Ds. B. Labee - Lukas 24 : 47

De noodzaak van de Evangelieprediking

Lukas 24
Hoe er gepredikt moet worden
Wat er gepredikt moet worden
Waar er gepredikt moet worden

Lukas 24 : 47

Lukas 24
47
En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 22: 14
Lezen : Romeinen 1: 17
Zingen : Psalm 119: 7, 9, 65
Zingen : Psalm 68: 5
Zingen : Psalm 89: 7

Gemeente, de tekst voor de prediking kunt u vinden in Lukas 24 en daarvan vers 47:

 

En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.

 

We schrijven daaronder: De noodzaak van de Evangelieprediking.

 

We letten op drie gedachten:

1. Hóe er gepredikt moet worden.

Er staat dat Jezus zegt: En in Zijn Naam…..

2. Wát er gepredikt moet worden.

Jezus zegt het: En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden.

3. Wáár er gepredikt moet worden.

Er staat: onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.

 

1. Hoe er gepredikt moet worden

 

Gemeente, het is een wonderlijke ontmoeting geweest op de avond van Pasen. Lukas 24 verplaatst ons naar de avond van Pasen, de dag waarop de Zaligmaker is opgestaan uit dood en graf, en Zichzelf levend vertoond had aan Maria Magdalena, aan de vrouwen, aan Simon Petrus en aan die twee mannen naar Emmaüs. Maar de discipelen hadden Hem nog niet gezien. Wonderlijk. Ze zaten achter gesloten deuren. De deur zat op slot en er was spanning in dat gezelschap. U kunt zich dat voorstellen. Mensen die in de Paaszaal zaten hebben het gezegd: ‘Hij is waarlijk opgestaan, wij hebben het met eigen ogen gezien.’ En er waren mensen die het maar niet konden geloven. De deur was gesloten. Ze waren bang vanwege de Joden en ze konden het elkaar niet aanpraten. Petrus heeft misschien gezegd: ‘Ik heb het werkelijk ervaren’, maar hij kon de anderen niet overtuigen.

 

Gemeente, ze zaten daar achter gesloten deuren, allemaal kinderen van God. Jezus heeft Zich nooit meer in Zijn menselijke gedaante aan de wéreld getoond. Allemaal kinderen des Heeren, sommigen in het licht, anderen in het duister.

En toen dat wonder: toen heeft de Zaligmaker hen Zélf opgezocht. U kent de geschiedenis: Hij kwam.

Wat een wonder is dat, gemeente, als de Zaligmaker komt, te midden van Zijn kinderen, te midden van de christelijke gemeente. Als Hij komt op deze zondag die herinnert aan de opstandingsdag van Koning Jezus. En Hij stelde Zich in het midden.

Dat is wonderlijk: waar Jezus komt, waar Hij heerschappij heeft, staat Hij niet aan de rand, maar dan staat Hij in het midden, in het middelpunt. Daarom zegt de apostel Paulus dat hij niet anders begeerde te prediken dan Jezus Christus en Dien gekruisigd.

 

Je moet er maar op letten, jongeren. Als mensen veel over zichzelf praten en over allerlei gebeurtenissen en de Zaligmaker staat niet in het midden, ook niet in het leven van iemand die de Heere vreest – dan is het niet goed. Want Jezus stelde Zich in het midden, Hij ging spreken en Hij brak het ongeloof.

En u weet het wel: wat kostte dat de Heere veel moeite. Hij sprak: Vrede zij ulieden (Luk. 24:36)en ze konden het niet geloven. Hij kwam naderbij en ze konden het niet geloven. En Hij vroeg om iets te eten en ze konden het niet geloven. Ten slotte gaat Hij de Schriften openen en dan breekt het dierbare geloof door en dan mogen ze zien: het is de Heere, de Kurios, de opgestane Levensvorst, Hij is het Zélf! Hij komt tot ons en het wordt vrede in de ziel. Wat is dat wonderlijk.

In vers 45 vinden we het samengevat: Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden. En dan schrijven onze vaderen in de kanttekening: ‘Hij opende hun verstand, namelijk door de verlichting van Zijn Heilige Geest.’

Bent u daar ook om verlegen, gemeente? Dat de Heere in uw leven komt en Hij uw verstand opent, zodat u de Schriften mag verstaan? Misschien mag u al jarenlang onder het Woord zijn, maar verstaat u er nog zo weinig van. Wat hebben we dan nodig? De werking van Gods Geest. De Heilige Geest, die duur verworven Geest. Opdat Hij uw en mijn verstand opent, opdat wij de Schriften – Gods Woord – mogen verstaan.

 

Luther zegt: ‘Ik ben door twijfel en aanvechting de Bijbel ingejaagd om studerend en biddend door Gods Geest te verstaan.’ Gemeente, de Heere bekeert je door je de Schrift in te jagen, zegt de grote reformator. Bent u voortdurend met die zesenzestig canonieke boeken bezig? Jongeren, graaf je in de Schrift, biddend of de Heere je verstand opent, zodat je de woorden Gods mag verstaan?

 

Op de Paasavond gebeurt het. En dan staat er: De discipelen werden verblijd als zij de Heere zagen (Joh. 20:20). Wat zou de Zaligmaker allemaal gesproken hebben? Hij opende hun verstand opdat zij de Schriften verstonden (Luk. 24:45). Ja, in vers 44 zegt Hij dat het alles moest vervuld worden wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes en de Profeten en de Psalmen.

Wat zou de Zaligmaker nu allemaal hebben uitgelegd? Zou Hij gesproken hebben over Jesaja 53? Zou Hij gezegd hebben: ‘Kijk maar, dat is nu de geschiedenis van Mij, de Zaligmaker: als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders (Jes. 53:7)’? Zou Hij gesproken hebben over Psalm 110, over die verhoogde Borg en Middelaar, Die onderweg uit de beek zou drinken? We weten het niet, het staat er niet. Maar er valt licht over Jezus’ borgwerk: Hij is het van Wie heel de Schrift getuigt. ‘Het is de Heere’, en ze worden verblijd.

 

Gemeente, dan wijkt satan, dan wordt de duisternis in hun leven opgehelderd. Bent u daar ook om verlegen? We zijn allemaal in de duisternis, als wij het Licht der wereld niet kennen. Als ons verstand niet verlicht wordt, ook al hebt u genade ontvangen, dan kan het zó weer donker zijn. Donker in het leven van Gods kinderen, aardeduister. Wat hebben we dan dat Licht der wereld nodig, gemeente. Dat Jezus komt, dat Hij spreekt, dat Hij de Schriften verklaart, dat Hij met Zijn Geest uw verstand opent.

 

En dan klinken de woorden van onze tekst, vers 47: En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.

Dat woordje ‘en’ legt een verband met het voorgaande, dat we u in het kort hebben toegelicht. Eigenlijk moet u lezen: ‘En in Zijn Naam moet er gepredikt worden.’ Mag ik daar twee dingen van zeggen?

Eerst dat woordje ‘moeten’. Het is opmerkelijk, want in Lukas 24 klinkt dat woordje drie keer. Eerst in vers 26, waar we lezen: Moest de Christus niet deze dingen lijden en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? Dat is datzelfde woordje ‘moeten’. En in vers 44: En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden die Ik tot u sprak toen Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden. En zo staat het ook in vers 46: Alzo moest de Christus lijden. Drie keer staat er datzelfde woordje ‘moeten’.

Gemeente, dat is het Goddelijke moeten, dat naar Gods raad bepaald is. Heel het lijden en sterven, maar ook de opstanding van de Borg, Jezus Christus, moest geschieden. Dat had God bepaald. En eigenlijk moet u dat woordje hier terug laten keren: op diezelfde manier moet er gepredikt worden.

Dat is geen uitvinding van mensen of van de kerk. Gemeente, het is niet zo dat we ook wat anders kunnen organiseren op zondag. Nee, de Zaligmaker, Die al bijna zou opvaren naar de hemel, geeft aan Zijn discipelen – en in hen aan alle ambtsdragers na hen – nadrukkelijk de opdracht: jullie moeten gaan prediken, jullie moeten het Evangelie gaan verkondigen. Of er nu mensen op zitten te wachten of niet. Dat is helemaal niet belangrijk. Of de mensen belangstellend zijn of niet, dat is helemaal niet belangrijk. Of de kerk nu vol zit of dat er maar een handjevol mensen is, dat is niet belangrijk. Of je hier in Nederland bent of aan de einden van deze aarde, dat is niet belangrijk. Er moet gepredikt worden. Dat zegt Jezus.

 

En hoe moet er dan gepredikt worden? In Zijn Naam. Dat is in de Naam van Jezus. Er had ook kunnen staan: jullie moeten in Mijn Naam prediken, maar de zin van vers 46 loopt door in vers 47. In vers 46 wordt over Christus gesproken. En vers 47 vervolgt dan: in Zijn Naam, dat is in Christus’ Naam, moet er gepredikt worden. Voelt u het gewicht?

 

Gemeente, prediken is het werk van een ambassadeur. Al Gods knechten zijn ambassadeurs van Jezus Christus. O, wat krijgt de prediking daarmee een gewicht! Want als het goed is zijn ze door Hem gezonden. Ze zijn niet geroepen om stichtelijke verhaaltjes te vertellen. Ze zijn niet geroepen om mensen naar de mond te praten en niet om hun eigen stokpaardjes te berijden. Gemeente, ze zijn geroepen om het Woord te verkondigen, om de Persoon van Christus te prediken. Om het aanbod van genade te doen horen, om de opdracht van hun Zender ten volle te vervullen, zoals Hij het zo eeuwig waard is. En in Zijn Naam moet er gepredikt worden.

 

Voelt u ook het gewicht voor u, als hoorder? U zit hier niet vrijblijvend, of u nu jong bent of ouder; u zit hier niet vrijblijvend. Gemeente, het Woord heeft zo’n klemmende betekenis, voelt u dat? Want de prediking maakt je harder als ze geen nut doet. Elke kerkdienst waarna je zomaar weer de kerk uitgaat, als het Woord je niet geraakt heeft, maakt je harder, kouder, onverschilliger en brengt je verder bij de Heere vandaan. Wat een wonder als het anders mag zijn, als het Woord van de levende God je hart mag raken. O, die klemmende ernst voor de prediker en de hoorder!

 

Luther – mag ik hem nog een keer noemen – wilde in moedeloosheid eens ruilen met een kolensjouwer of een mijnwerker. Jonge mensen, daar moet je eens over nadenken. Kolensjouwers – die mensen werden niet oud, hè? Die mensen moesten bijna allemaal jong sterven, want dat was zwaar werk. Mijnwerkers – hoeveel mensen zullen er omgekomen zijn in de mijnen? Ze waren net zo primitief als tegenwoordig in China of waar dan ook ter wereld, waar onder slechte omstandigheden gewerkt wordt in de aarde. ‘Wel’, zei Luther, ‘ik zou liever mijnwerker worden dan te moeten prediken.’ Zo zag hij er tegenop, omdat hij het gewicht voelde: Heere, ik zal straks voor Uw rechterstoel moeten verantwoorden wat ik gepredikt heb. Maar er waren ook ogenblikken dat Luther zei: ‘Ik zou met de keizer van Duitsland niet willen ruilen. Nee, laat mij het Woord maar prediken als Gods Geest me leidt en als ik zien mag op Jezus, op die getrouwe Borg en Zaligmaker.’

 

En ook u als hoorder – misschien verlangt u wel eens naar de prediking. Maar ook als u daar nu niet naar verlangt, komt u altijd trouw naar Gods huis? Want, gemeente, de Heere wil nu wéér Zijn Woord laten prediken. En dat niet omdat er hier allemaal heilige mensen zijn, maar omdat er een heilig God is, omdat er geheiligde zondaren zijn in Christus Jezus. Omdat de Heere hier werken wil door Zijn Heilige Geest. Daarom, als het goed is, wil je niets anders dan ’s zondags naar Gods huis gaan om daar te mogen zijn waar het Woord verkondigd wordt.

 

En hoe moet dat nu precies, prediken in Zijn Naam? Wat betekent dat dan? Jezus zegt tegen Zijn discipelen: ‘U moet in Mijn Naam prediken.’

‘Ja’, zou iemand kunnen zeggen, ‘dat betekent: namens Mij.’ Dat is het óók: namens Koning Jezus zullen al die ambassadeurs arbeiden. Namens die Koning. Daarom zijn er broeders in uw midden, de kerkenraad, die geroepen zijn leiding te geven aan de gemeente namens Hem, de Koning van de kerk, Jezus Christus.

Maar het is meer. Jongens en meisjes, toen je gedoopt werd, misschien hier wel in de kerk, toen werd er gezegd: ‘Ik doop u in de Naam – daar heb je het – ín de Naam des Vaders en in de Naam des Zoons en in de Naam des Heiligen Geestes.’ Betekent dat nu automatisch dat je een kind van God bent? Dat weet je wel, hè? Je wordt niet bekeerd door de doop. Dat je nu in de kerk zit, betekent niet automatisch dat je hoort bij en deelt in de verbondszegeningen. In de Naam van Jezus; jawel, zo zijn we in deze dienst ook samen. Maar het is niet een automatisme, maar een wonder, als de Heere in ons midden wil zijn. Bent u daar om verlegen? Lieve gemeente, dat vergeet u toch niet? De Heere is u en mij niets verplicht; helemaal niets. We zijn zondaren. We zijn van God afgevallen. We zijn mensen die van nature zonder de Heere leven.

 

In Mijn Naam, dat wil zeggen: in de gemeenschap, in de zielsgemeenschap met Christus. Bent u zo in de kerk gekomen, en hebt u voordat de dienst begon thuis om een zegen gevraagd? Laat dat uw verlangen mogen zijn: ‘Heere, mag ik zo in Uw huis zijn, in de gemeenschap met Jezus Christus, in die zekere wetenschap dat ik hier zit als een zondaar die nergens recht op heeft, maar die toch niet leven kan zonder de gemeenschap met de Koning van Sion.’

Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen (Matth. 18:20), dat heeft de Heere gezegd. Zouden er twee of drie in de Naam van Jezus samen zijn, in die werkelijke zielsgemeenschap? Misschien zijn er nu in Noord-Korea wel vijf mensen in een strafkamp samen in de Naam van Jezus. De Zaligmaker is bij hen, die de zielsgemeenschap door het geloof met de Koning mogen beoefenen. Zou het nu ook hier zo mogen zijn, dat er mensen in de kerk zitten die in zielsgemeenschap zijn met Koning Jezus? Mensen die mogen luisteren en mogen weten: die Koning is geen Onbekende. Dat wás Hij wel, maar Hij is in mijn leven gekomen, Hij heeft het voor het zeggen. Hij is de Eerste in mijn leven geweest, Hij trok me uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Ik mag Hem liefhebben. Hij is gekomen in het middelpunt van mijn leven.

Is het zo in uw leven, gemeente? Mag u weten van Hem te zijn, Die Heere is en levend maakt en Die verenigt met Hem, de Koning van Sion? Bent u in de gemeenschap met Jezus?

 

Misschien mag ik het nog wat verduidelijken. De discipelen waren samen, allemaal kinderen van God, op de Paasavond. Maar sommigen waren in het licht en anderen in het duister. En weet u wat er nu nodig was? Dat Jezus kwam. En toen Hij kwam, tóén was er bij allen die zielsgemeenschap met de gezegende Koning van Sion. Behalve die ene: Thomas. Hij was er niet, hè? Hij was niet op zijn plaats, hij was niet in het gezelschap van Gods kinderen. Ik zou bijna zeggen: hij was niet in de kerk. En daardoor moest hij de genade missen die de andere discipelen wel ontvingen. Toen was Jezus er. De discipelen dan werden verblijd, als zij de Heere zagen (Joh. 20:20).

Gemeente, is dat ook uw verlangen, om in Zijn Naam zalig te zijn? Is dat uw verlangen, dat er in Zijn Naam een preek gelezen mag worden? Dat in Zijn Naam, in de zielsgemeenschap met de Koning, ook deze ambassadeur als een nietig instrument gebruikt wordt om Jezus te prediken?

 

Hoe moet er gepredikt worden? In Zijn Naam, dat is: in de Naam van Koning Jezus.

 

Maar er staat nog iets, namelijk:

 

2. Wat er gepredikt moet worden

 

Dat moet wat geweest zijn, gemeente. De Zaligmaker is maar een kort poosje in hun midden en nu heeft Hij de strik gebroken van het ongeloof waarin ze zo vast zaten. En dan gaat Hij tegen hen zeggen: ‘U moet gaan prediken.’ Dat moet wat geweest zijn. Ze waren gevlucht in Gethsémané. Ze hadden allemaal de benen genomen, ze waren allemaal bang. Johannes en Petrus waren in de zaal van Kajafas, maar wat waren ze bang, hè?

Bent u vaak ook zo bang in deze antichristelijke samenleving? Wat kruipen we vaak weg, gemeente, wat zijn we vaak beschroomd! En we durven dat Woord bijna niet te spreken.

En nu zitten ze daar, met de deur op slot. En dan zegt de Zaligmaker: ‘U moet hier niet met de deur op slot zitten, u moet gaan prediken. U moet de deur uit. Nu moet u in Mijn Naam, Mijn Naam gaan verkondigen.’

En wat moeten jullie nu precies gaan prediken? Ja, wat moeten we nu eigenlijk prediken? Wist u dat dit de vraag is van al Gods knechten? ‘Heere, wat moeten we preken zondag aan zondag’? Wel, de Heere zegt het; de Zaligmaker zegt het.

 

Hij noemt twee dingen: bekering en vergeving der zonden. De Zaligmaker vat hier de hele Bijbel in twee kernpunten samen. En wat zijn dan de kernpunten van heel de Heilige Schrift? Bekering – dat staat voorop – en vergeving der zonden; dat is het tweede. Die twee dingen moet je preken, meer niet.

Ja, gemeente, natuurlijk mag er gepredikt worden over die goede schepping. Natuurlijk mag er gepreekt worden over Gods verkiezing. Natuurlijk moet er gepredikt worden over de roeping, de rechtvaardigmaking en de heiligmaking. Alles moet gepredikt worden – mag ik het zo zeggen – vanuit die twee dingen: bekering en vergeving der zonden.

 

Er is zoveel verwarring. Sommige mensen vinden het altijd verkeerd. De één zegt dat er meer vanuit de verkiezing gepreekt moet worden, de ander wil dat juist niet. Sommige mensen willen meer ‘Jezus-prediking’ en een derde wil meer preken horen over de heiliging van het leven. Het is allemaal best, gemeente, het moet allemaal aan de orde komen als het goed is. Maar dit is de kern van het Evangelie: bekering en vergeving der zonden. Dat zegt Petrus niet, dat zegt Johannes niet, maar dat zegt de Koning van de Kerk. Dat zegt Koning Jezus. En Hij zegt: ‘Nu moet je die twee dingen gaan prediken: bekering en vergeving der zonden.’

Daar willen we nu ook over spreken, gemeente, want dat zijn nu precies de twee dingen die u niet missen kunt. Of u nu jong bent of ouder, of u nu buiten de Heere en Zijn gemeenschap leeft of in Zijn gemeenschap mag zijn. Of u er nu zin in heeft of niet, dit heeft u nodig: bekering en vergeving der zonden.

 

Bekering; dat staat hier heel treffend. Er moet niet gepredikt worden: ‘Je bent bekeerd omdat je gedoopt bent.’ Dat is groot natuurlijk, dat is een wonder, maar het staat er niet, gemeente. U moet bekeerd wórden. Of, zo staat het er eigenlijk: Bekéért u. Heel treffend en heel klemmend: Bekéért u! Zo is Johannes de Doper begonnen met zijn prediking: In die dagen kwam Johannes de Doper prediken in de woestijn van Judea (Matth. 3:1). Wat zei hij? Bekéért u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

Weet jullie wat zo treffend is, jongeren? Toen de Zaligmaker begon te prediken, is Hij ook begonnen met die woorden te zeggen. Ik noem alleen maar Mattheüs 4 vers 17: Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

 

Misschien is er nu iemand die zegt: ‘Hoe moet dat nu toch? Ik ben onbekeerd, hoe moet dat dan toch, hoe word ik bekeerd?’

Het woord ‘bekering’ heeft in de Heilige Schrift altijd twee dingen in zich. De ene kant, gemeente, is een klemmende oproep om met alles te breken wat de Heere niet behagen kan in levensstijl en in uiterlijk. Kunt u eerlijk zeggen – dat moet uw vraag maar zijn – kunt u eerlijk zeggen dat u leeft zoals de Heere dat in Zijn Woord van u vraagt? Kunt u dat nazeggen? En als dat niet zo is, dan zeg ik vandaag met grote klem: ‘Breek met elke zonde.’ Misschien is het iets kleins in onze ogen, maar voor de Heere zijn er geen kleine zonden. Gemeente, breek met dat zondige leven. Breek met alles waarvan u weet dat het de Heere niet kan behagen; dat het in de weg staat tussen uw bekering en God. Zult u het doen? Dat is het eerste.

 

Dan het tweede, dat gaat dieper. Een luipaard, zegt de Schrift, kan zijn vlekken niet veranderen, een Moorman zijn huid niet, een zondaar zijn hart niet. Bent u daar achter gekomen? Kent u die smart: ‘Heere, ik ben zo’n zondaar. Ik heb wel geprobeerd om ermee te breken en ik ben daar voortdurend mee bezig, maar het lukt me niet.’ Ik ellendig mens – dat zegt iemand die bekeerd is – wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Rom. 7:24)

Gemeente, u hebt een Verlosser nodig, een Zaligmaker. U hebt Iemand nodig, Eén in uw leven Die krachtig werkt. Bekeert u, breek met de zonde. Maar dat zijn ook mensen die smart krijgen naar de Heere, die gaan verlangen naar een Zaligmaker. Die net als de discipelen op de Paasavond verlangen dat Jezus komt, dat Hij in hun hart komt, dat Hij plaats maakt, dat Hij zegt: ‘Ik ben uw Heil alleen! Zie maar op Mij, de Zondenverdelger, de Verlosser, de Zaligmaker van zondaren. Bekeert u!’ Dan begrijpt u ook iets van dat tweede: vergeving der zonden.

 

Vergeving der zonden. Een catechisant vroeg eens waarom er in onze gemeenten altijd wordt gesproken over de zonden. ‘Is dat niet een beetje veel? Waarom begint de Heidelbergse Catechismus nu altijd met dat eerste: hoe groot mijn zonden en ellenden zijn? Kan dat niet overgeslagen worden?’

Misschien begrijpt u die vragen; daar willen we liever niet van horen. Wel, opnieuw, dat heeft Jezus geboden: Predik de bekering. Dan is het blijkbaar niet goed met ons leven. Predik de vergeving der zonden! Dan heb ik blijkbaar vergeving nodig, dan ben ik blijkbaar een zondaar.

Gemeente, omdat Jezus het gezegd heeft, wordt dat elke zondag gepredikt. En daarom zal er geen preek voorbij gaan waarin niet wordt gesproken over de vergeving der zonden.

 

Hebt u uzelf leren kennen als een zondaar? Hebt u ooit gevoeld dat u over de aarde gaat met een zondenpak op de rug, zoals Christen in de Pelgrimsreis van Bunyan? Hebt u geleerd dat we die zondenlast alleen maar groter maken? We kunnen proberen dat zondenpak wat van ons af te schudden, wat leger te maken, maar dat lukt niet! Bent u daar achter gekomen? Hebt u ontdekt dat het voor altijd verloren was, als wíj dat zouden moeten doen? Weet u werkelijk dat u een Zaligmaker nodig hebt? Bent u verlegen om de vergeving der zonden?

Ja, als we nu zouden blijven steken door alleen de zonde aan te wijzen, dan is dat ook niet naar de opdracht van de Koning van Sion. Want Hij heeft gezegd: ‘Predik de vergeving der zonden, de noodzaak ervan en de mogelijkheid ervan.’

 

Ja, het staat er niet, gemeente, maar bij de overdenking dachten we: misschien heeft de gezegende Borg Zijn discipelen wel aangekeken en gezegd: ‘Petrus, zult u nu prediken dat er wel vergeving van zonden mogelijk is?’ Dat moet Petrus wat gedaan hebben, gemeente, want hij wist dat hij een zondaar was. Petrus wist het wel. Ik ken de Mens niet (Matth. 26:72). O, dat wondere geheim; hij had vergeving ontvangen van al zijn zonden.

‘Johannes, zult u dat prediken: vergeving der zonden?’ Johannes was in de zaal van Kajafas. Jonge mensen, hij had toch niet gezondigd? Jawel, want hij had gezwegen. Misschien doe jij dat ook wel als er, op de opleiding die je volgt, gevloekt wordt. Wat zwijgen we makkelijk hè, als er lelijk gesproken wordt over God; wat lopen we rustig door. Johannes heeft gezwegen in de zaal van Kajafas. Ook hij had vergeving van zonden nodig. ‘Johannes, zult u dat preken? Nu hebt u vergeving ontvangen en zult u nu spreken van Mijn bloed, dat wast en reinigt van alle zonden?’

‘Zult u daar nou over preken, Mijn discipelen? Zullen jullie in Mijn Naam wijzen op Wie Ik ben, de Zaligmaker der wereld? Zult u prediken van Mijn gewilligheid, van Mijn kruisdood, van Mijn liefdestekenen, van Mijn doorboorde handen, van Mijn doornagelde voeten? Zult u ervan preken, opdat verloren zondaren zouden gaan verlangen naar het dierbare bloed van Jezus, dat wast en reinigt?’

 

O gemeente, u proeft het wel, als er zo gepredikt mag worden – daar ligt het hart van de prediking! Dan begrijpt u wat de apostel Paulus aan de Korinthiërs schrijft. Hij had zich namelijk voorgenomen niets anders te weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd. Hij wilde alleen over deze Jezus prediken, over Zijn bloed en over Zijn Geest. Hij wilde niets anders prediken dan de afwassing der zonden door het dierbare bloed van Jezus.

 

Mogen we u dat nu ook verkondigen? Bent u zo’n tobber, gebogen onder de zondelast? Bent u verlegen om het dierbare bloed van deze Zaligmaker? We mogen u prediken dat er bij Hem vergeving is voor de grootste der zondaren, dat er bij Hem redding is voor een verloren zondaar die niet meer weet hoe het moet. We prediken u Hem als een volkomen Zaligmaker, Die machtig is te verlossen van alle ongerechtigheid.

 

Hoe moet er nu gepredikt worden? De Zaligmaker zegt het: ‘Doe dat maar in Mijn Naam, in zielsgemeenschap met Mij.’ Wat moet u nu prediken? Twee dingen: bekering en vergeving van zonden.

 

Dat brengt ons tot het derde punt:

3. Waar er gepredikt moet worden

 

Onder alle volken, beginnende bij Jeruzalem.

 

Maar eerst gaan we zingen uit Psalm 68 vers 5:

 

Uw hoop, Uw kudde woonde daar,

Uit vrije goedheid waart Gij haar

Een vriendelijk Beschermer.

En hebt ellendigen dat land

Bereid door Uwe sterke hand,

O Israëls Ontfermer!

De Heer’ gaf rijke juichensstof,

Om Zijne wond’ren en Zijn lof

Met hart en mond te melden.

Men zag welhaast een grote schaar’,

               Met klanken van de blijdste maar’

Vervullen berg en velden.

 

De noodzaak van de Evangelieprediking: hoe er gepredikt moet worden, wat er gepredikt moet worden en waar er gepredikt moet worden.

Dan klinkt het nadrukkelijk in het slot van vers 47: Onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.

 

Wat moet dat een schok geweest zijn, gemeente, begrijpt u dat? Het merendeel van hen was nog maar nauwelijks ontwaakt uit het ongeloof. En dan zegt de Zaligmaker: ‘U moet uit dit huis gaan, waar ze samen waren, en nu moet u in Mijn Naam prediken bekering en vergeving der zonden. Ga nu maar prediken.’ Jezus wijst hen als met Zijn vinger aan. Vers 48: En gij – het is alsof Hij hen aanwijst – en gij zijt getuigen van deze dingen. En zie, Ik zend de belofte Mijns Vaders op u. Dat moeten júllie gaan prediken. Ze hebben zichzelf niet opgedrongen, maar ze zijn geroepen tot het predikambt en ze krijgen de opdracht van de Koning der Kerk mee.

 

Jongens en meisjes, hoe moet dat nu? Petrus was al bang voor een dienstmeisje, toen heeft hij zijn Zaligmaker al verloochend. Hoe moet dat nu? Moeten Petrus en Johannes gaan preken? Moet Thomas gaan preken? Thomas, die helemaal niet meer geloven kan en niet meer weet hoe het moet? Moeten deze discipelen gaan prediken, onbekwame en ongeschikte mensjes, zo onwetend en met zoveel twijfels?

Ja, zulke mensjes – wat is dat vernederend, gemeente – zulke mensjes wil de Heere nu gebruiken in Zijn goddelijke hand. Zulke mensjes stoot de Heere uit in Zijn dienst. Geen mensen die bekwaam zijn, maar mensen die onbekwaam zijn en die toch niet anders meer kunnen, omdat de Koning van de Kerk hen roept. En ook – dat mag ik er nog wel bij zeggen – omdat ze hartelijke liefde hebben tot de lieve Koning van Sion. En dan willen ze ook niets anders meer doen dan wat deze Koning van hen vraagt.

Wat is het groot als u zo dienen mag, ook als broeders ambtsdragers. Wat is het groot als u zo een taak mag hebben in het midden van de gemeente, een liefdedienst die nog nooit verdroten heeft.

 

Maar het is niet gemakkelijk. Want wáár moeten ze nu gaan prediken? Gemeente, dat mogen ze helemaal niet zelf weten. Dat voelt u wel hè, ze mogen niet zelf weten hóe ze preken, ze mogen niet zelf weten wát ze preken en ze mogen zelfs niet weten wáár ze preken. De Heere geeft hun de opdracht: onder alle volken.

Zou het niet geduizeld hebben in de hoofden van deze discipelen? Gemeente, zou het voor deze discipelen niet geduizeld hebben: onder alle volken? En als je dan maar een gewone visser bent hè, als je nu een visser bent, met weinig studie. Ze hadden geen talenkennis, echt niet. En als je dan ook nog plat praat, zoals Petrus van wie zijn spraak hem openbaar maakte – en dan naar alle volken? Het zal deze mensen geduizeld hebben. Hoeveel volken zouden ze gekend hebben? Als er gezegd was: ‘Thomas, jij moet naar India’ – dan zou hij misschien gezegd hebben: ‘India? Dat is onmogelijk; ik weet niet eens waar dat ligt.’ Als er gezegd was: ‘Petrus, jij zult straks rond trekken en je zult in Rome komen’ – ik denk niet dat hij het geloofd zou hebben, want hij was vermoedelijk nooit verder geweest dan Judea, Galilea en Samaria.

‘Hoe moet dat, Heere’? Dat is zo belangrijk. Als de Heere de opdracht geeft, zál hij volvoerd worden. Daar zorgt de Heere voor. En weet u wat het wonder is, gemeente? Dat is nog zo hoor: de Heere zorgt ervoor. De discipelen hebben de heidenen niet hoeven op te zoeken. Maar al die volkeren komen straks eerst naar hen toe, op de Pinksterdag. En dan staan daar ineens mensen uit Kreta: Kretenzen; er staan mensen uit Arabië: Arabieren; daar staan mensen uit Egypte, uit Cyrenië, vermoedelijk het huidige Noord-Afrika; daar staan mensen uit de hele wereld. God brengt al die volkeren onder de prediking van deze Petrus en de andere apostelen. De Heere zorgt ervoor. En later, ze zullen het niet geloven op dit ogenblik, maar later zijn ze gegaan op de plaats waar de Heere hen stelde. En ze hebben gediend onder al de volken.

 

Daar hebt u ook de zendingsopdracht. Daar hebt u de opdracht tot evangeliseren. Daar hebt u de opdracht om een lichtend licht en een zoutend zout te zijn op de plaats waar de Heere u stelde, om te spreken over de ene Naam Die onder de hemel gegeven is onder alle volken. Er is geen onderscheid; onder alle rassen, tongen, talen en natiën moet dit Woord gepredikt worden.

 

Beginnende van Jeruzalem. Dat is ontroerend, gemeente, dat is ontroerend: de bloedstad. Nu zegt de Zaligmaker: ‘En nu moet jullie beginnen in de bloedstad, nu moet u beginnen in de stad die Mij verworpen heeft, die geroepen en gekrijst heeft: Kruis Hem, kruis Hem! Daar moet u beginnen, daar moet u nu maar opnieuw beginnen over Koning Jezus.’

Gemeente, dat is ontroerend, vindt u niet? Mensen die niets van Jezus willen weten, die Jezus eigenhandig hebben overgeleverd en gedood, aan die mensen moet nu het Evangelie gepredikt worden. Als laatsten? Nee, als eersten! Predik nu maar aan die mensen. Wat? Bekering en vergeving der zonden.

 

Wat is dat wonderlijk! Ja, dat is naar Gods raad bepaald. Gemeente, het staat ook in de Bijbel, het is de vervulling van een profetie van Jesaja. De kanttekenaren schrijven: Dewijl de Joden voornamelijk de Messias beloofd was, en het Evangelie uit Sion en Jeruzalem moest uitgaan, want we lezen in Jesaja: Want uit Sion zal de wet uitgaan, en des Heeren woord uit Jeruzalem (Jes. 2:3).

Als de Heere nu aan Petrus gevraagd had waar hij zou willen beginnen met de prediking van het Woord? Gemeente, het staat er niet, maar ik kan me zo voorstellen dat Petrus gezegd zou hebben: ‘Mijn lieve Meester, laat me maar naar Galilea gaan, laat me daar maar beginnen, op die plaats waar ik zelf bekend ben. Ik spreek de taal, ik ben toch een Galileeër, ik ben een visser uit Galilea, laat me daar maar beginnen. Daar woont mijn familie, daar kan ik me gemakkelijk verstaanbaar maken. Daar hebt U me ook Zelf getrokken vanachter de visnetten. Daar ben ik zelf bekeerd. Mag ik daar het Evangelie eerst gaan prediken?’ Maar de Heere laat hem niet kiezen. Hij geeft hem een opdracht: Predik, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.

 

Weet u wat nu zo’n wonder is? Gemeente, daar zie ik Petrus staan op de Pinksterdag, daar gaat hij zijn eerste preek houden. Wat zou Petrus nu gaan zeggen, wat heeft hij als eerste gepreekt? De jongeren in de kerk weten wel wat de eerste woorden van Petrus waren: ‘Bekeert u!’ Wonderlijk, gemeente, dat moest hij nu precies gaan prediken: bekering en vergeving der zonden. Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in de Naam – daar hebt u het – in de Naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden (Hand. 2:38). En daar hebt u nu precies de opdracht die zijn Meester gaf: in de Naam van Jezus Christus. Daar staat hij, in geloofskracht, aangegord met Gods Geest, met het geloofsoog op de Koning der Kerk. En hij predikt die twee dingen: bekering en vergeving der zonden in de Naam van Jezus Christus. En de vrucht ging ruisen als de Libanon.

 

Gemeente, bent u nog altijd onbekeerd? De Heere laat het u nu nog een keer verkondigen: ‘Bekeert u!’ O, smeek toch om vergeving der zonden in de Naam van Jezus. Zou u niet smeken om dat wonder? ‘Heere, werk ook in mijn jonge hart’.

Hoe oud ben jij? Zes misschien, of acht, of tien; je bent niet te jong om deze Heere Jezus te leren kennen. Zou je Hem niet eerbiedig vragen om dat wonder: ‘Heere, kom dan ook in mijn hart’?

 

Of bent u misschien al oud geworden en nog altijd buiten deze Zaligmaker? Bid om het wonder dat Hij komt, dat Hij Zich in het midden stelt, dat Hij uw verstand verlicht opdat u de Schriften mag verstaan en u zien mag op Hem en de vergeving van de zonden.

Schreeuwt uw ziel naar deze Zondeverdelger? O, vraag of deze Borg uw blinde zielsogen opent, opdat u Hem in het oog mag krijgen. Geloofsogen wel te verstaan, zodat u zalig mag zijn in deze Zaligmaker.

 

En mag u iets weten van deze genade; mag u weten van deze twee kernzaken: de bekering en de vergeving der zonden? Zijn die twee dingen u niet onbekend? Wat een wonder. O, dan geve de Heere een teer leven, dicht bij Hem, in ware dankbaarheid. Daar eindigt Lukas 24 mee: En zij waren allen tijd in de tempel. Wonderlijk; ze krijgen de tempel lief, terwijl er zoveel aan de hand is in de tempel, terwijl er zoveel mensen zijn die van Jezus niet willen weten, terwijl de oversten van de tempel, de overpriesters, de Hogepriester Jezus verworpen hebben. Ja, ze zijn toch in de tempel, bij die heilige gebouwen waar de Heere werkt en werken zál.

En dan staat er: lovende en dankende God. Gemeente, daar zal het op uitlopen. Als u iets mag weten van de bekering en de vergeving der zonden, dan komt er een onuitsprekelijk heimwee in de ziel om God te gaan loven. Dat is God de Vader Die verkoor; dat is God de Zoon Die Zijn dierbaar bloed stortte; dat is God de Heilige Geest Die in hun hart werkte. Mijn God, U zal ik eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan.

 

Ze zijn dienstbaar gesteld in de bediening van de verzoening, al die discipelen. Allemaal verschillend, allemaal eigen gaven, maar ze hebben gedaan wat Jezus sprak. En het Woord is door de hand van de Middelaar gelukkiglijk voortgegaan. En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de hele wereld gepredikt worden, ook vandaag, tot een getuigenis voor alle volken. Ook voor u, gemeente!

En dan, als dat Evangelie van bekering en vergeving der zonden heel de wereld rond is gegaan, dan zal het einde zijn.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89:7

 

Hoe zalig is het volk dat naar Uw klanken hoort!

Zij wand’len, Heer’, in ‘t licht van ’t Godd’lijk aanschijn voort;

Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden;

Uw goedheid straalt hen toe; Uw macht schraagt hen in ’t lijden;

Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,

Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.