Ds. J.J. van Eckeveld - Mattheüs 5 : 13

Het zout der aarde

Krachtig zout
Krachteloos zout

MattheĆ¼s 5 : 13

Mattheüs 5
13
Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 1: 1
Lezen : Mattheüs 5: 1-16
Zingen : Psalm 25: 4, 6
Zingen : Avondzang: 7
Zingen : Psalm 68: 17

Gemeente, de tekst voor de prediking vindt u in Mattheüs 5, en daarvan het dertiende vers. Daar zegt Christus:

 

Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buitengeworpen en van de mensen vertreden te worden.

 

Wij letten op: Het zout der aarde.

 

1. Krachtig zout

2. Krachteloos zout

                                                                                                                                      

Dus, het zout der aarde is krachtig of krachteloos.

 

1. Krachtig zout

 

Gemeente, iemand heeft eens gezegd dat veel mensen die nooit in de Bijbel lezen, ons wél lezen. U begrijpt wellicht wat daarmee bedoeld wordt. Onze levenswandel kun je vergelijken bij een boek dat anderen lezen. Zij letten op ons. Zij letten op kerkmensen, in de buurt van de kerk en waar u woont, op uw werk, bij je studie en ga zo maar door. Wat lezen ze dan van ons? Wat zien ze van ons?

Spurgeon zegt ergens: ‘Als het goed is, dan weet heel de omgeving: daar woont een christen.’ Dat is het waar het over gaat in onze tekst, als Christus hier zegt: Gij zijt het zout der aarde.

 

Dit zijn woorden die ontnomen zijn aan de Bergrede. We lezen in het eerste vers: En Jezus de scharen ziende, is geklommen op een berg; en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.

Jezus, de scharen ziende. Hoe heeft Hij die scharen gezien?

Hij heeft ze gezien als schapen zonder herder. Hij heeft ze gezien met een bewogen hart. Hij zoekt het behoud van zondaren. Daarom klom Hij op een hoge berg, zodat ieder Hem zien kon, zodat ieder Hem horen kon. Vlakbij de zee van Tiberias wijst men nu nog de ‘Berg der Zaligsprekingen’ aan. Het is niet zeker of het die berg geweest is. Maar wel een soortgelijke berg in het noorden van Israël, in de omgeving van Kapernaüm, bij de Zee van Tiberias.

Vervolgens lezen wij in het tweede vers: En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen. Hij sprak tot Zijn discipelen, maar de schare daar omheen hoorde Zijn woorden ook. Als hier over ‘discipelen’ gesproken wordt, moet u niet alleen denken aan de twaalf discipelen, maar een bredere kring van volgelingen van Jezus. Ze komen uit de scharen als het ware naar voren en ze staan om Hem heen. En daar omheen weer die scharen die Hem volgden.

Dus de Bergrede is een woord tot de discipelen, maar daar bovenuit ook tot de scharen. Ze hebben het gesprokene gehoord en aan het eind van de Bergrede lezen wij dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer; want Hij leerde hen als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden (Matth.7:28,29). Zo is Christus begonnen met het uitspreken van de bekende Bergrede, die wij vinden in Mattheüs 5 tot en met 7.

 

De Bergrede wordt wel de ‘Grondwet van het Koninkrijk Gods’ genoemd. De rede begint met de bekende zaligsprekingen. Als mensen je zalig spreken, ach, daar heb je niets aan. Als kinderen van God je zalig spreken, ach, daar kun je God niet mee ontmoeten. Maar als Jezus je zalig spreekt, als Jezus van je afweet, dáár gaat het uiteindelijk om.

Wie spreekt Hij dan zalig?

Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden. Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden (Matth.5:1-6). Armen van geest, treurenden, zachtmoedigen, en zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, worden zalig gesproken. Leg uw hart er maar naast of u bij hen hoort.

Christus zegt niet: ‘Ze zullen zalig wórden.’ Nee, Hij zegt: ‘Ze zijn al zalig.’ Want Hij ziet Gods werk in die armen van geest, in die treurenden en hongerigen. Hij ziet er Zijn eigen werk in, ook al kunnen die treurenden en die armen van geest het er zelf vaak niet voor houden. Daarom zegt Hij: ‘Zalig zijn ze!’

 

Direct op die reeks van zaligsprekingen volgt onze tekst: Gij zijt het zout der aarde. Dat zegt Hij tot Zijn discipelen, maar daarenboven zegt Hij het ook tot de scharen.

Zout... We weten wat dat is. Daarmee wordt ons voedsel smakelijk gemaakt. Misschien gebeurt het bij jullie ook weleens, kinderen, aan tafel. Je begint te eten en zegt: ‘Hè, wat is het eten toch flauw! Het is helemaal niet lekker!’ Je moeder staat op en zegt: ‘O, ik ben het zout vergeten!’ En dan haalt ze gauw het zout, en als dat er doorheen gaat, dan is het veel lekkerder.

We gebruiken ook zout om bederf tegen te gaan. Vroeger werd veel voedsel gezouten. Als het in het zout zat, bleef het langer goed. Het vlees van de offerdieren in het Oude Testament werd er ook mee besprengd.

Zout was ook een symbool bij een plechtige overeenkomst. In het Oosten was het oudtijds de gewoonte, als er een plechtige overeenkomst – je zou kunnen zeggen: een verbond – tussen mensen gesloten werd, zout als symbool te gebruiken. Dit maakte duidelijk dat die overeenkomst blijvend was. In Gods Woord wordt dan ook wel gesproken over een ‘zoutverbond’. Dus, als wij het samenvatten: zout geeft smaak aan ons eten; zout gaat bederf tegen; en het wordt gebruikt als symbool bij een plechtige overeenkomst.

Nu zegt Christus in onze tekst: Gij zijt het zout der aarde. Dat zout wijst ten diepste op Gods kinderen, op degenen die de Heere vrezen. Zij zijn het zout der aarde. Maar, er is ook een bredere kring. Heel de schare hoort die boodschap, ik hoop daar straks nog wel op terug te komen.

Hoe wordt een mens als zout? Calvijn zegt: ‘De discipelen kregen hier de opdracht mensen te doorzouten met de hemelse leer.’ De discipelen moeten straks het Evangelie verkondigen. Ze moeten het Woord brengen tot aan de einden van de aarde.

 

Gemeente, wat is bekering? Wel, bekering is dat een mens doorzout wordt met het Woord van God. Als je iets gaat doorzouten, dan wordt het helemaal doortrokken met dat zout. Doorzout worden met het Woord wil zeggen: doortrokken worden met het Woord van God. Dat is vernieuwing van ons leven. Dat gaat niet buiten het Woord om.

Kent u dat? Wat betekent het Woord van God in uw leven? Hoe luistert u naar de prediking?

De scharen, ze hebben zo geluisterd naar Christus tijdens die Bergrede, dat ze na afloop zeiden: ‘Deze leert als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden.’

Heeft u zo weleens het Woord gehoord? U zegt dan vanuit de doorleving van uw hart: ‘Dit is een Woord met majesteit en met kracht.’

De bekering heeft twee kanten. Aan de ene kant de ontdekkende kant, en aan de andere kant de vertroostende. Als het Woord een mens gaat doorzouten, is het een ontdekkend Woord. Het maakt u bekend met uw zonde, schuld en verlorenheid. Dan blijft er een schuldige zondaar over, die voor God niet kan bestaan en vanuit het diepst van zijn hart leert zeggen: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd (Ps.51:6). Dan zegt u: ‘Ik heb al zo vaak gehoord, dat we allemaal zondaren zijn, maar nu beleef ik het. Er is droefheid in mijn hart gekomen, omdat ik tegen God gezondigd heb.’ Als u hoort bij dat zout der aarde, als het Woord van God u doorzout heeft, dan hebt u dat geleerd.

Maar er is ook een vertroostende kant van het Woord als het wordt geopend voor het schuldige hart in de weg van zalig worden. U mag dan het hoofd opheffen en zeggen: ‘Heere, dan kan het voor mij ook nog.’ Als er uitzicht komt op de Zaligmaker, Die gekomen is om te zoeken en om zalig te maken wat verloren is, dan wordt Hij zo onuitsprekelijk dierbaar. Dan wordt Christus u zo noodzakelijk, dat u niet meer rusten kunt, dan alleen in Hem.

 

Waar gaat het nu om in onze tekst? Als het Woord van God ons zo doorzout, ons zo doortrekt, dan worden we zelf ook zout. Gij zijt het zout der aarde. Dan wordt u zelf tot een zegen voor anderen. Anderen kunnen zien aan uw leven hoe goed het is om de Heere te vrezen. Want denk erom: Veel mensen die nooit de Bijbel lezen, lezen ons wel. Kunnen ze dan lezen dat de dienst van God een liefdedienst is?

Gemeente, als er zout aan het voedsel wordt toegevoegd, lost het op in het voedsel als het gekookt wordt. Het zout vermengt zich met dat voedsel, geeft er smaak aan en wordt als het ware met dat voedsel verteerd. Wie door genade écht zout geworden is, zoals Jezus hier bedoelt, is bereid om te verteren in de dienst van God, bereid om zich op te offeren. ‘Mijn hart, o, Hemelmajesteit, is tot Uw dienst en lof bereid.’ Zoals Calvijn het gezegd heeft: ‘Laat mij maar verteerd worden, als ik maar nuttig ben.’

 

Christus Zelf, de Zaligmaker, is het hoogste Voorbeeld van die zelfopoffering. Hij heeft Zichzelf opgeofferd. Niet voor vrienden, maar voor vijanden. Hij wilde verteerd worden, opdat zondaren zalig zullen worden. Als u nu door genade bij dat zout hoort, dan leert u de voetstappen van die Zaligmaker te drukken. Dan kunnen ze het op uw werk aan u zien wat het betekent om de Heere te vrezen. Dan kunnen de kinderen het merken aan moeder en aan vader, zodat ze jaloers gemaakt worden. Jongelui, als je ervoor uitkomt in je omgeving, in je studie – misschien wel op de universiteit – dan denken je medestudenten misschien wel: ‘Ja, die heeft iets, wat ik mis. Ik zou het ook wel willen hebben, ik ben er zo jaloers op.’ Als het Woord Gods u doortrekt, ontdekkend en vertroostend, dan gaat u Zijn beeld vertonen.

Gij zijt het zout de aarde, zegt Christus. Als Hij hier over ‘de aarde’ spreekt, bedoelt Hij daarmee heel de mensenwereld. Die mensenwereld waar zoveel in omgaat. Ook zoveel ellende en moeite en pijn. Als u de berichten leest over aardbevingen, dan zegt u misschien: ‘Deze aarde kreunt en zucht uit duizend wonden.’

Er gaat zoveel om in die mensenwereld! Het is een wereld vol moeite en verdriet, omdat het een wereld is vol zonde en schuld. Midden in die wereld klinkt dan het woord: Gij zijt het zout der aarde. Daarom mag u natuurlijk niet zeggen: ‘Wat er in de wereld gebeurt, gaat mij niet aan.’ Nee, we hebben een roeping om te geven, om te offeren, om noden te lenigen.

Het zout der aarde zijn betekent niet dat kinderen van God zich mogen terugtrekken uit de wereld, zoals men in de Middeleeuwen deed. Men verschuilde zich achter dikke kloostermuren. Maar men vergat dat de wereld wordt meegenomen binnen die kloostermuren. We zijn niet van de wereld – als het goed is – maar we staan wel in de wereld. Ook de discipelen mochten zich niet terugtrekken uit de wereld. Ze moesten juist uitgaan in die wereld. Zij ontvingen de opdracht: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie allen creaturen (Mark.16:15).

 

Gij zijt het zout der áárde. Dat wil zeggen: niet alleen voor Joden, maar ook voor heidenen, voor alle volkeren. Gods kinderen moeten dus smaak geven aan de aarde, aan de mensenwereld. Zonder dat zout is deze wereld, aards, smakeloos!

Jongelui, waar hebben jullie smaak in? Misschien zeg je wel: ‘Ik vind deze wereld helemaal niet smakeloos! Ik kan ervan genieten! Van mijn vakanties – hoe verder hoe liever – en van mijn hobby’s, m’n vrienden en m’n vriendinnen, en allerlei andere dingen. Ik vind deze wereld helemaal niet smakeloos!’

Ik begrijp dat je dat zegt. Maar, denk nu eens goed na. Geeft het leven, hier in deze wereld, zonder God, écht vervulling?

Ja, het kan soms een roes zijn, waarin je opgenomen wordt en waarvan je geniet. Maar als het voorbij is, blijft er dan niet vaak een leegte over? En als de dood komt wat blijft er dan over? Of denk je daar nooit over na?

Zijn er hier jongelui, die om zo te zeggen, smaak gekregen hebben in de dienst van God? We hebben gezongen: ‘Wie heeft lust de Heere te vrezen, ’t allerhoogst’ en eeuwig goed.’ Het is zo zalig om de Heere te vrezen. Zijn dienst is een liefdedienst, die werkelijk vervulling geeft aan het hart. Als je iets van die smaak hebt geproefd, dat kan ook in de kerk, onder de preek, als je helemaal meegenomen wordt met het Woord van God, als je ermee doortrokken wordt, als je iets van die smaak hebt geproefd, dan ben je toch bedorven voor de smaak van het leven zónder God?

 

Zout is ook bederfwerend, zagen we. Dat zout waarvan sprake is, bewaart de aarde nog voor de ondergang.

U zegt: ‘Wat bedoelt u?’

Ik bedoel dit: Stelt u zich eens voor dat er tien rechtvaardigen waren geweest in Sodom. Zij zijn het zout, nietwaar? Als er tien waren geweest, dan was Sodom niet verwoest. Die tien hadden als zout het bederf van Sodom geweerd. Begrijpt u? Gij zijt het zout der aarde. Er waren er geen tien meer – we kennen die geschiedenis – en Sodom werd verwoest.

Da Costa zegt in dit verband: ‘Gods kinderen zijn als kurken, waarop de wereld drijft.’ Wat bedoelt hij daarmee?

Wel, die kurken zijn bidders, dat zijn zuchters, die op stille plaatsen hun knieën buigen, en die de nood van de wereld voor de Heere neerleggen, die de nood van de wereld, de nood van Nederland, ook vooral de geestelijke nood, meenemen op hun knieën. De nood van zoveel jonge mensen die opgroeien in een wereld, waarin al minder rekening gehouden wordt met God en Zijn dienst.

Zó zijn Gods kinderen, als het goed is, als zout! Bederfwerend. Hun leven is een voorbeeld; zoals de Heere Jezus een paar verzen verder zegt: Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken (Matth.5:16). Dan worden anderen jaloers gemaakt: Mocht ik ook die dienst kennen in mijn leven! Dat lokt. Dan zien anderen wat het leven met de Heere is.

Het is verschrikkelijk als dat zout er niet meer is in Nederland, of in de gemeente. Ook al zitten we met elkaar in de kerk. Dan wordt alles zo verschrikkelijk smakeloos.

Mag u de Heere vrezen? Maar, wat zien ánderen van u? Wat lezen ze, als ze naar uw leven kijken? Een volk zonder dat zout, zonder ware Christenen, is ten ondergang gedoemd. Een gemeente is dan als een lichaam zonder leven. Wat wordt alles dan smakeloos.

 

Gij zijt het zout der aarde, zegt Christus. ‘Ja’, zegt u, ‘is dat nu alleen maar een boodschap voor Gods kinderen?’

‘Nee’, zeg ik dan, ‘nee!’ Het is een roeping voor ons allen. Wat Christus hier zegt, klinkt niet alleen maar tot de discipelen, maar ook tot de schare daaromheen, die Hem hoort, en die straks ontzet is over Zijn leer. Die schare bestaat allereerst uit Joden. Het Joodse volk had toch de roeping tot zegen te zijn in deze wereld, als het volk des verbonds?

Ja, maar die roeping komt ook tot óns. U kunt toch niet zeggen: ‘Ik durf niet te zeggen dat ik een kind van God ben, dus ik hoef geen zout te zijn?’

O, nee! De Heere heeft ons apart gezet, op het terrein van Zijn verbond. Hij heeft ons gemerkt met het teken van Christus. Onze belijdenis noemt de doop het merk- en veldteken van Christus. Hij heeft recht op ons. En daarom klinkt ook tot ons: Gij zijt het zout der aarde. U hebt zout te zijn op deze aarde. U bent ertoe geroepen, u bent ertoe verplicht. Kijk naar uw gedoopte voorhoofd!

 

Kinderen, begrijpen jullie het een beetje? Zijn jullie zout? Als je een nieuw hart mag hebben, dan hoor je bij dat ‘zout der aarde’. Dan ben je geen vechtersbaas op het schoolplein, die een ander een stomp geeft en pootje haakt, en treitert. Nee, toch? Dan kun je met anderen toch niet meedoen als ze allerlei vuile woorden gebruiken? Dan help je toch een ander? Gebeurt het weleens dat je tegen elkaar zegt: ‘We hebben een nieuw hart nodig, hè, anders kunnen we niet sterven.’

Jongelui, zijn jullie zout in je omgeving? Misschien heb je een werkkring, misschien studeer je nog. Maar wat zien anderen aan je als ze naar je kijken?

Ouderen, waar u ook staat: Gij zijt het zout der aarde. De woorden van onze tekst klinken hier uiteindelijk tot heel die schare die om Jezus heen staat.

U kunt natuurlijk zeggen: ‘Maar ik ben onbekeerd. Dan kan ik toch geen zout zijn?’

Gemeente, daar schuilt u toch niet achter weg? Dat u onbekeerd bent, dat is uw schúld. Dat is toch niet Gods schuld? Zou u durven zeggen: ‘Dat ik onbekeerd ben, is Gods schuld?’ Dat zou toch verschrikkelijk zijn?

Wat is dan de weg?

Dat u uw knieën buigt, en zegt: ‘O, God, ik moet zout zijn. Het komt U toe! Ik ben ertoe verplicht, en ik ben geen zout van mezelf. Maar maakt U mij zout, door waarachtige bekering. O, Zoon, maak mij Uw beeld gelijk!’

Laten we dit met elkaar zingen uit de Avondzang, het zevende vers:

 

O, Vader, dat Uw liefd’ ons blijk’;

O, Zoon, maak ons Uw beeld gelijk;

O, Geest, zend Uwen troost ons neer;

Drie-enig God, U zij al d’ eer!

 

Het zout der aarde. Het moet krachtig zout zijn, maar het kan, ten tweede, ook zijn:

 

2. Krachteloos zout

 

De vraag komt naar ons toe: Zijn wij krachtig zout op deze wereld en in onze omgeving? We zijn ertoe geroepen. De Heere heeft er recht op. Het komt Hem toe. Maar zout kan smakeloos worden, zegt Christus in onze tekst. Dat is dus een ernstige waarschuwing.

Let wel, het betekent niet, dat als je de Heere vreest en door genade zout geworden bent, dat het dan voorgoed over zou kunnen gaan. Dat weten we al te goed uit het Woord van God. Gelukkig houdt de Heere Zijn werk in stand. Waar Hij het goede werk begonnen is, daar zal Hij het ook voleindigen. Wij belijden, vanuit het Woord van God, met de kerk van de Reformatie, de volharding der heiligen. Het ligt vast in God.

Maar zout kan smakeloos worden, zo maakt Christus ons hier duidelijk. Dan heeft het geen krácht meer. Wij moeten nu niet denken aan zout, zoals wij dat gebruiken. Als de Heere Jezus zegt: Indien nu het zout smakeloos wordt, dan kan het in het Grieks ook zó gelezen worden: Indien nu het zout krachteloos wordt, waarmee zal het gezouten worden? Zuiver zout, zoals wij dat kennen, kan zijn kracht niet verliezen. Maar we moeten hier denken aan Palestijns zout, het zogenaamde ‘Sodomzout’, dat door verdamping gewonnen werd uit de Dode Zee.

Dat zout was samengesteld uit verschillende elementen. Door ontbinding van de samenstelling werd een deel van dat zout dan bitter en onbruikbaar en men moest het weggooien. De Joden die Jezus hier hoorden, begrepen wel wat Hij bedoelde. Indien nu het zout smakeloos wordt – krachteloos wordt – waarmee zal het gezouten worden? Smakeloos voedsel kun je smakelijk maken met zout. Maar als het zout zelf smakeloos wordt, krachteloos wordt, wat kun je er dan nog mee doen? Dan kun je er maar één ding mee doen, en dat is: het weggooien.

 

Gemeente, door genade worden Gods kinderen doorzout met het Woord van God. Wat is dat een wonder, als dat in ons leven gebeurd is. Dan is het Woord van God in ons leven geworden een kracht Gods tot zaligheid. Dan zijn we doortrokken met dat Woord. Dan is dat Woord ons lief geworden, ook al veroordeelt het ons en al zet het ons overal buiten. Maar dan zeggen we toch weleens van harte: ‘Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis, door zijne smaak én hart, én zinnen strelen.’

Maar, het zout kan weer zo smakeloos worden. Hoe dan? Ik denk aan de bruid op het bed van zorgeloosheid. Ze had zichzelf er niet meer voor over. Toen de Bruidegom weer aan de deur stond en sprak: Doe Mij open (Hoogl.5: 2).

‘Moet ik nu weer mijn bed uit, en moet ik nu weer achter Hem aan de nacht in?’

Gemeente, dat is geestelijke luiheid. We hebben onszelf er niet meer voor over! Dat kan bij kinderen van God.

 

We kunnen ook denken aan wereldsgezindheid. We hebben zo’n zoete smaak gehad in de dienst van God. Maar het zakt weg. We krijgen weer smaak in de wereld en smaak in de zonde. Denk eens aan David in zijn zonde met Bathséba! O, wat werd het zout smakeloos.

Dan is er ook geen strijden meer tegen de zonde. U laat u meeslepen. Er is geen verborgen leven meer met de Heere. Vroeger zocht u het verborgene en mocht u uw hart als het ware uitstorten voor God. En nu is het net alsof u er geen behoefte meer aan hebt. Uw gebeden worden zo vormelijk. Er is geen leven meer uit Christus. Vroeger waren er die onvergetelijke momenten dat u schuilen mocht bij Hem. Maar het is er nu weer zo ver vandaan.

Bovendien is er geen bewogenheid meer met medezondaren. U kunt uw naaste zo makkelijk verloren laten gaan. Terwijl u toch weleens iets geproefd hebt van de smaak in de dienst des Heeren. O, dan wordt het zout zo smakeloos, zo krachteloos. En de diepste oorzaak is, dat Gods kinderen zo ver bij de Heere vandaan leven.

 

Ik denk dat jullie het wel begrijpen, kinderen. Als er buiten ergens een vuurtje gestookt wordt, en je staat erbij… Wat is het dan mooi om naar die vlammen van het vuur te kijken. Als het vuurtje dan uit is, en je gaat naar huis, en je komt binnen, dan kan je moeder het merken: ‘Jij bent bij het vuur geweest.’ Hoe weet ze dat? Nou, je ruikt nog naar de rook!

Gemeente, onthoudt dit: als u dicht bij het vuur van de liefde van Christus mag leven, dan ruikt u daarnaar. Dan kunnen anderen het aan u ruiken. Weest u nu eens eerlijk, zit het daar niet al te veel op vast? Dat we zover bij Hem vandaan leven? Zou dat niet de belangrijkste reden zijn dat het zout zo smakeloos wordt? Horen onze jongelui van Gods kinderen nog hoe goed het is om de Heere te vrezen?

Onthoudt ook dit: Heel veel mensen die nooit de Bijbel lezen, lezen ons wel! O, het kan weer zover wegzakken. Eén van onze oudvaders heeft een keer geschreven dat ‘de onwedergeborene op zijn best en de wedergeborene op zijn slechtst’ op elkaar kunnen lijken. Als dat laatste waar is, wat is het dan ver weg.

Maar gelukkig: de Heere houdt toch Zijn werk in stand. Het werk Gods kan niet ondergaan, ook al kan het zout soms zo smakeloos geworden zijn. Als de Heere dan weer terugkomt in het leven van Zijn kinderen en Hij Zijn werk weer verlevendigt, dan blijven er twee dingen over. Aan de ene kant beschaamdheid: Wie ben ik geweest? O, wat heeft David zich diep, diep geschaamd toen de Heere terugkwam.

Maar aan de andere kant: verwondering. Wat is die verwondering in Davids hart groot geweest, nadat alles zo smakeloos geworden was in zijn leven en de Heere toch op Zijn werk terugkwam. Hij heeft ervan gezongen: ‘Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven.’ Dit geldt dan degenen die de Heere vrezen.

 

Gíj zijt het zout der aarde. Ik heb zojuist gezegd dat onze tekst een bredere betekenis heeft. Heel de schare – Israël; het verbondsvolk in Jezus’ dagen – hoorde die woorden. Ze komen ook tot ons, die gemerkt zijn met het merk- en veldteken van Christus. Gij zijt het zout der aarde. Hierin ligt een roeping en een verplichting.

Hoe is het dan met u? Hoe is het met jou? Kan men het zien aan je leven: Dat is iemand die het teken draagt van Christus? Bent u zout in uw omgeving? Tot zegen voor anderen?

Ach, wat zijn we toch smakeloze mensen. Wat zijn we toch wereldsgezind. Wat zijn we toch slap. Hoe kan ik nog kerkganger zijn, en tegelijkertijd zoveel mogelijk meedoen met de wereld? Dat lijkt soms de belangrijkste vraag te zijn. We willen niet opvallen, we willen niet dat anderen aan ons kunnen zien, dat we naar de kerk gaan. We schamen ons ervoor. Of, jullie nooit, jongelui?

Wat kunnen we makkelijk met de zonde mee. We zitten ‘s zondags wel in de kerk – we luisteren misschien ook nog wel aandachtig – maar doordeweeks kan niemand iets aan ons merken. En we vinden het ook wel best dat anderen het niet aan ons kunnen merken. Zo smakeloos, zo krachteloos, zijn we.

‘Ja maar… ik ben onbekeerd.’

Ik zeg nog eens: ‘Denkt u dat dit een excuus is? Denkt u dat dit een geldige uitvlucht is als u straks voor Gods rechterstoel staat? De Heere heeft alle recht op u! Het recht van God gaat heel ver en heel diep. Daar vallen we allemaal onder! We zijn gemerkt! Daar kom je nooit onderuit!’

 

Gij zijt het zout der aarde. Ik zou willen dat we daar radicaal mee vast zouden lopen. En als schuldige mensen zouden buigen voor de Heere: ‘O God, ik moet zout zijn, en ik ben het niet! Maar maakt U het mij toch!’ Dan wordt het een roepen tot God. Dát is de weg!

Wanneer het zout smakeloos is geworden, moet u eens goed lezen wat hier staat: Het deugt nergens meer toe dan om buitengeworpen en van de mensen vertreden te worden.

Het is eens gebeurd, zo las ik ergens, dat de hele zoutvoorraad van de tempel bedierf en op straat werd gegooid. Er was heel veel zout in de tempel. Al die offerdieren moesten immers eerst met zout besprengd worden. Weggooien op straat, was de manier om zich in het Oosten van huisvuil te ontdoen. Men had toen geen vuilniswagens, men gooide alle rommel gewoon op straat. Dat was vroeger in Nederland ook zo, in de Middeleeuwen bijvoorbeeld. Welnu, zo was het destijds ook in Israël. Dus de schare begreep onmiddellijk wat Jezus bedoelde.

Buitengeworpen... Zoals mensen het vuil op straat werpen en voorbijgangers erop trappen als ze over die straat lopen. Ze vertreden het! Wat is dit een aangrijpend beeld!

Smakeloos… Het is natuurlijk allemaal beeldspraak. Als u door genade werkelijk zout geworden bent, dan houdt God Zijn werk in stand. Daar hoeft u niet aan te twijfelen! Maar tegelijkertijd ligt in deze beeldspraak, dat als uw leven smakeloos is en blijft, o, dan is dit uw toekomst: Als smakeloos en krachteloos zout zult u dan voor eeuwig vertreden worden.

 

Gemeente, moet dat dan zo verder in uw leven? Wilt u zich blijven verstoppen op uw werk, of, jongeren, onder je medestudenten? Denkt u dat het zo verder kan? Met een gedoopt voorhoofd?

O, ik zeg het nog eens, opdat het tot u zal doordringen: Als dat niet verandert, zult u als smakeloos en krachteloos zout, dat op straat met het andere huisvuil weggegooid wordt, vertreden en vertrapt worden. Dat is de eeuwige pijn, de eeuwige nacht.

Niemand heeft zo indringend gesproken over de hel als Christus. Het is een vertrapt en een vertreden worden. Daar zal zijn wening en knersing der tanden (Matth.22:13). Waarom heeft juist Christus daar zo indringend over gesproken?

Wel, om de mensen wakker te schudden. Om hen aan Zijn voeten te brengen. O, laat u toch wakker schudden nu het nog genadetijd is, nu het nog de dag der zaligheid is. Nu gaat de nodiging nog uit: Wendt u naar Mij toe, en wordt behouden (Jes.45:22).

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 68 vers 17.

 

Hoe groot, hoe vreeslijk zijt G’ alom,

Uit Uw verheven heiligdom,

Aanbidd’lijk Opperwezen!

’t Is Isrels God, Die krachten geeft,

Van Wien het volk zijn sterkte heeft.

Looft God; elk moet Hem vrezen.