Ds. J.W. Verweij - Lukas 16 : 2b

Onderwerp

Lukas 16
De hemelse Eigenaar en de onrechtvaardige rentmeester
Een geschonken bezit
De onzekerheid van dit bezit
De verantwoording van het rentmeesterschap

Lukas 16 : 2b

Hoe hoor ik dit van u? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 34: 6
Lezen : Lukas 16: 1 - 15
Zingen : Psalm 24: 1, 2, 3, 5
Zingen : Psalm 119: 5
Zingen : Psalm 18: 8, 15

Gemeente, er is u een gedeelte uit het Evangelie naar Lukas voorgelezen waarin de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester staat. Daarvoor wil ik uw aandacht vragen. Als uitgangspunt nemen we het tweede gedeelte van het tweede vers van Lukas 16, waar we Gods Woord als volgt lezen:

 

Hoe hoor ik dit van u? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn.

 

Dit tekstgedeelte wijst ons op: De hemelse Eigenaar en de onrechtvaardige rentmeester.

 

De rentmeester uit de gelijkenis heeft een bezit van zijn meester in beheer gekregen. Maar hij is oneerlijk en gebruikt het voor zichzelf. Daarom moet hij verantwoording afleggen van zijn rentmeesterschap.

 

We letten op drie gedachten:

 

1. Een geschonken bezit. Want de onrechtvaardige rentmeester had het van zijn meester gekregen.

2. De onzekerheid van dit bezit. We staan dan stil bij het misbruik maken van dit bezit door de rentmeester en zijn oneerlijkheid.

3. De verantwoording van het rentmeesterschap.

1. Een geschonken bezit

De Heere Jezus houdt ons een gelijkenis voor. U kunt die gelijkenis alleen maar vinden in het Evangelie van Lukas. Met deze gelijkenis heeft de Heere Jezus iets op het oog.

Een gelijkenis kunnen we niet als een geschiedenis behandelen en geestelijk verklaren. Nee, deze gelijkenis heeft een heel specifiek doel. Leest u maar met mij mee in uw Bijbel:

In vers 1 staat: En Hij zeide tot Zijn discipelen. De Heere Jezus vertelt deze gelijkenis aan Zijn leerlingen, Zijn discipelen, met een duidelijk doel.

De bedoeling van de gelijkenis is al heel snel duidelijk. Het gaat over het rechtvaardig handelen van God, de Bezitter van hemel en aarde. Hij heeft het beheer in de handen van mensen gelegd met de opdracht de aarde te beheren en te bewaren. Het gaat over eerlijkheid en rechtvaardigheid. Dat zoekt de Heere, want bij God is geen onrecht te vinden. Hij is rechtvaardig en al Zijn oordelen zijn recht.

God zet u en mij in deze dienst in de beklaagdenbank, want wij zijn allemaal rentmeester over wat de Heere ons heeft toevertrouwd. Dat wil dus zeggen dat we, over wat we gedurende de korte tijd dat we hier op de aarde zijn van de hemel ontvangen hebben, eens verantwoording moeten afleggen.

 

Jongens en meisjes, de Heere heeft in Zijn wijsheid gezegd: ‘Dit wil Ik jou toevertrouwen en daar ben jij verantwoordelijk voor.’ Het gaat dan om alle bezittingen die we krijgen en die we van God een poosje mogen beheren, waarbij we wel steeds moeten beseffen van Wie dat bezit eigenlijk is. Wij praten graag in de ik-vorm; we praten altijd over ‘mijn bezit’, ‘mijn goederen’ en over ‘mijn leven’, maar alles wat we bezitten is ons door God in bruikleen gegeven.

We spreken nu niet alleen over aardse goederen, maar er is ook een geestelijke kant. Het is natuurlijk zo dat je als dominee, maar ook als ouderling en diaken verantwoordelijk bent voor wat de hemel je heeft toevertrouwd. Maar vergeet niet dat iedereen hier in de kerk, waar God u ook een plaats heeft gegeven, een opdracht heeft.

Dat geldt niet alleen bijvoorbeeld voor de koster of de organist. We zijn allemaal rentmeester, we zijn allemaal ambtsdrager en evangelist. Van al ons dienen zal God eens tegen u en mij zeggen: Geef rekenschap van uw rentmeesterschap.

De Heere zegt met deze gelijkenis tegen ons dat eens het uur van de afrekening zal aanbreken. Houdt u daar rekening mee? Of ontloopt u die dagvaarding en legt u die bij het oudpapier, dat u wegdoet voor een goed doel, misschien voor de zending? Maar die hemelse dagvaarding die nu – hoewel natuurlijk niet voor de eerste keer – tot u en mij komt, zegt heel duidelijk en heel eenvoudig dat we eens rekenschap van ons rentmeesterschap moeten geven.

De Heere Jezus zegt het in deze gelijkenis in de eerste plaats tegen Zijn discipelen maar brengt het daarmee ons allen onder de aandacht: Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn. Zo erg staat het er met ons voor dat de Heere moet zeggen: ‘Mijn gaven zijn u en jou feitelijk niet toevertrouwd. Jullie handelen er niet mee zoals Ik het bedoeld heb.’ Het is natuurlijk heel ernstig als we zo oneerlijk zijn voor de Heere en onze medemens dat Hij ons ons rentmeesterschap moet ontnemen.

 

Het komt wel voor dat iemand vanwege slecht beheer, of zelfs diefstal van het goed van een ander, door de rechter tot een gevangenisstraf wordt veroordeeld. Het is een bewijs dat de Heere de zonden niet door de vingers, want onrecht gedoogt Hij niet. En daarom horen we vandaag in Gods huis heel indringend en heel appellerend Zijn stem: En hij riep en hij zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van u? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn.

Zo laat de Heere u zien, wat u meestal van u wegschuift, maar wat vandaag, misschien wel voor het eerst in uw leven, waar wordt in uw hart: U zult voor God verantwoording moeten afleggen. U moet voor het aangezicht van de Alwetende rekenschap afleggen van uw rentmeesterschap. Dat geldt ons allen natuurlijk heel persoonlijk.

 

Die heer uit de gelijkenis had veel bezittingen, die hij verdeelde over meerdere personen, maar hij had maar één rentmeester, die daarvoor verantwoordelijk was. Die man had het vertrouwen van zijn heer om zijn bezittingen te bewaren en ook uit te breiden. Hij dacht dat hij op hem aankon en dat alles op de juiste wijze beheerd zou worden.

Toen God ons schiep heeft hij ons alles toevertrouwd. Hij heeft ons gezet tot koningen over de aarde. We lezen in Genesis 1 vers 28: En God zegende hen, en God zeide tot hen: weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte dat op de aarde kruipt. Zo kreeg de mens het beheer over de aarde en God heeft tegen hem gezegd dat hij er zuinig op moet zijn. Hij was de grote onderkoning van de Koning der koningen.

Maar het heeft de mens niet goed gedacht God in erkentenis te houden. Hij is opgestaan tegen die goede God en is Hem ongehoorzaam geworden. Desondanks houdt God ons verantwoordelijk voor Zijn schepping en voor het rentmeesterschap dat hij ons heeft opgedragen. Daarom wordt u gedagvaard voor de rechter van hemel en aarde en wordt u in deze gelijkenis voorgehouden, dat alles wat u bezit en alles wat de Heere u schenkt, Zijn eigendom is. Hij heeft u geschapen om te leven tot de eer en de verheerlijking van Zijn Naam opdat u Hem zou prijzen en Zijn lof zou bezingen. Dit houdt ook in dat alles wat u ontvangt, wat u wordt toevertrouwd, maar ook alles wat u doet, alleen maar kan gedijen onder de zegen des Heeren.

 

En Hij riep hem. Bent u ook al bij uw naam geroepen? Heeft de hemel u al gedagvaard? Kunt u de plaats aanwijzen waar dat is gebeurd? Is wellicht, zomaar ongedacht, bijvoorbeeld tijdens uw werk, de hemelspraak tot u gekomen: Geef rekenschap van uw rentmeesterschap? Moest u toen vanwege uw oneerlijk gedrag voor God en de mensen horen: Gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn? U hebt met het eigendom van uw Meester alleen maar uw eigen welzijn bedoeld. Het rentmeesterschap is u niet toevertrouwd.

Bent u al in de schuld gezet door uw rechtmatige Eigenaar? Bent u al rentmeester-af geworden? Hebt u het al ondertekend: ‘Ik heb gezondigd. Ik ben niet eerlijk. Ik ben tegen de Heere opgestaan. Ik heb Zijn goederen, die Hij mij toevertrouwde, alle jaren doorgebracht in de dienst van de zonde. Ik heb die niet besteed tot Zijn eer en tot het welzijn van mijn naaste. Ik heb alleen maar mezelf bedoeld?’

Dan bent u het hoogste doel van uw leven voorbijgeschoten, namelijk dat God er recht op heeft dat u Hem dient. Hij is de rechtmatige Eigenaar van Zijn schepping, zoals we gezongen hebben uit Psalm 24. De mens is als het pronkstuk van Zijn schepping daar boven gezet en vertoonde in het paradijs het beeld van zijn rechtmatige Eigenaar. We zijn dat beeld kwijtgeraakt door de zonde. En nu zegt de Heere: ‘Kom, het is nu de ure dat wij gaan onderhandelen; dat Ik als Rechter ga vaststellen hoe het er met u en met jou voorstaat op weg naar de eeuwigheid.’

 

Geef rekenschap van uw rentmeesterschap. Het is een tekst die nog wel eens in de oudejaarsdienst wordt gebruikt. Heeft de hemel wel eens tegen u gezegd: Want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn. Gemeente, is het toen waar geworden dat u uitriep: ‘Verloren, verloren, voor eeuwig verloren want ik heb gezondigd tegen de hemel en ik ben niet meer waardig dat God naar mij omziet?’ Zou ik, zo’n monster van ongerechtigheid, nog kunnen teruggeven wat ik door diefstal van mijn rechtvaardige Eigenaar heb ontvreemd en zou ik uit genade nog hersteld kunnen worden?’

Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere (Rom. 6:23). Wat ligt daarin een nood als dat waar wordt in uw leven en u bij dagen en nachten tot God gaat roepen: ‘O Heere, wees mij de zondaar of de zondares genadig. Ik ben het niet meer waardig dat Gij onder mijn dak inkomt, want ik heb alles wat van U is erdoor gebracht.’ En daarom is er maar één oordeel dat rechtvaardig is: Gaat weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt (Matth. 7:23).

Kom, gemeente, we gaan daarnaar luisteren in onze tweede gedachte.

 

2. De onzekerheid van dit bezit

 

Die onzekerheid hoor je in de woorden van de eigenaar: Gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn. Want dan volgt de vraag van de rentmeester: Wat zal ik doen?

De rentmeester ziet dat als de bezittingen van zijn meester hem ontvallen hij geen inkomen meer heeft. Hij staat overal buiten, hij heeft geen toekomst meer. De toekomst houdt op en het oordeel blijft over. Leest u maar mee:

 

De rentmeester zeide bij zichzelven: Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet; te bedelen schaam ik mij.

Ik weet wat ik doen zal opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hun huizen ontvangen. En hij riep tot zich een iegelijk van de schuldenaars zijns heren en zeide tot de eerste: Hoeveel zijt gij mijn heer schuldig?

En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift en nederzittende, schrijf haastig vijftig.

Daarna zei hij tot een andere: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? En hij zeide: Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift en schrijf tachtig.

En de heer – dus de eigenaar van al die bezittingen – prees de onrechtvaardige rentmeester omdat hij voorzichtiglijk gedaan had, want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger dan de kinderen des lichts in hun geslacht.

En Ik zeg ulieden: Maakt uzelven vrienden uit de onrechtvaardige Mammon opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.

 

Hoe onzeker we zijn van ons bezit, en dat we bij de dood alles moeten afstaan, laat de Heere Jezus in deze gelijkenis duidelijk uitkomen. Deze onrechtvaardige en oneerlijke rentmeester komt tot zichzelf en ziet dat de bron van zijn inkomsten, waaruit hij ruim en overdadig geleefd heeft, straks ophoudt. Zo kan het ons in het leven ook overkomen dat we alles kwijtraken, dat we geen inkomsten meer hebben en misschien wel de dood in de ogen zien.

 

We zien vervolgens dat de onrechtvaardige rentmeester met het oog op zijn onzekere toekomst aan het werk gaat. Als rentmeester heeft hij veel goederen van zijn heer uitgeleend aan anderen. Hij roept die schuldenaars bij zich en vermindert aanzienlijk hun schulden. Zo verzekert hij zich ervan dat ze hem zullen helpen als hij straks zonder inkomsten zit.

Daarna lezen we dat de Heere deze man prijst. Natuurlijk niet vanwege zijn verregaande oneerlijkheid, maar hij prijst hem om zijn voorzichtigheid, dat hij zich zekerheid verschaft voor de toekomst.

Dat is ook een les voor ons. In het achtste vers staat: En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester omdat hij voorzichtiglijk gedaan had. En dan zegt Christus: Want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger dan de kinderen des lichts in hun geslacht. Zo worden die kinderen van de wereld een voorbeeld voor de kinderen van God.

‘Kinderen des lichts’ worden de kinderen van God hier genoemd. Dat wil niet zeggen dat de kinderen van God altijd als een licht over de wereld gaan. Dat wordt ons uit deze gelijkenis wel duidelijk. Als u uw geweten laat spreken dan zegt u: ‘Inderdaad, ik kan en mag niet ontkennen wat God in mijn leven gedaan heeft. Maar ben ik wel een licht door dat grote Licht, door die Zon der Gerechtigheid? Schijn ik wel als een licht in deze wereld?’

Gods kinderen krijgen vandaag de rekening gepresenteerd. Welke rekening? Wel, dat ze niet zijn zoals ze behoren te zijn. Zij moeten immers – denk maar aan het stuk der dankbaarheid in de Catechismus – wandelen als kinderen des lichts te midden van een krom en verdraaid geslacht. Dat moet blijken uit alles wat ze doen en ondernemen.

 

Maar wat doet die onrechtvaardige, oneerlijke rentmeester? Hij overlegt bij zichzelf. Hij denkt goed na over de toekomst. Hij gebruikt dus zijn verstand. Straks zal hij geen rentmeester meer zijn; dan zit hij zonder inkomen. En de rentmeester zeide bij zichzelven: Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Dus daarvan was hij echt wel overtuigd.

Gemeente, heeft God u ook gezegd dat Hij uw rentmeesterschap van u zal afnemen? Zit u hier als iemand die beroofd is van zijn goederen en eigendommen, waarop u zich eerst beroemde? U had een goed gevulde bankrekening, een welvaartsvast pensioen en breidt u het maar uit.

Luister eens; wat de rentmeester gaat doen is oneerlijk. Daarin prijst de Heere hem niet, maar die man doet het met het oog op de toekomst. En die toekomst is heel onzeker voor hem. Dat staat hem heel helder voor ogen.

Ons leven is ook onzeker en dan luidt de vraag: Wat hebben we met het ons door God geschonken leven en al Zijn goederen gedaan? Hebben wij voor de Heere geleefd? Mag u uit de genade van God leven? Leeft u naar een weltoebereide toekomst? Hebt u een God voor uw hart en een Borg voor uw schuld? En als u gaat sterven mag u dan weten: ik ben verlost, God heeft mij welgedaan?

Zo mogen we Gods kinderen wel nakijken als ze het tijdelijke met het eeuwige verwisselen. Ze mogen hun wens verkrijgen en ingaan in des Konings paleis, waarvan ze hier de voorsmaken hebben gehad. Ze hebben door het geloof Hem gezien, Die ten hemel opgenomen is en de hemelen is doorgegaan en in de hemelen ontvangen is, waar Hij de plaats der ere heeft ingenomen. Hij heeft door Zijn kruisverdiensten Zijn Kerk als het rechtmatige eigendom uit de handen van Zijn hemelse Vader ontvangen. Hij zit daar aan de rechterhand Gods ten goede voor Zijn Kerk. Die Kerk mag door het geloof weten dat ze niet van zichzelf, maar dat ze Zijn eigendom zijn.

Niemand zal ze uit Zijn hand rukken. Geen duivel, geen wereld; er is geen vijand die dat ongedaan kan maken. Dat heeft God vastgelegd voor degenen die Hem vrezen en aan Zijn bevelen denken om die te doen.

 

Wat doet nu die oneerlijke rentmeester?

Hij denkt na: Wat zal ik doen?

Je zou het ook zo kunnen zeggen: ‘Wat moet ik doen om zalig te worden?’

Is dat ook jouw vraag? Ben je met die vraag in je hart vandaag naar de kerk gekomen?

De rentmeester meent te weten wat hij doen moet voor de toekomst, opdat wanneer hem het rentmeesterschap zal zijn ontnomen, zij hem in hun huizen zullen ontvangen. En hij riep tot zich een iegelijk van de schuldenaars zijns heren en zeide tot den eersten: Hoeveel zijt gij mijn heer schuldig? En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en nederzittende schrijf haastelijk vijftig.

Die schuldenaar kwam er goed vanaf omdat hem de schuld voor de helft kwijtgescholden werd. De rentmeester deed dit met het oog op de toekomst om zo, hoewel oneerlijk, vriendschap te sluiten met deze schuldenaar van zijn meester.

Daarna zeide hij tot een anderen: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? En hij zeide: Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift en schrijf tachtig. Dat is natuurlijk ook een geweldige meevaller als er twintig procent van je schuld wordt afgeschreven.

 

We lezen vervolgens in de gelijkenis: En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester. De rechtvaardige eigenaar prijst zijn rentmeester, die zo oneerlijk met het goed van zijn meester was omgegaan, dat hij zich vrienden gemaakt heeft uit de onrechtvaardige Mammon. U weet dat het beleggen in allerlei dingen heel conjunctuurgevoelig is, maar het beleggen in edelmetaal en andere dingen die waardevast zijn is voor veel mensen een optie om hun bezittingen vast te leggen.

En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester. Kan de rechtvaardige Eigenaar van uw leven u ook prijzen om uw voorzichtig handelen voor de toekomst? Is dat door de genade van de Heilige Geest uw levensvraag geworden? Hoeveel is er niet dat u oneerlijk hebt doorgebracht en waarvoor u zich weg schaamt voor Gods aangezicht? Moet u zich niet veroordelen en aanklagen voor de hemelse Rechter? Is de levensvraag, die McCheyne op onnavolgbare wijze heeft gedicht, uw vraag?

 

Ik vroeg niet: Mijn ziel, doorziet gij uw lot?

Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?

 

Is zo uw rentmeesterschap u al ontnomen en bent u zo schuldenaar geworden voor God en voor mensen? Is het reeds uw levensvraag: ‘Hoe zal het straks zijn als ik Hem zal ontmoeten?’ Is door de genade van Zijn Zoon Jezus Christus uw paspoort voor de hemel getekend?

 

Waarom prijst de Heere nu die onrechtvaardige rentmeester?

Omdat hij voorzichtiglijk gedaan had; want de kinderen van deze wereld zijn voorzichtiger dan de kinderen des lichts in hun geslacht.

Hier roept u de Heere toe: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten. Ziet dan hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen, Den tijd uitkopende, dewijl de dagen boos zijn (Ef. 5:14-16).

Dan neemt de hemel u al uw bezittingen af en doet u uw verloren zondaarsbestaan inleven voor het aangezicht van de rechtmatige Eigenaar. U loopt de troon der genade aan om behouden mogen worden in het bloed van het Lam.

Haast u en spoedt u om uws levens wil, eer het besluit bare (gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hittigheid van des Heeren toorn over ulieden nog niet komt; terwijl de dag van den toorn des Heeren over ulieden nog niet komt (Zef. 2:2). Haast u, eer gij zult moeten uitroepen: ‘Het is te laat! Het is te laat!’

 

Als u oog in oog staat met de Rechter van hemel en aarde is het te laat. Als u onvoorbereid naar de dag van uw dood reist, dan is het te laat. Dan zal Hij tegen u zeggen: Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild dat ik over hen koning zou zijn, brengt ze hier en slaat ze hier voor mij dood (Luk. 19:27).

U heeft de aangeboden diensten van de rechtmatige Eigenaar, Die hulp besteld heeft bij een Held, in uw leven veracht en versmaad. U hebt geen acht gegeven op de uitnemende zaligheid die God, in het licht van de toekomst, op de dag van de wederkomst, heeft bereid.

Er is alleen zaligheid en zekerheid voor de toekomst als we gewassen zijn in het bloed van het Lam. De opperste Wijsheid nodigt: Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts. Verlaat de slechtigheden en leeft; en treedt in den weg des verstands (Spr. 9:6). Daarin wordt Hij verheerlijkt en ontvangt de zondaar de zaligheid.

 

We gaan nu zingen uit Psalm 119 vers 5:

 

Waarmede zal de jongeling zijn pad,

Door ijdelheên omsingeld, rein bewaren?

Gewis, als hij het houdt naar ’t heilig blad.

U zoekt mijn hart; mijn oog blijft op U staren;

Laat mij van ’t spoor, in Uw geboôn vervat,

Niet dwalen, Heer’; laat mij niet hulp’loos varen.

 

3. De verantwoording van het rentmeesterschap

 

En Ik zeg ulieden: Maakt uzelven vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.

Deze gelijkenis is een heel indringende vermaning geweest aan het adres van de discipelen. De Heere houdt hen ermee voor, dat als het gaat over voorzichtig leven, ze wel een lesje kunnen leren van wereldse mensen. Hij zegt: ‘Zij zijn voorzichtiger dan jullie.’

We lezen verder: Hij zeide tot Zijn discipelen. Dit onderwijs betreft het kindschap van Zijn kinderen, die vaak zo zorgeloos zijn ten aanzien van de toekomende dingen en van de zekerheid van deze dingen. Die zorgeloosheid vinden we hier bij de discipelen; ze leefden onbezorgd met hun Heiland. Als de Heere Jezus zegt dat Hij moet heengaan en veel moet lijden van de overpriesters, de ouderlingen en de Schriftgeleerden, en dat Hij Zijn leven gaat afleggen, dan begrijpen ze er niets van. Zij begrijpen niet dat het de wil van Zijn hemelse Vader is dat Hij het rantsoen betaalt tot de verlossing van al Zijn gunstgenoten.

Het stuit eigenlijk op weerstand; de Heere ontmoet alleen maar tegenstand en vijandschap als Hij zegt voor hen gekomen te zijn om te lijden en te sterven. Dat zal u geenszins geschieden, is het antwoord van de discipelen op Zijn onderwijs.

Hij is voor hen gekomen, om hun zonde over te nemen, hun schuld te betalen en hun gerechtigheid aan het licht te brengen en voor hen hun heiligheid en hun toekomst te zijn. Maar zij begrepen het niet, zij hadden geen inzicht in de borgtocht van hun Heiland. De kinderen van deze wereld zijn zo voorzichtig dat ze nauwgezet hun toekomst plannen. Het is een aansporing voor de kinderen des lichts om te zien op hun zalige toekomst.

 

Hoe ligt dit nu in uw leven? Of beperkt uw leven zich tot het hier en nu? Maakt u wel plannen voor over tien of misschien twintig jaar? Beseft u dat eens gevraagd zal worden: Geeft rekenschap van uw rentmeesterschap? Hoe is uw verhouding tot de rechtmatige Eigenaar van al uw goederen? Jaagt u nog steeds al uw geleende goederen erdoor?

Deze vraag gaat ook u aan, kinderen des Heeren. Hoe vaak moet u zich niet beschuldigen van zonden en schuld? U komt het aan de weet als de Hemelse Rechter zich verbergt. De Heere is dan verbolgen over uw zondig handelen. Hoe vaak denkt u aan uw sterven, maakt u zich bezorgd voor uw toekomst?

Hij zegt u in deze gelijkenis: Wees voorzichtig! En die voorzichtigheid houdt ook uw verantwoordelijkheid in. Hoort u dat?

Veel mensen onttrekken zich aan hun verantwoordelijkheid. De overheid legt ons verantwoordelijkheden op in het maatschappelijk leven. In de kerk zijn er kerkelijke rechten en plichten. Maar de Heere heeft recht op ons aller leven; niemand uitgesloten. Hij is de rechtmatige Eigenaar.

Heeft u al uw oordeel aanvaard als God zegt: ‘U kunt geen rentmeester meer zijn, want u heeft Mij bestolen. U bent oneerlijk geweest, u hebt Mij onthouden wat Mij toekomt. Laat ons samen de rekening opmaken.’ Heeft u als boetvaardige bedelaar al tot de Heere geroepen: O God, wees mij zondaar genadig?

Wat een wonder als God met ons afrekent voor we gaan sterven! Als Hij u ordentelijk voor ogen gaat stellen dat het zo niet verder kan! En dat u het met God eens wordt en eerlijk gaat belijden: ‘Ik heb gezondigd.’

 

Gemeente, dát zoekt de Heere: Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen den Heere uw God hebt overtreden (Jer. 3:13). U hebt Hem onthouden waarop Hij recht heeft. En op de akker van uw bestaan werd nimmer iets gevonden dat u voortgebracht hebt tot Zijn eer. U moet zeggen: ‘Ik ben afgeweken. Ik heb alles er doorgebracht.’ Ik heb niet geluisterd naar Zijn vermaning als Hij zegt: Verlaat de slechtigheden en leeft; en treedt in den weg des verstands (Spr. 9:6).

Is er een verstandige weg?

Ja, die is er. Die weg wijst Hij Die ons leert: Het Koninkrijk Gods is nabijgekomen; bekeert u en gelooft het Evangelie (Mark. 1:15).

Het zou met ons voor eeuwig zijn gedaan, als Hij met ons in het gericht zou treden. Er is zoveel ongerechtigheid, goddeloosheid en zedeloos gedrag in ons leven. We hebben er alles doorgebracht voor het aangezicht des Heeren. We hebben de hemel getergd met onze zonden en geleefd alsof er geen God is.

Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt (Ps. 130:4).

Voor wie?

Voor al degenen die door de genade van deze rechtmatige Eigenaar tot inkeer komen. Voor hen die een afkeer krijgen van hun zonden en wederkeren tot de Heere. Voor hen die de hemel smeken, en in wier leven het waar wordt dat zij zich vrienden mogen maken uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat wanneer hen iets ontbreken zal, zij hen mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.

 

De hemel maant ons tot spoed; om het in orde te maken met de Heere voordat het uur van de afrekening aanbreekt. We moeten kind van God zijn. We moeten Zijn eigendom zijn en voor Zijn rekening leven. Dan hebben we voor de toekomst niets te vrezen.

Waarom veracht u God? Waarom versmaadt u de zaligheid? Waarom verlaat u niet de puinhoop die u ervan gemaakt hebt? Waarom laat u niet los wat u los moet laten en vernedert u zich niet onder de krachtige hand van deze God en Zaligmaker? Hij is niet gekomen om mensenzielen te verderven, maar om zielen te behouden. Hij heeft de menselijke natuur aangenomen en heeft de last van het allergrootste kwaad, de zonde, op zich genomen. Hij, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5:21).

Door Hem is er een uitnemende weg ter ontkoming; door het dierbare bloed van die gezegende Bloedbruidegom! Hij is het Die met één offerande in eeuwigheid heeft volmaakt degenen die geheiligd worden (Hebr. 10:14). En zij zullen een thuiskomen bij God ontvangen in het eeuwige Vaderhuis met zijn vele woningen.

Kind van God, de hemelse Bruidegom is u voorgegaan om u plaats te bereiden. En als Hij u plaats zal bereid hebben dan komt Hij weder. En waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn (Joh. 12:26). Daar zullen zij welkom geheten worden. Daar zal geen inwoner meer zeggen dat hij ziek is en daar zal geen zonde en ongerechtigheid meer zijn. Daar zullen ze eeuwig juichen tot glorie van deze Koning en Zaligmaker. Ze zullen Hem prijzen, Hij Die hen verlost heeft.

 

De eerste Adam heeft ons een puinhoop nagelaten, maar de tweede Adam heeft de volkomen zaligheid aangebracht. Een zaligheid, die het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, die God bereid heeft dien die Hem liefhebben (1 Kor. 2:9). Zijn Naam zal worden gepredikt tot aan de einden der aarde en alle vlees zal de heerlijkheid Gods zien. Voor hen, die in Zijn naam geloven, geldt dan:

 

Zij komen aan, door Godd’lijk licht geleid,
Om ’t nakroost, dat den Heer’ wordt toebereid,
Te melden ’t heil van Zijn gerechtigheid
En grote daden.

 

Wat zal dat zijn, als ze Hem straks zullen zien als Hij op de wolken komt! Het zal een schare zijn die niemand zal kunnen tellen. Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden (Jes. 35:10). Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging, zij zullen ingaan in des Konings paleis (Ps. 45:16).

 

Zijn glans en heerlijkheid zal ook groot zijn voor degenen voor wie Zijn komst niet welkom is, want: Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: bedekt ons (Luk. 23:30).

Waar zal mijn einde zijn? Waar zal uw einde zijn?

Zult u kunnen en mogen zingen:

 

Gij zult mij leiden door Uw raad,
O God, mijn heil, mijn Toeverlaat,
En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in Uw heerlijkheid?

 

Daar is de vreemdelingschap vergeten. Daar zal geen inwoner meer klagen over wat er geschied is en daar zal eeuwige blijdschap hun deel zijn. Ze zullen, verheugd van aangezicht, het loflied van de Drie-enige, de Volzalige, de dienens- en de lievenswaardige God van de hemel en van de aarde mogen zingen.

Dan zal het waar zijn:

Ik zal mijn stem met aller lofzang paren,
En overal Uw grootheid openbaren.

Wat zullen ze dan zingen? Het lied van Mozes en van het Lam en ze zullen met David instemmen:

 

Zijn Naam moet eeuwig’ eer ontvangen;
Men loov’ Hem vroeg en spa;
De wereld hoor’, en volg’ mijn zangen
Met ‘Amen, amen’ na.

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 18: 8, 15.

 

Hun zijt Gij goed, die goedertieren hand’len;

Oprecht bij hen die in oprechtheid wand’len;

Gij houdt U rein bij hen die rein zijn; maar

Verkeerden toont Gij U een Worstelaar;

Want Gij verlost het volk, door druk gebogen;

Maar werpt terneer die groot zijn in hun ogen.

Door U, o Heer’, geeft mijne lamp haar licht;

Mijn God verdrijft den nacht uit mijn gezicht.

 

Daarom, o Heer’, zal ik U eer bewijzen;

Bij ’t heidendom Uw Naam eerbiedig prijzen

Met psalmgezang, waar ’t hart door wordt geraakt.

Hij heeft het heil Zijns konings groot gemaakt;

Hij wil Zijn gunst aan Zijn gezalfde schenken;

Aan David en zijn nakroost eeuwig denken.