezelve doet, zo sprak de Heere Jezus, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man (Matth. 7:24). Maar die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden (Matth. 7:26). Volgen! Wendt u naar Mij toe, wordt behouden (Jes. 45:22). Volgen is het kenmerk van het ware, zaligmakende geloof.

 

Dat volgen waarover de Heere Jezus het heeft, is een bewust volgen. Men weet waarom men Hem volgt. Men weet waartoe men Hem volgt. Wees Gij mijn Borg, wees Gij mijn Zaligmaker om mijn schuld bij God te verzoenen! Men weet waarom men Hem volgt. Wees Gij mijn Heiligmaker, door Uw Geest, om mij te maken zoals ik zijn moet. Die Mij volgt… ook om verlossing van allerlei andere ellenden waaraan we vanwege de zonde onderworpen zijn.

 

Dat echte volgen van de Heere Jezus, gemeente, waarover het hier gaat, is ook een bedaard volgen. Niet zomaar onstuimig, alleen maar hartstochtelijk, alleen maar een opwelling die eventjes heel hevig is en dan weer verdwijnt en er al gauw helemaal niet meer is. Nee, het is een bedaard volgen, een constant volgen, zoals staat in Psalm 119: ‘Ik heb bedaard mijn wegen nagegaan, mijn voet gekeerd tot Uw getuigenissen, en mij gehaast die paden in te slaan, waarin mijn ziel zich nimmer kan vergissen’ (Ps. 119:30 ber.).

Het is een vrijwillig volgen, een vrijwillige keus. Net als bij Mozes, over wie geschreven staat toen hij volwassen was geworden dat hij door het geloof geweigerd heeft om langer een zoon van Farao’s dochter genaamd te worden, achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte (Hebr. 11:26).

Het is een onvoorwaardelijk volgen. Trek mij, wij zullen U nalopen (Hoogl. 1:4). Want helaas, als wij Hem willen volgen door genade, als Gods Geest in ons dat willen en dat werken naar Gods welbehagen in ons hart volbrengt, dan begint ons vlees te protesteren, want ons vlees wil Hem niet volgen. Ons ‘zondige ik’ wil zijn eigen wegen gaan. Dan komt er die innerlijke strijd tussen vlees en geest. En wat krijgt men dan steeds meer de Heere Jezus nodig om ons te trekken, telkens maar weer! Neig mijn hart en voeg het saâm, tot de vrees van Uwen Naam (Ps. 86:6 ber.).

Dat echte volgen van de Heere Jezus, dat is ook een volgen met een volkomen hart. Dat wil zeggen: met ons ganse hart. Neig mijn hart en voeg het saam, tot de vrees van Uwen Naam. Het gaat niet alleen om de buitenkant, het gaat niet maar om schijn-heiligheid, het gaat om echte heiligheid in gedachten, woorden en werken.

Het is ook een volhardend volgen, dat echte volgen van Hem. Volhardend, ook al loopt het tegen, al gaat het zo heel anders dan we hadden gedacht dat er zou gebeuren in die navolging van Hem. De Heere Jezus zei tegen Zijn discipelen: Wilt gijlieden ook niet weggaan? Er gingen er zoveel weg die teleurgesteld in Hem waren, die zich van Hem hebben afgekeerd. Wilt gijlieden ook niet weggaan (Joh. 6:67)? Dan komt het antwoord van Zijn ware volgelingen: Heere, tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh. 6:68).

 

Er is er één bij die meepraat met de anderen, maar in zijn hart volgt hij de Heere Jezus helemaal niet. Judas, hij volgt Hem, maar niet om van zijn zonden af te komen. Hij wil vooruitkomen in de wereld. Hij denkt dat het christendom, die navolging van Christus, hem wel veel eer en aanzien zal bezorgen en geld. Hij huichelt. Nee, hij is geen huichelaar geworden, hij is het altijd geweest, van het begin af aan. Hij heeft het gecamoufleerd. Zijn navolging was alleen maar iets uiterlijks. Maar zijn hart? O nee, hij moest in zijn hart niets van de Heere Jezus hebben. Absoluut niets. Hij wilde wel graag iets van Hem hebben, waarmee hij verder kon in de wereld. Hij wilde wel iets van Hem hebben, maar Hemzelf? Daar had hij geen behoefte aan. Vandaar dat het ook misgegaan is door zijn eigen schuld. Hij is in zijn zonde gestorven. En zo zullen wij allen in onze zonde sterven, als wij geen ware volgelingen van Christus worden.

 

De eigenschappen van de ware navolging heb ik u in het kort uiteengezet, opdat wij ons daaraan zouden toetsen en onszelf beproeven: ‘Heere, hoe zit het nou met mij? Ben ik wel een echte navolger van U? Volg ik U niet alleen maar om het brood? Is het me om de hemel te doen of is het me om U te doen? Is het mij om Uw schatten te doen of gaat het mij om de gemeenschap met U?’ Wat is het nodig dat we dat elkaar elke keer weer zeggen, maar ook dat we onszelf voor God onderzoeken! Want helaas, ook in die navolging van Christus zijn van die perioden, zelfs bij de ware christenen, dat het daarmee toch niet zo gaat als wel zou moeten. Dan zijn er helaas soms zulke inzinkingen, zulke afwijkingen zelfs, zoals de praktijk ons dat leert.

 

Gemeente, als het goed is in ons innerlijk ten aanzien van de navolging, zullen we er bang voor zijn dat ook wij nog eens zouden kunnen afvallen. Zal ik zelf ook niet nog eens een afvallige worden? Of bent u daar nooit bang voor? Bent u nooit bang dat u nog eens een afvallige zou kunnen worden? Bent u zo overtuigd van uw eigen goedwilligheid en krachten, dat u in je hart denkt: ‘Dat zal mij nooit gebeuren?’

Weet u wie dat ook dacht? Petrus! Hij zei: ‘Dat zal mij nooit gebeuren!’ Zal dat u nooit gebeuren? Het is dat de Heere Jezus voor hem gebeden had, dat zijn geloof niet zou ophouden, anders was het wel opgehouden. Nee, laat niemand denken: ‘Dit of dat zal ik nooit doen!’ Welzalig zij die al hun hulp en kracht – ook voor de navolging van Christus, niet alleen voor het begin, maar ook voor de voortgang en het einde – alleen van Hem verwachten. Dan komt men wel met zichzelf bedrogen uit, maar niet met Hem.

 

Want, zo heeft de Heere Jezus gezegd, die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen. Wat betekent dat? Het betekent dit: zo iemand zal geen zin meer hebben om in de duisternis te wandelen, om stiekem de zonde te dienen en net te doen alsof hij Zijn navolger is. Ik geloof zeker dat het betekent: die zal daar geen zin meer in hebben om bewust, met zijn hele hart, met plezier te doen dat wat niet recht is in Gods ogen.

Gods kinderen zullen wel uit zwakheid in zonde vallen. Ja, maar ze zullen toch nooit meer met dat plezier de zonde dienen zoals ze dat gedaan hebben vóórdat de Heere ingreep in hun leven. Johannes zegt: Die zegt, dat hij in het licht is, en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nog toe (1 Joh. 2:19).

Zondermeer! Heel kort, maar heel krachtig. Aan vrome praatjes hebben we niets. De praktijk zal het moeten bewijzen of het Licht in ons woont, ja dan nee. Het zal in ons léven uit moeten komen.

Toch geloof ik dat de Heere hier nog iets anders bedoelt, als Hij zegt: Die zal in de duisternis niet wandelen. Dat wil zeggen: het zal niet donker blijven. Het kan wel donker zíjn, maar hij zal in de duisternis niet wandelen. Er zál licht komen, door het Licht dat in de duisternis opgaat.

 

Juist deze week, op weg naar Nederland, gedurende de nacht, heb ik dat nog weer eens gezien, maar dan vanuit de lucht. Hoe de zon opging in de nacht. Nee, de zon stond niet gelijk op volle hoogte. Het ging heel langzaam. Eerst straaltjes van licht, dan zie je langzamerhand, daar waar de zon zal verschijnen, de kleuren veranderen. Dan zie je de zon nog niet, maar je ziet toch iets veranderen. Die dikke nacht, die dreigende nacht zou je kunnen zeggen. Je ziet niets. Maar heel langzaam verandert de kleur. En dan zie je de stralen van de zon. De zon zelf nog niet, maar de stralen wel. Ze schitteren naar voren. En dan komt de zon zelf, eerst een deel ervan, dan de gehele zon.

 

Zo gaat het ook in het Koninkrijk der genade. O, de Heere zal Zijn Woord gebruiken om langzaam maar zeker het licht te doen opgaan over die vragen: ‘Hoe kom ik ooit met God verzoend?’ O, Hij zal door Zijn Woord en Geest moed en krachten geven, een weg tonen buiten ons in Zijn dierbaar Borgwerk, in Zijn heerlijke bediening. Zo zal Hij, langzaam maar zeker, het licht laten opgaan als een schijnend licht, om steeds meer Zijn bekwaamheid, Zijn gewilligheid, Zijn algenoegzaamheid te laten zien in de spiegel van Zijn Woord, in de prediking van Zijn getuigenis. Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hoogl. 5:12). Zo getrouw en sterk als Hij is, zo gaat het Licht op in de navolging van Christus, keer op keer.

 

Het is waar, de Bijbel zegt: De dagen der duisternis, die zullen vele zijn (Pred. 11:8), zelfs in het leven van hen die de Heere vrezen. Maar het zal niet altijd duisternis zijn. O nee, de Heere geeft ook andere tijden! Gods vriendelijk aangezicht in Christus Jezus heeft vrolijkheid en licht. Wat heeft de Heere Jezus Zijn discipelen vaak over Zijn Vader verteld! Hij zegt: ‘Ik zeg niet dat de Vader u zal liefhebben, Hij hééft u al lief.’ Ze durfden het niet te geloven, maar het was waar. Langzaam maar zeker groeide toch ook de kracht van het geloof, om te geloven wat de Heere had gezegd: Ulieden daarentegen die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan; en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen (Mal. 4:2). Zo gaat de Zon op, totdat men Hem in Zijn volle glorie mag zien, Die Koning in Zijn schoonheid.

 

Er zijn natuurlijk ook nachten. Waaraan kun je nu ’s nachts zien dat de zon schijnt? Weet iemand van jullie dat? Kun je ’s nachts zien dat de zon schijnt? Ja, je kan ’s nachts zien dat de zon schijnt! Weet je wanneer? Als je de maan ziet schijnen, want de maan heeft van zichzelf geen licht. Dat is een donkere planeet. Al het licht van de maan komt van de zon. Dus al zie je de zon niet, dan zie je toch de maan schijnen en dan weet je: de zon schijnt toch! Al kan ik het niet zien, ze schijnt wel ergens anders. Dus zelfs in de nacht.

Ook in de nacht van je leven. Al is alles donker, vaak kun je toch de maan zien. Welke maan is dat dan, waarin je kunt zien dat de Heere er toch nog is? Wel, dat is Zijn gemeente, waarin Hij woont en waarin Hij werkt. Schoon gelijk de maan (Hoogl. 6:10), zo wordt de Kerk des Heeren genoemd. Van zichzelf geen schoonheid, maar wel door de Heere. En wat kan dat ook een troost zijn, al heb je er niets van, dat dan toch de gemeente des Heeren blijft functioneren in de bediening der verzoening!

 

Er zijn ook dagen dat je geen zon en geen maan ziet. Kijk maar naar Paulus in de tijd van zijn schipbreuk. Hij zag geen zon en maan en sterren – en dat duurde veertien dagen lang! Hoe kan dat? Ja, dan zitten de wolken ertussen. Vlakbij Nederland, vlakbij Amsterdam vloog het vliegtuig prachtig in het zonlicht. Vanaf dat de zon opging was het een en al zon, tot vlakbij Amsterdam. Maar ja, toen moesten we gaan dalen en er zat een heel dik wolkenpak voor. Toen kwamen we onder de wolken terecht en toen was er regen en het was koud. Maar boven de wolken was de zon.

Dat zijn allemaal verschijnselen die in het geestelijke leven precies eender zijn. Maar die Hem navolgt, zal in de donkerheid niet blijven. Het leven met Hem is als een schijnend licht, lichtend tot de volle dag, waar de zon nooit meer zal ondergaan. Dat zal dan zijn in de hemel, waar eeuwig, door het licht dat van Zijn aanzicht straalt, de vreugde van Gods kinderen ten toppunt zal stijgen. Daar mogen ze daarmee in verwondering keer op keer instemmen en eeuwig zingen.

Laten we daar samen van zingen, uit de Lofzang van Simeon, het tweede vers:

 

     Een licht, zo groot, zo schoon    
     Gedaald van ’s hemels troon     
     Straalt volk bij volk in d’ ogen.   
     Terwijl ’t het blind gezicht          
     Van ’t heidendom verlicht         
     En Isrel zal verhogen.

 

3. Een troostrijke verzekering

 

Het Licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het Hetzelve niet begrepen (Joh. 1:5). En de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht (Joh. 3:19).

‘Kruist hem, kruist hem!’ is het antwoord geweest van velen die een tijd lang in het licht hebben mogen verkeren dat de Heere Jezus uitstraalde in Zijn prediking, maar ook in de wonderen die Hij deed. Wat erg, hè? De duisternis hadden ze liever dan het licht. En is dat inmiddels beter geworden in de wereld?

Is het nu beter dan toen? Nee, het is nog precies eender. Het licht schijnt nog steeds in de duisternis. En helaas, het grootste deel der mensheid, ook van die mensheid die het Evangelie gehoord heeft, ook hier, heeft de duisternis liever dan het licht. Als dat zo blijft, zullen ze in hun zonden sterven. Zo heeft de Heere Jezus gezegd: Indien gij niet gelooft, dat Ik Die ben – en dat moet uitkomen in het volgen van Hem – gij zult in uw zonden sterven (Joh. 8:24). Dat is niet Zijn schuld. Het zal Zijn schuld niet zijn als we in duisternis sterven en in de eeuwige duisternis ondergaan. Het zal eigen schuld zijn. Wat een ernstige waarheid!

 

Wat moeten we elkaar er steeds op wijzen! Laten we het elkaar nog eens zeggen: religie maakt niemand zalig! Alleen de vereniging met de Middelaar Gods en der mensen maakt zalig. Godsdienst op zich maakt niet zalig. Heus niet! Alleen de navolging van Christus, zoals ik het u in het kort heb mogen schetsen. En daarom, ook vandaag deze boodschap: Terwijl gij het Licht hebt ...  zo zei de Heere Jezus tot de mensen die Hem omringden. Lees het volgende hoofdstuk maar eens, waar de Heere ook duidelijk heeft gemaakt hoe Hij blinden het lieflijk licht schenkt. Hij zei: Terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het Licht (Joh. 12:35). De nacht komt, wanneer niemand werken kan (Joh. 9:4). De eeuwige nacht. Daar zal geen lichtpuntje meer komen. Nu wil Hij er nog om gevraagd zijn. Nu wil Hij gezocht zijn!

 

Jongens en meisjes, ik sprak verleden week een jonge vrouw, in Amerika. Ze was ongeveer veertig jaar. Jongens en meisjes, jullie zullen wel denken: ‘Nou, die is al oud!’ Dat denkt zo iemand dan zelf niet. Maar goed! Zij vertelde dat ze zo onder de indruk was gekomen onder de prediking van een van onze predikanten daar, toen ze een jaar of twintig was. Ze zei: ‘Ik heb het met geweld tegengegaan.’ Tegengegaan, die sprankels van licht in haar innerlijk. Ze heeft ze werkelijk uitgeblust.  En nu? ‘Nu is het een stikdonkere nacht en het wordt nog steeds donkerder.’

Hoor je dat goed, jongens en meisjes? Weet je wat er gebeurt als de Heere op ons hart klopt en wij houden de deur heel bewust dicht: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust (Job 21:14)? Nu niet! Later misschien, als ik een oud mens ben, dan misschien wel. Nu niet, ik wil van de wereld genieten. Weg ermee! Dan kan dat gebeuren dat het Woord nooit weer terugkomt.

 

Zou het dan niet terug kúnnen komen? Gelukkig wel. O ja, dat kan wel. Maar daar staat geen enkele garantie voor in de Bijbel, dus speel daar niet mee! Als u de duisternis liever hebt dan het Licht en u verwerpt het en u blijft zich verharden, houd dan rekening met het grote gevaar dat de Heere u aan de verharding overgeeft. Dan mag u in de duisternis zijn. Dat wilde u toch zo graag? Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten, want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien (Gal. 6:7).

 

Hij gunt ons de zaligheid, Hij gunt ons het Licht. Dat staat vast! Daarom, zoekt den HEERE, terwijl Hij nog te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nog nabij is (Jes. 55:6). Opdat we Hem zullen mogen volgen in ootmoedigheid, volhardend en in diepe afhankelijkheid.

Hij zal ons niet afwijzen. Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh. 6:37). En die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar het Licht des levens hebben (Joh. 8:12). ‘Gij, die God zoekt, in al uw zielsverdriet, houdt aan, grijpt moed!’ (Ps. 69:13 ber.).

‘Hij zal de duisternis verdrijven, de zwarte schaduw van de dood’, zoals dat in een van de kerstliederen wordt gezongen. Hoop op Hem, sla het oog naar boven, want ge zult Zijn Naam nog loven.

Amen.

 

Slotzang Psalm 89:7:

 

     Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort!

     Zij wand’len, HEER, in ’t licht van ’t Godd’lijk aanschijn voort;

     Zij zullen in Uw naam zich al den dag verblijden;

     Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in ’t lijden;

     Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,

     Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.