Ds. P. Mulder - Psalmen 25 : 7 - 8

Gebedsworstelingen bij David

Psalmen 25
De nood die de dichter beleeft
Het geloof dat de dichter belijdt
De begeerte die de dichter verwoordt
De grond die de dichter daartoe benoemt

Psalmen 25 : 7 - 8

Psalmen 25
7
Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE!
8
Teth. De HEERE is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 113: 3, 4
Lezen : Psalm 25
Zingen : Psalm 25: 2, 3
Zingen : Psalm 84: 3
Zingen : Psalm 89: 7

Gemeente, de tekstwoorden van deze te lezen preek vinden we in de voorgelezen Psalm 25 en daarvan nader de verzen 7 en 8. Psalm 25:7 en 8:

 

Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o Heere! De Heere is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg.

                                                                                  

In deze psalm, in deze tekstwoorden vinden we: Gebedsworstelingen bij David.

 

We letten op vier zaken in het bijzonder:

1. De nood die de dichter beleeft.

2. Het geloof dat de dichter belijdt.

3. De begeerte die de dichter verwoordt.

4. De grond die de dichter daartoe benoemt.

 

Gebedsworstelingen bij David. In het leven van David zijn er veel zorgen en moeiten, behoeften en noden. Daarmee zoekt hij biddend de Heere.

Zo is er ten eerste nood, die de dichter beleeft. Hij heeft vijanden. Dat is u wel opgevallen toen we deze psalm lazen. In onze tekst – vers 7 – spreekt hij over zonden en overtredingen. Het is nood voor de dichter!

Maar tegelijk, ten tweede, belijdt hij geloof. In vers 8 lezen we: De Heere is goed. Dat belijdt en gelooft hij. En de Heere is recht. Ook dat belijdt hij en gelooft hij.

Dan volgt in vers 8b nóg een geloofsbelijdenis: Hij zál – nee, niet misschien – de Heere zál de zondaars onderwijzen in de weg. David is dus zeker niet zonder geloof.

Ten derde heeft hij begeerten; die brengt hij ook onder woorden. David vraagt: ‘Heere, gedenk toch niet aan mijn zonden en aan mijn overtredingen. Blijft U die toch niet gedenken. Want ik zie ze steeds voor ogen zweven, en hoe moet dat dan?’

David heeft nog een begeerte: ‘Gedenk aan mij naar Uw goedertierenheid en om Uwer goedheid wil…’ Wilt U toch zó aan mij denken.

Ten slotte letten we op de grond die David voor zijn begeerte heeft. Zou David tegen de Heere kunnen zeggen: ‘Ja, dat moet U wel doen, want ik ben Uw kind?’ Nee, dat zegt hij niet. Of zou hij kunnen zeggen: ‘Ja, maar ik heb veel goede werken voor U gedaan, dus nu bent u iets aan mij verplicht?’ Ook dat zegt hij niet. En evenmin zegt hij: ‘Ik zit zo diep in de ellende, en nu móet U mij wel helpen. U kunt toch mijn ellende niet aanzien?’

Ook dat zegt David niet.

Wat is dan de grond waarop hij de Heere bidt het te doen? Wel, dat zegt hij in onze tekst. Om uwer goedheid wil. Naar uw goedertierenheid. De grond, de reden, waarom de Heere aan hem denken zal, ligt niet in iets van hemzelf, maar David ziet die grond buiten zichzelf liggen, in de Heere. O Heere, zegt hij aan het eind van vers 7, om Uw goedertierenheid, en Uwer goedheid wil, o Heere.

 

Zo zijn er dus gebedsworstelingen bij David. We letten ten eerste op:

 

1. De nood die de dichter beleeft

De dichter benoemt meteen al in vers 2 nood: Er zijn vijanden! Deze lijn loopt door heel de psalm heen. In vers 15 zegt hij dat zijn voeten in het net verstrikt zitten en in vers 19 tekent hij dat de vijanden vermenigvuldigen en hem haten met een wrevelige haat. Met die nood zoekt hij de Heere.

Voeten in een net. Stel je voor dat je op de hei een eindje aan het wandelen bent en je voet blijft haken, want er zit iets onder de hei verborgen, een net. Voor je er erg in hebt, zit je erin vast en je struikelt. Een stroper zou bijvoorbeeld een strik verborgen kunnen hebben, omdat hij een dier wilde vangen. Het zou ook kunnen – die indruk krijg je in onze tekst – dat het er expres neergelegd is, om iemand te laten struikelen. Een mens zou het gedaan kunnen hebben, misschien wel op ingeving van de duivel.

David had zeker wel vijanden die zoiets probeerden; hem vangen, in een net. Hij heeft veel vijanden. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen. Hun aantal neemt zelfs toe. Zij haten mij met een wrevelige haat, staat er bij. Het is niet zomaar een kleinigheid, maar ze haten mij. Het zit heel diep. Dat is zwaar wanneer iemand daarmee te maken krijgt. De dichter beleeft het als nood; het is werkelijkheid voor David. Saul, Absalom, u kunt het verder wel invullen. Er zijn ook geestelijke vijanden: de duivelen. Misschien weet u daar ook wel van. Dat kan heel benauwd zijn en het leven beheersen.

David zoekt in die nood de Heere. Daarin wijst hij de goede weg.

 

Het was een bekende psalm die we zongen, nietwaar? Onberijmd staat het in vers 4 en 5: Heere! Maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij (Ps.25:4,5). De dichter weet het niet meer. Hij weet de weg niet.

Stel dat je in een onbekende plaats ergens naar toe moet en je weet de weg niet. Dan vraag je iemand om je de weg te willen wijzen. En het is fijn wanneer iemand je dan de weg uitlegt. Misschien zet hij of zij het wel op een papiertje voor je. Dan leert iemand je de weg, hij maakt je de weg bekend.

David vraagt dat aan de Heere. Dat moeten wij ook maar vragen, nietwaar? Leer mij Uw weg. Niet mijn eigen weg, want we hebben zo allemaal ons weggetje in gedachten. En die weg kan weleens afvoeren van de weg die God bedoelt; van Zijn geboden bijvoorbeeld. Dat kán niet alleen, maar dat afwijken doen we dagelijks. Laten we maar eerlijk zijn. Wij zijn afwijkers vanuit onze natuur. Daarom is de bede zo nodig: Leer mij de weg, leert U mij Uw weg. Niet onze weg, maar Zijn weg. Van punt tot punt. Wat is dat nodig. En wat is het heilzaam wanneer de Heere dat gaat doen. Want anders blijven we verdwalen.

De dichter vraagt nóg iets in vers 5: Leid mij in Uw waarheid. Dat gaat nog een stap verder. Dan gaat het niet slechts om het leren van de weg, en dat ons de weg gewezen wordt. Maar hier wordt gevraagd om leiding te mogen krijgen. Zoals een moeder haar kind leidt naar de plaats waar het naar toe moet. Ze neemt haar kind bij de hand. Dát vraagt de dichter nu aan de Heere. ‘Leer mij, hoe ik mij zal gedragen naar Uw gebod, in deze verleidelijke mediawereld. Onderwijs mij hoe Uw gebod het vraagt.’ Maar dat niet alleen: ‘Leid mij. Laat uw Geest zo beïnvloedend op mijn denken en begeren inwerken dat ik steeds weer de goede keuze maak.’ Naar Uw waarheid. Ja, leid mij in Uw waarheid. Doet U mij toch Uw Woord recht verstaan, en het ter harte nemen. Maakt U het zo dat Uw Woord inwerkt in Mijn leven en uitwerking krijgt, zoals het is naar Uw waarheid. Dat heeft David nodig. Hij bidt erom. En wij? Zouden wij het niet ook nodig hebben? Dat geldt onbekeerden. Dat is ook zo bij Gods kinderen.

 

Het is nood voor David, in velerlei opzicht. Hij kan het zelf niet oplossen en vraagt het aan de Heere. Zo lezen we in vers 16: Ik ben eenzaam en ellendig. Hij is verlaten en ontheemd. In vers 17 voegt hij er aan toe: De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt… Dat is nogal wat. Benauwdheid… Je moet maar bijvoorbeeld astma hebben. Je kunt moeilijk ademhalen. Je kunt het dan erg benauwd hebben.

 

Vooral moeten we het geestelijk bezien: de benauwdheden mijns harten. Het lijkt wel of de duivel mij overal op de hielen zit. Of, de zonde, of, wat kan het zoal niet zijn? Vijanden… benauwdheden mijns harten… wijd uitgestrekt… In vers 18 zegt David: Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden.

We zijn nu bij Davids diepste nood. Al mijn zonden. Eigenlijk gebruikt hij daarvoor in deze psalm drie woorden. In vers 7 heeft hij het over zonden, daarna over overtredingen, en in vers 11 over ongerechtigheid. Drie woorden… jongens, meisjes, jullie voelen wel aan dat het eigenlijk in hoofdzaak over hetzelfde gaat. Maar nu ze alle drie in deze psalm afzonderlijk genoemd worden, is het wel goed om er eens met onderscheid naar te kijken.

Elke keer zegt David erbij: mijn… Misschien heb je die uitdrukking weleens gehoord: Het geloof, het ware geloof, moet ertoe komen dat we gaan ‘mijnen’. Je kunt zeggen: ‘Christus is gekomen voor de zondaren’, en dat is waar, en belangrijk, maar het moet ook eens ‘mijnen’ worden: ‘Christus is gekomen om mijn zonden te verzoenen.’ Dat is het persoonlijke, zaligmakende geloof. Het mag niet in algemeenheden blijven steken, maar het moet heel persoonlijk worden, door het werk van Gods Geest.

Zo is het ook als het over zonde gaat. We kunnen algemeen over de zonde praten: iedereen doet zonde. Maar het moet ook hier ‘mijnen’ worden. Dan heb ik het niet meer over de zonden van deze en gene, maar dan lig ik op mijn knieën vanwege mijn zonden, die ik steeds voor ogen zie zweven. ‘Want ik heb gedaan’ – daarover gaat het – ‘dat kwaad is in Uw oog.’ Dat maakt het tot nood. Zonde – ik heb ze begaan. Zo overtuigt de Heilige Geest in het leven van een wedergeboren zondaar.

 

Wat is zonde? Dat woord betekent: doelmissen. We hebben een doel in ons leven. God heeft ons geschapen opdat we Hem zouden dienen en kennen. Dat doel missen we. En dat is heel fundamenteel en levensbepalend. Doelmissen is God kwijt zijn; Gods beeld verloren hebben; het scheppingsdoel missen. Verschrikkelijk is dat!

Voelen we het weleens? Is het weleens nood? Zodat gesmeekt wordt: ‘Heere, ik moet bekeerd worden, ik moet terug op mijn weg bij U vandaan. Bekeer Gij mij!’

 

Nu had David als jongen achter de schapen al psalmen gedicht bij de harp. Hij mocht toen God dienen en Hem liefhebben. Maar nu is het blijkbaar anders. Zo kan het gaan in het leven van Gods kinderen. Dan zijn de zonden weer sterk aanwezig. Doelmissen… David voelt het, hij ‘mijnt’ het. Vanuit die nood bidt en worstelt hij! Mijn zonden, mijn ongerechtigheid, mijn overtredingen…

Hij spreekt ook over overtredingen. We begrijpen wel wat dat zijn. Als er een verkeersovertreding begaan wordt, overtreedt men de regels. Zo is dat dus ook naar de Heere toe. Overtredingen gaan tegen de wet in. Ga de geboden maar langs. Van welk gebod kunt u zeggen er onschuldig aan te zijn?

Als Gods Geest gaat verlichten, gaat dat tegenvallen. De scherpte van de wet, de breedte van de wet, en de diepte. Uw naaste liefhebben als uzelf. God liefhebben boven alles. Dat is de wet. Wat een overtredingen. Wie zou zich niet schuldig moeten gevoelen?

 

David heeft het ook over ‘mijn ongerechtigheid’. Dit zegt hij in het enkelvoud. Wat betekent ongerechtigheid? Dan moeten we terug naar de schepping. Toen was het goed; het was recht tussen God en Adam, tussen de Heere en ons mensen. De verhouding was recht. Er was sprake van gerechtigheid. Er lag niets tussen. Maar toen is de zonde gekomen. Het is niet meer recht tussen God en mensen. Wat is dat erg! Als zoiets tussen een jongen en een meisje, tussen een man en een vrouw gebeurt. Ze hadden elkaar lief. En er komt iets verschrikkelijks tussen. Ze vertrouwen en vinden elkaar niet meer. Ongerechtigheid betekent dat het niet meer recht is. Zo is het tussen de mens en zijn Schepper. Wat ligt er veel tussen. Hoe moet het dan toch tussen God en mensen?

Wat een fundamentele vraag! We moesten vanwege onze ongerechtigheid uit het paradijs weg. Dat voelt de dichter. Hij is Gods beeld kwijt, de gerechtigheid kwijt, en dan ben je vol ongerechtigheid. Het is niet op te lossen met eigen gerechtigheid. O, wat een nood!

 

In dit verband nog één punt. David zegt in vers 7: Gedenk niet der zonden mijner jonkheid. David was van jongs af aan iemand die de Heere vreesde. Waarom noemt hij dan de zonden van zijn jonkheid? Je zou toch zeggen dat dat wel mee valt.

Als er van jongs af aan veel Godsvreze mag zijn, is dat een voorrecht, iets om dankbaar voor te zijn. Maar toch, misschien later, als Gods Geest u terugleidt en het u in orde voor ogen stelt, dan zegt u: ‘O, wat was er veel doelmissen in.’ Als Gods Geest de diepte doet peilen, dan zien we: ‘Toch zo vaak niet echt God bedoeld. Van mijn jonkheid af, vanaf mijn geboorte, van mijn ontvangenis af, zoveel zonden en ongerechtigheid.’

Zo is het toch, kinderen Gods? Laat de Heere u weleens zien wie u bent, in de wortel, en waar u vandaan komt? Dan wordt het: ‘Heere, wat is toch zo’n mens als ik ben, voor U?’

 

Gebedsworstelingen bij David. In de nood die hij beleeft. We gaan naar onze tweede gedachte:

 

2. Geloof dat hij belijdt

We kunnen dus niet zeggen dat David een ongelovige is. Mag je dan zeggen: ‘Hij is een kleingelovige’? Ook dat weet ik nog niet zo precies. Hij belijdt geloof, dat is heel zeker. Daarvan is deze psalm vol. David zegt al in vers 1: Tot U, o Heere! hef ik mijn ziel op. Dat doe je niet als je geen geloof hebt. Dan zegt men vandaag: ‘Wat heb ik met God?’

David had heel veel met Zijn God. En de Heere heeft álles met hem. De Heere heeft hem opgezocht; dat is zijn levensgeheim. David ontkent dit zeker niet; hij is in waarheid een gelovige. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden. Maak mij Uw wegen bekend.

Voelt u aan hoe David worstelt? Maar tegelijk belijdt hij zijn geloof; het is praktijk. Het doet hem klemmend naar de Heere vragen. David denkt niet: ik zal het bestaan van God maar in het midden laten. Laat ik het er maar op wagen. Hij heeft ook niet een geloof dat de duivelen ook hebben. De apostel Jacobus zegt dat de duivelen geloven dat God bestaat. ‘En ze sidderen’. In het geloof van de duivelen zit geen liefde, geen ootmoed. Wel een erkenning van de almacht van God. Dat weten de duivelen doorgaans beter dan wij mensen.

Het geloof van de duivelen is het ware geloof niet. De dichter heeft het ware geloof wél. Dat geloof verbindt aan de Heere en acht Hem groot. Het ware geloof – dat merk je in deze psalm heel duidelijk – geeft een eerlijk beeld van de mens; maakt hem klein, afhankelijk en schuldig in eigen oog voor God. Het maakt hem soms zó schuldig dat hij zich verloren schat voor Gods aangezicht. Maar toch blijft hij bidden en worstelen, want het geloof is gericht op de Heere. Die tot God komt, zegt de Hebreeënbrief in hoofdstuk 11, moet geloven dat Hij is – dat Hij God is! – en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken.

Welnu, dit doet de dichter. Hij zegt: Allen die U verwachten, zullen niet beschaamd worden. Hij gelooft, hoewel hij niet zo’n verzekerd geloof heeft. Hij heeft niet zoveel gevoelszekerheid dat hij geen strijd en geen worstelingen meer kent. Integendeel; die beheersen zijn leven. Hij ervaart niet zo dat de Heer in ontferming op hem neerziet. En toch is hij er om verlegen. Gelovig zoekt hij de Heere, en vraagt Hem om genade en hulp, om Zijn zorg en hoede.

 

Het geloof dat hij belijdt. Laten we eens goed kijken naar vers 8. De Heere… In mijn Bijbel staat dat woord terecht met allemaal hoofdletters. De Heere, dat betekent Jehovah, Jahweh, de God van het verbond, de Ik zal zijn die Ik zijn zal; Vader, Zoon en Heilige Geest. De God van alle heil en genade, barmhartigheid en welbehagen, de Heere. Zo ziet hij God.

Ziet David God dan ook niet als de strenge Rechter?

Jawel, God is één. Gods rechtvaardigheid en liefde moet je niet tegenover elkaar zetten. Dat zij één geheel vormen, blijkt in vers 8: de Heere is goed en recht. Maar hier is de hoofdzaak dat de Heere, de God van het verbond, de trouw bewaart van geslacht tot geslacht. Zó gelooft David de Heere, en belijdt Hem.

De Heere is goed. Hij doet Zijn zon schijnen over bozen en goeden. Over mensen die naar Zijn geboden horen, maar ook over misdadigers. De Heere is zelfs geduldig en lankmoedig over mensen die vol onrecht zijn, en goddeloos spotten. Wat is de Heere goed.

We hebben het nu over de algemene goedheid Gods die er is voor mensen en dieren. Maar de bijzondere goedheid van de HEERE mogen Zijn kinderen van heel dichtbij ervaren. Dat de Heere goed is, heeft David wel geproefd. Heel persoonlijk, heel teer.

De Heere is goed. Hij is genadig voor een slecht mens. Hij vergeeft hun zonden en overtredingen. Hij toont Zijn nabijheid en gunst, Zijn liefde en ontferming over een afgedwaald en dwaalziek schaap. Die trouw, die goedertierenheid, is zo groot en zo diep. De Heere is vol van liefde en barmhartigheid. Hij is zo goed, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon mens heeft doen worden om ter verheerlijking van Zijn recht en deugden slachtoffer te zijn voor de zonden. Om Zijn Kerk zalig te maken.

Als je de goedheid Gods door het geloof belijden en beleven mag, word je heel klein. Want dat de Heere goed was voor Abraham, Maria, Daniël, is nog wel te begrijpen. Maar dat de Heere nou goed was voor Manasse en voor die vervolger, Saulus van Tarsen – dat is moeilijker te begrijpen. Misschien zegt u wel: ‘Dat de Heere goed is voor mij, dat is helemaal onbegrijpelijk; dat is enkel een wonder.’

 

De Heere is goed. Als ue die persoonlijke genade-goedheid door het geloof kennen mag, krijgt u als het ware ook anders oog voor Gods algemene goedheid. Dan kan het weleens gebeuren – nee, we beleven het zo niet elke dag – dat u mag zeggen: ‘Zelfs voor mijn boterham, zodat ik geen honger behoef te lijden… heeft Christus honger moeten lijden. Wat is Zijn goedheid groot en diep.’

 

Geloof dat hij belijdt. De Heere is goed én recht. Recht lijkt misschien een moeilijke zaak. Het heeft inderdaad alles te maken met rechtvaardigheid en met strengheid. De Heere is recht. Hij straft zeker de zonden. Zijn oordeel over wie in goddeloosheid voortgaat, zal verschrikkelijk zijn. Mensen die bij God en Christus wegblijven, die onbekeerlijk en ten diepste ongelovig voor zichzelf blijven leven, zullen eeuwig de straf dragen. Want God is volmaakt rechtvaardig. Hij straft de zonde. God is recht. Het zal verschrikkelijk zijn voor de vijanden van David, en wat veel aangrijpender is, voor alle vijanden van God.

Maar hoe zit het dan met de zonden van David? Want die had hij; heel lelijke zonden ook. En laten we vooral denken aan onze eigen zonden; het zijn er zo vele. Ook al zijn ze mogelijk niet zo lelijk en zo publiek bekend. Maar wie oprecht bij zijn hart is, zal zich schamen voor God: ‘Heere, als U daarnaar handelde, wie kan dan bestaan?’

Waar zijn die zonden van David gebleven? Wel, de Heere heeft ze ook gestraft, maar aan Zijn eigen lieve Zoon. Eer dat Hij ze ongestraft liet blijven, heeft Hij die aan Christus gestraft met de bittere en smadelijke dood des kruises. Het recht van God ziet geen zonden door de vingers. De toorn van God, ook over de zonden van Zijn kinderen zoals David, Daniël en Maarten Luther, moet gestild worden. De vloek der wet moet uitwoeden en voldoening krijgen.

Christus is Plaatsbekleder voor al de Zijnen. Hij draagt die straf voor hen om aan Gods recht te voldoen. En nu is God zó rechtvaardig dat Hij de zonden maar één keer straft. De zonden die Hij aan Christus gestraft heeft, straft Hij niet nog een keer aan David, of aan Petrus, of aan wie dan ook van Zijn uitverkorenen.

U kunt begrijpen dat dit heel teer ligt. Daarover moet u niet gemakkelijk denken. Ook niet heimelijk denken: ‘Nou ja, dan kun je rustig zondigen, want Christus heeft er toch voor geleden’. Zo ligt dat zeker niet! Want als beseft wordt wat het Christus gekost heeft, worden de zonden juist bitter. En dan zal er zeker verwondering zijn dat uzelf de straf niet hoeft te dragen. Misschien is er wel een tuchtiging, een terechtwijzing. Of een zodanige ontdekking die u ervaart als benauwd. Met het doel dat u iets van de diepte van uw ellendigheid leert om Christus te meer nodig te hebben en u te verwonderen over Zijn liefdegaven. Maar wat een wonder dat God de zonde niet twee keer straft. Dan gaan Gods kinderen vrijuit. Dan krijgen ze het recht van God lief. Ook hierin dat dit Recht voldoening krijgt in Christus’ offer ook tot hun verzoening.

 

Moeten we nog nadenken over de vraag of David wel geloof heeft? Dat is wel duidelijk als hij belijdt dat de Heere goed en recht is. En hij zegt er nog wat achter: Daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg. Onderwijs voor beste mensen? Nee, dat staat er niet. Voor farizeeërs? Zij meenden dat ze Jezus niet nodig hadden. Maar we kunnen ook farizeeër zijn zonder dat we het beseffen. Want we weten maar al te goed dat we zo niet mogen zijn. Maar hoe zijn we dan wel voor Gods aangezicht?

Wel, Hij onderwijst zondaars, zondedoeners, zondedenkers. Zulke mensen gaat Hij onderwijzen. Dan leren ze hun zonden en vervloeking bedenken. Als u zich nou als zondaar waarneemt, en u gaat bidden, dan moet u eens letten op wat opgemerkt wordt door Comrie, één van onze oudvaders. Hij zegt dat u zich dan moet onderdompelen in het bloed van Christus, om zo door Hem tot God te bidden. Juist zo gaat de Heere zulke zondaars, die hun zonden en vervloeking moeten bedenken, onderwijzen in de weg. In welke weg? Christus is de Weg. In Zijn bloed, in Zijn voorbidding is onderwijzing nodig. Zoekt u Hem zo te mogen kennen? Begeert u in dát geloof onderwezen te worden? David mag zo zijn geloof belijden.

We gaan nu samen zingen uit Psalm 84 het derde vers:

 

Welzalig hij, die al zijn kracht

En hulp alleen van U verwacht,

Die kiest de welgebaande wegen;

Steekt hen de hete middagzon

In ’t moerbeidal, Gij zijt hun bron,

En stort op hen een milden regen,

Een regen, die hen overdekt,

Verkwikt, en hun tot zegen strekt.

 

We staan stil bij gebedsworstelingen. David worstelt in het gebed met de Heere. Hij doet dat vanuit nood. Maar ook in geloof. Hij is geen ongelovige. En toch, hij heeft begeerten; en die brengt hij onder woorden. Onze derde gedachte is:

 

3. De begeerte die de dichter verwoordt

 

David begéért… De zaken die we bij de eerste gedachte noemden, zouden we nu ook weer kunnen noemen. Vijanden… de dichter begeert dat hij niet beschaamd zal worden, en dat die vijanden hem niet in hun net zullen verstrikken. De dichter begeert dat hij de weg mag leren; dat de Heere daarin zijn Leidsman zal zijn, Die hem in benauwdheid, ellendigheid en moeite bij hart en hand neemt. Hij vraagt of hij door de Heere eruit gehaald mag worden. Is dat ook uw en jouw begeren?

Het is nodig en heilzaam dat een mens geestelijk leert hoe groot uw zonde en ellende is. Daarbij gaat het niet om deze kennis op zichzelf. Nee, degene die echt overtuigd wordt door de Heilige Geest, moet en wil eruit verlost worden. Dát begeert hij, want zo gaat het niet goed.

Weet David dan niets van verlossing?

Ja, zeker wel. Hij zal er ongetwijfeld heel veel over kunnen zeggen. Gods kinderen begrijpen wel dat dit een aangelegen punt is. Door het geloof te mogen weten dat Hij in noden en ellenden Verlosser is. Ja, te mogen weten dat Hij mijn Verlosser is. Daarover kunnen zoveel worstelingen lopen. David begeert nu in het geloof dat te mogen ontvangen en ervaren. De kern is zijn begeerte dat de Heere niet gedenkt aan zijn zonden, noch aan zijn overtredingen.

Wat kunnen die zaken zwaar wegen! Want als de Heere dat register opentrekt, als ik gedenk aan mijn zonden en mijn ongerechtigheden, waar moet ik, waar moeten we dan blijven? Overtredingen. Wat zijn er vele. Hier tegen de wet, daar tegen het Evangelie. Als Gods Geest – want de Geest overtuigt van zonden – in geweten daarvan overtuigt en daaraan ontdekt, hoe moet het dan?

Het kan ook dat de duivel op venijnige wijze de zonden voor de voeten werpt. Maarten Luther had daarvan ook last. De duivel hield hem een onafzienbare lijst van zonden voor. Maarten kon niet anders zeggen dan dat het waar was. Maar hij had op dat ogenblik wel het geloof in oefening en zei: ‘Duivel, het is allemaal waar, en ik kan er nog meer aan toevoegen. Maar het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van al die zonden.’ Daar hebt u nu de kracht en het ‘mijnen’ van het geloof. Dat is het wonder van zekerheid omtrent de genade.

In Psalm 25 heeft de dichter dat niet. Wel vraagt hij erom. Hij zegt nu niet: ‘Dat is gebeurd, ik mag het weten, al mijn zonden zijn vergeven; ik mag het geloven, God denkt er niet meer aan’. Nee, dat zegt hij hier niet. Er kunnen weleens dingen zijn, die u begeert en waarnaar u verlangt, maar waarvan u niet durft te zeggen dat u ze bezit. Is het dan onmogelijk? Nee, bij de Heere zijn alle dingen mogelijk. En Hij is de Getrouwe en Waarachtige. Zal het dan niet gebeuren?

Ja, want Hij zal de zondaars onderwijzen in den weg, zo staat het in deze psalm. Dat mag hij in het geloof belijden. En dan vraagt hij: Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen, noch mijn ongerechtigheid.

Nee, David doet dat niet ongelovig, maar met een toevluchtnemend geloof. Dit is een oude uitdrukking, maar heel toepasselijk en helemaal waar. Hij vlucht met de nood van zijn leven, juist met zijn zondenood, tot de Heere. ‘Vergeef mij, gedenk niet aan die zonden, red mij.’ Hij heeft op dit punt geen verzekerd geloof. Hij belijdt zijn geloof niet zo: ‘Ik ben er zeker van, mijn zonden zijn vergeven en mijn overtredingen zijn weg en mijn ongerechtigheid is uitgedelgd.’ Het ligt zo teer: Wat laat Gods Geest mij geloven? Waar blijf ik op dit moment vóór staan, van verre staan? En toch is er een uitzien naar de Heere en een begeerte naar de Heere. Er is een wachten op de Heere. Misschien mag het anders worden, door Gods genade. Daar is de Heere vrij in. En zou dat dan niet het uitzien zijn?

 

David zegt verder in vers 7: Gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil. Dat begeert hij ook, dat de Heere aan hem denkt. Dat ligt héél diep. Dat is grote genade als de Heere aan een mens, aan een zondaar gedenken wil. De moordenaar aan het kruis vroeg erom. Als strafwaardige. Dat doorleefde hij. En dat beleed hij oprecht. Zo vroeg hij of de Heere hem gedenken wilde. Dat is zo onzegbaar groot als de Heere gedachten des vredes over u gaat betonen. En wanneer daar geloof voor mag zijn. Dat is waar het om gaat. De Heere gedenkt mij. Hij toont mij Zijn milde handen en vriendelijke ogen. Daar vraagt David om.

Denkt hij dat hij dat nooit zal verkrijgen? Zo mogen we dat niet uitleggen. Maar op dit moment beleeft hij het toch niet als werkelijkheid. Wel blijft hij erom vragen. Het is zijn begeren; hij heeft het zo nodig. Laat al uw begeerten bekend worden bij God, met bidden en smeken – vanuit de nood, de diepte, en de onwaardigheid – en met dankzegging – want al dat goede, Zijn genade in het verleden, zijn niet geheel weg; maar die troost en die vastheid ligt zo op afstand. Maar laat dan toch al uw begeerten, met bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God. En de apostel mag er aan toevoegen: Hij zál – hoewel mogelijk niet meteen en op de wijze die hem behaagt – al uw harten en zinnen vervullen in Christus Jezus (Filip.4:6).

 

De dichter begéért. Wat begeren wij? Jongens, meisjes, wat zouden jullie graag willen?

‘Nou ja, dat het met mijn studie goed gaat.’ Wel, dat mag je gebed zijn. En zo kun je best nog wel een aantal dingen noemen. Er zijn geoorloofde begeerten. Of je die altijd krijgt? We moeten leren: Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede (Luk.22:42). De Heere weet wat goed is.

En als we nou eens geen brood krijgen? Er zijn mensen op deze aarde die dat niet hebben. Moet je eens voorstellen, een moeder die haar kind geen brood kan geven. Wat erg, wat verschrikkelijk, is zoiets. Dat is onze zondewereld. We moeten het wereldse leven maar niet verheerlijken. Wat een ellende is er door onze zonden.

 

Wat begeer jij? Een nieuw hart? Begeer je het echt? Lees onze psalm thuis nog maar eens heel goed. Bid het maar na, vraag maar of je deze psalm leren mag, heel persoonlijk, bevindelijk. Met alle worstelingen. En met eerlijk makende genade. Je begrijpt wel wat dat is, hè? Dat Gods Geest ons eerlijk maakt voor God. Als zondaar. En dat Hij juist zo ook het geloof zal willen werken. Wat hebben we deze zaken nodig! Ook jullie.

 

Begeren... Kinderen Gods, wat is uw begeren? Gedenk niet aan mijn zonden, gedenk mijner, naar Uw goedertierenheid. Heere, mag ik daarin delen, in Uw vredegedachten. Is dat uw begeren? Stamelend misschien, ziende op eigen onwaardigheid. Maar toch. Want wat zou dat groot zijn.

 

En ook wat we in vers 21 lezen. Hij heeft oprechtheid en vroomheid nodig. Oprechtheid, eerlijkheid, integer zijn. Hij vraagt of de Heere hem dat wil geven.

En vroomheid. Dat is hier natuurlijk niet ongeveer een scheldwoord. Integendeel; in onze psalm is het zuiver en positief bedoeld. Vroom; echt met de Heere leven.

Hij begeert oprechtheid en vroomheid, dat die hem zullen behoeden. Hij wil dat de Heere hem zulke deugden maar zou willen geven. Van zichzelf heeft hij deze zaken niet. Daarom vraagt David erom bij de Heere. Oprechtheid en vroomheid. Dat die hem zullen behoeden. Voor afdwalen behoeden, zodat hij niet van de weg des Heeren zal wegdwalen maar op dat spoor zal mogen gaan. Door Gods Geest geleid.

 

Zo komen we tot onze laatste gedachte:

 

4. De grond die de dichter benoemt

 

Gebedsworstelingen bij David. We stonden stil bij nood, bij geloof, bij begeerten. En nu de grond. Die grond is eigenlijk al aangeduid toen we zojuist iets zeiden over wat er staat: Naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o Heere!

Als David zou zeggen, ‘Heere, ik heb het toch wel verdiend, want ik heb zo netjes opgepast’, dan zou hij liegen. Maar hij zou toch wel kunnen zeggen: ‘Gij weet dat ik U liefheb en daarom …...’ Dat is wel waar, maar was het altijd en voor honderd procent? Ook hier is tekort. Als David zou wijzen op zondeberouw en schuldbesef, dan kunnen we daarvan bijvoorbeeld lezen in Psalm 51, 32 en 6. Dat was daar oprecht en heel diep.

 

En als de Heere de zonden gaat vergeven, dan laat Hij eerst die zonden zien en gevoelen, zodat beseft wordt wat vergeven gaat worden. Maar tóch is dat de grond niet. Zo gaat het niet; dat voelen we wel aan. Als een rechter zou zeggen, ‘Deze man is wel een moordenaar, maar hij heeft echt berouw, en daarom zal ik hem geen straf opleggen’. Dat zou niet kunnen. Het zou in strijd zijn met de rechtvaardigheid. Het zou een beschadiging zijn van het rechtsgevoel in de samenleving.

 

Wat is dan de grond dat de Heere aan David denkt, en hem genade bewijst en vergeving schenkt? Wel, die ligt niet in iets van David, ook niet in zijn bidden, ook niet in zijn liefde, niet in zijn ijver of in wat dan ook van hem. Die grond ligt helemaal buiten David. Naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o Heere! staat in vers 7. Weer staat de naam Heere met allemaal hoofdletters. Eigenlijk moeten we ook vers 6 erbij nemen. Daarin is het zo treffend verwoord: Gedenk, Heere! Uwer barmhartigheden en Uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid. De Heere heeft eeuwige gedachten des vredes over Zijn Kerk. En die komen voort uit Zijn barmhartigheid.

Wat is dat, barmhartigheid? Dat is een brandend hart. Hier gaat het dan over de liefde van God de Vader tot David. Hij heeft hem verkoren uit eeuwige liefde. En wel zo, dat Hij Zijn Christus gaf om voor David de dood in te gaan, de straf te dragen; het leven, de verzoening en de gerechtigheid te verdienen. O, daarin ligt de grond! In de drie-enige God, in de barmhartigheid van de Vader, in de arbeid van Christus. Zo diep, zo breed, zo groot! Hij is de dood ingegaan voor de zonden van de Zijnen. En Hij is opgestaan om het leven aan het licht te brengen, en de gerechtigheid en de vrede mee te delen. Het is de Heilige Geest, Die het deelachtig maakt.

Hij werkt zó dat het hart, heel het hart, gaat ‘mijnen’. Dan wordt het: mijn zonden, mijn overtreding, mijn ongerechtigheid. En de smeekbede: ‘Gedenk mijner, naar Uw barmhartigheid over mij.’ Dan gaat het geloof, als het bevestigd wordt, ‘mijnen’. ‘Heere, wat een grote genade, dat U mijn deel wilt zijn, en mij Uw Christus schenkt. Dat U mij het geloof geeft, om dat te ‘mijnen’. Mijn Heere, mijn Zaligmaker, mijn Borg, mijn God Drie-enig, vol van liefde, trouw en genade.’

 

Dat is de grond, de drie-enige God in Christus, vanuit Zijn eeuwige barmhartigheid. Dat weet David; daarop pleit hij door het geloof. Daarnaar kijkt hij uit. Het gaat hem om de afdruk daarvan in zijn hart bij vernieuwing te mogen ontvangen. Die vaste zekerheid en heilige roem in genade mist hij op dit moment.

Is David intussen een ongelukkig mens?

Dat kunnen we niet zeggen. Maar hij heeft wel zijn noden. En daarmee worstelt hij; hij mag er mee tot de Heere gaan.

 

Jongens, meisjes, David is een gelukkig mens. Hij leeft in het strijdperk van dit leven; maar, aan de Heere verbonden. Zoek het maar, vraag er maar om. ‘Heere, mag ik U zó leren kennen?’ Dat eenvoudige versje: ‘Heer’, ai, maak mij Uwe wegen door Uw woord en Geest bekend.’ En ook: ‘Wie Hem – de Heere dus – need’rig valt te voet, zal van Hem zijn wegen leren’. ‘Want ‘t heilgeheim wordt aan Zijn vrienden, naar Zijn vredeverbond, getoond.’ Zoek toch de Heere. Het is genadetijd!

Kinderen Gods. De Heere; wat is Zijn Woord rijk! Het zoekt ons op, in onze worstelingen, en geeft herkenning, en een plaats bij de Heere. En Hij zál de zondaars onderwijzen in den weg.

 

Amen.

 

Wij zingen tot slot uit psalm 89 het zevende vers:

Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort!

Zij wand’len, Heer, in ’t licht van ’t Godd’lijk aanschijn voort;

Zij zullen in Uw naam zich al den verblijden;

Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in ’t lijden;

Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,

Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.