Ds. P. Mulder - Jesaja 38 : 14

Hizkia moet God ontmoeten

Jesaja 38
Alles te kort
Hizkia heeft een Borg nodig
Hizkia ontvangt het leven

Jesaja 38 : 14

Jesaja 38
14
Gelijk een kraan of zwaluw, alzo piepte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o HEERE! ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 39: 3
Lezen : Jesaja 38: 1-3 en 9-22
Zingen : Psalm 77: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 41: 2
Zingen : Psalm 103: 2

Gemeente, onder de inwachting van de leiding en het licht van ’s Heeren Geest willen we stilstaan bij de woorden Gods uit het ons voorgelezen Schriftgedeelte Jesaja 38. Als tekstwoord lees ik u het veertiende vers.

 

Gelijk een kraan of zwaluw, alzo piepte ik, ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o, Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.

 

Naar aanleiding van dit Schriftgedeelte overdenken wij: Hizkia moet God ontmoeten.

 

Wij hebben drie aandachtspunten:

 

1. Alles te kort. Want daar is ineens die boodschap – Hizkia voelt in zijn lichaam dat het sterven wordt – en dan ontvalt hem alles.

2. Hizkia heeft een Borg nodig. We lezen dat aan het slot van onze tekst: O, Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.

3. Hizkia ontvangt het leven. Hij wordt beter en hij ontvangt wat we lezen in het laatste stukje van vers 17: Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen. Hizkia ontvangt uit de dood die hij voor ogen had het leven in het natuurlijke, en eeuwigheidslicht in het geestelijke.

 

1. Alles te kort

 

Hizkia wordt ziek. Kennelijk is dat heel kort na de belegering van Jeruzalem gebeurd, toen het leger van Sanherib met die spottende legeroverste Rabsaké voor Jeruzalem lag. Ze tartten Hizkia, maar vooral de God van Hizkia. De Heere schonk echter in één nacht bevrijding: de vijand werd vernietigd en Jeruzalem werd bevrijd.

Wat een wonderlijke redding van de Heere voor volk en vaderland, voor de stad en de tempel en voor de koning en zijn huis! In datzelfde jaar – het veertiende jaar van Hizkia’s regering – wordt Hizkia echter plotseling ziek, tot stervens toe.

 

Toen kwam de profeet Jesaja. We noemen hem graag de ‘Evangelist van de oude dag’. Dat is hij ook geweest, niet alleen voor Hizkia, maar ook voor de kerk van alle eeuwen. Wat heeft hij veel over de Messias gesproken: Ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren (Jes.7:14). En: Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven; (…) en men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raad, Sterke God… (Jes.9:5). Jesaja heeft geprofeteerd: Als een lam is Hij ter slachting geleid (Jes.53:7). Wat is het boek Jesaja rijk van inhoud!

Maar nu komt diezelfde profeet met een ontzaglijk woord in het paleis: Alzo zegt de Heere: Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven en niet leven. De evangelist, de hofprofeet, de zielenvriend, de man met wie Hizkia samen gebeden heeft tegen de spottende vijanden en voor het volk, de stad en de bevrijding daarvan; diezelfde profeet komt met deze ontzaglijke boodschap Gods. Geef bevel aan uw huis, Hizkia, u moet de dingen gaan regelen, die u regelen moet. U moet nu maatregelen nemen, want het einde is nabij.

 

Gemeente, dit is een boodschap waar we in tweeërlei opzicht allemaal – maar zeker de ouderen – van moeten leren. We krijgen niet allemaal vooraf een tijding dat het niet goed zal gaan in ons leven, en of we nog maar enkele maanden of jaren voor ons hebben. Het kan ook zijn dat een jong leven ineens afgesneden wordt. Door een ongeluk bijvoorbeeld. Ontzaglijk! Wat geeft dat een diep verdriet! En nu zegt Gods Woord ons, je zou bijna zeggen op een zakelijke wijze: Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven. Ouderen, misschien moeten er dingen geregeld worden, omtrent de nalatenschap. Daar mág u, daar móét u over nadenken. Daar mag u ook wel iets over op papier zetten. Dat is misschien wel heel verstandig. Of u bespreekt een en ander met één of meerdere kinderen.

 

Geef bevel aan uw huis. Dat moment kan zomaar aanbreken. Het zou kunnen zijn dat we nog maar een korte tijd hebben. Dan is het verstandig om over ons levenseinde na te denken, en ook samen – als man en vrouw – daarover te bespreken. We moeten die dingen maar niet wegstoppen.

Natuurlijk is het niet het makkelijkste onderwerp – dat begrijpen we allemaal – maar het is toch goed om daar eens over te praten, zeker bij het ouder worden. En ook de hele gewone dingen, de huiselijke dingen, onder ogen zien. Hoe moet het met een zorgenkind? Hoe moet het met ons bedrijf? Hoe moet het met… vult u zelf maar in.

 

Geef bevel aan uw huis. We voelen allemaal aan, dat er ook een tweede punt is dat nog veel wezenlijker is. In dat licht ziet Hizkia het vooral: want gij zult sterven. Hij begrijpt het onmiddellijk! Sterven betekent God ontmoeten. Het betekent voor de rechterstoel verschijnen. Het betekent verantwoording afleggen van héél mijn leven! En dat ligt heel persoonlijk! Dat kan als man niet in de plaats van je vrouw, of als moeder voor je kind. Natuurlijk zijn er wel dingen die je in dat opzicht samen kunt doen en mag doen, maar het blijft absoluut: ik moet God ontmoeten! Gemeente – jongens en meisjes, jullie ook – laat die vraag wegen in uw en jouw leven.

 

Het gebeurde eens dat een leerling verongelukte. Hij zat in HAVO-5. De jongen was na schooltijd kranten aan het bezorgen. En terwijl hij dat deed kreeg hij een verkeersongeluk. Toen was daar het einde. Ontzaglijk! Wat een diep verdriet en een grote verslagenheid. Op school was het wel opgemerkt – en zijn ouders hadden het zeker gemerkt – dat het een jongen was die niet voor de wereld leefde. Hoewel hij heel goed zijn best deed op school en een hele gewone jongen was – om het zo maar te zeggen – maar je merkte het wel aan hem. Hij koesterde diepere gedachten tijdens zijn leven; thuis wisten ze dat ook heel goed. In zijn krantentas vonden ze een Bijbel. Daar zaten wat papiertjes in. Als je die dingen zag en las, dan wist je genoeg. Een mens, ook een jongen van zeventien jaar, laat weleens een testament na. Ook al gebeurt het zó plotseling.

Wat zouden wij nalaten, als het sterven werd? Hizkia moet bevel geven aan zijn huis, want hij gaat sterven. Dat wordt hem van Godswege aangezegd.

 

De geschiedenissen over Hizkia kunnen we op drie plekken in de Bijbel vinden: in het Koningenboek, in de Kronieken en in Jesaja. In deze drie weergaven van de gebeurtenissen in zijn weliswaar enkele verschillen aan te wijzen, maar ze komen grotendeels overeen. Op één punt echter niet. In Koningen wordt alles redelijk uitvoerig beschreven; in de Kronieken staat over het gebeuren slechts een enkel vers, maar Jesaja gaat er veel dieper op in. Jesaja is de enige, die weergeeft wat we gelezen hebben in vers 9 tot en met 22, het wordt daar genoemd: ‘het schrift van Hizkia’.

Hizkia heeft een geschrift geschreven, een gedicht. Dat heeft hij achteraf gedaan. De ziekte die hij kreeg is dan genezen door een wonder van de Heere. De zielennood heeft hij dan doorleefd: ‘Wees Gij mijn Borg’. En zijn ziel is gered geworden; dat wil zeggen dat zijn zonden zijn vergeven. Daarna heeft hij dat gedicht geschreven. Dit staat niet in het boek der Koningen of in de Kronieken, maar alleen in Jesaja.

Laten we maar eerlijk zijn: je diepste zielenroerselen schrijf je niet in de krant, daar praat je niet met iedereen over. Maar je zielenvriend mag ze weleens horen. En zo heeft Jesaja de dingen die Hizkia toen meemaakte – tussen God en zijn ziel – mogen beschrijven. Bij ons is wat een mens van een ander weet en verwoorden kan altijd maar gebrekkig. Maar het geeft wel inzicht en het maakt indruk.

 

Hoe heeft Hizkia alles beleefd, toen die boodschap kwam: ‘Man, u gaat sterven. Regel de dingen die u regelen moet?’

De boodschap die hij ontving slaat in zijn ziel naar binnen. Want ja, hij moest van alles regelen wat het koningschap betreft. Hij had namelijk geen zoon en troonopvolger. Hoe moet dat nu?

We lezen echter niet dat hij zich daar zo druk over maakt. Er kunnen hele belangrijke dingen zijn in het zakenleven, maar dan kan het toch zijn, dat als u de boodschap krijgt: ‘U moet sterven’, dat dan alles wegvalt, en er één ding overblijft: ‘Ik moet God ontmoeten.’

Gemeente, we mogen niet onverschillig en achteloos in het leven staan. Denk over de belangrijke dingen na. Ook over hoe het gaan moet als we zouden wegvallen. Maar het kan ook zo zijn, dat als die boodschap komt: ‘U moet sterven’, dat alles wegvalt en maar één ding overblijft: ‘Mijn ziel, doorziet gij uw lot, hoe zult ge rechtvaardig verschijnen voor God?’

Hizkia keert zijn aangezicht naar de wand. Hij hoeft geen mens bij zich te hebben, ook Jesaja even niet. Alleen de Heere. En hij bad. Dat is een voorrecht.

 

Het gebeurde jaren geleden. Een jongen van twaalf jaar kreeg de boodschap dat hij moest sterven. Zijn ouders hadden een gesprek gehad met de arts, waar die jongen zelf niet bij was. Toen de ouders thuiskwamen en de jongen vroeg: ‘Wat heeft de dokter gezegd?’, draaiden ze er een beetje omheen. Maar die jongen was niet tevreden; hij hield aan: ‘Wat heeft de dokter gezegd?’ Er werd wat over en weer gesproken en vader en moeder gingen allebei maar aan het werk, vol van gedachten. Maar die jongen hield dat niet uit en vroeg indringend aan zijn moeder na: ’Moeder, ik wíl het weten: wat heeft die dokter gezegd?’ Toen moest ze het wel zeggen.

Later vertelde ze erover: ‘Ik dacht dat hij in paniek zou raken of boos worden. Maar wat ik niet gedacht had, dat deed hij.’ Hij boog zijn knieën, en hij vouwde zijn handen. Hij ging bidden. En dat deed hij – dat is later wel gebleken – niet zozeer voor genezing (daar mag je natuurlijk altijd om vragen, dat begrijpen we wel), maar voor hem was één ding nodig: een nieuw hart! Hij moest bekeerd worden!

 

Zo lag het ook bij Hizkia. Had Hizkia dan geen nieuw hart? Zeker! Absoluut! Er zal niemand van ons zijn die daaraan twijfelt.

Hoe lag het dan in zijn hart? Had hij misschien bepaalde bijzondere zonden gedaan, waardoor het donker geworden was in zijn ziel?

We hebben geen enkele reden om dat aan te nemen. Trouwens, hij zegt in vers 3: Och, Heere, gedenk toch dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En hij weende gans zeer. Dat was zijn leven. Daar zat geen vroomdoenerij bij; dat was geen huichelarij. Dat was waarheid.

De Heere wist dat ook wel. Maar toch… Gemeente, er kan een moment komen als de Heere ons bij wijze van spreken gaat dagvaarden, en dat de rechterstoel wenkt – dat echt alles te kort is. Wat is het een genade, een grote genade, als het dan waar mag zijn: oprecht gewandeld met de Heere, gedaan wat goed is in Zijn ogen (2Kon.20:3).

Oprecht gewandeld. Dat heeft Hizkia koninklijk gedaan en dat heeft hij Godvrezend gedaan. Hij heeft de dienst des Heeren bevorderd en de afgoderij afgebroken. Wat heeft Hizkia betoond in zijn leven dat de Heere God een Koning is, ook voor hem. Voor zijn leven, voor zijn koningschap en voor zijn hart. De genade van God was in zijn leven openbaar gekomen. Het was wel gebleken dat hij door goddelijke genade een kind en knecht des Heeren was.

Maar hij kan het er niet mee doen. Als zo nadrukkelijk werkelijkheid wordt dat dat hij God moet ontmoeten en voor de heilige Rechter moet verschijnen, is alles te kort!

O zeker, hij heeft Godvruchtig geleefd! Maar met de beste werken kunnen we de schuld niet uitdelgen. Hij heeft een biddend leven gehad, dat merkten we wel toen het leger van Sanherib voor de stad kwam. Hij heeft ook een afhankelijk leven gehad, een Godvruchtig binnenkamerleven. En toch, al dat goede is geen gerechtigheid voor God. Alles is te kort!

 

Maar nu moet u een en ander niet verkeerd verstaan. Want Hizkia was allang wedergeboren, dat is duidelijk. Gewoonlijk, als de Heere een mens van nieuws geboren doet worden, is daar niet ineens de rechterstoel Gods. Gewoonlijk is daar niet ineens de vloek der wet in volle hevigheid. Gewoonlijk is daar niet ineens de afdruk van de toorn Gods waardoor we verschrikken. O, daar zijn wel wat elementen van te vinden, maar gewoonlijk, als de Heere begint een mens te bekeren, dan trekt Hij met koorden van goedertierenheid, en met liefde. Die liefde verootmoedigt en verbreekt het hart en verbindt aan de Heere.

 

Gewoonlijk, als de Heere begint met iemand – jong of oud – in dat nieuwe leven te plaatsen, komt er een breuk met de zonden, een droefheid naar God over de zonden. Dan komt er een inleven van de breuk die er is, en dan gaan we de Heere zoeken met ingespannen krachten. Dan gaan we het Woord ter hand nemen en naar de prediking luisteren zoals we nog nooit geluisterd hebben. Dan gaan we de zonden verlaten en de wereld de scheidbrief geven. Dan worden we gewaar dat de duivel werkelijkheid is, dan komen we in de strijd terecht. Dan krijgen we een biddend leven. En soms ervaar je dat niet alleen het bidden niet gaat, maar dat je nog biddeloos bent ook… Dat de zonden niet weg zijn, maar nog springlevend. Dan kom je in de worstelingen terecht. Mijn ziel, mijn zonden, mijn verlorenheid. De Heere: Zijn goedheid, Zijn weldadigheid. En bij tijden: Zijn rechtvaardigheid, Zijn heiligheid, Zijn geduchtheid… En wat dan? Hoe moet het dan verder?

 

Gewoonlijk leidt de Heere u dan verder. Er kunnen tijden zijn met veel worstelingen. Soms zijn er tijden waarin de ziel dor en dodig is. Soms zijn er tijden waarin moed gevat mag worden; als onder de prediking het hart verklaard wordt; of wanneer een belofte verkregen wordt in de nood van het leven; juist als je niet meer weet hoe het verder moet. Dan wordt wel tegen de Heere gezegd: ‘U doet geen onrecht als U mij voorbijgaat, want ik ben een verschrikkelijke zondaar.’ De Heere geeft dan weleens een belofte dat er verwachting is voor verslagenen van hart, voor verbrokenen van geest, die voor Zijn Woord beven. Dat geeft dan moed en nieuwe werkzaamheden. Dit doet op de Heere hopen en het van Hem verwachten.

Er kunnen zelfs wel tijden zijn dat u met de wet te doen krijgt, met de heiligheid en de rechtvaardigheid van God. Dan gaan lessen geleerd worden over de verzoening. Over de eisen van de wet en dat God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg zal geschieden. Over de noodzaak van de Middelaar, omdat u zelf niets hebt om voor voldoening te zorgen, wat u ook doet.

Wat kunnen dat bange tijden zijn. Maar welk een wonder als dan met het hart vernomen mag worden dat Hij er is, Die voor voldoening zorgde. Dan mag het weleens met kracht uit de prediking vernomen worden dat Christus gekomen is. O, het kan weleens zijn, dat u mag geloven dat Hij aan uw ziel geopenbaard is in de nood van uw hart, in uw verlorenheid en vloekwaardigheid.

 

Hizkia heeft Pascha gehouden. Hizkia heeft de bloedoffers meegemaakt. Hij had daar zielsbelang bij, dat mogen we wel geloven. Hij heeft beseft dat die offers, die bediening der verzoening, nodig waren. Dat werk van de dienst des Heeren heeft hij met zijn hart gedaan. Zou hij daar niet de rijkdom van gezien hebben en de heerlijkheid enigszins van hebben mogen bevatten? Zou hij de Heere niet hebben gedankt en groot gemaakt voor die wondere zaken?

Zo kunnen er in het leven van Gods kinderen geloofswerkzaamheden zijn aangaande Christus en de weg der verlossing in Hem. En dan komt er een dag – het gaat niet bij iedereen hetzelfde, want we moeten elkaar niet de weg voorschrijven – maar zo ging het bij Hizkia, dat de boodschap komt: Geef bevel aan uw huis. Alles ontvalt. Ik piepte als een zwaluw, ik kirde als een duif; ik word onderdrukt, o Heere, wees Gij mijn Borg.

 

We gaan naar onze tweede gedachte:

 

2. Hizkia heeft een Borg nodig

 

Het wordt donker als de Heere gaat uitrukken wat Hij geplant heeft, als de Heere alles gaat wegnemen wat er is, opdat zal blijken dat God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. Het wordt donker als alles te kort is, opdat een zondaar op Christus gefundeerd zal worden. Opdat de hoge God zulk een mens alles ín en vanwege Christus zal schenken.

Hizkia heeft zijn aangezicht naar de wand gekeerd, hij heeft overdacht hoe zijn leven was. Hij kwam veel godsvrucht tegen, maar ach… Als we zijn geschrift lezen, dan blijft maar één ding over: Ik zal den Heere niet meer zien, vers 11. En: Van de dag tot de nacht, vers 12. Nog één dag misschien, en dan is het sterven, dan word ik tot een einde gebracht. Hizkia zegt: ‘Ik heb mijzelf tot een einde gebracht. Ik word afgesneden. Het is kwijt! Mijn ziel gaat naar het einde.’ Hij gebruikt in vers 12 de uitdrukking: ‘Ik zal nederdalen in de kuil.’ Zo heeft hij het beleefd, zegt vers 18. Dat is een uitdrukking die een misdadiger ervaart als hij terechtgesteld gaat worden. De toestand van de verdoemden. Ontzaglijk toch!

 

Gemeente, het kan weleens in het leven van een Godvrezende gaan zoals het met Hizkia ging. Als hij in zijn ziel voor het gericht Gods gesteld wordt: ‘Het wordt sterven, het wordt God ontmoeten.’ Dan houden we niets over. We zijn ‘Adam’, en meer niet, een eer-rover. Ondanks een leven zoals Hizkia dat geleid had. Dan is het verloren. Een mens kan zich daartegen verzetten, een mens kan allerlei uitvluchten zoeken, een mens kan houvast zoeken aan het goede wat erin was, aan de ondervindingen, aan de bemoedigingen, aan de vertroostingen. Een mens kan houvast zoeken aan de onderwijzingen die hij kreeg. Een mens kan houvast zoeken aan wat hij ervaren heeft, bij geloofsoefeningen uit het verleden. Maar als we voor Gods rechterstoel moeten komen, ontvalt alles. Dan redt er maar één ding van de dood: dat is gerechtigheid.

 

Gemeente, dit is een hele persoonlijke les. Dit kan Jesaja hem niet leren, hij keert zijn aangezicht naar de wand. Die les kunnen de priesters hem niet leren. Natuurlijk kunnen ze daarover spreken bij het altaar: ‘Alleen bloed! Alleen bloedgerechtigheid!’ U kunt er weleens door vertroost zijn en er jaloers op geworden zijn; u kunt er bij wijze van spreken weleens gedachten over gehad hebben. Maar het moet er maar op aankomen. Dan gaat het over de persoonlijke toepassing. En voor de waarneming wordt die nog gemist!

Alles wat er gebeurd is en geweest is; alle rijkdom die u in Jezus gezien hebt en wat u van Hem geroemd hebt, mag u niet weggooien en ook niet ontkennen! Maar toch kan er een moment komen dat de ziel er niets mee kan. Als de Borg Zich verborgen houdt en alleen de rechterstoel voor ogen staat. Wat hebt u dan?

Niet anders dan doem en vloek. Want God is rechtvaardig. En Hij eist betaling. De schuld moet voldaan worden. En waar we ook houvast zoeken, alles ontvalt ons. Een naakte zondaar voor God. En als de Heilige Geest dan gaat inwinnen, en de ingestorte liefde leert buigen en bukken, dan erkennen we het: ‘Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’

 

Hizkia zegt: ‘Ik word onderdrukt. Het gaat niet goed. Het is verloren!’ Hij piept als een zwaluw en hij kirt als een duif. Hij durft het geen bidden te noemen. Hij kán het geen bidden noemen. Hoe moet het toch verder? Dan heeft hij nog één uitroep: Wees Gij mijn Borg!

Hij voelt het: Ik heb een Borg nodig. Want als ík moet betalen, dan is het eeuwig rampzalig. Die dierenoffers zullen geen voldoening geven. Het bloed van het altaar kan God niet tevredenstellen. Héél de Oudtestamentische ceremoniëndienst verdwijnt. Alléén de Borg, alléén het Lam Gods kan de zonde der wereld wegdragen.

Ziet u, dat Hizkia daar inzicht in had? Dat hij daar geloofswetenschap van omdroeg? Want hij vraagt God om de Borg. Wees Gij mijn Borg! Het moet uit God komen. Het kán alleen van God komen. Alles buiten God valt weg en is te kort. En als God dan niet zal helpen, dan doet Hij geen onrecht. En toch schreeuwt de ziel náár God, en óm God.

 

We gaan er samen van zingen. Psalm 41, het tweede vers:

 

De Heer’ zal hem op ’t ziekbed neergestort,

Versterken door Zijn kracht;

Gij maakt, dat zelfs zijn ganse leger word’

Veranderd door Uw macht.

Ik heb tot God geroepen om genâ,

‘k Zei in mijn angst en leed:

‘Genees mij, Heer’, die bij U schuldig sta,

En tegen U misdeed.’

 

Onze derde gedachte:

 

3. Hizkia ontvangt het leven

 

Hizkia moet God ontmoeten. Dat voelt hij aan zijn ziekte, en de profeet komt het hem van ’s Heeren wege vertellen. Dan keert hij zijn aangezicht naar de wand, geen mens kan hem helpen, zelfs Jesaja niet. Hij denkt nog een moment aan zijn godvruchtige leven en de dingen die hij heeft mogen doen. Maar ach, God ontmoeten! Alles te kort!

Een mens kan in paniek raken. Een mens kan wel eens niets overhouden van Godsbesef of gebed. Maar wat een wonder, Hizkia mag tóch zijn ziel voor de Heere brengen. Hij mag tóch de Heere aanlopen als een waterstroom.

Hij beschrijft het rechtsgeding in dichterlijke taal. De piepende woorden klinken naar boven: Wees Gij mijn Borg. De Rechter om genade bidden. Dat is geen recht, dat is niet vanzelfsprekend. Maar dat is: ‘Alleen Gij, o, Heere.’

 

En dan gebeurt het wonder. In vers 15 zegt hij: Wat zal ik spreken? In vers 17: Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest, maar Gij hebt mijn ziel lieflijk omhelsd. Zijn ziel is in verwarring, zijn ziel is in doodsnood. Zijn lichaam is ook in doodsnood.

Wat aangrijpend!

Maar een ziel in doodsnood is nog veel aangrijpender. Zo heeft Hizkia het beleefd: Gij hebt mijn ziel lieflijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame. Gij hebt ál mijn zonden achter Uw rug geworpen.

Wat voor zonden had Hizkia dan? Zou je er tot hiertoe één uit die geschiedenissen kunnen noemen? Jesaja zal hem begrepen hebben. Want het is waar: een mens kan verschrikkelijke zonden doen. Het is ontzaglijk als we iemand vermoorden en zo kunnen we wel meer ontzaglijke dingen noemen. Maar wat hebben wij Gód aangedaan? Dat ligt tussen de Heere en uw ziel. Dan worden we een goddeloze, dan worden we in eigen oog een vloekdrager voor de heilige en alwetende God.

Maar dan is er dat eeuwige wonder: Al mijn zonden achter Uw rug geworpen. Hij doet ze weg! Daar spreekt de Heere nóóit meer over. Hij denkt er niet meer aan. Er is er Eén Die de zonden weggedragen heeft: Christus Jezus, het Lam Gods. Hizkia heeft Pascha mogen vieren. Jesaja heeft hoofdstuk 53 mogen schrijven: over het Lam Gods en Zijn bloed. Dat is het! Achter Uw rug geworpen. In dat bloed gewassen. Hier krijgt Hizkia vrijspraak: God vergeeft hem ál zijn zonden op grond van de gerechtigheid van Christus Jezus. Het is de tijd van het Oude Testament, maar deze dingen zijn voor Abraham, voor David, voor Hizkia, van alle tijden. Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt! (Joh.1:29). Dat is waar van Genesis 3 tot aan het einde toe. Zo worden hem de zonden vergeven.

 

Wat zegt Hizkia vervolgens in vers 19? De levende, de levende, die zal Ú loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uw waarheid bekendmaken. O, hij wil erover spreken. Hij wil in het Huis des Heeren gaan. De Heere was gereed om mij te verlossen; daarom zullen wij op mijn snarenspel spelen al de dagen van ons leven in het Huis des Heeren.

De lofzang stijgt op. Hizkia heeft vergeving van zonden. Hij heeft eeuwig leven.

Zeker, hij is ook genezen. Dat genezingswonder staat in het boek Koningen, in het boek Kronieken, en ook in het boek Jesaja. Maar dat geestelijke wonder beschrijft alleen Jesaja. Wat is het wonderlijk, als dat gekend mag worden, als dat ontvangen mag worden. De Heere zij eeuwig lof en eer! En aan Christus, hoewel we moeten zeggen: de toekomstige Christus. Wij mogen weten: de gekomen Plaatsbekleder heeft het offer gebracht. Ja, dan wordt God drie-enig de lof en de eer en de dank toegebracht. Met een volkomen hart, met een geredde ziel. Omdat de Vader Zijn Zoon gaf, ook voor mij. De Zoon is mens geworden om ook míjn schuld te betalen. En ook de Heilige Geest, Die het door het geloof doet kennen en eigenen, en getuigenis geeft. Wat is dat een wondere zaak!

 

Niet elk van Gods kinderen, niet elk die de Heere oprecht zoeken en vrezen mag, zal zó helder van deze dingen durven en kunnen spreken. Dat ligt onderscheiden. Maar wij moeten allemaal – u en jij – eenmaal God ontmoeten. Als we dan nog onbekeerd zijn, klinkt nu een indringende boodschap: Geef bevel aan uw huis. Overdenk uw zonden en vervloeking, voor het te laat is. Bid met verootmoediging de Heere om Zijn bekerende genade en het onderwijs van Zijn Geest. Ook jij! Dit is nodig en onmisbaar!

De Heere wil erom gebeden zijn. Al zijn uw zonden nog zo zwaar, deze Borg biedt Zich aan: Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw (Jes.1:18). Alleen, ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen de Heere uw God hebt overtreden (Jer.3:13). En wendt u naar Hem toe, om behouden te worden.

 

Misschien ben jij wel een missende, die over de aarde loopt en God kwijt is. Bij tijden denk je: ‘Alles kwijt! Wat heeft het leven nog voor zin? Wat moet ik toch?’

Ik heb een raad voor jou, voor u: ‘Zoek de Heere!’ Hij heeft nooit gezegd: Zoekt Mij tevergeefs! (Jes.45:19). Houd maar aan. Nooddruftigen zál Hij verschonen.

Misschien heeft u in de nood van uw leven – bij de gewaarwording van uw verlorenheid en de onmogelijkheid om uzelf te redden – weleens een belofte van de Heere gekregen. Dat heeft u hoop en verwachting gegeven. Maar misschien moet u nu zeggen: ‘Ik weet het niet meer, hoor. Ik kan het niet meer zo goed bezien. Ik ga over de aarde als een missend mens en een vragende ziel.‘ Misschien moet u dan maar eens overdenken wat de profeet Micha zegt: Ik zal uitzien naar den Heere, ik zal wachten op den God mijns heils (Mich.7:7).

Mogelijk bent u iemand, die zegt: ‘Ja, dat gevoel ik: de vloek van de wet, de toorn van God. Hoe moet het toch verder?’

Wel, het is zo heilzaam wanneer er onderwijs gekregen wordt dat het naar Christus toe moet. Dat alles buiten hem te kort is. Om als een gans verlorene, die het oordeel verdiend heeft, te leren erkennen het niet waardig te zijn dat de Heere helpt. O, wat een wonder is het dan als Hij Zich doet kennen! Als we vanuit het Evangelie over Christus mogen horen. Wat een blijdschap smaakt de ziel, wanneer Hij Zich openbaart. Wanneer de weg ter zaligheid in Hem gekend mag worden. Wat een ruimte, wat een leven!

 

Kinderen des Heeren, vraag maar steeds naar de Heere en naar Zijn genade. Bouw toch niet op uw ervaringen en ondervindingen, maar zoek alleen gebouwd te worden op Christus en Zijn volbrachte arbeid. Dan kan het weleens zover komen, dat u zeggen moet: ‘Nu kom ik met alles aan een einde. Nu heb ik – met alles wat er geweest is – niets anders dan de dood voor ogen.’ Let dan op Hizkia! Wat een wonder, als de Heere ons afsnijdt van alles, om ons te funderen op Christus en Zijn bloedgerechtigheid. Dat is het leven, in de verheerlijking Gods.

Maar pas op, denk niet dat u er dan bent! Want we leiden een Adamsbestaan, en we blijven altijd – zolang we op aarde zijn – een doelmisser in onszelf. O, dat we maar arm zullen zijn en ellendig in onszelf. Dat we maar voortdurend op die ene Naam leren betrouwen. Zodat we het alleen van Hem begeren en van Hem verwachten. Dat is de weg voor ieder die God vreest. Niets uit ons – alles van ons is te kort – maar alles uit Hem, zo reist men naar Jeruzalem.

 

Tenslotte nog één ding. Dat mag ons deze geschiedenis ook leren. Het is niet voor niets om de Heere te vrezen. De Heere is geen karig God en geen harde Heer. O nee, zeker niet! De dienst des Heeren is een liefdedienst en waar Hij een begin maakt, daar zal Hij het voleindigen tot op de dag van Jezus Christus. En Hij doet ze állen dat eeuwige leven beërven: de lammeren van de kudde, de nooddruftigen en de armen, degenen die zichzelf geen naam kunnen geven en die toch getrokken worden met die koorden van goedertierenheid. Ook dezulken die moeten zeggen: ‘Christus is mij dierbaar en onmisbaar geworden. Maar, hoe zal ik nu zeker weten dat Hij de mijne is en ik de Zijne?’ Hij doet ze allen het eeuwige leven beërven: de bevestigden en de toevluchtnemenden, de verzekerden en de van-verre-staanden. Hij doet ze allen daar komen, waar geen inwoner zal zeggen: ‘Ik ben ziek.’ Waar geen hel meer woedt. Waar geen duivel meer benauwt. Waar geen zonde meer verschrikt. Waar de Heere ‘alles en in allen’ is. Want Zijn roeping en Zijn verkiezing zijn onberouwelijk.

 

De Heere is zo getrouw als sterk, Hij zal Zijn werk voor al de Zijnen voleindigen. Hizkia mocht erin delen. Hij ontving vrede voor zijn ziel en verzoening van zijn zonden. Hij ontving het leven uit God, door God en met God. Door Hem verkoren, door Zijn hand bewaard, door Zijn liefde bemind, door Zijn trouw vergezeld, mag hij nu eeuwig zingen van Gods goedertierenheden.

 

Amen.

 

Psalm 103 vers 2:

 

Loof Hem, Die u, al wat gij hebt misdreven,

Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;

Uw krankheên kent en liefderijk geneest;

Die van ’t verderf uw leven wil verschonen,

Met goedheid en barmhartigheên u kronen;

Die in den nood uw Redder is geweest.