Ds. C.G. Vreugdenhil - Lukas 15 : 28

De oudste zoon

Lukas 15
Zijn opzettelijke weigering
Zijn vreugdeloze godsdienst
De boodschap voor ons
Dit is preek 3 uit een serie van 4 preken over de gelijkenis van de verloren zoon.

Lukas 15 : 28

Lukas 15
28
Maar hij werd toornig, en wilde niet ingaan. Zo ging dan zijn vader uit, en bad hem.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 99: 1, 7
Lezen : Lukas 15: 20 - 32
Zingen : Psalm 19: 6, 7
Zingen : Psalm 81: 12, 15, 18
Zingen : Psalm 133: 1, 3
Zingen : Psalm 119: 83

Gemeente, het tekstgedeelte voor de prediking vindt u in het aan ons voorgelezen Schriftgedeelte: Lukas 15 de verzen 20 tot 32. Daarin gaat het over de gelijkenis van de verloren zonen. De kern die ik wil lezen is vers 28:

 

                Maar hij werd toornig en wilde niet ingaan. Zo ging dan zijn vader uit en bad hem.

 

Het gaat nu in het bijzonder over: De oudste zoon

 

We letten op zijn opzettelijke weigering, op zijn vreugdeloze godsdienst, gevolgd door de lessen, de boodschap, die wij daaruit mogen halen voor onszelf. Al komt dat natuurlijk ook al in de eerste twee punten aan de orde.

 

Dus letten we op:

1. Zijn opzettelijke weigering.

2. Zijn vreugdeloze godsdienst.

3. De boodschap voor ons.

 

1. Zijn opzettelijke weigering

 

Jongens en meisjes, fijn dat jullie er weer zijn. Want jullie kunnen best een stukje meeluisteren met de preek. Moet je horen. Het is feest in het huis van de vader. Feest, vanwege de thuiskomst van de verloren zoon, de jongste zoon. Zo blij was de vader. Hij zei zelfs: Mijn zoon was eerst dood en hij is weer levend geworden. Hij was verloren, weggegaan naar het verre land, en hij is gevonden, teruggekomen. Hij is weer thuis.

Nou, dat was de moeite waard. Vader maakte een feest. En ze begonnen vrolijk te zijn. Dat feest was voor vader het hoogtepunt. Want hij had zijn zoon weer thuis. Het was weer goed.

En ze begonnen vrolijk te zijn. Dat was nog maar een begin. Want er moest nóg iemand komen. En dan zou het helemáál geslaagd zijn. Maar, o, wat is dat? Dát is erg! Niet al de kinderen van vader zijn op het feest. Er stond een stoel leeg…

 

Dat kennen we misschien wel in de praktijk. Feestje gehad, je verjaardag, of uw 25-jarig huwelijksjubileum of zoiets. En… een lege stoel. Er ontbreekt iemand. Eentje is er niet. Wat een verdriet voor vader! Niet álle kinderen zijn op het feest. Die oudste zoon ontbreekt op het feest. Hij was wel genodigd, maar hij wilde niet ingaan.

Met gefronste wenkbrauwen heeft hij die muziek aangehoord. Wat is dát? Al die drukte? Anders was het altijd zo stil thuis. Ja, dat klopt. Maar nu niet, want nu is het feest, want zijn broer is thuisgekomen. Het is feest, maar zijn plaats blijft leeg aan de feestdis. Hij zat niet waar hij hoorde te zitten. Aan vaders zijde. Naast vader, als vaders oudste zoon.

 

De Heere Jezus heeft een gelijkenis verteld over de jongste zoon en als je dit verhaal naast die andere gelijkenissen van het verlorene (van de penning en het schaap) legt, dan valt er iets op. Bij die andere gelijkenissen eindigt het met: ze hebben het gevonden en ze zijn blij. Maar hier stopt het dan nog niet. Want de Heere Jezus vertelt verder. Hij vertelt over die oudste zoon die niet blij wilde zijn.

De oudste zoon. Wat was dat voor een figuur? Ja, hij was wél een oppassende jongen. Iedere dag ging hij met zijn vader om. Ging hij naar zijn werk. Hij vergooide zijn leven echt niet, zoals die jongere broer dat had gedaan. En hij streed voor hogere waarden. Hij was altijd maar aan het werk van de vroege morgen tot de late avond. Maar hij wilde niet op dat feest zijn.

Die oudste zoon is een zoon die zich als een slaaf gedraagt. Notabene op het land van zijn eigen vader. En hij rekent alles om in loon. Hij heeft het hart van een knecht. Een knecht die vecht voor zijn rechten. En ten diepste is hij altijd een vreemdeling gebleven ten opzichte van zijn vader. Al eet hij dan doorgaans aan dezelfde tafel met zijn vader. Er is geen contact.

 

Jonge vrienden? Dat hebben jullie toch wel? Echt contact, met je vader en met je moeder. Vraag je hen ook om raad? En laat je hen ook delen in jouw blijdschap, ook in je verdriet? Het zijn immers je vader en moeder! Bij deze jongen, de oudste zoon, staat er als het ware een muur tussen hem en zijn vader. Ja, van de kant van die zoon. Nooit liet hij een gesprek, als dat er al was, was, langer duren dan strikt noodzakelijk. Hij nam er de tijd nooit voor om eens tegen zijn vader te zeggen: Wat bént u toch een lieve vader voor mij: betrouwbaar, beschermend, wijs.

Zoiets deed die oudste zoon nooit. En zo kwam het dat de liefde van de vader afketste op het harde pantser van zijn slavengestalte. Voor het heerlijke zonlicht van de liefde van zijn vader waren de luiken van zijn ziel, zijn hart, gesloten.

 

Wie bedoelt de Heere Jezus hier met die oudste zoon?

Inmiddels zijn jullie mij voor met je gedachten. De farizeeën en de schriftgeleerden. Want in dat kader vertelt Hij deze gelijkenis. Die farizeeën en schriftgeleerden verweten de Heere Jezus Zijn liefde tot zondaars. Hun jongste broer gunden ze het feest niet, zou je kunnen zeggen.

Het kan zijn dat iemand van ons nu in de spiegel kijkt. Er zijn altijd wel kerkmensen voor wie God een hóge God is, en dat is Hij hoor. En heilig, dat is Hij ook. Ofschoon ze ook om hun zonden straffen ondervonden, hebben we gezongen. Een rechter, ernstig en hard.

Wat een ijver zogezegd voor de eer van God en voor het recht van God. Alle opdrachten worden nauwgezet uitgevoerd. Maar zelf nooit aangeraakt door de innemende, overweldigende, vertederende liefde van de Vader, van God. Dan zijn we allesbehalve een zondaar die van genade moet leven. Dat is de spiegel al in deze gelijkenis.

 

We gaan zien wat de Heere Jezus over die oudste zoon in de gelijkenis zegt. Vers 25, daar begint het mee: En zijn oudste zoon was in het veld; en alzo hij kwam en het huis genaakte, hoorde hij het gezang en het gerei.

De oudste zoon plaatst zichzelf buiten het feest. De symfonie van de muziek en de harmonie van de reidans drongen naar buiten, maar het werkte precies averechts op die oudste zoon. Waar is dát goed voor, denkt hij. Er was immers, sinds die jongste broer van hem de deur uitgegaan was, thuis nooit meer een feest gevierd. Sinds de dag dat hij vertrokken was, was zijn vader zo opvallend stil geworden. Het leek wel of zijn broer dóód was.

Dat was hij ook in zekere zin. Vader zegt dat zelf. Nou, voor hem was hij óók dood. Laat vader maar niet denken dat dat zóóntje van hem nog een cent om hem geeft. Hij sprak er niet over, maar begrip voor vaders verdriet had hij niet.

 

Een herkenbare situatie. Zoiets kan zich ook voordoen in onze gezinnen. Een kind gaat er vandoor. De wereld in. Komt niet meer in de kerk, komt niet meer thuis. Er is geen gesprek meer, er is geen contact meer. Wat een pijn doet dat in het hart van een vader en een moeder. Dan kunnen de andere kinderen wel eens zeggen: ‘Vader, moeder, u doet net of wij er niet meer zijn. U ziet ons niet eens meer. Bestaan wij niet meer voor u?’

‘Ja kind, zeker, natuurlijk wel. Maar, o, het doet zo’n zeer. Waar zou hij nu zitten? Wat zou hij nu uithalen?’

‘Nou’, zeggen de andere kinderen: ‘We hebben thuis geen leven meer, dat akelige ventje heeft heel de sfeer thuis bedorven. Er is niets meer aan.’

Kunt u een beetje begrip opbrengen voor de ouders van zo’n zoon of dochter?

 

En nu, wat is het opeens een vrolijke boel thuis? Begint de oudste zoon iets te vermoeden? Die broer van hem zal toch niet... nee toch? Hij wil zekerheid. Dat lezen we in vers 26 en 27: En tot zich geroepen hebbende een van de knechten, vraagde wat dat mocht zijn. En deze zei tot hem: Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond wederontvangen heeft.

Wat heeft dit alles te betekenen? Al die herrie en al die drukte? Nors en bars richt hij zijn ogen op de slaaf die hij erbij riep. En, ja hoor, zijn vermoeden wordt bevestigd. Weet je dat dan niet? Je broer is gekomen. En je vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond terugontvangen heeft. Kom op joh, je bent genodigd voor het feest.

Die slaaf lijkt wel net zo opgetogen en verheugd te zijn als zijn meester. Nee, hij spot er niet mee. Spontane blijdschap straalt uit zijn ogen. De vreugde van het feest staat op z’n gezicht te lezen. Hij is blij met de blijden. Hij doet van harte mee.

Mooi hè, van zo’n knecht? Gemeente, zo moeten al Gods knechten zijn. Alle dienstknechten van de hemelse Vader. Zij moeten vreugde uitstralen. De predikers van het Woord dienen zo’n goede God. En ze mogen het Evangelie, de blijde Boodschap, verkondigen. Dat geeft blijdschap, daar gaat iets van uit. Dat is een positieve reclame voor het Koninkrijk van God. De dienst van de Heere is een liefdedienst. Alsof de Heere Jezus wil zeggen in deze gelijkenis: Zelfs de slaven zijn blij als ze de verloren zoon en zijn vader verenigd zien en als ze die twee elkaar zien omhelzen.

Gemeente, nu zijn wij allemaal, in het ambt van alle gelovigen, dienstknechten en dienstmaagden van deze God. Herkent u het in uw eigen leven? Dat je iets uitstraalt van Zijn liefde? Want Hij vergeeft menigvuldig. En de liefde van God maakt buitenstaanders jaloers. En als je daar iets van mag uitstralen, als door de ramen en deuren van de kerk de liefde van God straalt, wie weet hoeveel verloren zonen en dochters nog naar huis zouden weerkeren!

 

Die slaaf is blij met de blijden. En de oudste zoon? Vaders eigen kind?

Zijn gezicht staat bewolkt. Zijn ogen fonkelen. Dacht ik het niet? Heb ik niet gelijk? Denk maar niet dat ik naar binnen vlieg om die broer van mij om de hals te vallen. En te doen alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Mij niet gezien op dat feest. En hij werd toornig. En wilde niet ingaan. Hij sluit zichzelf buiten het feest. Bewust. Opzettelijk.

Nu is ook vaders oudste zoon een verloren zoon. Te goed voor het feest met zo’n zondige broer. Te goed om gered te worden. Hij heeft geen genade nodig. Omdat hij geen arme zondaar is. Hij heeft trouwe plichtsbetrachting, kille vroomheid. Maar hij sluit zichzelf buiten de bruiloftszaal van het Koninkrijk van God.

 

Gemeente, de Bijbel waarschuwt dat er mensen zijn die zichzelf aan de zaligheid onttrekken ten verderve. Een waarschuwing van de Bijbel. Als u goed geluisterd hebt, weet u wie de Heere Jezus hier bedoelt met die trouwe wetsbetrachters. Dat zijn natuurlijk de farizeeën en de schriftgeleerden. Want tot hen richt hij deze gelijkenis. Zij komen nu in Zijn gelijkenis, in Zijn onderwijs, openbaar als verachters van Zijn liefde. Dacht u dat het hen wat deerde dat Jezus arme schooiers uit de goot opraapt? Het is een doorn in hun oog, een ergernis. Ze worden kwaad als iemand genade ontvangt. En als die en die ook al aan de feestdis van het Heilig Avondmaal komt, dan wil ik daar niet zitten.

Er zijn keurige onberispelijke voorbeeldige mensen die weigeren om als een arme zondaar te buigen aan de voeten van de Heere Jezus, omdat daar zoveel hoeren en tollenaren zitten. Dat is nu de ergernis van het kruis. De oudste zoon wilde niet ingaan. De jongste zoon trok de deur van het vaderhuis dicht. En hij verdween. Dat was erg. Maar nog erger was wat de oudste zoon deed. Want die wilde de geopende deur van het vaderhuis niet ingaan.

Een wezenlijk verschil tussen die twee zonen is er dus niet. Allebei zijn ze verloren.

 

En hij werd toornig. Het grondwoord drukt uit dat hij absoluut niet van plan was om naar binnen te gaan. Hij blijft buiten. Hij kan het woordje broer niet eens over zijn lippen krijgen. En hij zegt tegen zijn vader: Deze, uw zoon. Hoort u hoe verachtelijk dat klinkt? Het woordje vader komt ook niet over zijn lippen. Hij heeft alleen maar verwijten. Hij is boos en hij blijft buiten.

 

Dat was onze eerste aandachtspunt. Zijn opzettelijke weigering. We gaan nu samen zingen en ik denk dat onze kinderen die psalm allemaal uit hun hoofd kennen. Het is psalm 81 vers 12, 15 en 18:

 

Opent uwen mond;

Eist van Mij vrijmoedig,

Op mijn trouwverbond;

Al wat u ontbreekt,

Schenk Ik, zo gij 't smeekt,

Mild en overvloedig.

 

Och, had naar Mijn raad

Zich Mijn volk gedragen!

Och, had Isrels zaad

Op Mijn effen paân

IJv'rig willen gaan,

Naar Mijn welbehagen!

 

‘k Had u dan tot spijs

Vette tarw' doen groeien,

En u, ten bewijs,

Hoe Ik u kon voên,

Honigbeken doen

Uit de rotsen vloeien.

 

Onze tweede gedachte is:

2. Zijn vreugdeloze godsdienst

 

Zijn vreugdeloze godsdienst, want de farizeeën worden aangesproken. Vader wacht op zijn oudste zoon. Dan komt die dienstknecht te midden van al dat feestgedruis binnenlopen en zegt: ‘Hij wíl niet!’

Die botte weigering wordt vader te machtig. Zij hier allemaal in het licht en in de vreugde en zijn oudste jongen daarbuiten in het donker? Dat kan hij niet verdragen. Hij staat op en hij gaat de donkere avond in. Hij begeeft zich naar buiten, zoals hij ook voor zijn jongste zoon gedaan heeft. Hij gaat naar buiten met een hart vol liefde. Zo ging dan zijn vader uit en bad hem, sméékte hem.

Dan blijkt uit het antwoord van die jongen hoe vreugdeloos zijn godsdienst is. Hoe kun je anders zo boos worden als een zondaar, notabene zijn eigen broer, tot inkeer komt?

Dat komt omdat hij niet weet wat liefde is. Dat komt omdat hij niet weet wat vergeving is, en blijdschap.

 

Op de achtergrond ziet u de farizeeën staan, hè? Voor hen is de boodschap. De oudste zoon beroemt zich op zijn lange en goede staat van dienst. Maar uit zijn woorden blijkt dat hij zijn vader alleen maar gediend heeft om loon. Hij heeft er geen enkele vreugde aan beleefd. En nu overlaadt hij zijn vader met allemaal ongegronde verwijten. Hij kan echt niet blij zijn om de redding van zo’n hoerenloper. Hij wordt hier ten voeten uit als een farizeeër getekend.

Luister maar naar zijn antwoord in vers 29 en 30: Doch hij antwoordende zei tot de vader: Zie, ik dien u nu zovele jaren en heb nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijn vrienden mocht vrolijk zijn. Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht.

Ik dien u nu zóveel jaren. Het eerste waarover hij begint tegen zijn vader terwijl notabene zijn verloren broer weer terug is, is zijn eigen dienst. Zoveel jaren dienst en nóóit uw gebod overtreden. Ja, op zichzelf is dat natuurlijk een goede zaak. Daar mogen we niks op afdingen. De oudste zoon heeft het inderdaad heel wat béter gedaan op dat punt dan de jongste. We mogen het gedrag van die jongste zoon niet vergoelijken, alsof hij beter gedaan zou hebben.

Geen kwaad woord over het dienen van God en het houden van Zijn geboden. Maar hier komt het addertje van onder het gras tevoorschijn. Hij denkt daarmee rechten opgebouwd te hebben. Hij is zich zo bewust van zijn goedheid en hij laat zich daarop voorstaan. En hij wijst naar zichzelf, net als die farizeeër die zei: O God, ik dank U dat ik niet ben gelijk de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook gelijk deze tollenaar (Luk. 18:11).

 

Dus die oudste zoon acht zich ver verheven boven zijn broer. Hoogmoed verblindt zijn hart. Ja, dan zie je alleen maar de goedheid van jezelf en de gebreken van een ander. Zijn eigen gebrek, dat de líefde ontbreekt, dat de zelfkennis ontbreekt, dat ziet hij niet.

Als u toch uzelf een beetje leert kennen, gemeente, dan blaast u toch niet meer zo hoog van de toren. Dan zegt u niet zo snel: ‘Ik heb nooit uw gebod overtreden.’ Een christen wijst niet zo gauw op zijn eigen dienen. Ook al hebt u helemaal geen rare bokkensprongen gemaakt. Maar hoe dichter u bij de Heere mag leven, hoe scherper u ziet dat u tegen al Gods geboden gezondigd hebt. Al leefde u zogenaamd toch zo netjes. Want weet u: de wortel van het kwaad zit zo diep in ons hart.

‘Ik dien u nu zóveel jaren en ik heb nóóit een bokje van u gekregen.’ Hij beroemt zich op zichzelf. Deze jongen heeft het wel beter gedáán dan zijn broer, maar hij was in de kern niet beter dan zijn broer. Nooit een bokje gekregen om met mijn vrienden vrolijk te zijn. Nee, maar hij had dus precies dezelfde begeerte als zijn jongste broer, waar hij nu zo op neerkijkt. Hij had ook best wel eens een bokje willen krijgen en met z’n vrienden ervandoor gaan om de bloemetjes buiten te zetten.

Hij wilde ook wel graag buiten zijn vader om feest vieren. Dat leek hem veel leuker dan dat saaie bestaan van z’n vader. Dus in zijn hart leefde precies hetzelfde als wat er bij zijn broer naar buiten kwam. En dan dat gemeste kalf, dat zit hem dwars. Dat vader zo royaal is voor zo’n doorbrenger. Zijn oog is boos omdat zijn vader goed is. Dat is een uitspraak van de Heere Jezus.

 

Jongens en meisjes, jullie denken misschien: Wat is dat, een gemeste kalf? Dat was een kalfje; je ziet ze in de wei, hè? Prachtig, als een koe gekalfd heeft en als zo’n kalfje dan wat groeit en dan huppelt in het gras in de wei. Maar het gemeste kalf, dat is niet zómaar een kalf, zoals al die andere kalveren. Nee, dat was een kalf dat een hele aparte plaats in de stal had; er was maar één zo’n kalf in heel de schuur. Dat kalf werd goed gevoed, goed verzorgd en zorgvuldig bewaard tot er een hele bijzondere gelegenheid was. Pas dan werd dat kalf geslacht en was er een feestmaal.

Nu vindt vader notabene dit feest ter gelegenheid van z’n broer die terugkwam, zóiets bijzonders, dat hij dat gemeste kalf heeft geslacht.

Voor hem, zijn jongere broer, het gemeste kalf? En ik, de oudste zoon, nooit een bokje!

Wat is hij?

Hij is jaloers!

Jaloers. Ook in dit opzicht mogen we wel in de spiegel kijken. Uit die opmerking over dat bokje blijkt hoezeer die jongen zijn dienst ziet als een loondienst. Bepaald niet als een liefdedienst. Hij meent door zijn dienst recht te hebben op het een en ander. Hij spreekt hier eigenlijk als een huurling, terwijl hij de zoon is. Hij dient om loon. En dat loon krijgt hij niet. Arme ik! Er zit voor hem geen enkele vreugde in het dienen van z’n vader. Een vreugdeloze godsdienst, die van de farizeeën. Want voor hen is deze boodschap bedoeld. Hun enige vreugde was als ze de eer van mensen kregen.

Gemeente, dat is ook een verleiding. Als je dient om loon, leef je nog onder het werkverbond. Dan ben je niet verlost door het bloed van de Heere Jezus. Want dat is het genadeverbond. Van genade leven. Bij loondienst staat je dienstbaarheid in het stuk van de verlossing en niet in het stuk van de dankbaarheid.

De oudste zoon beleeft de verhouding tussen hem en zijn vader zoals die tussen werkgever en werknemer. Hij meent door zijn trouwe dienst recht te hebben op een bokje en op een feestje. Dat hij de liefde mist, blijkt ook wel uit het feit dat hij ijskoud feest had willen vieren terwijl zijn vader nog steeds in grote droefheid verkeerde over het verlies van zijn zoon. Hij had dus geen oog en hart voor het verdriet van zijn vader.

 

Hierin ligt een les voor ons. Als mensen door een diepte gaan en het moeilijk hebben, en verliezen lijden, laten we daar oog en begrip voor hebben en meeleven. En dáárom kan die jongen ook nu de blijdschap van zijn vader zich niet voorstellen. Hij miste de liefde tot zijn vader en zijn broer. Hij gebruikt hun namen niet eens.

Hoe belangrijk is nu juist de liefde. De vervulling van de wet is de liefde. Farizeeën, horen jullie dat? De liefde, die in het hart wordt uitgestort als je een liefdeshart krijgt, als je een nieuw hart krijgt?

Wie de liefde mist, die mist alles. Denk maar aan die rijke jongeling. Die diende ten diepste ook om loon. Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af (Matth. 19:20), en toch viel hij door de mand, op het punt van de liefde. Hij had zijn geld meer lief dan Jezus.

Je kunt formeel heel wat godsdienst verzamelen, maar het komt in de praktijk neer op de liefde tot God en tot onze naaste. De liefde tot zijn vader en zijn broer.

 

Gemeente, jonge vrienden, de dienst van de Heere is een liefdedienst en geen loondienst. Als u zien mag uit welke grote nood en dood, schuld en verlorenheid, ons de Heere wil redden, als u de belijdenis kent van de jongste zoon: Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel en voor u, dan is uw hart gebroken, dan bent u het niet meer waard om door God opgeraapt te worden. Dan mag u ervaren dat de Vader u omhelst in Zijn liefde, in Zijn eeuwige liefde die Hij geopenbaard heeft in de Heere Jezus Christus, die aan het kruis Zijn leven gaf voor Zijn schapen. Hij is ondergegaan is in de toorn van God over de zonde. Als u zien mag dat God u ‘in Christus’, om Christus’ wil tot een kínd heeft aangenomen, dan is toch heel uw hart vol van liefde voor God? Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn Sterkte! (Ps. 18:2). Dan wil je niet anders meer, dan kun je niet anders meer, dan God liefhebben, dienen en danken, héél je leven. Ja, dat het er niet altijd van komt, dat is onze strijd. Dat we God zomaar kunnen vergeten, dat is onze strijd. Maar je wilt het wel.

 

Gelukkig komt de Heere erop terug en daarom hebben we iedere zondag weer een samenkomst van de gemeente waar het Woord van God, Zijn genade, Zijn liefdevolle, uitgestrekte, nodigende armen ons worden verkondigd, opdat we terugkeren tot Hem. Opdat we God liefhebben en dienen.

Nee, dat is geen wettisisme, of krampachtigheid; God dienen doe je met blijdschap en verwondering. Je mag je leven wijden aan Hem, Die jou tevoren zo uitnemend heeft liefgehad. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft (1 Joh. 4:19).

Wat is nu het geheim daarvan?

Het geheim is het zicht op Jezus. Want de Heere Jezus heeft gezegd: Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft (Joh. 14:21). Zien op Zijn dienst aan God, dat was een liefdedienst. Uit eeuwige liefde gaf Hij Zich ten offer aan God om zondaars te redden. Hij hoefde geen bokje voor beloning.

Het was Zijn spijze, zijn voedsel, om de wil van Zijn hemelse Vader te doen. Liefdesgehoorzaamheid aan Zijn Vader, dat was Zijn spijze. Hij gaf Zichzelf aan het kruis: Alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde (Joh. 13:1).

Zijn dienst is een liefdedienst! Wie dat mag zien en mag zeggen: ‘Heere, dat deed U voor mij’, krijgt God vrijwillig lief.

 

Dat was het tweede punt. Geen vreugdeloze godsdienst, maar een liefdedienst. We gaan daarvan zingen uit Psalm 133 vers 1 en vers 3:

 

Ai ziet, hoe goed, hoe lief'lijk is 't, dat zonen

Van 't zelfde huis, als broeders, samenwonen,

Daar 't liefdevuur niet wordt verdoofd;

't Is als de zalf op 's Hogepriesters hoofd,

De zalf, waarmee hij is aan God gewijd,

Die door haar reuk het hart verblijdt.

           

Waar liefde woont, gebiedt de Heer den zegen:

Daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen,

En 't leven tot in eeuwigheid.

 

De oudste zoon. Zijn opzettelijke weigering, zijn vreugdeloze godsdienst en nu als derde gedachte:

3. De boodschap voor ons

 

Die boodschap kwam natuurlijk al in die eerste twee hoofdgedachten naar voren, maar nu wil ik daar even apart de schijnwerper op zetten.

Een zeker mens had twee zonen. Het is goed om daar een paar lessen uit te halen voor onszelf. Misschien hebt u al een paar toepassingen gemaakt. Dat is ook de bedoeling. Als het Evangelie verkondigd wordt en als het áánkomt; dat je denkt: Het lijkt wel of het over mij gaat en dat je zelf de toepassing maakt. Een stukje herkenning van, ja, zo moet ik het dus niet doen.

Ik noem een paar van die herkenningspunten en we gaan kijken in hoeverre deze gelijkenis van de Heere Jezus ook ons raakt, in ons doen en laten en denken. Ik noem zeven toepassingen, zeven puntjes:

 

In de eerst plaats: die oudste zoon wil de jongste zoon niet erkennen als zijn broer. Hij zegt in vers 30 tegen zijn vader: Deze uw zoon. Als wij ons boven een ander stellen, dan raakt de gemeenschap beschadigd. Dan raakt het gezin beschadigd. Dan raakt de gemeente (dat is toch een gezin?) beschadigd.

Sinds de zondeval in het paradijs, zijn vrienden vijanden geworden. En toch, gemeente, als u met Gods ogen naar mensen kijkt, verandert er heel wat in uw houding. Voor God is ieder mens waardevol, wie hij of zij ook is. Als mens! Gelóóft u dat? Ik zeg niet: Alle daden van mensen zijn God welbehaaglijk. Als u kijkt wat voor een schreeuwend onrecht en ellende er in de wereld is! Maar het gaat nu om een mens die Hij geschapen heeft. Gods liefde gaat onvoorwaardelijk uit naar mensen. Want alzo lief heeft God de wereld gehad (Joh. 3:16). Dus als mensen waardevol zijn voor God, dan moeten ze ook waardevol zijn voor ons.

Laten we zó kijken naar de mensen om ons heen. Naar onze collega’s, onze buren, onze vrienden op de sportclub, en waar ook. Ook deze mensen staan in een relatie tot God, of ze dat nu beseffen of niet. Maar God is hun Schepper! Misschien zijn ze nog totaal verloren. Maar de Heere Jezus leert ons dat Vader wil dat ze terugkeren in Zijn tegenwoordigheid. Daartoe wil God onze getuigenis gebruiken. En onze levenshouding.

 

Het tweede: De oudste zoon richt de schijnwerper op de fouten van zijn broer. Het is waar, dat die jongste zoon er een puinhoop van gemaakt heeft. Sommige mensen hebben er plezier in om de fouten van een ander zo breed mogelijk uit te meten, en door te vertellen. Gemeente, stel je nu eens voor dat al uw zonden die u gedaan hebt in de afgelopen week geprojecteerd zouden worden op een scherm. Ik denk dat u vol schaamte zou weglopen.

Dus hoe gaan wij om met de fouten van een ander? Laten we er maar mee omgaan zoals God met onze zonden omgaat, als we gelóven, dat zeg ik er wel bij. Hij werpt ze in de diepte van de zee! En laten we ons nooit ergeren aan Gods vergevende liefde. Eigendunk verhindert je om blij te zijn met de genade die God verheerlijkt in mensen.

 

Het derde punt. De oudste zoon misgunt zijn broer de onvoorwaardelijke liefde van de vader. Voor hem slacht u het gemeste kalf, en voor mij was er niet eens een bokje. Alsof hij zo’n brave jongen geweest is. U ziet de farizeeën staan luisteren. De farizeeën in Jezus’ tijd konden het maar moeilijk accepteren dat God Zijn liefde en genade gaf aan mensen die daar helemaal geen recht op hadden. En toch is er in het hart van de Vader geen groter vreugde, dan wanneer verloren kinderen weer thuiskomen en in Zijn gemeenschap zijn. Dat geldt voor beide soorten zonen, jongste en oudste.

Dus de boodschap is duidelijk. Als iemand is afgedwaald, en een misstap begaan heeft, sta daar dan niet boven. Laten we zo iemand van harte en liefdevol ontvangen in de familie, in de gemeente, in de volle rechten van de gemeenschap. Ontvang zo iemand met heel je hart en al je liefde. Geef steun en bemoediging, die nodig is om verder te leven. Om te kunnen vertrouwen. Om God te kennen of te groeien in het geloof.

Als iemand afgeweken is van de genade, bedenk dan dat de vader zijn jongste zoon vergaf en dolblij was met zijn terugkomst. De oudste broer was verbitterd en weigerde hem te vergeven. Zo gij uw broeder zijn misdaden niet vergeeft zo zal ook uw vader in de hemel u niet vergeven, zegt de Heere Jezus.

De oudste broer was verbitterd. Hij weigerde te vergeven. Verschil tussen bitterheid en blijdschap heeft te maken met vergevingsgezindheid. Als u weigert om uw naaste te vergeven, dan mist u een geweldige kans om blijdschap te ervaren en die weer met anderen te delen.

 

Het vierde aandachtspunt: Oudste zoons hebben vaak een sluimerende boosheid in hun leven. De oudste zoon wordt boos en hij weigert deel te nemen aan het feest. Als je gelooft dat je altijd zo’n goed leven hebt geleid, dan zal je boos zijn als je leven niet verloopt zoals je had gewild. Je hebt altijd zo hard gewerkt en je hebt zo je best gedaan, en waarom vervult God dan mijn wensen niet? Oudste zoons geloven eigenlijk dat God verplicht is om hen een gelukkig leven te geven. Want ze hebben zo hun best gedaan!

 

Het vijfde punt: Oudste zoons hebben een dubbele agenda. Ze gehoorzamen omdat ze daarmee bepaalde dingen bij God willen bereiken. Als zij die dingen niet krijgen worden ze boos. Ziet u het verschil? Een christen die God liefheeft, die heeft God lief om God Zelf. Niet met een bijbedoeling of om te manipuleren. U herkent de oudste zoon bijvoorbeeld aan hoe hij bidt. Hij vraagt om veel dingen, maar hij neemt nauwelijks de tijd om God te vereren en te prijzen en te aanbidden om wie Hij ís. Maar meestal gaat het om het bereiken van bepaalde doelen. Dan is het gebed een plicht en niet een vreugde.

 

Het zesde: Oudste zoons voelen zichzelf geestelijk superieur. Ze staan boven anderen. Want waarom wilde die oudste zoon niet binnenkomen naar het feest? Nou, zijn broer heeft het vermogen van zijn vader verkwanseld. En voor hem is het gemeste kalf geslacht. Als je je eigenwaarde haalt uit je prestaties, als je daaruit je rechtvaardiging haalt, dan kijk je altijd neer op anderen die dat niet doen. Dan sta je boven hen. En dat brengt me op het laatste punt.

 

De oudste zoon kijkt neer op z’n broer omdat het zo’n sloeber is. En dat heeft hij nog helemaal aan zichzelf te wijten ook. Hij wil gewoon niks met hem te maken hebben. Hij begrijpt niet dat je gered kunt worden uit genade alleen. Zonder daar iets van verdiend te hebben. Hij zit vol met zelfrechtvaardiging. De vader moet toch wel van hem houden omdat hij zo’n goed persoon is. Maar zelf houdt hij niet echt van z’n vader.

Gemeente, zo kunnen we zien of u of jij en ik bij die oudste zoon horen. Als u bijvoorbeeld neerkijkt op mensen die om eigen schuld aan lager wal geraakt zijn. Op mensen die van een ander ras zijn, of van een andere cultuur. Op mensen uit een andere sociale klasse, of vluchtelingen bijvoorbeeld. Of mensen met een ander geloof, moslims. Als je de fouten van de ander steeds maar ziet en oprakelt en als je jaloers wordt als iemand anders beter behandeld wordt dan jij. En als je met al je godsdienstige plichten uiteindelijk iets wilt verdienen en als je denkt dat je beter bent dan een ander, dan ben je net als die oudste zoon.

 

Maar, oudste zoons zijn niet alleen maar onbekéérde mensen. Dat zijn ook mensen die echt geloven, een nieuw hart gekregen hebben, wedergeboren zijn en toch nog trekken hebben van de oudste zoon. Daarom komt dit best heel dichtbij in deze dienst. We hebben toch allemaal meegeluisterd?

Beseft u dat je jezelf soms beter kunt voelen dan een ander? Dat zégt u niet, maar dat dat in uw hart opkomt, bedoel ik. En dat u de schoonheid van het gebed mist, dat het soms maar een plicht is geworden. U merkt dat u boos wordt om dingen die niet lopen zoals u wilt. En wat kunt u hiervoor doen, om daarmee af te rekenen? Want die trekken van die oudste zoon moeten weg uit het leven van Gods kinderen.

Gemeente, er is maar één middel om eraf te komen. En daar bent u me natuurlijk in voor. Om van al onze onhebbelijkheden af te komen moeten we één ding doen. En dat is: Zien op Jezus, de overste leidsman. Zien op Jezus, het Lam van God, dat de zonde van de wereld gedragen heeft. Dat wilde Hij doen. Kijk naar de radicale kwetsbaarheid van de Heere Jezus Christus. Want het eind van het verhaal is zó mooi.

 

We horen niet alleen maar van een vader die zijn oudste zoon smeekt. Maar wat wij horen is Jezus Christus, Die Zijn víjanden smeekt. Want Hij vertelt deze gelijkenis toch aan de Farizeeën en de Schriftgeleerden? Aan de religieuze leiders van Israël? Dat zijn de mensen die Hem om het leven zullen brengen. En dat wist Hij.

Scheldt Hij hen uit, omdat ze dat doen? Vervloekt Hij ze? Nee! Hij zegt: Mijn jongen, je bent toch altijd bij mij? Jullie hebben toch het Woord? Jullie hebben de tempeldienst. Jullie hebben de Wet van Mozes, de profeten en de Schriften. Dien toch die God, met liefde in uw hart. Want iedereen is verloren! De goede zonen en de slechte zonen. Maar de Heere Jezus zegt: De Vader heeft mij gezonden om het verlorene te redden. Dat is Gods liefde.

 

Maar alleen zij die beseffen dat ze verloren zijn, die worden gevonden. En zij die denken dat ze niet verloren zijn, die zijn juist verloren. De Heere Jezus is heel duidelijk tegen de farizeeën, maar ook zo geduldig.

Paulus schrijft in Romeinen 5 dat Christus gestorven is als wij nog vijanden van God waren. Dus niet als we ons eerst bekeerd hadden. Hij stierf voor goddelozen, voor vijanden.

Ziet u hoe de overmacht van Gods genade alleen maar bij de Heere vandaan komt, en dat we dat niet kunnen opwekken en kunnen verdienen? Het kruis zegt ons dat we er zo vreselijk aan toe waren dat niets minder dan de dood van de Zoon van God ons redden kan. En dat deed Jezus uit liefde! Alleen als u beseft dat Jezus in deze gelijkenis het ook tegen u heeft, zult u van de kenmerken van de oudste zoon verlost worden. Oudere broers klagen dat hun gehoorzaamheid verder niets oplevert.

Moet onze gehoorzaamheid iets opleveren? Kijk eens naar de Heere Jezus. Hij was gehoorzaam, nooit ongehoorzaam. Volmaakt gehoorzaam. Altijd gehoorzaam aan zijn Vader.

En? Hij werd vreselijk gemarteld, uitgestoten, gehaat, geslagen en ter dood gebracht. Alles ging fout! Terwijl Hij zo gehoorzaam was. Dat is de theologie van het kruis. En die geldt nog.

Zou het dan met ons anders zijn? Moeten we dan denken dat als we God gehoorzaam zijn dat we daarvoor beloond gaan worden, wat betreft onze zaligheid en onze levensloop? Het welvaartsevangelie? Petrus schrijft dit: Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen (1 Petr. 2:21).

Dus wat moeten we doen om van dat oudste-zonen-gedrag af te komen?

Zien op Jezus. Hij wilde onschuldig lijden.

 

Maar er is nog een belangrijke les. En dat is eigenlijk de boodschap van deze gelijkenis.

U kijkt niet meer op mensen neer, wier leven gebroken is en mensen die in de goot liggen. Waarom bent u een rijk iemand? Waarom zijn wij gekleed en gevoed en hebben wij geen enkele zorg dat we zouden verhongeren? Waarom hebben wij een huis om in te wonen en hoeven wij niet te vluchten? Hebben we dat aan onszelf verdiend? Zijn wij beter dan al die vluchtelingen of al die sloebers die in de goot liggen of onder plastic zeiltjes moeten leven met hun gezin? Geen háár beter zijn wij. Dat is alles puur geschenk van God. Het is goed om dat te beseffen.

Dit betekent dat wij als gelovigen, als gemeente, als kerkelijke gemeenschap, diep betrokken moeten zijn op de levens van mensen die het minder hebben dan wij. En dat gaat verder dan alleen maar het geven van geld en het gebed. Dat gaat ook om het geven van onze tijd, ons meeleven, onze liefde, onze bewogenheid. Daar horen soms heel wat teleurstellingen bij. Vraag dat maar aan mensen die werken bij de stichting Ontmoeting of het Leger des Heils. Teleurstellingen te over. Maar het is wel een opdracht van Christus. Ieder in zijn eigen situatie en met zijn eigen mogelijkheden.

De Heere Jezus zegt: Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken (Matth. 5:16).

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 119 vers 83.

 

Wat vreê heeft elk, die Uwe wet bemint!

Zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten.

Ik, Heer, die al mijn blijdschap in U vind,

Hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten;

'k Doe Uw geboôn oprecht en welgezind;

Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.