Ds. A.A. Brugge - Johannes 3 : 16

Alzo lief

Een evangelische genade
Een evangelische roeping
Een evangelische belofte

Johannes 3 : 16

Johannes 3
16
Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 122:1
Zingen : Psalm 99: 7
Lezen : Lukas 2: 9-20
Zingen : Psalm 31: 15, 16, 17
Zingen : Psalm 145: 6
Zingen : Avondzang: 7

Ze wezen van zich af. Wat waren het zuivere predikers, dat leger van engelen.

In groten getale zongen ze: Ere zij God in de hoogste hemelen en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.

Nu is Hij gekomen! Nu is Hij geboren! Lof zij God! Alles wat adem heeft, love de Heere!

Dit Kind zal zorgen dat wie van Hem vervreemd is – en van wie geldt dat niet – door Hem en Zijn verdiensten tot God getrokken zal worden.

Vrede op aarde. Nee, niet: ‘Alle Menschen werden Brüder’, zoals Schillers ode ‘An die Freude’ het verwoordt, maar: vrede met God. Een vrede, die alle verstand te boven gaat. Vrede door het bloed des verbonds.

In de mensen een welbehagen. Dat welbehagen begint niet op aarde. Dat ontspruit niet uit de aarde. Dat welbehagen van God richt zich op de gevallen mensheid, op de gevallen wereld. Daarvan spreken ook onze tekstwoorden.

 

Met Gods hulp wens ik u op deze Eerste Kerstdag te bepalen bij wat u vindt in Johannes 3:16:

 

Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

 

Dit ‘alzo lief’ spreekt ons over drie dingen:

1.      Een evangelische genade

2.      Een evangelische roeping

3.      Een evangelische belofte

 

In de eerste plaats staan we stil bij ‘evangelische genade’.

Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Dat heeft niemand kunnen bedenken, en dat kan ook niemand bevatten. Evangelische genade. God is de bron.

In de tweede plaats staan we stil bij ‘evangelische roeping’. Opdat een ieder die in Hem gelooft. Dat betreft hem die niet durft. Die beschroomd, die bevreesd is, die net als Nicodemus nog veel onderwijs nodig heeft.

Ten slotte staan we stil bij een ‘evangelische belofte’. Opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Hier ontvangen we, als het Woord aan het hart gezegend wordt, de voorsmaken. Wat God zegt, is waar; dat komt gewis en zeker uit.

 

1. Evangelische genade

 

Geliefde gemeente, voor ons ligt open de ongetwijfeld meest bekende tekst van de Bijbel, Johannes 3:16. Ik zou meteen de vraag willen stellen of het ook de meest begrepen en de meest beleden tekst is. We moeten niet op de klank afgaan, niet op de tonen, die we in dit vers beluisteren.

Jezus zegt in het gesprek in de nacht met Nicodemus: Zijt gij een leraar Israëls, en weet gij deze dingen niet? Wat had die man onderwijs nodig! Wie zal hem dat onderwijs geven? We kunnen veel uit boeken leren. Maar wie eerlijk is, weet: mijn verstand redt mij niet, want het is o zo bedrieglijk.

Maar er is Eén Die leert; Hij is de Leraar der gerechtigheid. Deze tekst uit dat nachtgesprek klinkt niet alleen bekend, maar ze is ook tot bemoediging voor degene die moedeloos is. Johannes 3:16 is een woord voor degene die geen helper en geen redder heeft. Want we lezen: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft.

 

Waar komt die liefde vandaan? Uit medelijden? Moet je eens kijken wat een bittere ellende, oorlogsgeweld, en natuurrampen er zijn en hoeveel psychisch leed er is! En dat álles als gevolg van het verlaten van God in Adam.

Is het medelijden van de Heere? Zo van: laat Ik nu maar zorgen dat Jezus geboren wordt om die ellende weg te nemen. Lieve vrienden, nee! Want als het uit medelijden zou zijn, zit er nog altijd een draad van het ‘ik van de mens’ in. Nee!

Is het misschien dat Hij de wereld lief heeft, omdat die wereld dat verdient? Omdat ik zo goed mijn best doe? Omdat ik nog wel wat presteer? Omdat ik toch wel probeer op mijn eigen houtje tegen de zonde, de verlokkingen en verleidingen te strijden? Het antwoord is eveneens: Nee!

 

Alzo lief gehad, dat heeft geen begin, dat heeft geen einde. Het is de Goddelijke fontein van eeuwige liefde. Het is nooit begonnen. God is Zelf liefde. Alzo lief. Dat begon toen er nog niets was. Het toont ons dat de Heere behagen heeft om wél te doen. Welbehagen, aan de wereld die Hij schiep. En wat had Hij haar lief, toen Hij zag dat het zeer goed was. Hij schiep de mens naar Zijn beeld. God en mens waren in volmaakte harmonie. Het was volmaakt. Wat een behagen had God in Zijn wereld!

 

Maar na de zondeval ziet God een wereld die Hem veracht, die Hem vloekt, die Hem vergeet, die Hem naar de rand drukt en afschrijft. Die wereld behaagt God niet; het is een wereld waarop de vloek ligt. Deze heilige en rechtvaardige God moet de zonden straffen. Hij moet het vonnis op de zonde naar recht uitvoeren.

Maar na de zondeval blijkt dat Gods liefde zich nog steeds uitstrekt tot de wereld, die bij Hem vandaan vlucht.

 

Maar weten wij van deze liefde van God, staat deze tekst in ons hart gebrand? Of leven we maar voort? Voor wat eigenlijk? We leven vaak maar voort, rollen van de ene dag in de andere. We tobben voort met al onze vragen en problemen die zich aandienen in ons gezin, op school of op ons werk; en we vergeten en negeren zo vaak onze Schepper.

 

Het leven is kort, soms heel kort, en we denken maar weinig aan de eeuwigheid. We zijn meer behept met onze eigen eer dan met Gods eer. We zijn meer bezig met onze naam dan met Gods Naam. We zijn meer bezig met de dienst aan onszelf dan met Zijn dienst.

Hoe kan God die wereld nu liefhebben? De wereld die Hem haat, die Hem veracht? En die Hem zelfs bespot? Het is immers zoals de dichter van Psalm 2 zegt: ‘De vorsten zijn vermetel saamgekomen, om God, den HEER’, zelfs naar de kroon te steken, en tegen Zijn Gezalfde op te staan.’

 

Hoe kan God dan de wereld, de kosmos, liefhebben? En toch staat het er, toch is het waar: God is liefde.

Weet u waarin God een behagen heeft? Om die vuilnisbelt van je hart, van je leven – die je misschien niet eens belijden wilt, die je niet eens onderkent, maar eerder vergoelijkt – om je ziel te trekken en te zaligen, te onderwijzen, te redden en te sparen.

 

Wat voor wereld is dat? De godsdienstige wereld! Die redeneert: Ik wil om God te vriend te houden – vergun me de uitdrukking – nog wel wat aan godsdienst doen, maar laat ik doordeweeks ook nog maar wat genieten. Laat me mijn eigen koers varen en mijn eigen paden uitstippelen. Leeft u zo? Leest u de tekst dan nog eens: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

 

Zegt u: ‘Ik leef toch netjes? Ik doe toch mijn best? Ik ben toch hier? Ik luister toch?’ Lieve vrienden, hebt u wel eens last gekregen van de wereld in uw hart? Weet u dat het bedenken des vleses alleen al vijandschap is tegen God? We willen, net als onze kinderen, alles zelf doen! Niet afhankelijk zijn! Dan leven we niet als een ‘eerlover’ van God, maar gaan we door dit leven als Zijn eerrover! Herleest u dan toch onze tekst: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

 

Misschien zegt er één onder ons, fluisterend: ‘Dominee, de wereld hier vanbinnen is nog veel erger dan wat u zegt. Nog veel walgelijker, nog veel slechter. Als ik het tegen mijn vrouw zou zeggen, zou ze haar koffer pakken en weggaan.’

Zo lief heeft God een diepgevallen schepsel gehad. Een schepsel dat zo’n wereld in zich omdraagt. En toch geeft Hij het Liefste, het Teerste, het Enige Wat Hij had.

 

De godsdienstige wereld wil het goede van God genieten, Zijn genade smaken, maar leeft er vaak slordig op los. Soms zijn ze zelfs trots op hun bevinding; ze kunnen er met smaak over vertellen aan anderen, maar de wormen kruipen eruit. Ze zeggen het niet hardop, want zo vroom zijn ze nog wel, maar in hun hart denken ze: ‘Het moet niet te diep gaan, hoor! Je moet me nog een beetje sparen. Zou de breuk bij mij misschien op een wat lichtere manier genezen kunnen worden?’

En toch klinkt onze tekst: Alzo lief heeft God zo’n wereld gehad. Om te redden heeft Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven. Dat is nu Kerstfeest. In een wereld, die zegt: ‘Dominee, u mag wel ernstig preken, hoor. Ik geef u anderhalf uur, en dan is het weer mijn tijd; dan ga ik weer mijn eigen gang.’ Zo’n wereld! Een godsdienstige wereld die zegt: ‘Als ik zeker wist dat de Heere mij genadig wilde zijn, zou ik wel op Hem vertrouwen, maar: eerst zien en dan geloven.’

Dat is een wereld, die op eigen houtje verder wil. We willen het roer van het schip zelf hanteren en het niet uit handen geven. Zo’n wereld, en toch: lief gehad!

 

Is het een wereld die naar Hem uitzag? Nee, want er was geen plaats voor Hem in de herberg. In zo’n wereld is Hij gekomen. Ja, men heeft Hem gekruisigd: ‘Weg met Hem!’ Wat ben ik blij dat in de tekst het woord ‘wereld’ staat. God had ook kunnen zeggen: ‘Alzo lief heeft God Zijn volk gehad.’ En dat is ook waar. Maar als ik zwak ben en struikel, dan kan ik me, dan durf ik me niet tot dat volk te rekenen. Maar nu zegt Jezus: Alzo lief heeft God de wereld gehad.

Hij heeft Zijn eniggeboren Zoon gegeven. Zijn Enige! Jezus, de Zaligmaker, Die Zijn weg is gegaan, gewillig, plaatsbekledend, tussentredend voor Zijn volk. Wat schittert de grondeloze liefde van de Vader in het zenden van Zijn Zoon, in het aan ons gegeven kind Jezus!

Was de Vader het verplicht? Nee! Hij heeft Zijn Kind gegeven uit zuivere liefde en barmhartigheid. De kribbe staat aan de voet van het kruis. Daartoe is Hij afgezonderd. Hij is gekomen om Zichzelf te geven, om Zichzelf op te offeren, als een Middelaar Gods en der mensen.

 

Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Wat een mooie tekst! Zo passend bij Kerstfeest. Hij is geboren! Hij is gekomen!

Waarom zouden we deze tekst nu nemen als Kersttekst? Misschien zegt u wel: ’Ik ben blij dat u nu ook eens deze tekst neemt. Het is een beetje gedurfd, maar wel passend.’

Gemeente, we moeten allen verlost worden, allemaal met belijdenis van onze schuld, de knie leren buigen voor deze Zoon van God, voor deze Heiland. Er moet wat gebeuren in ons leven tot behoudenis. En daarom: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

 

Laat satan u niet wijs maken dat er voor geen hulp is, omdat u wereldser bent dan de wereld. Nee, luister: Verlaat de slechtigheden en leeft (Spr. 9:6). Wend u tot deze door God Gezondene en word behouden, alle gij einden der aarde. Want Ik ben God en niemand meer (Jes. 45:22). Wie u dan ook bent: Wie Hem need’rig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren.

 

2. Een evangelische roeping

 

 We lezen in onze tekst: Opdat een iegelijk die in Hem gelooft. Daar staat Zijn eniggeboren Zoon in het middelpunt. Als Gods lieve Geest de naam Jezus in uw hart schrijft, kunt u plaats en tijd nooit meer vergeten. Geen naam is er zoeter en beter voor het hart! Die naam draagt mijn Heiland, mijn lust en mijn lied!
Kunt u een eindje meekomen? Gaat uw hart naar Hem, naar deze Zoon des mensen uit? Als Hij zo verkondigd wordt, doet dat dan uw hart in liefde ontvonken? Branden dan uw genegenheên? Verlangt u te horen dat Hij ook voor u gekomen is?’

 

Ik hoop dat u een goed verstand hebt en dat u veel Bijbelteksten en psalmen uit het hoofd kent. Maar, lieve vrienden, u kunt daarmee niet voor God verschijnen. Het neemt de vuilheid van uw werelds bestaan, uw diepgewortelde zondaarsbestaan niet weg.

Als u door Gods Geest eerlijk gemaakt bent, zegt u: ‘Dominee, mijn leven is de wereld en nog veel erger, ik weet: alleen gerechtigheid redt van de dood.’

 

Die in Hem gelooft.

Het is een mooi woord, maar het is ook – vergun me dat ik het zo zeg – een wat zweverig woord geworden. Die in Hem gelooft. De duivelen geloven immers ook, maar zij sidderen. De wereld gelooft ook in een hogere macht, maar dat is niet het geloof dat hier wordt bedoeld.

U kunt geloven dat de Bijbel van A tot Z de waarheid is, maar ook dat is niet het geloof dat hier wordt bedoeld. Het geloof waarover de tekst spreekt, richt zich op Hem, Gods Zoon, de Schoonste aller mensenkinderen. Dat geloof weet van een vast vertrouwen op Zijn genade.

Wat is het geloof dat hier genoemd wordt dan wel? Ik wil enkele kenmerken noemen.

 

Dit geloof gaat altijd over de vraag: Hoe word ik van mijn zonden verlost? Hoe word ik bevrijd van de wereld, die ik zo liefheb, die ik koester, waarvan ik altijd alles goedpraat? Die wereld baart mij een eeuwige nacht. De wereld is mij tot schuld geworden. Praatjes helpen mij niet meer en het baat mij niet hoe een ander over mij denkt en over mij spreekt. Heer’, ik kom tot U gevloden, ’k wacht op U in mijn ellenden.

U zegt misschien: ‘Ik zou wel komen als ik maar wist dat ik niet zal worden afgewezen.’ O, die hoogmoedige trots! O, dat alleen maar willen buigen op uw voorwaarden in plaats van onvoorwaardelijk tot Christus te gaan!

Er is er maar Eén Die de woorden heeft van eeuwig leven. Ga niet te rade bij uzelf. Ga niet te rade bij een ander. Ga tot Hem, Die u toeroept: ‘Wend u naar Mij toe. Ik ben uw Heiland!’

Gaat het u om Hem? Om Gods Zoon, Zijn Eniggeborene? Hij neemt zondaren aan, Hij ontfermt zich over doemwaardigen. Hij overbrugt de kloof tussen God en de zondaar.

 

Er staat in de tekst: Die in Hem gelooft.

Deze woorden van genade spreekt de Heere Jezus opdat men zal steunen op Zijn Middelaarswerk. Zijn middelaarswerk verzoent de overtredingen van zondaren. Een zondaar vindt in Hem niet alleen Degene Die verlossen kán, maar Die ook verlossen wíl. Die vindt in Hem verzoening, die vindt in Hem genade voor genade. Wat is het een zegen als we dat mogen weten. Wat een Heiland!

U zegt: ‘Ja, dominee, dat is waar. Zo is het als de Heere nabij is. Maar ik mis het nu zo, het wordt zo bestreden, ik sta er zo ver vandaan.’ Dat kan zo zijn. U kunt zo op de zeef van beproeving liggen, dat u zich afvraagt: ‘Zal de Heere mij niet afwijzen? Heb ik niet te grote zonden gedaan?’ Soms kan het zijn dat je voor een ander méér verwachting hebt dan voor jezelf. Maar kun je ontkennen wat er is tussen de Heere en u?

Soms heb je van die mensen die zeggen: ‘Dominee, mijn zonden zijn écht te groot.’ En dat zeggen ze niet een gemaakte manier, maar zo leeft het in het hart. ‘Het kan niet. Het kan écht niet. Als ik lees: Die in Hem gelooft, denk ik: Och, kon ik maar geloven. En dan bid ik: Ik geloof Heere, maar kom mijn ongelovigheid te hulp. Och, mocht mijn ziel zich in U verlustigen.’

 

Gemeente, ik zal u zeggen: ‘Als uw ziel zich in de Heere mag verlustigen, als het van binnen zo warm wordt, dan overtreft dat de stoutste, de heerlijkste en zaligste verwachtingen. Over mijn Heiland is de helft mij nog niet aangezegd. Zo groot is Hij!’

U zegt: ‘Ja, dat weet ik wel, hoor! Maar hoe kan ik mij die Heiland toe-eigenen?’ Vraag de Heere dan maar wat Augustinus bad: ‘Heere, wilt U van mij afnemen wat ik niet kwijt wil. En geef me wat ik niet hebben wil. Wilt U het doen, Heere? Bij U zijn toch alle dingen mogelijk?’

In elk waar geloof ligt rechtvaardiging, een toe-eigening. Het kan voelen alsof u alles kwijt bent, maar kunt u nog leven in de wereld met al zijn vermaak? Nee, toch?

 

Weet u wat onze tekst ook laat zien? Een bereidwillige Zaligmaker tegenover een onwillige zondaar. Hij is in deze wereld gekomen als een gewillige Zaligmaker, Die voor de vreugde Hem voorgesteld, het kruis heeft verdragen en de schande veracht. Hij is een gewillige Heiland voor onwillige wereldlingen. Voor zondaren, slaven in de dienst van de zonde, wil Hij Verlosser zijn.

Hoe gauw draaien wij het niet om. ‘Ik ben zo gewillig! Ik doe zo mijn best! Ik lees en bid en ik beluister nog wel eens een preekje. Wat ben ik gewillig! Ik wring mij in allerlei bochten, opdat God tot mij toch maar van genade zou willen spreken.’

Ach, we keren de zaken vaak om en lopen dan muurvast. Pas als u weet door en door zondaar te zijn en u ervaart dat Hij het niet verkeerd doet als Hij u voorbij zou gaan, wat wordt Hij dan gewillig! Gewillig voor onwilligen!

Hij is gewillig, ook voor degenen die na genade te hebben genoten en te hebben gesmaakt, vaak nog zo blind zijn. Stekeblind soms. Maar Hij wacht om genadig te zijn. Als de Heere overkomt, vluchten we in het geloof tot Hem, want alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk.

 

Met welk oogmerk, met welk doel heeft de Heere deze woorden tegen Nicodemus gezegd? Met deze tekst nodigt Hij en zegt: ‘Verlaat de slechtigheden en leef. Steun toch niet op uw eigen inzicht, maar verlaat u op Mij.’ Nooit is iemand met Hem beschaamd uitgekomen. Nooit!

Mensen vallen tegen, maar de Heere niet. Hij lokt, Hij roept nog. U zegt: ‘Maar is mijn geloof wel het ware geloof? Zal het voor de eeuwigheid voldoen? Is mijn geloof wel gewerkt door de Heilige Geest? Ik vind nog zoveel ‘wereld’ in mijn hart. Ik geloof Heere, maar komt U mijn ongelovigheid te hulp...’ (Mark. 9:24). Maar hoor, Hij zegt het toch: ‘Die in Mij gelooft.’ En over deze Jezus zegt de Vader: ‘Deze is Mijn geliefde Zoon, in Welke Ik al mijn welbehagen heb; hoort Hem.’ (Matth.17:5)

U zegt: ‘Ja, maar ik durf niet.’ Zal ik u eens wat zeggen? We zijn altijd bezig om allerlei voorwaarden te stellen, maar Christus heeft alle voorwaarden vervuld. Uit onuitputtelijke liefde heeft Hij Zich in de dood willen overgeven en heeft zo alle rechten vervuld. Opdat zondaren en zondaressen in Hem alles zouden vinden voor lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid.

Als het oog des geloofs Hem mag zien, stroomt het hart over van liefde en verwondering. Er is in Hem zoveel grootheid, rijkdom, heerlijkheid en glans!

 

Opdat een ieder die in Hem gelooft.

Bid: ‘Heere, wilt U mij trekken; leer mij U volgen, waar Gij ook heengaat. Mag ik aan Uw voeten verkeren en van U onderwijs ontvangen? Mag Uw bloed druppelen op mijn onreine hart; dat bloed dat reinigt van alle zonden?’

Hij wacht om genadig te zijn, ook op de kleinen, de beschroomden. Hij troost het hart dat schreiend tot Hem vlucht. Dan vinden we in Hem een vriendelijk Ontfermer.

 

We zingen het zesde vers van Psalm 145.

 

De HEER’ is recht, in al Zijn weg en werk;

Zijn goedheid kent in ’t gans heelal geen perk.

Hij is nabij de ziel die tot Hem zucht;

Hij troost het hart dat schreiend tot Hem vlucht;

Dat ongeveinsd, in ’t midden der ellenden,

Zich naar Gods troon met zijn gebeên blijft wenden;

Hij geeft den wens van allen die Hem vrezen;

Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen.

 

3. Evangelische belofte

 

We lezen nog eens: Opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Wat is het een groot wonder dat de Heere Jezus deze woorden uitspreekt! Deze tekst klinkt door de wereld, die draagt u in het hart. Wie verbreekt er niet onder? Het is geen mensenwoord, het komt uit Jezus mond.

Er staat: Een iegelijk, een ieder. Hoeveel? Wie?

U denk natuurlijk direct: Ja, dan moet ik wel uitverkoren zijn.

Maar nee, het gaat hier niet over wie wel en wie niet. Dat zou wel erg gemakkelijk zijn; dan zou u zich heel gemakkelijk kunnen verontschuldigen. Zo van: ‘Ik heb alles gedaan, maar God wilde niet.’ Dat zou toch erg zijn!

Weet u waarover onze tekst gaat? Over de liefde van de Vader in het zenden van Zijn Zoon en over de liefde van de Zoon, dat Hij de wereld wilde dienen. Hij kwam is de wereld en werd ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Hij heeft de wereld overwonnen.

En weet u wat er verder wordt verkondigd? De liefde van de Heilige Geest. Die in Hem gelooft, mag met de psalmdichter zingen:

 

Opdat ik U mijn rotssteen noem’,
En, delend in Uws volks genoegen,
Mij, met Uw erfdeel, blij beroem’.

 

Het gaat hier dus om de liefde van een drie-enig God.

Ik vraag u, geliefde gemeente, wie van u heeft nu nog géén lust om de Heere te dienen? Of hebt u meer lust in uw eeuwige ondergang, in uw verderf? U zult na deze nodigende woorden van de Heiland nooit meer te verontschuldigen zijn. Wat rust er dan op u een onvoorstelbaar grote verantwoordelijkheid. Ontzagwekkend! De weg geweten, en niet gegaan. Leeft u nog alleen voor het aardse, alsof er geen God is? Bent u nog volledig bezet met de dingen van deze wereld? Wat dwaas!

Is het bij u: God wat en de wereld wat?

Zoek toch de dingen die boven zijn, jaag naar de dingen die de eeuwigheid verduren! Deze tekst ruist door de wereld. Wat rust op u dan een grote verantwoordelijkheid!

Deze tekst zegt ook: ‘Wie niet in Hem gelooft, zal eeuwig verloren gaan.’

 

In onze tekst wordt Christus voorgesteld als Borg, Die zo gewillig is om te verlossen. Het zal aan de vruchten gezien worden, wie Christus tot zijn deel heeft en wie niet. Wat doen we en wat laten we? Hoe spreken of zwijgen wij? Weet: Dit is het eeuwige leven, de enige waarachtige God te kennen en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft (Joh. 17:3).

 

U vraagt: ‘Hoe leer ik Hem dan kennen?’ Weet u, Hij zoekt het verlorene! Werp u aan Zijn voeten en zoek bij Hem vergeving voor uw hemelhoge schuld. Doe zoals de dichter van Psalm 130:

 

Ik blijf den HEER’ verwachten;

Mijn ziel wacht ongestoord;

Ik hoop, in al mijn klachten,

Op Zijn onfeilbaar woord.

 

Eén is er Die redt, Eén Die zaligt; en Hij is een vriendelijk Ontfermer.

Uw behoudenis ligt niet in uw geloof, maar in Zijn spreken. We lezen in Job 33:24: Zo zal Hij hem genadig zijn en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden. Mijn behoud ligt dus niet in mijn geloof en niet in mijn belijdenis, maar alleen in Jezus Christus. Evenmin ligt ons behoud in onze doop of onze avondmaalsgang, maar alleen in het zien op Jezus.

Als u Hem zó in deze dienst mag zien, helder in uw hart, dan is er geen twijfel meer. Dan is er geen verderf meer, omdat Hij in het verderf is neergedaald. Dan roept u uit: ‘Mijn Heere en mijn God.’

 

Ik zie op naar mijn Jezus aan het kruis, als Hij roept: Waarom hebt Gij mij verlaten? Dan weet ik: opdat wij nimmer van Hem verlaten zullen worden, opdat wij niet aan verderf zullen worden overgegeven, niet aan de klauwen van de satan.

En dan zingen we:

 

't Ware leven, lieven, loven
is daar, waar men Jezus ziet.

 

En:

 

Gods verborgen omgang vinden
Zielen waar Zijn vrees in woont;
’t Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden,
Naar Zijn vreeverbond, getoond.

 

Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn (Rom.8:1). Dan mogen we zien op Hem, dan wijkt het verderf. Want het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonden (1 Joh. 1:7).

 

Alzo lief heeft God die gevallen, walgelijke mensen, die zondige wereld gehad, dat Hij Zijn Eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve maar het eeuwige leven hebbe. Opdat Hij deze wereld zou redden.

 

Dit is, dit is de poort des HEEREN;
Daar zal ’t rechtvaardig volk door treên.

 

Dan zijn de slagen die ik krijg, dan zijn de tegenspoeden die ik van God ontvang – en ik doe niets af van de ernst en de zwaarte – maar Vaderlijke kastijdingen. Dan mogen we toch zien op de Schoonste aller mensenkinderen en op Gods Vaderlijke hand. Hij zegt: In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen (Joh.16:33).

Zo’n Heiland, zo’n Verlosser hebben wij.

 

Hoe weet u dat u delen mag in de liefde Gods, die in Christus Jezus is? Als de Heere spreekt en u een zicht geeft buiten uzelf. Dan ligt het vast in de Ander. U hoeft niet te vrezen, want uw heil ligt vast in Zijn hand.

 

Nu reis ik getroost onder ’t heiligend kruis,
Naar ’t erfdeel daar Boven, in ’t Vaderlijk huis.

 

Niet verderve maar het eeuwige leven hebbe. We ervaren al de voorsmaken van dat eeuwig leven, waar we eeuwig zullen zingen. We zullen onze kronen werpen aan Christus’ voeten en eeuwige dankbaarheid zal op onze hoofden zijn.

Dan is het Kerstfeest. Hij is gekomen om mij te trekken uit de ruisende kuil en heeft mij op een rots gezet.

Dat is Kerst. Niet verderve, maar eeuwig leven hebbe.

 

Dit weet ik vast, God zal mij nooit begeven;
Niets maakt mijn ziel vervaard.

 

Amen.

 

Slotzang: Avondzang vers 7.

 

O Vader, dat Uw liefd’ ons blijk’;

O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk;

O Geest, zend Uwen troost ons neer;

Drie-enig God, U zij al d’ eer!