Ds. J.B. Zippro - Ezechiël 37 : 25

Israël, het van God gegeven land

De belofte van dat land
De Koning van dat land
De inwoners van dat land
Deze preek is speciaal geschreven ter gelegenheid van het 70-jarig bestaan van de staat Israël.
Bijvoorbeeld te lezen op de Israël-zondag, DV 7 oktober 2018.

Ezechiƫl 37 : 25

Ezechiël 37
25
En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 147: 1, 10
Zingen : Psalm 14: 7
Lezen : Ezechiël 37: 15 - 28
Zingen : Psalm 122: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 132: 11
Zingen : Psalm 68: 5

Geliefden, 14 mei 1948 is een gedenkwaardige dag. Het is de dag waarop de staat Israël werd uitgeroepen. U hebt misschien de foto wel eens gezien. David Ben Gurion, die te midden van de leden van de volksraad de onafhankelijkheid uitroept. Boven aan de wand hangt een portret van Theodor Herzl. Dit gebeurde nadat de Engelsen officieel vertrokken uit het gebied, dat toen Palestina heette. De tweede wereldoorlog was drie jaren daarvoor ten einde gekomen. Vele Joden, voor zover nog overgebleven na de vreselijke Holocaust, waren teruggekeerd naar Erets Israël en aan een nieuwe toekomst begonnen. David Ben Gurion werd de eerste premier van de jonge staat Israël!

 

Dit jaar mogen wij het 70-jarig bestaan van Israël gedenken. Dat is op zich een wonder. Dat dit relatief kleine land nog steeds bestaat temidden van de haar vijandige landen rondom is een wonder van God. Vele volken uit de oudheid bestaan niet meer. Maar het Joodse volk is er nog steeds.  Daarin mogen we de bewarende hand van God opmerken. Ja meer, we mogen zeggen met de apostel Paulus: God heeft Zijn volk niet verstoten, hetwelk Hij tevoren gekend heeft (Rom.11:2).

Het zijn wel zeventig jaren van strijd en oorlog geweest. Maar liefst acht oorlogen, twee intifada’s en verschillende gewapende conflicten heeft het land moeten doorstaan. Tijdens deze conflicten hielden velen in het Westen de adem in. Hoe zou dit Israël zich kunnen verdedigen tegen een overmacht van de legers van rondom?

Maar Israël bleef staande. Is dit te danken aan aardse machten, de Verenigde Naties of de Verenigde Staten? Zij hebben toch Israël van goede middelen voorzien? Ja, maar we mogen ook zeggen dat God gewaakt heeft over dit land. Het is immers Zijn Israël. God heeft dit land reeds aan Abraham en zijn zaad beloofd. Het bestaat al veel langer dan zeventig jaren. En al is de geschiedenis van dat volk een geschiedenis van gerichten en oordelen, toch is de Heere getrouw aan Zijn beloften. Naar Zijn eeuwig welbehagen.

De oude profeten hebben voorzegd, dat het land Israël bewoond zal worden door de nazaten van Jacob. Dwars door de oordelen heen, zal God Zijn volk weer terugbrengen in het land. En Hij zal nog grotere dingen doen. Daarom mogen we niet in het land Israël eindigen of in het volk Israël, maar in de God van Israël, Die de trouw bewaart van geslacht tot geslacht.

Dat heeft de profeet Ezechiël mogen zien in het zevenendertigste hoofdstuk, het tweede gedeelte, dat over de twee houten gaat die met elkaar verenigd worden. Uit dat gedeelte lezen we in vers 25:

 

En zij zullen wonen in het land dat Ik Mijn knecht Jacob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja daarin zullen wonen, zij en hun kinderen en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid.

 

Het thema voor deze preek over zeventig jaar Israël is: Israël, het van God gegeven land.

 

De aandachtspunten zijn:

 

1. De belofte van dat land.

2. De Koning van dat land.

3. De inwoners van dat land.

 

1. De belofte van dat land

 

Geliefden, wat heeft Ezechiël rijke visoenen gezien over de toekomst van het volk Israël. Dat volk verkeerde in ballingschap in Babel. Ezechiël heeft zelf als balling onder de ballingen in Babel verkeerd. Maar dan wordt hij door God geroepen en door de Geest geleid om het volk te onderwijzen. Israël kon zichzelf niet verlossen uit Babel. Menselijk gezien was het totaal onmogelijk. Er was ook geen enkele verwachting bij de Israëliet. Hun hoop – vers 11 – was vergaan en zij waren als afgesneden. Maar waar er nu geen verwachting meer is bij de mens, waar het een hopeloze zaak wordt van de zijde van de mens, waar geen weg meer is, daar opent de Heere een weg.

Zo werkt de Heere altijd. Ook in het persoonlijke leven. Als we in onze waarneming verloren moeten gaan en God moeten rechtvaardigen, dan opent de Heere een weg ter ontkoming in Christus voor de ziel. En ziet, wat onmogelijk is bij de mens, is mogelijk bij God. Zijn Israël zal uit de ballingschap wederkeren! Dit heeft Ezechiël in visoenen gezien.

Wie kent niet het visioen van de dorre doodsbeenderen? Het volk zal als het ware uit de as verrijzen, God zal Zijn Geest in hen geven en zij zullen leven en wonen in het land. Zo zal het volk uit Babel verlost worden en teruggevoerd naar het beloofde land en daar wonen. Ook Jeremia heeft in hoofdstuk 31 in de Geest deze terugkeer gezien. Maar er is meer. De geschiedenis herhaalt zich. In de twintigste eeuw zien we opnieuw dat het volk terugkeert uit de verstrooiing.

 

Wie wel eens het museum Yad Vashem in Jeruzalem bezocht heeft, is het misschien wel opgevallen dat boven de grote ingang van het museum een tekst uit Ezechiël 37 staat ingegrift. Heeft de Heere dit ook niet waargemaakt in de latere geschiedenis van Zijn volk? Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog was er geen enkele verwachting voor het Joodse volk. Vele theologen, ook onder ons, hadden Israël afgeschreven. De kerk was toch in plaats van Israël gekomen? Israël zou nooit meer een theocratische staat zijn als weleer. Maar de godzalige Puriteinen in Engeland en de Nadere Reformatoren in ons land hadden gezien waar velen blind voor waren. In hun geschriften spreken zij van een herstel en wederopbouw van Israël, en van beloften voor dit volk, die nog niet vervuld zijn!

 

Na het visioen van de dorre doodsbeenderen lezen we dat God aan Ezechiël een opdracht geeft om twee stukken hout te nemen. Ezechiël moet iets aan het volk bekend maken. Hij moet daarbij aanschouwelijk onderwijs geven. Op het ene hout moet hij schrijven: Voor Juda en voor de kinderen Israëls, zijn metgezellen, en op het andere: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van het ganse huis Israëls, zijn metgezellen. Deze twee stukken hout moeten tot één in Ezechiëls handen zijn, vers 17: Zij zullen tot één worden in uw hand.

De kinderen Israëls vragen in vers 18: Zult gij ons niet te kennen geven, wat u deze dingen zijn? Ezechiël moet dan, vers 19, profeteren: Alzo zegt de Heere Heere: Zie, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraïms hand geweest is, en van de stammen Israëls, zijn metgezellen nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda, en zal hen maken tot een enig hout; en zij zullen één worden in Mijn hand.

 

Het zal duidelijk zijn dat dit alles ziet op de hereniging van het Tweestammenrijk met het Tienstammenrijk. Het zullen niet meer twee volken zijn, maar één volk. We kennen de geschiedenis. Na de dood van koning Salomo komt er een splitsing tussen het rijk van Rehabeam en het rijk van Jerobeam. Het Tienstammenrijk heeft alleen maar koningen die de God Israëls niet vrezen. Het oordeel van God komt over hen. Uiteindelijk hebben de legers van Assyrië een einde gemaakt aan dit rijk en zijn de bewoners gedood of in ballingschap gevoerd.

Het rijk van Juda en Benjamin hield langer stand, maar is tenslotte door de Babyloniërs onder de voet gelopen en grotendeels gedeporteerd. Wat zou er nu nog van Israël terecht komen? Maar kijk, Ezechiël mag nu in de Naam van God profeteren dat er herstel zal komen. Vers 21: Alzo zegt de Heere Heere: Zie, Ik zal de kinderen Israëls halen uit het midden der heidenen waarheen zij getogen zijn, en zal hen vergaderen van rondom en hen brengen in hun land. Ze zullen dus komen uit de Babylonische gevangenschap en uit al de landen waarheen ze gedreven zijn. Ze zullen komen uit de diaspora.

 

In vers 25 zegt Ezechiël dan: En zij zullen wonen in het land dat Ik Mijn knecht Jacob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben.

Wat een rijke belofte: Zij zullen wonen. Dat zegt God Zelf. Het is het land dat God aan Zijn knecht Jacob gegeven heeft. Dat verwijst naar Bethel, waar God Zich aan Jacob openbaarde in een droom. Terwijl Jacob op de vlucht was voor de wraak van zijn broer Ezau komt hij bij een plaats en legt zich te ruste om te overnachten. In die nacht droomt hij en ziet hij een ladder, die hemel en aarde verbindt. Engelen klimmen op en neer. Dan spreekt de Heere: Ik ben de Heere, de God van uw vader Abraham en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik u geven en uw zaad. Het is de landsbelofte die God aan Jacob schenkt en zijn zaad (Gen.28:13). Ook geeft de Heere nog de belofte over Jakobs zaad. Hij spreekt: In uw Zaad – met een hoofdletter – zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden! Dat ziet op het beloofde Zaad Christus, Die naar Zijn menselijke natuur uit Jacob zou voortkomen.

Het is een onvergetelijke gebeurtenis in het leven van Jacob. Ja, zouden Gods kinderen ooit vergeten, wat God gesproken heeft in de nacht van hun leven? In de donkere nacht van zonde en schuld? Wat een wonder als we dan deze Ladder mogen zien die hemel en aarde met elkaar verbindt! Jacob heeft het gezien en roept uit in verwondering: Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels (Gen.28:17). Maar zelfs al zouden Gods kinderen het vergeten, God vergeet het niet.

 

Als we dit alles overdenken, wie durft er nog te twijfelen dat dit land aan Israël toebehoort? Israël is het van God gegeven land. Het is niet wederrechtelijk toegeëigend. Dat betekent ook meer dan te zeggen: de Engelsen hebben het weggeven aan de Verenigde Naties en Israël riep de onafhankelijkheid uit.

Velen komen er tegenop en claimen het land voor zich. Maar het behoort toe aan Jacob en zijn kinderen en kindskinderen. De Heere zegt dat zij zullen wonen in het land dat Hij eertijds aan de aartsvaders heeft beloofd en God doet Zijn belofte niet teniet. En als God spreekt, dan moeten wij zwijgen.

We mogen het niet romantiseren.  Het terugkomen naar het land is nog geen bekering van zonde en ongerechtigheid. In de ballingschap vergaten velen de God van Israël. Ze dienden anderen goden. Ook de jood is een Adamskind. Een hater van God en een hater van zijn naaste. Er is geen verschil. Allen zijn wij afgeweken. Allen derven de heerlijkheid van God. Ook het volk der joden openbaarde zich in een afgodische dienst en een liefde tot de wereld en haar begeerlijkheden.

 

Maar nu gaat God wonderen doen. De kinderen Israëls komen niet alleen maar terug naar hun land. Het gaat in Ezechiël 37 niet alleen maar om een politieke zaak: de Joden keren terug naar hun land. Maar er is gelukkig meer dan dat. In Ezechiël 37 gaat het om een geestelijke zaak! Er is sprake van bekering. De kinderen Israëls zullen zich bekeren van hun zonde! We lezen in vers 23: En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden en met hun verfoeiselen en met al hun overtredingen, en Ik zal hen verlossen van al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben en zal hen reinigen. Het wonder is dat de Heere spreekt: Zij zullen zich niet meer verontreinigen.

God schenkt twee weldaden aan Zijn Kerk: vergeving en vernieuwing. De heiliging is de vrucht van genade en die doet wijken van het kwade en doet wandelen in de wegen van de Heere. Dit is een belofte van bekering. En dat is nu iets wat de Joden nodig hebben en wat de heidenen ook nodig hebben.

De Heere wijst de zonden aan: drekgoden en verfoeiselen! Dat zijn de afgoden. Werden er dan afgoden onder hen gevonden? Jazeker. De Heere ziet het. Ook Jacob wist het. Als hij terugkomt uit Paddan-Aram, zegt de Heere dat hij naar Bethel moet terugkeren. Maar hoe zal dat moeten? Dan roept Jacob zijn gezin bij elkaar en dan horen wij hem spreken: Doet weg de vreemde goden die in het midden van u zijn, en reinigt u en verandert uw klederen (Gen.35:2).

 

En wij, gemeente? Hoeveel afgoden hebben wij in ons leven? Ja, maar we dienen toch geen afgoden? O, wat is de mens blind van nature. Hij zegt met de Farizeeër: Zijn wij dan ook blind? (Joh.9:40).

Maar het gaat nog verder; de Heere spreekt niet alleen van afgoden, maar ook van overtredingen en zonden. Van nature zien we dit niet en we denken dat wij geen afgoden hebben. Maar o, als de Heere onze ogen opent, dan gaan we het zien. In de waarachtige bekering gaat de Heere het ordelijk voor onze ogen stellen. Dan wordt zonde tot zonde en schuld tot schuld. Dan gaan we het beleven: gezondigd tegen een heilig en rechtvaardig God. Het vervult het hart met smart en droefheid. Er is een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, staat in Zondag 33. Weten wij daarvan in ons leven?

Maar wie zal ons reinigen van zonde en verlossen van ongerechtigheid? Er zijn tijden dat we zelf zoeken naar middelen om alles in het reine te brengen. Maar tranen kunnen wel verlichting geven, maar geven geen verlossing. De bloedvloeiende vrouw had alles wat zij had ten koste gelegd aan de genezing van haar kwaal. Maar niets hielp. Het werd alleen maar erger. Maar gelukkig de mens die aan het einde met zichzelf mag komen en het leven in Christus, Sions gezalfde Koning mag vinden. Zalig is degene die tot Hem de toevlucht gaat nemen en die in Hem het leven mag vinden. Over deze Zaligmaker gaat het in onze tweede gedachte:

 

2. De Koning van dat land

 

Ezechiël spreekt niet alleen over de hereniging van de twee rijken, maar ook profeteert hij over een Koning en Vorst van dit land. Het gaat dan niet slechts om een aards vorst, maar om een Messiaanse Vorst. Van deze Koning zegt de Heere: En Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid.

De naam David herinnert natuurlijk wel aan koning David, die als de tweede koning over Israël regeerde. Betekent dit nu dat David uit de doden zal opstaan en regeren? Nee, David zal in zijn graf blijven. Petrus zegt op de Pinksterdag Handelingen 2 vers 29: En zijn graf is onder ons tot op deze dag.

David zal in zijn graf blijven tot de jongste dag. Maar deze David, over Wie Ezechiël spreekt, stijgt boven de aardse David uit. Het betekent dat deze Koning naar Zijn menselijke natuur voortkomen zal uit het geslacht van David. Wie anders is dit dan de Heere Jezus? Hij is de grote Zoon van David. Hij is geboren in Bethlehem, de stad Davids. De herders gingen tot deze geboren Koning uit om Hem te aanbidden. Verder lezen we over Simeon en over Anna uit de stam van Aser, dus uit een van de tien stammen. Beide beleden de geboren Christus als hun Zaligmaker.

De Heere zegt: Mijn Knécht David! Deze Koning wordt dus ook Knecht genoemd. Hij is de grote Knecht des Vaders. In de staat van Zijn vernedering stond Hij als een Schuldige tegenover het recht van Zijn Vader. Hij heeft Zich vernederd tot in de allerdiepste versmaadheid en angst der hel. Hij is in alles verzocht geweest, doch zonder zonde. Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hij is gekomen tot Jeruzalem, de stad des groten Konings. Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen. Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht. Maar juist in deze weg heeft Hij een eeuwige gerechtigheid aangebracht. We mogen wel zeggen: ‘Meer dan David is hier!’

Koning David was de man naar Gods hart. Toch had David vele zonden. In het bijzonder aan het einde van zijn leven komt er openbaar wat er in zijn hart leeft. David is ongehoorzaam. Maar de Heere Jezus, de Zone Davids, heeft geen zonde gekend, noch gedaan. Hij is gehoorzaam geweest tot de dood. Hij heeft in Zijn dadelijke gehoorzaamheid de Wet vervuld en een eeuwige gerechtigheid aangebracht. Hij heeft in Zijn lijdelijke gehoorzaamheid de straf gedragen en van de vloek verlost. En zo een eeuwige gerechtigheid aan gebracht.

 

Kom gemeente, hebben wij deze Knecht, deze Davidszoon al nodig gekregen tot verzoening van onze schuld? We lezen in het Evangelie over mensen die met de kwalen van hun leven tot Hem uitgingen. We lezen van een Bartiméüs, die uitroept: Zone Davids, ontferm U over mij. Verder denken we aan de Kananese vrouw. De nood van haar dochter was haar eigen nood geworden. Ze stond erbuiten. Ze had geen rechten. En toch mocht zij aanhouden in het gebed: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! (Matth.15:22). We lezen ook over zondaren en zondaressen die tot Hem vluchten met de schuld van hun leven. De zondige vrouw kwam aan Zijn voeten terecht met tranen van boete en berouw.

Maar helaas zijn velen aan Hem voorbijgegaan. Velen wilden niet dat Hij Koning over hen zijn zou. Velen hebben Hem veracht. Maar er zijn er ook die Hem benodigden vanwege de last van hun zonden en schuld. Kom gemeente, hoe is dat in ons leven? Hebben we deze Koning al nodig gekregen? Hebben we onze knie voor Hem reeds gebogen?

 

Deze Koning zal regeren in eeuwigheid. De eerste premier van Israël heette David Ben Gurion. Ook een David dus. Velen hadden Messiaanse verwachtingen van hem. Maar deze David is op 87-jarige leeftijd overleden.

Echter: het gaat in Ezechiël 37 over een Koning die zal zijn tot in eeuwigheid. Heeft de engel dat ook niet gezegd tot Maria toen hij bij haar op bezoek kwam in Nazareth? God zal Hem de troon van Zijn vader David geven en Hij zal over het huis Jacobs Koning zijn in der eeuwigheid. Het gaat om een eeuwige Koning. Daar zingt de dichter van Psalm 132 van: ‘Maar eeuwig bloeit de gloriekroon op het Hoofd van Davids grote Zoon!’

Reeds eerder heeft Ezechiël van deze Koning gesproken. In vers 22 wordt gezegd, dat deze Koning zal regeren over beiden rijken. Er zal geen scheiding meer zijn. De Koning over het Tienstammenrijk zal Dezelfde zijn als de Koning over het Tweestammenrijk. Het zijn immers geen twee volken meer, maar één volk. Vanwege de zonde van Salomo kwam er een scheuring tussen de twee rijken. Er kwamen twee koningen: Jerobeam en Rehabeam. Maar we mogen zeggen: Meer dan Salomo is hier (Matth.12:42). Wat na Salomo uitééngaat, dat wordt door de Meerdere van Salomo bijeengebracht.

 

In vers 24 spreekt Ezechiël nogmaals van deze Koning: En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn, en zij zullen allen tezamen één Herder hebben.

Deze Koning zal ook een Herder zijn voor Zijn volk. Hij zal de twee rijken samenvoegen tot één. Hij is de Herder van Zijn volk en zal hen vergaderen uit al de landen. De Heere Jezus heeft Zelf getuigd: Ik ben de Goede Herder (Joh.10:11). Hij heeft Zijn schapen van Zijn Vader ontvangen. Vader, zij waren Uwe, Gij hebt Mij dezelve gegeven (Joh.17:6).

Hij stelde Zijn leven voor de schapen. Hij is voor Zijn schapen de dood ingegaan. Hij heeft Zijn bloed gegeven. Ze lagen verloren in Adam, maar in Christus zullen zij behouden worden. En nu zal deze Herder Zijn schapen niet alleen uit de stal van Israël toebrengen, maar ook uit de stal van de heidenen. En het zal worden één Herder en één kudde. Hij zal Zijn verloren schapen opzoeken en roepen door de onwederstandelijke bediening van de Heilige Geest. Hij zal hen voeren naar de grazige weide van Zijn Woord. Daar zullen zij geestelijk voedsel mogen krijgen en verzadigd worden ten eeuwige leven.

Maar het zal vreselijk zijn om zonder deze Koning en deze Herder te zijn. Leven we nog voort zonder deze Herder? Velen in Israël hebben Hem niet nodig. Ook in de dagen van de omwandeling waren er velen die aan deze Koning voorbijgingen.  Aan het einde van de gelijkenis over de tien ponden in Lukas 19 lezen we deze aangrijpende woorden: Doch deze mijn vijanden, die niet gewild hebben, dat ik over hen Koning zou zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood.

 

Maar hoe is het in ons leven?

Kom, deze Herder roept nog en zegt: ‘Heden, zo Gij Mijn stem hoort, verhard uw harten niet, maar laat u leiden.’ Deze Koning is zo het waard om gediend en gevreesd te worden.

Van die Koning David getuigt de dichter van Psalm 132 en dat gaan wij nu eerst samen zingen. Psalm 132 vers 11:

 

"Daar zal Ik David, door Mijn kracht,

Een hoorn van rijkdom, eer en macht

Doen rijzen uit zijn nageslacht.

'k Heb Mijn gezalfden knecht een licht,

Een held're lampe toegericht."

 

Onze derde gedachte:

 

3. De inwoners van dit land

 

Israël is het van God gegeven land. Wie zullen nu dit land mogen bewonen? Daarover spreekt onze tekst: Ja daarin zullen wonen, zij en hun kinderen en hun kindskinderen tot in eeuwigheid. Een rijke belofte voor het nageslacht. Het land zal bewoond worden door ouderen en jongeren, kinderen en kindskinderen! Enkele jaren geleden woonde het merendeel van het Joodse volk nog in de Verenigde Staten. Inmiddels wonen de meeste Joden in het land Israël. Mogen we hierin geen vervulling zien van wat Ezechiël eeuwen geleden heeft gezien?

In de Holocaust zijn ook veel kinderen omgekomen. Ook uit Nederland. In het museum Yad Vashem is een aparte plaats ter nagedachtenis aan de ongeveer 1.5 miljoen kinderen, die in de Holocaust zijn omgekomen. Je loopt door een soort grot en alle namen van de kinderen worden daar genoemd. Het leed is onbeschrijfelijk en we kunnen er ons geen voorstelling van maken.

Na de oorlog kregen de Joden hun land weer terug. Dat gunnen wij hen. Een eigen land, waar zij met hun kinderen mogen wonen en waar zij zich thuis voelen. Dit land moet ook verdedigd tegen de vijand. Israël mag zich verdedigen.

 

De Heere wil Zich over de kinderen ontfermen. Daarover spreekt dit vers. Er ligt dus een boodschap in voor kinderen. Net als de kinderen van de heidenen, zijn de kinderen van de Joden van nature kinderen des toorns. Zij kunnen in het Rijk Gods niet komen, tenzij ze van nieuws geboren worden.

Nicodemus had er nog nooit van gehoord en wist niet waarover het ging. Weten wij wat dit betekent? Het werk van Gods Geest is vernieuwend. Zullen wij om deze Geest vragen, jongens en meisjes? We dragen het teken en zegel van de doop en onze naam is verbonden met de Naam van de drie-enige God. Dat is een voorrecht, maar wedergeboorte is noodzakelijk.

 

Ezechiel 37 spreekt van rijke beloften voor dit volk. We lezen in de verzen 23 en 27 de belofte: Zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hen tot een God zijn! Dat is de belofte van het Genadeverbond.

Maar zij waren toch al Gods volk? God had deze belofte toch gegeven aan Abraham en zijn zaad? Deze belofte is toch niet iets nieuws?

Nee, het is geen nieuwe belofte maar wel een vernieuwing van de belofte en een vernieuwing van het verbond. Het gaat volgens vers 26 om een verbond des vredes en een eeuwig verbond. Dat verbond was namelijk van hun zijde verbroken. Maar God is getrouw en Hij zal Zijn verbond nooit schenden.

Maar zult u misschien vragen: wat zien we daar nu van in het huidige Israël? Is het niet gewoon een seculiere staat zoals alle andere staten in deze wereld? Ga eens op de straten in Tel Aviv kijken. Zien we daar veel godzalige mensen?

Zoals reeds gezegd, mogen wij geen romantische voorstellingen maken. Dat is in het verleden gedaan en dat wordt nog wel gedaan. Maar laten we ons geen zand in de ogen laten strooien. Het merendeel is nog verhard. De liberale Joden hebben geen Christus nodig. De orthodoxe Joden geloven niet dat de Heere Jezus de beloofde Messias is. Zij zoeken hun heil bij de wetten in de Thora van Mozes. Daarbij richten zij zich vooral op de mondelinge overlevering, die op Mozes zou teruggaan. En zo zoeken zij hun eigen gerechtigheid op te richten, schrijft de apostel Paulus in Romeinen 10, en zijn Gods gerechtigheid niet onderworpen. Het Evangelie is de Joden een ergernis. Dat is helaas voor velen de praktijk!

 

Maar toch is dit niet het laatste woord dat gezegd kan worden. Dan doen we het Woord van God te kort. Er zijn er ook nog, die durven zeggen, dat er geen verschil meer is tussen Israël en de heidenen. De Heere Jezus zou zeggen: Gij dwaalt, niet wetende de Schriften (Matth.22:29). En waarom zou Paulus anders Romeinen 9 tot en met 11 geschreven hebben? Dan was hij snel klaar geweest. Hij spreekt over de volheid der heidenen en de toekomstige bekering van Israël.

Laten we bidden en hopen dat die tijd spoedig mag aanbreken. Dat velen mogen buigen voor Koning Jezus, de Zoon van David, de Zoon van God. Als de volheid der heidenen zal zijn ingegaan, alzo zal geheel Israël zalig worden, staat er in Romeinen 11 vers 26. ‘En als Israël zich als natie zal wenden tot deze Koning David, deze Vorst. O, naast Zijn komst op de wolken, zal er geen groter gebeurtenis zijn’, zegt Rutherford.

 

Velen hebben het op Israël voorzien. Het liefst zien ze Israël van de kaart verdwijnen. Maar het zal niet gelukken. Israël heeft immers een machtige God. Israël zal niet vergaan, maar zal altijd blijven bestaan. Ondanks alle woeden van de vijand. Vele vijanden zullen zich tegen Israël keren.

Wat staat ons nog te wachten?

Na Ezechiël 37 komt Ezechiël 38. Daar lezen we over de strijd van de Gog en de Magog tegen Israël. En in Openbaring 20 lezen we dat de vijanden zullen opkomen tegen de geliefde stad. We weten niet wat er nog zal gebeuren in de komende jaren. Wereldse machten maken zich op en worden sterker. Het antisemitisme neemt toe. De kritiek in Europa op het doen en laten van Israël neemt toe. Allen zullen zich keren tegen Jeruzalem. De Heere Jezus heeft gezegd in Lukas 21 vers 24: En Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn. De kanttekeningen verwijzen dan ook naar Romeinen 11. Wat een vijandschap zal zich tegen Jeruzalem en het Joodse volk openbaren. Maar de God van Israël zal Zich nog ontfermen. Hij zal Jeruzalem nog verkiezen. De Heere zal opstaan tot de strijd en zal Zijn haters wijd en zijd verjagen en verstrooien!

 

Voor het gebouw van de Knesset, het Israëlische parlement, staat een grote kandelaar, de Menorah. Dit is het symbool voor de staat Israël. De Menorah diende als lichtdrager in de tabernakel en later in de tempel. In Zacharia 4 lezen we over de kandelaar die op wonderlijke wijze voorzien wordt van olie. De olie is in de Heilige Schrift het beeld van Gods Geest. Zo heeft God op wondere wijze de kandelaar van Zijn Israël bewaard en onderhouden! En wat voor Israël geldt; namelijk dat zij zullen worden bewaard, en dat God op Zijn tijd de olie van Zijn Geest zal schenken, geldt voor al degenen die in Christus zijn.

Vele heidenen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, Izak en Jacob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen. Maar Israël is en blijft de oudste zoon, Gods eerstgeborene. De staat Israël mag er al 70 jaren zijn. Dat spreekt van Gods trouw. ‘Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt…’ Dat moet de wereld weten. Ezechiël 37 eindigt ook zo in vers 28: En de heidenen zullen weten dat Ik de Heere ben, Die Israël heilig… En de psalmdichter zingt:

 

En hebt ellendigen dat land

Bereid door Uwe sterke hand

O Israels Ontfermer.

 

Amen.

 

Psalm 68 vers 5:

 

Uw hoop, Uw kudde woonde daar;

Uit vrije goedheid waart Gij haar,

Een vriendelijk beschermer;

En hebt ellendigen dat land

Bereid door Uwe sterke hand,

O Israëls Ontfermer!

De Heer gaf rijke juichensstof,

Om Zijne wond'ren en Zijn lof,

Met hart en mond, te melden;

Men zag welhaast een grote schaar,

Met klanken van de blijdste maar,

Vervullen berg en velden.