Ds. C.G. Vreugdenhil - Lukas 15 : 18 en 28

Een vader had twee zonen

Lukas 15
Wie is eigenlijk de doelgroep van deze gelijkenis?
Wie is nu die verloren zoon?
Wat doen wij met onze verlorenheid?
Dit is preek 1 uit een serie van 4 over de gelijkenis van de verloren zoon.

Lukas 15 : 18 en 28

18 Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u. 28 Maar hij werd toornig, en wilde niet ingaan.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 19: 1 en 5
Lezen : Lukas 15: 11-32
Zingen : Psalm 100: 1, 2, 3 en 4
Zingen : Psalm 96: 6, 8
Zingen : Psalm 147: 2 en 6
Zingen : Psalm 139: 14

Gemeente, wij hebben in de Bijbel de gelijkenis over de verloren zoon gelezen. Vandaag wil ik graag met u letten op de doelgroep van deze gelijkenis. We vergelijken de jongste zoon met de oudste zoon en kijken in de spiegel van deze gelijkenis: wat is de les voor ons? Ik wil met u in het bijzonder nadenken over twee teksten uit het Bijbelgedeelte dat we met elkaar gelezen hebben; namelijk over vers 18 en vers 28.

 

Eerst lezen we met elkaar vers 18. De jongste zoon zegt in dit vers:

 

Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u.

 

In vers 28 gaat het over de oudste zoon. In het eerste stukje staat:

 

Maar hij werd toornig, en wilde niet ingaan.

 

We denken na over drie vragen:

1.      Wie is eigenlijk de doelgroep van deze gelijkenis?

2.      Wie is nu die verloren zoon?

3.      Wat doen wij met onze verlorenheid?

 

1. De doelgroep van deze gelijkenis

 

Een zeker mens had twee zonen. In de gelijkenis van de verloren zoon lezen we over de jongste zoon, de oudste zoon en de liefdevolle vader. We zullen wel tot de conclusie gekomen zijn dat deze zonen allebei op de één of andere manier verloren zijn. Ik denk dat heel veel christenen iets van die oudste zoon weg hebben.

 

De doelgroep van deze gelijkenis wordt niet gevormd door die afgedwaalde zondaars en tollenaars, die de bloemetjes buiten zetten en gaan stappen. Of door die feestnummers, die alles verbrassen, met als levensdevies: ‘Geniet van het leven, want het duurt maar even.’

Nee! De doelgroep van deze gelijkenis bestaat juist uit hele ernstige, godsdienstige mensen, die er alles aan doen om de Bijbel te volgen. Ze doen hun plicht en, eerlijk is eerlijk, uiterlijk gezien gaat alles er heel netjes aan toe. De Heere Jezus spreekt tot de farizeeërs en schriftgeleerden. Dat is het adres! Jezus wil hen wijzen op hun verblinding, hun bekrompenheid en hun eigenwaan. Jezus laat zien hoe zij hiermee hun eigen ziel en het leven van andere mensen om hen heen te gronde richten.

 

De gelijkenis is niet in de eerste plaats bedoeld als een woord van troost voor jongste zonen, om hen te verzekeren van de onvoorwaardelijke liefde van de Vader. Dat klinkt er natuurlijk wel in door, maar de bedoeling van deze gelijkenis vormt een les voor de farizeeërs en schriftgeleerden. Zij konden maar niet begrijpen dat de Heere Jezus met tollenaars, met prostituees en zondaars omging. Of liever: dat wílden ze niet begrijpen! Ze konden het ook niet zetten. Het grieft hen tot in het diepst van hun hart, dat grove zondaars van heinde en ver tot de Heere Jezus komen. Lees maar eens het eerste vers van Lukas 15: En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem, om Hem te horen.

Al die tollenaars en zondaars kwamen naar de Heere Jezus toe om naar Hem te luisteren. Dat is toch geweldig, als je dat leest? We kunnen ons wel voorstellen dat God vergeving schenkt aan zondaars, die Hem om genade smeken, maar een God Die Zelf zondaars opzoekt en ze dan vergeeft, Die moet toch wel een buitengewone liefde hebben voor het verlorene!

Gemeente, wij weten het: door deze liefde gedreven is de Heere Jezus naar deze wereld gekomen. Om verloren mensen te zoeken en te redden. En die bijzondere liefde van God is er ook voor u! En ook voor jou! Als je jezelf soms ver verwijderd voelt van de Heere God, wanhoop dan niet, want Jezus is er ook voor jou! En Jezus is er ook voor u!

 

We lezen nu vers 2: En de farizeeën en de schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars en eet met hen. Onder de nijdige blikken van die zich mateloos ergerende geestelijke leiders van Israël verzamelt zich het uitschot van de maatschappij. Niet om aan te zien!

Je hoort ze denken: ‘Als je naar de Heere Jezus kijkt, kun je wel zien waar Hij thuishoort! Soort zoekt soort. Als Hij door God gezonden is, dan zou Hij wel naar ons toekomen.’

Ze zijn rechtvaardig in eigen oog, ze voelen zich beter dan de rest en ze zitten vol met hatelijke en liefdeloze kritiek. Dat Jezus Zich toch met die lui ophield, dat strookte in geen enkel opzicht met hun eigen rechtvaardigheidsgevoel. Ze hebben een heel systeem opgebouwd en een muur opgetrokken tussen henzelf en het volk dat de wet niet kent. Dat volk? Dat was maar van laag allooi! Die tollenaars en die zondaars! Je zou haast zeggen dat die farizeeën nog rechtvaardiger dan de rechtvaardige God Zelf waren.

 

Ze luchten hun ergernis. Wie kan hier nog zwijgen? Hun boze blikken vangen de Heere Jezus. ‘Deze…’ Voelt u de verachting in die woorden? Ze zeggen niet: ‘De Heere Jezus’ of ‘Jezus van Nazareth’. Nee. ‘Deze…’ Minachtend! Deze ontvangt zondaars en eet met hen. Eten is in het Oosten een teken van het onderhouden van vriendschap, gemeenschap, onderlinge band. En dat doet Jezus. Hij eet met hen!

Dat laatste is trouwens helemaal niet waar, want daar zijn die mensen niet voor gekomen. Er staat niet dat ze zijn gekomen om met Hem te eten, maar om Hem te hóren. Lees maar in vers 1. Alsof eten het enige zou zijn dat Jezus doet. Alsof Hij met die verloren mensen niet spreekt over de bekering en over geloof. Alsof Hij niet tegen Mattheüs, de tollenaar, gezegd heeft: Volg Mij (Matth. 8:9). En alsof Hij niet tegen Zacheüs gezegd zou hebben: Ik moet heden in uw huis blijven (Luk. 19:5).

Hij heeft de tollenaars en de zondaars altijd opgeroepen tot bekering. En daarom spreekt de Heere Jezus tot hen een gelijkenis om hen een les te leren. In het slot van de gelijkenis zegt Hij dat zelfs: ze zijn zo rechtvaardig in eigen oog dat ze geen bekering nodig hebben. Tenminste, dat vinden ze van zichzelf.

 

Gemeente, de belangrijkste vraag voor ons is ook: Kennen wij de Heere wel, of is onze godsdienst alleen maar uiterlijk? Hebt u, heb jij de Heere Jezus in onverderfelijkheid lief gekregen?

Als je daar ‘nee’ op moet zeggen, waar ben je dan mee bezig? Laten we eerlijk zijn. Er zijn nog zoveel kerkgangers die hun plichten waarnemen, maar niet echt christen zijn. Vooral voor hen vertelt Jezus deze gelijkenis!

Wat wil de Heere Jezus nu tegen deze mensen, deze rechtvaardigen in zichzelf, zeggen?

Liefdevol kijkt Hij in die nijdige ogen alsof Hij wil zeggen: ‘Mensen, wees toch niet zó rechtvaardig, dat er geen snippertje liefde meer overblijft in jullie leven. Zie toch je rechtlijnigheid en je rechtzinnigheid niet aan voor de gerechtigheid van God. Houdt niet elke bekering bij voorbaat verdacht, omdat het niet in uw stijl ligt, of bij uw cultuur past.’

Hoe vaak blijkt niet dat de wegen van de Heere hoger zijn dan onze wegen? Laten neergebogen zondaren en tollenaren maar liever kijken naar Gods milde handen en vriendelijke ogen dan naar die nijdige blikken van de farizeeën.

 

En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem. Toch wel een mooi zinnetje in de Bijbel, nietwaar? Zij naderden tot Jezus…

Dat geeft hoop, gemeente! Tollenaars – nou, dat weten onze kinderen wel – waren een soort belastingambtenaren van de Romeinen, die veel verdienden en het volk afpersten, en ook nog een heleboel geld in hun eigen zak staken.

En ‘zondaars’ is een verzamelnaam voor allerlei mensen die niet zo best leefden. Ze stonden met de wet op gespannen voet. Ze kwamen amper of nooit in de synagoge.

Maar: al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hemom Hem te horen (Luk. 15:1). Niet om bijzondere dingen te zien, maar om Hem te hóren! Door Jezus’ woorden worden ze blijkbaar geraakt. Ze zien in dat ze zo niet verder kunnen leven. En ze zien dat de Heere Jezus Zijn neus niet optrok voor mensen zoals zij. Daarom komen ze tot Jezus. Vindt u dat niet mooi?

Tegenover die zondaars staan nu de farizeeën en de schriftgeleerden. Ze murmureren, staat er. Murmureren is een Grieks woordje dat ‘konkelen, achter iemands rug roddelen’ betekent: ‘Je kunt wel zien dat het bij hem of haar niet echt is… Want anders zouden ze zich wel net zo gedragen als wij.’ Gekonkel betekent: de zonden van anderen breed uitmeten. De Catechismus noemt dat: ‘de eigen werken van de duivel.’

 

Als reactie op die houding van de farizeeën vertelt de Heere Jezus drie gelijkenissen, drie korte verhalen. In die gelijkenissen gaat het over iets dat verloren is: het verloren schaap, het verloren muntstuk en de verloren zoon.

Wat wil Jezus daarmee zeggen?

Wel, Hij wil een nieuw en beter inzicht geven in wat het betekent om geestelijk verloren te zijn.

De drie gelijkenissen, die de Heere Jezus vertelt, hebben eigenlijk precies dezelfde strekking: een verloren schaap, een verloren penning, een verloren zoon. Er zit een opklimming in: Bij het verloren schaap is er blijdschap over één op de honderd, die zich bekeert. Bij de verloren penning is er blijdschap over één op de tien die zich bekeert. En bij de verloren zoon is er blijdschap over één van de twee die zich bekeert.

Dus tegenover die nijdige ogen van de farizeeën stelt de Heere Jezus dat er mensen zijn naar wie Hij omziet. Over die mensen, over wie zij murmureren, is er in de hemel zelfs blijdschap. Wat een heerlijk Evangelie! De Heere Jezus geeft dus in die gelijkenissen tekst en uitleg over Zijn omgang met de verachten onder het volk.

 

De drie gelijkenissen hebben blijdschap als grondtoon. Ik wijs het u aan; houdt uw Bijbel er even bij!

Aan het eind van die eerste gelijkenis, over het verloren schaap, staat in vers 7: Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert.

En aan het eind van die tweede gelijkenis, over de verloren penning, staat in vers 10: Alzo (zeg Ik ulieden) is er blijdschap voor de engelen Gods over één zondaar die zich bekeert. En aan het eind van die gelijkenis over de jongste zoon staat in vers 23: Brengt het gemeste kalf en slacht het, en laat ons eten en vrolijk zijn. Er moet blijdschap zijn, want er is iemand die zich bekeerd heeft! En tenslotte staat er aan het eind van de gelijkenis van de oudste zoon, in vers 32: Men behoorde dan vrolijk en blijde te zijn, want deze uw broeder was dood en is weder levend geworden.

Ziet u wel, iedere gelijkenis over het vinden van een verlorene, eindigt met blijdschap. Er is blijdschap in de hemel over één zondaar die zich bekeert! En die ene zondaar kunt u zijn, voor het eerst of opnieuw!

 

Dat is onze eerste gedachte: de doelgroep van deze gelijkenis.

 

We gaan nu zingen. Psalm 96 vers 6 en 8:

 

Aanbidt Hem need’rig al uw leven,

Hem, Die, in ’t heiligdom verheven,

Een Godd’lijk licht van Zich verspreidt;

Leer, aarde, voor Zijn majesteit,

Leer voor Zijn aangezichte beven.

 

Dat zich de hemelen verblijden;

Verheugd zij d’ aard’ aan alle zijden;

Verheugd de volheid van de zee;

Het veld spring’ op met al het vee,

En ’t woud moet juichend God belijden.     

 

We staan nu in de tweede gedachte stil bij de vraag:

 

2. Wie is nu die verloren zoon?

 

Wie is nu de verloren zoon? Is dat de jongste? Is dat de oudste?

Ze zijn het allebei! Maar op een verschillende manier.

 

Een zeker mens had twee zonen. De jongste vernedert zijn vader, gaat er vandoor, en leidt een genotzuchtig en liederlijk leven. Hij is compleet losgeslagen en vervreemd van zijn vader. Ieder die zo leeft, is verloren.

De oudste zoon is gehoorzaam aan zijn vader. Hij werkt trouw en gedisciplineerd op het familiebedrijf. Hij is toch goed? Híj kan toch niet de verloren zoon zijn?

 

Aan het slot van de gelijkenis komt Jezus met een ongelofelijke climax. De mensen die dit hoorden, zijn met stomheid geslagen. Jezus zegt namelijk iets heel bijzonders over wat het betekent om geestelijk verloren te zijn. Iets wat de toehoorders nooit hadden verwacht. Hij introduceert een nieuwe visie op wat nu eigenlijk geestelijke verlorenheid is. Jezus laat dat op een verrassende manier in het verhaal van de verloren zoon zien: zowel de jongste als de oudste zijn vervreemd van het hart van hun vader!

De jongste wilde de spullen van zijn vader; de vader zelf wilde hij niet. Hij vertrok daarom met de erfenis van zijn vader.

Maar de oudste zoon is wézenlijk niet anders! Die zoon weigert om deel te nemen aan het grote feest dat zijn vader geeft, terwijl hij weet dat zijn vader heel graag heeft dat hij daar ook aanwezig is. Hij wil dat feest heel bewust niet meemaken, ook al is het de mooiste dag uit het leven van zijn vader: de zoon die van huis was weggegaan, is thuisgekomen! Het interesseert de oudste zoon helemaal niet, hoe blij zijn vader is! Hij doet niet mee aan het feest. Uit alles blijkt dat hij helemaal niets om zijn vader geeft. Door zijn weigering het feest bij te wonen, vernedert de oudste zoon zijn vader. Hij gaat zelfs met hem in discussie!

 

Wat zit die oudste zoon dan zo dwars? Tja, het heeft toch ook alles te maken met de bezittingen van zijn vader! Zijn vader was nooit eens bereid om vlees te serveren bij het eten, tijdens de maaltijd; dat was een delicatesse. Een gemest kalf is een heel bijzonder, het is een waardevol bezit. Daarom is deze zoon zo opgewonden. Want zijn vader heeft het gemeste kalf geslacht omwille van de jongste zoon. We zien dat de oudste zoon zich druk maakt om de spullen van zijn vader en niet om het hart van zijn vader! Hij heeft zijn vader niet lief. Jezus laat in deze gelijkenis opzettelijk de oudste zoon in zijn toestand van vervreemding. Er is dus sprake van een open einde.

De ‘slechte’ zoon gaat naar het feest van de vader en de ‘goede’ zoon wil niet. De hoerenloper wordt gered en de man van de onberispelijke levenswandel is nog steeds verloren.

Je hoort bij de afloop van deze gelijkenis de farizeeërs naar adem happen. Het was een complete omkering van alles wat ze altijd hadden geleerd en gedacht.

 

Jezus vertelt dus over twee zoons. De ene is een slechterik, die de regels van zijn vader verbreekt, zijn erfenis opeist en verbrast. En de ander lijkt zo’n goede zoon, die zijn vader gehoorzaamt en hard werkt op het familiebedrijf. Maar we zien dat ze beiden geen relatie met hun vader hebben! Ze houden alleen van zijn spullen, van zijn bezit, van de erfenis. En dit terwijl de vader er voor beide zonen op uittrekt! Bij de jongste staat hij op de uitkijk. De oudste moet hij zélf ophalen: ‘Mijn jongen’ – of, wat er letterlijk staat – ‘mijn kind!’ Hoe liefdevol spreekt hij met zijn zoon! Nee, de vader is niet boos op hem, terwijl hij daar alle recht toe heeft.

 

We zien dat zowel de ‘goede’ als de ‘slechte’ zoon ver verwijderd zijn van het hart van hun vader. Ze houden niet van hem!

De één uit dit door weg te lopen, de ander door thuis te blijven.

De één probeert controle te krijgen over de dingen van zijn vader door de geboden te breken, de ander probeert precies hetzelfde te doen door zich aan de geboden te houden.

De jongste werpt door zijn zonden en wangedrag een barrière op tussen hem en zijn vader, de oudste doet door zijn trots en zijn rechtvaardigheid precies hetzelfde. En dat weerhoudt hem van de deelname aan het feest van zijn vader!

De jongste zoon onttrekt zich aan het vaderlijk toezicht en zet zijn eigen zin door. Met een grove schending van de gangbare normen in die tijd verovert hij een deel van de erfenis. De oudste zoon wil dat ten diepste ook! Hij geeft meer om het bezit van zijn vader dan om zijn vader zelf! Hij eist op grond van zijn lange staat van dienst en zijn gehoorzaamheid een feest met zijn vrienden: met de spullen van zijn vader, maar wel zónder zijn vader!

Nu blijkt dus dat die twee zonen precies hetzelfde hart hadden en geen van beiden de vader echt liefhad! Beiden hadden ze een hekel aan het gezag van hun vader en zochten ze manieren om daaronder uit te komen. Allebei wilden ze hun vader voorschrijven wat hij moest doen. Beiden waren ze in opstand tegen hun vader: de één door slecht te zijn, de ander door goed te zijn. Beide zonen, de jongste én de oudste, zijn verlóren!

Maar het is heel opvallend hoe de Heere Jezus de gelijkenis eindigt: de jongste zoon bekeert zich, vernedert zich, viert feest met zijn vader en wordt gered. De oudste zoon, die goede, trouwe man, blijft verloren.

 

Waarom was die oudste zoon nou eigenlijk zo boos? Waarom weigerde hij deel te nemen aan het feest van zijn vader, terwijl hij daar zijn vader een plezier mee gedaan zou hebben? Hij geeft de reden zelf: Zie, ik dien u nu zovele jaren en heb nooit uw gebod overtreden. Met andere woorden: ‘Omdat ik zo hard voor u gewerkt heb, zou u toch mijn wensen moeten vervullen? Maar nu geeft u een feest voor die andere broer. Mij niet gezien! Ik doe daar niet aan mee!’

De jongste zoon vervreemdde zich van zijn vader door de verkeerde dingen die hij deed. De oudste zoon door de goede dingen die hij deed.

Jezus zegt met deze gelijkenis dat je op twee manieren verloren kunt zijn. De ene manier is door slecht te zijn, de andere door goed te zijn, maar zonder hart. Je doet het om daar iets mee te willen verdienen en dan word je rechthebbend!

 

Wat is nu de toepassing van deze gelijkenis?

Met de jongste zoon bedoelt de Heere Jezus de tollenaars en de zondaars, die tot Hem komen om Hem te horen. Met de oudste zoon bedoelt Hij de farizeeën en schriftgeleerden, die zichzelf heel goed vonden en zich aan de Heere Jezus ergerden. Zíj waren de kinderen van Abraham en zíj vonden dat ze recht hadden op het Koninkrijk van God.

Maar hoe is het nu onder ons? Zouden er onder ons meer jongste zonen zijn of meer oudste zonen? Wat denkt u?

Laten we eens beginnen met de jongste. Bedenk nu, op dit moment, eens een paar namen uit de gemeente van jongste zonen. Schrijf ze thuis maar eens op. Jongste zonen… Verloren geraakt… De kerk verlaten… De wereld ingegaan… Misschien leiden ze helemaal geen liederlijk leven, zoals in de gelijkenis is beschreven, maar zijn ze wel vervreemd van God. Jongelui uit de gemeente die het voor gezien houden. Er zijn ook leden op de ledenlijst – geen doopleden, maar echt léden uit de gemeente! – die geruisloos zijn weggegleden. Neem de ledenlijst eens door, kruis eens aan wie nog wel lid is, maar hier nooit meer komt…

Wie staat nu, namens God, voor hen op de uitkijk? Kunnen ze de liefde van de gemeente die aan hen trekt nog merken?

 

Gemeente, ik denk dat er onder ons van degenen die God niet kennen, méér oudste zonen zijn. Je leeft netjes… Je doet verder geen kip kwaad… Je komt naar de kerk… Je leest in je Bijbel – ‘t is wel meer plicht dan behoefte – en eigenlijk vind je dat God je nu wel moet zegenen en helpen, omdat je zoveel gedaan hebt en ook zo gehoorzaam bent en netjes leeft… Ervaar je echter wel iets van je eigen afkerigheid van God, je vijandschap tegenover God en je diepe schuld? En, wie is de Heere Jezus voor je? Hooguit een goed voorbeeld? Schittert Zijn verlossingswerk wel voor je? Doe je je plicht en vind je daar een zekere rust in?

 

Jezus eindigt het verhaal met de jongste zoon die gered wordt en de oudste zoon die verloren blijft. De Heere Jezus wil met deze gelijkenis niet zeggen dat het goed is om Zijn wetten te overtreden en liederlijk te leven. Nee! Hij zegt echter wel dat die jongste zoon beseft dat hij verloren is.

Het probleem van de oudste zoon is dat die niet beseft dat hij verloren is en dat hij ver verwijderd is van het hart van God. En daarom is, geestelijk gezien, zijn situatie een veel gevaarlijker situatie.

 

Wij weten hoe het eruit ziet om verloren te zijn zoals de jongste zoon. Ja toch? Dan leef je voor het hier en nu. Dan zit je als het ware net als die jongste zoon tussen de varkens, ondergedompeld in ongerechtigheid en zonden.

Maar wat zijn nu de tekenen van verlorenheid van de oudste zoon? Oudste zonen zitten in de kerk, verstrikt in hun eigen gerechtigheid. Oudste zonen doen wat God van hen vraagt en toch hebben ze een probleem: ze missen de liefde tot hun Vader. Beide zonen zijn verloren.

Wat moet er dan gebeuren om gered te worden? Beide zonen moeten berouw tonen over hun zonden en in hun schuld buigen voor God! De jongste vanwege zijn liederlijke leven, de oudste vanwege zijn verkeerde motivatie achter zijn harde werken! En om dán te buigen? Dat is nog moeilijker!

Onze relatie met God moet veranderen, want dan verandert de rest ook: je verhouding tot jezelf, tot anderen, tot de wereld, tot je werk en tot je verlangens.

 

Gemeente, wat we nodig hebben kan in één woord gezegd worden: wedergeboorte! En dan zeg ik het van God uit. Ik kan het ook zeggen met een ander woord: bekering. En dan zeg ik het van de mens uit. Maar: het komt op hetzelfde neer! De bekering is zó radicaal, dat alles wordt omgezet in je leven: je wordt van dood levend gemaakt. Van ongelovig gelovig. Je ziet waar je vanaf moet, maar je ziet ook naar Wie je toe moet! Niet die aardappelschillen, die zwijnendraf, die peulen kunnen je nog voeden, maar alleen dat ware Brood uit de hemel, de Heere Jezus, de Christus!

Alleen de liefde van de Vader kan ons hart breken! Als dat gebeurt, wil je niet langer meer een slaaf van de zonde zijn, maar ook geen slaaf in wettische dienstbaarheid. Je weet dat je niets kunt verdienen. Je kunt alleen maar gered worden uit genade!

 

God aanvaardt ons, zoals we zijn. Je hoeft niet eerst een heleboel tegenprestaties te leveren. Dankbaarheid komt later wel. Jezus heeft alles volbracht! Hij heeft de ongerechtigheid verzoend, de gerechtigheid aangebracht. En dat is genoeg! Lieve gemeente, Jezus is genoeg! Helemaal! En wie in Hem gelooft, is gered. Voor eeuwig!

 

Dat was ons tweede punt. Laten we, voor we verder gaan, opnieuw zingen; en wel Psalm 147 vers 2 en 6:

 

Hij heelt gebrokenen van harte,

En Hij verbindt z’ in hunne smarte,

Die, in hun zonden en ellenden,

Tot Hem zich ter genezing wenden.

Hij telt het groot getal der starren,

Die ‘t scherpst gezicht op aard’ verwarren.

Hij roept dat talloos heir te zamen,

En noemt die alle bij haar namen.

 

De Heer betoont Zijn welbehagen

Aan hen, die need’rig naar Hem vragen,

Hem vrezen, Zijne hulp verbeiden,

En door Zijn hand zich laten leiden;

Die, hoe het ook moog’ tegenlopen,

Gestadig op Zijn goedheid hopen.

O Salem, roem den Heer’ der heren;

Wil Uwen God, o Sion, eren.

 

De gelijkenis van de verloren zoon. De doelgroep bestaat uit farizeeën en schriftgeleerden.

Wie is die verloren zoon? Ze zijn het allebei. En u misschien ook… En daarom nu de derde vraag:

 

3. Wat doen wij met onze verlorenheid?

 

Bent u al gered?

Het is een wonder van genade, als je uit de modder wordt gehaald en schoongewassen wordt door het bloed van het Lam.

Het is net zo’n groot wonder als je uit je nette godsdienstigheid wordt weggetrokken en gaat zien dat het leven zonder de Heere Jezus geen vervulling geeft! Als je leert als een hongerige bedelaar te leven van het levende Brood, Christus!

 

Er zijn naast die oudste en die jongste zoon, natuurlijk ook nog mensen die, misschien als kind of als volwassene, langzaam maar zeker getrokken zijn door de liefde van God.

Wij zitten elke zondag in de kerk. Wij zijn bij de Bijbel opgevoed. Het zou kunnen dat die farizeeër en die schriftgeleerde ook gestalte heeft gekregen in ons leven... Want die oudste zoon moet je niet buiten de kerk zoeken, maar in de kerk!

Ja, wij hebben zo onze wetten en onze regels. En wie daar niet aan voldoet, die laten we soms zomaar lopen… Daarom is de vraag die op ons afkomt: Waar is onze bewogenheid met het verlorene? Murmureren we over hen? Voelen we ons soms mijlenver verheven boven anderen? ‘O God, ik dank U dat ik niet ben zoals die en die…?’

Weet u, een farizeeër is nog nooit verloren gegaan in eigen oog. Die heeft ook nooit ervaren wat de liefde van de Vader betekent. Heeft die liefde niet begeerd. Heeft die liefde niet gezocht, niet nodig gehad.

Hebt ú ooit gezien wat het zeggen wil om verloren te zijn en naar recht verloren te moeten gaan? Dan ben je toch bewogen met het verlorene?

 

Het Bijbelse woord ‘verloren’ betekent: iets moedwillig te gronde richten, te vernietigen. Ja, gemeente, zo gingen we verloren, door de zondeval in het paradijs. Daar hebben we het leven verloren, Gods gunst verloren, Gods nabijheid verloren. Vanuit ons kan het nooit meer goedkomen! We hebben, net als de tollenaars en de zondaars, ons leven moedwillig geruïneerd! Net als die hoeren, die drugsverslaafden, die gokverslaafden, die geldwolven, en noem maar op vandaag!

Gemeente, daarom horen verlorenheid en schuld altijd bij elkaar. Beseffen we dat wel? Want als je niet gered bent door het bloed van de Heere Jezus Christus, dan ben je nog verloren. Veel nette, godsdienstige mensen voelen zich helemaal niet verloren.

Je kunt dat trouwens nog rechtzinnig zeggen ook: ‘Ja, we zijn verloren mensen…’ Maar het komt aan op de beleving ervan! Je ogen moeten ervoor opengaan, net als die van Nicodemus, onder dat nachtelijke onderwijs van de Heere Jezus. Als je dan jezelf ziet in het licht van Gods heiligheid, zie je ook je eigen verlorenheid.

 

Niemand wil uit zichzelf terug naar God. In Romeinen 3 vers 11b staat: Er is niemand die God zoekt. Alleen God weet hoe nameloos diep die afgrond is waarin wij gevallen zijn! Je kunt uiterlijk godsdienstig zijn en toch innerlijk geestelijk dood.

Maar de boodschap van het Evangelie is dat God het verlorene zoekt! Jezus ontvangt zondaars! En omdat Hij zoekt, gaan verloren mensen God zoeken! En omdat Hij trekt in Zijn liefde, gaan mensen die God kwijt zijn naar Hem verlangen! Hoe dichter je bij God komt, des te meer je jezelf als verloren en onheilig ziet.

Herkent u dat?

Dan sta je toch niet meer boven een ander, maar onder hem of haar? Dan is het geen wonder voor u dat een ander nog zalig kan worden, maar wel een groot wonder als je ziet dat je zelf nog zalig kunt worden! Dan heb je geen rust meer vóórdat je weet dat je met God in het reine bent gekomen. Met God verzoend. Je gaat roepen tot God om redding!

Gemeente, als je God gevonden hebt, of liever, als God ú gevonden heeft, gaat je leven iets krijgen van de bewogenheid van de Vader, Die op de uitkijk staat. Je krijgt oog voor het verlorene.

Die vader omhelsde zijn jongen. Hij was zó blij: ‘Mijn jongen, ben je daar?’

Onze wereld is vol van zulke verloren mensen: om je heen, op je werk, op school, in de kerk. Jezus zoekt het verlorene, maar Hij gebruikt ons daarvoor, u en mij en jou!

 

We zien tijdens het vertellen van deze gelijkenis de tollenaars en de zondaars meeluisteren. Er zit ook een boodschap in voor hen. Zij zijn gekomen om Jezus te horen en nu horen ze Jezus deze gelijkenis vertellen. Ze horen Hem spreken over het verlorene en ze begrijpen heel goed dat zij dat zijn! Het is hun eigen schuld, hun eigenzinnigheid, hun eigen slapheid!

Het kan jou ook van lieverlee gebeuren: je slaat eens een kerkdienst over, want anders kun je nooit eens uitslapen. Je verliest het contact met gemeenteleden, de wereld trekt, er komen verkeerde vrienden in je leven en je wordt afgetrokken van de dienst van God. Je raakt, om eigen schuld, verloren!

U kent de geschiedenis van Lot wel. Die kwam van lieverlee ook in Sodom terecht. Eerst slaat hij zijn ogen op in de richting van Sodom. Dan ziet hij dat groene gras en denkt: ja, daar wil ik wonen! Dan slaat hij zijn tenten op bij Sodom, in de omgeving. Dan woont hij in die mooie streek, waar zijn schapen kunnen grazen. En één hoofdstuk verder woont hij in Sodom... Zo gaat het nu met de zonde! Zo ga je nu verloren, als God je niet redt uit Sodom!

 

Wat heeft God een eindeloos geduld met ons. Luistert er misschien iemand mee, zoals die tollenaars en die zondaars? ‘O God, dat ben ik?’

Ja, dat is Hij, de Heere Jezus! Hij spreekt. Hij klopt op de deur van ons hart! Hij roept ons welmenend om tot Hem te komen en aan Zijn voeten te buigen. Hij zál Zich over ons ontfermen! Hij roept zondaars tot bekering, net als de tollenaars en zondaars in die tijd. Hij wil dat we breken met de zonde en ook met de zonde van het ongeloof. Hij wil dat we voor Hem door de knieën gaan, dat we onze zonden belijden en Hem om vergeving smeken. En dan zullen we het ook krijgen! Daar is heel het middelaarswerk van de Heere Jezus mee getekend. Wat een Evangelie voor tollenaars en zondaars!

Als u met zulke mensen in contact komt, zegt u toch zeker niet: ‘Je hebt een verleden. Jij bent vroeger weggegaan en daarom hoor jij er niet meer bij?’ Jezus vertelt deze gelijkenis juist, opdat we dat niet zouden zeggen! Als u zichzelf ooit als de verloren zoon hebt gevoeld en er komt iemand terug, dan ga je ernaartoe. Dan zeg je: ‘Wat fijn dat je er weer bent! Welkom! Ik weet zelf ook wat het is om als een verlorene gevonden te worden.’

De deur van Gods genade staat voor iedereen open! En dat is een wonder, want dat hebben we niet verdiend. In de Bijbel zie je ze komen: tollenaars en zondaars, een Samaritaanse hoer, een moordenaar aan het kruis, een Levi, een Zacheüs. Ze wilden Jezus hóren, staat er.

 

Bekering en geloof beginnen altijd met hóren: het horen van het Woord van God. Het geloof is uit het gehóór van het gepredikte Woord van God. Je gaat ervan ophoren, van de bewogenheid van de Heere Jezus met verloren mensen. De Heere Jezus wijst altijd op de oneindige ruimte van Zijn genade!

Er is geen groter wonder op aarde denkbaar dan dat een zondaar zich bekeert. Je kunt van een zondaar van alles verwachten, maar juist níet dat hij zich tot God bekeren zal en om genade gaat roepen.

In de bekering gaat het er heel persoonlijk aan toe. Met een geweldige verscheidenheid! De één zus en de ander zo. Maar iedere zondaar zal zich erover verwonderen dat die grote, heilige God nog met hem te doen wil hebben, een arme verloren zondaar… Mij, de grootste van de zondaren, is barmhartigheid geschied! Wie zei dat? Een hele bekende farizeeër: de apostel Paulus. Zó voel je je dan.

 

Waar het voor ons nu op aankomt, gemeente, is dat we in de spiegel kijken die Jezus ons met dit verhaal over de verloren zoon voorhoudt. Ik denk dat het voor u niet moeilijk is om mensen aan te wijzen die zich gedragen als de jongste zoon. Maar hoe kijken wij naar hen? En waarom kijken we zo naar hen?

Misschien bent u net als die oudste zoon: u werkt voor God en voor Zijn koninkrijk. Fantastisch! Maar waarom doet u dat? Dat is de vraag die blijft hangen bij deze gelijkenis. Hoe zie je Gód? En hoe sta je tegenover Hem, persoonlijk? Zie je Hem als Vader, Die Zijn armen uitstrekt om Zijn verloren kinderen terug te roepen? Of zie je Hem als een Heer, Die de goeden beloont en de slechten straft? Dan weet je niet wat liefde is!

Weet u wat ook zo ingewikkeld is? We kunnen als oudste zoon in de gerafelde kleren van de jongste lopen. ‘Hoezo?’, zegt u. Wel, omdat u dan vindt dat zelfs uw berouw een beloning waard is.

 

Gemeente, als we dit alles tot ons laten doordringen, dan kunnen we alleen maar bidden: ‘Heere, doorgrond mij en ken mijn hart. Leer mij U vrijwillig te dienen. Niet als een slaaf die móet, maar als een kind dat mág.’

De zonde van de jongste zoon was groot. De zonde van de oudste zoon was ook groot. Maar de liefde van de Vader is het allergrootst. En Zijn Huis staat open voor jongste zonen en oudste zonen! Ook voor u!

 

Amen.  

 

Slotzang. Psalm 139 vers 14:

 

Doorgrond m’, en ken mijn hart, o Heer’;

Is ’t geen ik denk niet tot Uw eer?

Beproef m’, en zie of mijn gemoed

Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed’;

En doe mij toch met vaste schreden

Den weg ter zaligheid betreden.