Ds. C. Harinck - Jeremia 8 : 7

Drie lessen van de trekvogels

Zij weten wanneer zij moeten trekken
Zij weten waarom zij moeten trekken
Zij weten waarheen zij moeten trekken

Jeremia 8 : 7

Jeremia 8
7
Zelfs een ooievaar aan den hemel weet zijn gezette tijden, en een tortelduif, en kraan, en zwaluw, nemen den tijd hunner aankomst waar; maar Mijn volk weet het recht des HEEREN niet.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 19: 1
Lezen : Jeremia 8
Zingen : Psalm 81: 11, 13, 14, 15
Zingen : Psalm 43: 4
Zingen : Psalm 84: 4

Gemeente, na de zomer is het weer herfst geworden. We zien daarin de trouw des Heeren, dat zomer en winter niet zouden ophouden. De herfst brengt veranderingen met zich mee. We zien de bladeren vallen en we zien de vogels vertrekken. Ze verlaten ons; ze gaan naar andere oorden, meestal naar zuidelijker oorden.

We kunnen veel leren van de trekvogels. God stelt ze als een voorbeeld voor ons. Zo vinden we dat in Jeremia 8 vers 7:

 

Zelfs een ooievaar aan de hemel weet zijn gezette tijden, en een tortelduif en kraan en zwaluw nemen de tijd hunner aankomst waar, maar Mijn volk weet het recht des Heeren niet.

 

We willen letten op: Drie lessen van de trekvogels.

 

1. Zij weten wanneer zij moeten trekken
2. Zij weten waarom zij moeten trekken
3. Zij weten waarheen zij moeten trekken

 

1. Zij weten wanneer zij moeten trekken

 

Evenals de voorafgaande hoofdstukken staat ook hoofdstuk 7 in het teken van de afval door het volk van Juda van de Heere en het verlaten van Zijn wegen en het dienen van de afgoden. De profeet verwijt in dit hoofdstuk het volk van Juda vooral hun onbekeerlijkheid. Hoewel zij Gods oordeel reeds hebben ondervonden, bekeerden zij zich niet van hun afgoden en zonden.

Nebukadnézar had reeds het beleg rondom de stad geslagen. Hij nam de stad echter niet in en verwoestte niets. Dit kwam omdat koning Zedekia beloofde hem trouw als een vazal, als een knecht, te dienen. Nebukadnézar is toen weer met zijn legers teruggegaan naar Babel. Hij nam alleen enige van de voornaamsten met zich mee en al de smeden.

U zult zeggen: ‘Waarom heeft hij al die smeden meegenomen?’ Wel, dat was omdat men dan in Jeruzalem en Juda geen wapens meer zou kunnen maken. Israël had dus reeds ondervonden dat de dreigingen van de Heere geen loze woorden waren. Toch bekeerden zij zich niet tot de Heere. De profeet vraagt dan in de Naam des Heeren, wat we lezen in vers 4 van dit hoofdstuk: Zo zegt de Heere: Zal men vallen, en niet weder opstaan? Zal men afkeren, en niet wederkeren? Als iemand valt, dan staat hij toch weer op? Als iemand de verkeerde weg inslaat, dan keert hij toch op zijn schreden terug?

Nu, zegt de Heere: Waarom keert dan dit volk te Jeruzalem af met een altoosdurende afkering? Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren weder te keren (Jer. 8:5).

Juda en Jeruzalem wordt dus hun onbekeerlijkheid verweten. Er was geen inkeer; er was geen berouw. Er was geen breken met de dienst van de afgoden. Men ging voort in het verlaten van God en Zijn wegen.

Dan maakt de profeet in de Naam des Heeren het volk een verwijt. Het verwijt van onze tekst: Zelfs een ooievaar aan de hemel weet zijn gezette tijden en een tortelduif en kraan en zwaluw nemen de tijd hunner aankomst waar, maar Mijn volk weet het recht des Heeren niet. God stelt tot beschaming van Juda hen de trekvogels ten voorbeeld.

 

De profeet zegt van de trekvogel: Zij nemen de tijd van hun aankomst waar. Zij gebruiken de gelegenheid om op tijd te vertrekken, voordat de winter invalt. Zij weten precies de tijd wanneer ze willen en moeten vertrekken. Dat is eigenlijk een groot wonder. Met nooit falende zekerheid weten de trekvogels: Nú is het tijd om te vertrekken. Hun instinct, van God geschonken, vertelt hen dat.

Zij weten, zegt de profeet, hun gezette tijden. Maar, zegt de Heere, Mijn volk weet het recht des Heeren niet. De dieren beschamen het volk van Juda. Juda weet immers zo veel meer dan de trekvogels. Juda bestaat niet alleen uit mensen, begiftigd met een verstand en een rede, maar het volk is in bezit van het recht des Heeren. Ze hebben het Woord van God in de Thora. Ze bezitten de boodschap van de profeten.

De tempel is in hun midden. De altaren, waarop de lammeren geofferd werden, die Christus uitbeelden. Ze hebben uit de mond van de profeet Jeremia de genadige nodiging van God gehoord: Keert weder, gij afkerige kinderen! (Jer. 3:22). Ze hebben de belofte gehoord: Ik zal uw afkeringen genezen (Jer. 3:22).

Ondanks dit alles verlieten zij de dienst van de afgoden niet en keerden zij niet terug tot de Heere.

 

Ter beschaming wijst de profeet hen op de trekvogels. Zelfs een ooievaar aan de hemel weet zijn gezette tijden, en een tortelduif en kraan en zwaluw nemen de tijd hunner aankomst waar. Het gaat over vier verschillende vogels, die in de tijd van de profeet Jeremia in Palestina voorkwamen. Nu is er wel heel veel veranderd, maar deze vogels komen er nog steeds voor. De ooievaar, de tortelduif, de kraanvogel en de zwaluw. Het zijn allen trekvogels. Ieder jaar trekken zij vanuit een koud klimaat naar een warmer klimaat.

 

Ook ons land kent verschillende trekvogels die ons in de herfst verlaten. Al deze vogels hebben één zelfde eigenschap: zij nemen de tijd van hun aankomst waar. Zij weten hun gezette tijden. Zij nemen de gelegenheid waar. Ze weten wanneer zij moeten vertrekken.

In de herfst vertrekken ze. Ze komen eerst samen en vormen groepen van honderden, soms wel duizenden. Hoe ze dit met elkaar afspreken, niemand weet het. Maar ze schijnen als het ware op elkaar te wachten. Ze wachten ook op een geschikte tijd. Dikwijls wachten ze op een bepaalde stroming in de atmosfeer, en dan vertrekken ze. Sommige naar plaatsen, honderden kilometers ver en enkelen wel duizenden kilometers ver.

Trekvogels hebben allen een impuls in zich, een soort van biologische klok, die zegt: Nu is het tijd om te vertrekken. God heeft ze dit gegeven. Voor ons is het een raadsel. Maar ze weten hun gezette tijden. Al die vogels weten wanneer ze moeten vertrekken. Ze bouwen in de zomer hun nest, ze brengen hun jongen voort, maar in de herfst vertrekken ze, meest naar warmere landen om hier aan de winter te ontkomen.

Ze nemen de tijd hunner aankomst waar. Ze gebruiken de gelegenheid. Ze gaan op tijd, voordat de winter invalt en er voor hen geen voedsel meer te vinden is.

Maar Mijn volk weet het recht des Heeren niet, zegt God. Juda is dwazer dan de trekvogels, die weten wanneer ze moeten vertrekken. Maar Israël schijnt niet te weten wanneer ze zich tot God moeten bekeren.

 

De trekvogels zeggen: Nu is het tijd; nu moeten we gaan. Het volk van Juda heeft reeds Gods oordeel ondervonden. Ze zijn door de profeet Jeremia gewaarschuwd. De profeet heeft het verkondigd: ‘Indien ze zich niet bekeren, dan zal bij het volgende beleg Jeruzalem verwoest worden.’ Zó verwoest worden, als we het hoorden voorlezen. ‘De beenderen zullen uit hun graven worden gehaald; men zal de dood verkiezen boven het leven.’ En toch zegt het volk van Juda niet: ‘Nu is het tijd om ons te bekeren.’ Nog zeggen ze niet: ‘Nu moeten we de gelegenheid waarnemen, nu het nog kan.’ Ze gebruikten de tijd niet. Ze waren dwazer dan de trekvogels.

 

Gemeente, dat leert ons allereerst dat God aan mensen een bepaalde tijd geeft om zich te bekeren. Heel duidelijk wordt ons dat als we letten op Jezus, Die bovenop de Olijfberg stond en neerkeek op de stad Jeruzalem. Toen Jezus de stad zag, begon Hij te wenen. Het woord wil zeggen: De tranen liepen over Zijn wangen. Toen Hij de stad zag, zei ijHij: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! (Luk. 19:42). En Hij zei: … en zij zullen in u de ene steen op de andere steen niet laten (Luk. 19:44).

Waaróm zou dat gebeuren? Dan vervolgt Jezus: Daarom, dat gij de tijd uwer bezoeking niet bekend hebt (Luk. 19:44). Dat lijkt een ongunstig woord, maar dat is het niet! Er wordt hier eigenlijk gezegd dat ze de goede gelegenheden niet hebben waargenomen. Dat ze de tijd van Gods genadig bezoek niet gewaardeerd hebben. Want God bezocht hen.

De priester Zacharias zong er van: Geloofd zij de Heere, de God Israëls, want Hij heeft bezocht en verlossing teweeggebracht Zijnen volke (Luk. 1:68).

De Zoon van God was in hun midden. De lang beloofde Messias was gekomen. En Hij predikte en werkte in hun midden. Ze hoorden van Hem de boodschap van Gods genade, zo helder als men nog nooit tevoren gehoord had. Zij hoorden Jezus zeggen: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:16).

Ze hoorden een krachtige en een lieflijke prediking, die vergezeld ging van een ernstige aandrang tot bekering en tot geloof. De dagen van Jezus’ omwandeling waren voor de kinderen van Israël dagen van gróte gelegenheid om zich tot God te bekeren en in Christus te geloven.

 

En zo zijn er tijden, tijden voor volkeren en ook tijden voor mensen persoonlijk, waarin de Heere hen grote gelegenheid geeft om Hem te zoeken en zich tot Hem te bekeren. Tijden waarin de Heere Zich in het bijzonder met ons schijnt te bemoeien. Dat is bijvoorbeeld de tijd van dood en van rouw in het gezin. De tijd van kruis en van tegenspoed. God roept dan op een bijzondere wijze.

Hij roept dan krachtig: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop (Openb. 3:20). We horen in al die beproevingen de boodschap: Keert weder, gij afkerige kinderen; Ik zal uw afkeringen genezen (Jer. 3:22).

Tijden van gelegenheid zijn tijden waarin ons geweten spreekt. Wanneer de boodschap ons onrustig maakt. Wanneer we gevoelen: Het moet anders met mij worden. Tijden waarin we diepe indrukken hebben van dood en van eeuwigheid. Gelegenheden zijn verder ook tijden in je jeugd. Dan is het geweten nog teer. Dan kunnen er zulke diepe indrukken zijn van dood en eeuwigheid. Dan is er een besef en gevoel van het geluk van Gods kinderen en van het goede van de dienst des Heeren.

Het zijn allemaal tijden en gelegenheden die God aan mensen geeft om zich te bekeren.

 

De vraag is nu: Zijn wij even wijs als de trekvogels? Nemen wij de tijden en de gelegenheden waar? Of nemen wij ze niet waar? De trekvogels gebruiken de gelegenheid. Zij vertrekken op tijd en ze weten waaróm ze moeten vertrekken.

 

2. Zij weten waarom zij moeten trekken

 

Waarom doen ze dat? Waarom verlaten die trekvogels ons? (laten we maar blijven bij ons eigen land) Ze hebben het hier toch goed? Ze hebben hier hun nesten gebouwd; ze hebben hier hun jongen grootgebracht; hier is toch hun thuis? Waarom verlaten ze ons dan? Omdat ze weten: de winter komt, dan is er geen voedsel meer voor ons. Ze weten: als we hier blijven, dan zullen we sterven. Het is bij die trekvogels vertrekken of sterven.

 

Gemeente, zo is het bij ons eigenlijk ook. Het is je bekeren óf eeuwig omkomen, want: Die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden (Joh. 16:16). Wat beschamen ons de trekvogels. Zij nemen de tijd hunner aankomst waar. Zij weten wanneer ze moeten vertrekken en waaróm ze moeten vertrekken. Zij gebruiken de gelegenheid die hun gegeven wordt om naar warmere streken te vliegen.

Ze nemen de gelegen tijd waar. Ze weten: de winter is aanstaande.

Wij weten ook dat de winter aanstaande is. De dag dat de dood op onze deur zal kloppen. De dag dat we rekenschap voor God zullen moeten afleggen. En wat doen wij?

Gebruiken we de genadetijd? Horen we naar de oproep van bekering en geloof?

Want ook voor ons dreigt het gevaar. Ook voor ons is de winter aanstaande.

Wanneer we sterven terwijl wij niet geborgen zijn in Christus, als het bloed dan niet aan de posten van de deuren is, wat zal het dan vreselijk zijn om God te ontmoeten!

En toch zijn wij dwazer dan de trekvogels. Wij nemen de tijd niet waar. Hoe komt dat? Omdat we ten diepste niet beseffen waaróm we ons moeten bekeren en waaróm we moeten geloven. We zien het gevaar niet waarin we verkeren. De trekvogels wéten waarom ze ons moeten verlaten. Zij beseffen het gevaar van de winter, met zijn koude en bevroren akkers en wateren.

 

Gemeente, we moeten aan het gevaar ontdekt worden. We moeten zien hoe de zaken staan tussen God en onze ziel. Wat is het nodig dat de Heere ons heilig wakker schudt! In de dag van de bekering wórden we wakker geschud. De boodschap van God zal ons dan innerlijk raken. Die boodschap die zegt: Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus (2 Kor. 5:10).

 

Die boodschap zegt: Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods (Hebr. 10:31). Die boodschap die ons leert dat er buiten Jezus geen leven is, maar een eeuwig zielsverderf. Die boodschap zal ons raken, ons wakker schudden. We beginnen dan te zien dat we op reis zijn naar de eeuwigheid; dat we een ziel bezitten en eens voor God zullen staan. Een heilige onrust wordt in ons hart geboren.  

De vraag wordt geboren: ‘Mijn ziel, doorziet gij uw lot? Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?’ De bekering begint met een heilige onrust. We beginnen te zien in welk gevaar we verkeren. Dat we tegen God gezondigd hebben; God tot toorn hebben verwekt; de geborgenheid in Christus niet bezitten en toch... eens voor God zullen staan.

De Bijbelse woorden zoals: eeuwigheid, Gods toorn, hel en eeuwige verdoemenis, worden werkelijkheden. Het lijkt alsof we ze altijd gehoord, maar nooit hun ontzaglijke inhoud beseft hebben. Te midden van dit alles ben ik zonder Christus, zonder verzoening en zonder hoop. Dan is het gedaan met onze onverschilligheid en zorgeloosheid. We hebben dan, zoals voorheen, geen tijd genoeg meer om ons te bekeren en in Jezus te geloven.

De rust wordt ons opgezegd; een heilige onrust zal ons voortdrijven. Een vragen: ‘Wat zal ik doen; waarheen zal ik vlieden? Hoe kom ik toch ooit met God verzoend?’ De werkelijkheid van het gevaar wordt dan gekend. De toevlucht van de leugens, waarop wij vroeger vertrouwden, biedt nu geen veiligheid meer.

Voorheen konden we zeggen: ‘Ik ben toch ernstig; ik ben toch gelovig; ik houd toch Gods geboden? Ik lees in mijn Bijbel, ik bid om bekering en hoop op Gods barmhartigheid. Het zal best meevallen. God zal mij in het eind best genadig zijn.’ Nee, nu wordt die toevlucht van de leugen ons ontnomen en de zondaar voelt zijn gevaar. Onrust is er, vragen, zoeken: ‘Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?’

 

Het was voor die trekvogels: vertrekken of hier sterven. Zo wordt het in het leven van een ontwaakte zondaar ook. Wakker geschud, met de verloren zoon tot zichzelf gekomen. De valse rust opgezegd. We kunnen het in de stad Verderf niet meer houden. We kunnen niet rustig doorslapen en rustig onbekeerd verder leven. Het wordt nood in het hart.

De nood wordt: ‘Ik moet bekeerd worden. Ik moet Christus vinden, of anders eeuwig verloren gaan. Ik moet met God verzoend worden of vergaan door Zijn toorn.’ Dan weten we, zoals de trekvogels dat weten, waaróm we moeten trekken en ons tot God moeten bekeren, namelijk: omdat er een groot gevaar dreigt! We worden zoekers naar een veilige plaats, naar geborgenheid en veiligheid. Opnieuw kunnen we leren van de trekvogels.

 

3. Zij weten waarheen zij moeten trekken


De trekvogels weten waarheen ze moeten gaan. Ze gaan naar dezelfde plaats waar eeuwenlang hun voorgeslachten zijn heengegaan. Wonderlijk, dat ze soms van heel ver naar precies dezelfde plaats, naar hetzelfde dorp, naar precies dezelfde boerderij terugkeren. Zij wéten waarheen ze moeten gaan en ze weten ook de weg naar het reisdoel. De vogels die warmte zoeken gaan naar het zuiden, en de vogels die juist de koude zoeken gaan naar het noorden. Nooit andersom. Nooit zie je vogels die de warmte zoeken naar het noorden gaan of vogels die de koude zoeken naar het zuiden gaan. Ze vergissen zich niet. Ze weten waarheen zij moeten vliegen. Zelfs de jonge vogels, die hier geboren zijn en nog nooit de trek naar het zuiden of naar het noorden hebben gemaakt, blijken de weg te weten.

Hoe kan dat toch? Voor geleerde biologen en natuuronderzoekers is dat nog steeds een raadsel. Hoe die vogels de weg vinden, honderden, duizenden kilometers ver. Hoe ze hun reisdoel feilloos weten te vinden. Hoe kan dat? Er is maar één antwoord: God leidt ze. Gods hand doet dat. De Heere leidt ze naar de plaats van de veiligheid. God brengt ze naar de plaats van overleven.

De Heere leert ze niet alleen wanneer ze moeten vertrekken; wanneer het tijd is om te gaan. De Heere leert ze niet alleen waaróm ze moeten vertrekken; omdat de winter aanstaande is. Maar ook waarhéén ze moeten trekken; naar de plaats van veiligheid, waar ze kunnen overleven. Een bijzondere leiding zien we bij de trekvogels. God, de Schepper, leidt deze dieren.

Door instinct of wat het verder is, men weet het niet. Een ingebouwde radar, denken sommigen. Anderen denken dat ze voelen welke golven en trillingen er zijn in de atmosfeer. We weten het eigenlijk niet, maar één ding weten wij die in de Bijbel geloven wél: Gods hand is daarin. God leidt deze dieren.

 

Zo leidt ook Gods hand de kinderen Gods naar de veiligheid. Een Goddelijke hand leidt hen tot bekering. Een Goddelijke hand verontrustte hen en overtuigde hen van zonde en ellende. Maar een Goddelijke hand leidt hen naar de veiligheid in Christus. Hoor maar wat Jezus daar zelf over gezegd heeft. Jezus zei: Er is geschreven in de Profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij (Joh. 6:45).

Jezus zegt dat allen van God geleerd zullen worden om in Hem hun behoud te zoeken. Jezus zegt niet, wat je wel eens hoort zeggen: ‘Het zijn er maar sommige, die tot de kennis van Christus komen.’ Hij zegt ook niet dat velen, zonder Christus te kennen, naar de hemel gaan. Hij zegt: Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij. In een andere plaats in Johannes zegt Hij: Ik zal hen allen tot Mij trekken (Joh. 12:32).

God leidt hen tot de veiligheid. Hij laat hen niet in hun ellende omkomen. De Heilige Geest leidt hen tot Christus; de Man, Die een verberging is tegen de wind en een schuilplaats is tegen de vloed en als de schaduw van een zware rotsteen in een dorstig land (Jes. 32:2).

 

God leidt tot de geborgenheid in Christus. In onze Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt in artikel 27 gesproken over de merktekenen van de ware Christgelovigen. Daar wordt als eerste en voornaamste merkteken genoemd: dat ze állen hun zaligheid buiten zichzelf in Jezus Christus verwachten.

Er zijn grote verschillen onder de mensen; cultuurverschillen, verschillen in traditie en in gewoonten. Maar waar je ook in de wereld een wáár christen ontmoet, daar is het altijd iemand die zijn gánse zaligheid buiten zichzelf in Jezus Christus zoekt.

God leidt de trekvogels, en de Heere leidt de overtuigden, de schuldverslagen zondaren. Hij leidt hen tot Jezus. Hij leert hen sterven aan pogingen om door de wet zalig te worden. Hij overtuigt hen van de diepe verdorvenheid van hun bestaan. Hij leert dat er in hen geen gerechtigheid is en dat zij hun eigen redder niet kunnen zijn.

Maar God laat hen daar niet liggen. God doet dit alles om naar Christus te leiden. Hij leidt ze naar de veiligheid die in Christus Jezus is. In hun nood en verlorenheid ontdekt Hij de geborgenheid en de veiligheid die in Jezus Christus is. Hij maakt dat ze het zien: En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:14-15).

 

De Heere toont hun de veiligheid die er is in Jezus’ wonden en in Zijn verzoenend lijden en sterven. Hij maakt,dat zij tot hun verwondering verstaan: Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes. 53:5).

De aanbiddelijke leer van de plaatsbekleding brengt verlossing voor de ondergaande en vertwijfelde zondaar. Omdat het zwaard van de gerechtigheid dat ons had moeten treffen en doden, op Christus is gevallen, daarom is er behoudenis, verzoening, reiniging, schuldvergiffenis, veiligheid en eeuwige geborgenheid in de gekruisigde Heere Jezus.

 

Zie, wie dat in zijn verlorenheid en in zijn nood heeft gezien, wie die veiligheid en die geborgenheid getoond is, die weet evenals de trekvogels waarheen hij moet vluchten. De overtuigde zondaar weet waar redding, waar zaligheid, waar gerechtigheid te vinden is. En al kan men het zich niet toe-eigenen, al is men nog bezet met veel vrezen en twijfels, toch zien we waar veiligheid is.

Zij zien het alles in Christus, Die ons geworden is wijsheid van God, rechtvaardigmaking en heiligmaking.

De trekvogels weten waarheen ze moeten vluchten en zo is het bij die werkelijk overtuigde zondaar. In zijn nood en vrees ziet hij of zij dat er in Jezus Christus redding en veiligheid is. Door de nood gedreven en door de veiligheid van Christus aangetrokken, vluchten zij, nemen zij toevlucht tot de veilige Schuilplaats.

Ze worden in dat toevlucht nemen tot Jezus  bestreden door de duivel. Hij zal hen plagen met hun bedreven zonden en maakt dat zij vrezen dat hun zonden te veel zijn en hun hart te boos is, om door Jezus ontvangen te worden. De boze zal het werk van het geloof zoeken te verhinderen door het onvoorwaardelijke Evangelie te verdonkeren. Hij zal er op wijzen dat zij de geschiktheden missen om door Christus ontvangen te worden.

Op allerlei manieren tracht de duivel zoekende en naar Jezus dorstende zielen bij Jezus vandaan te houden. Hij brengt, wat Paulus noemt, een ander evangelie. Geen evangelie dat zegt: Komt, koopt en eet zonder prijs en zonder geld. Maar een evangelie dat zegt: ‘Je moet wachten tot het beter met je is geworden. Je moet je eerst reinigen en dan pas tot de fontein komen. Je bent er nu nog te vuil voor. Je moet eerst veel dieper aan je zonden ontdekt worden. Eerder mag je niet tot Jezus gaan.’

Kortom: je moet wachten tot je geschikt bent voor Jezus, tot je er helemaal klaar voor gemaakt bent om Hem te ontvangen. Een evangelie van geschiktheden en van waardigheden is het evangelie van de duivel.

 

Maar de Heere weet al die misleidingen en ontkrachtingen van het Evangelie te overwinnen. Hij doet dit door de bemoedigingen vanuit het Evangelie; de lieflijke en de vrije nodiging om te komen en te kopen zonder prijs en zonder geld. Het is vooral de stem van Christus Zélf, die in het Evangelie klinkt, die de opgeworpen barrières wegneemt. Zijn nodiging: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth. 11:28). Zijn vragen: Wie zoekt gij? Of: Wat wilt gij dat Ik u doen zal? Zij horen daarin de boodschap: De Meester is daar en Hij roept u.

Wanneer de Zaligmaker Zijn gewilligheid om de zondaren te ontvangen, Zijn gepastheid om de Zaligmaker van schuldige en verdoemelijke zondaren te zijn, ons laat horen. Als Hij de kracht van Zijn offer en van Zijn bloed tot verzoening met God aan ons toont, dan moet de beschuldiger vluchten.

Dan wéten we niet alleen waarheen we moeten vluchten en waar veiligheid is, maar dan vluchten wij daar ook wérkelijk heen! Dan wordt ons geloof – zoals de oudvaders dikwijls zeggen – een dádelijk geloven. Een geloven met daden, met zich toevertrouwen, met zich uitleveren aan Christus. Dan wordt het een berusten, een neerzinken, een zich verlaten op Christus en op Zijn volbrachte Middelaarswerk.

 

Tenslotte doet de Heere hen ook de bestemming bereiken. God leidt al Zijn uitverkorenen feilloos naar de eeuwige zaligheid. De reis van de vogels is vermoeiend en ook wel gevaarlijk. Veel gevaren zijn er, van wind en storm, van zeeën en van roofvogels. Maar het einde is de veiligheid; het einde is het warme, veilige zuiden.

Gods kinderen moeten door veel verdrukkingen ingaan in het Koninkrijk Gods. Er zijn veel gevaren op hun weg, veel vijanden te trotseren. De psalmdichter zegt: ‘Hier scheen ons het water te overstromen, daar werden wij gedreigd door het vuur.’ Maar Gods hand leidt hen, Gods hand bewaart hen.

Bij de trekvogels is het mogelijk dat niet allen het reisdoel bereiken. Trekvogels kunnen onderweg verongelukken en ten prooi vallen aan roofgedierte, maar van Gods kinderen kan dat niet gezegd worden. Jezus zal er niet één verliezen. Hij getuigde: En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken (Joh. 10:28). De eindbestemming is het Vaderhuis met zijn vele woningen. Laten we daar nu samen van zingen, Psalm 43 vers 4:

 

Dan ga ik op tot Gods altaren,

Tot God, mijn God, de bron van vreugd;

Dan zal ik, juichend, stem en snaren

Ten roem van Zijne goedheid paren,

Die, na kortstondig ongeneugt,

Mij eindeloos verheugt.

 

Gemeente, het is herfst geworden; de bladeren vallen. De vogels die hier gebroed en hun jongen grootgebracht hebben, trekken weg. Wij zouden zeggen: ‘Dat is helemaal niet nodig. Zij kunnen gerust hier blijven.’ Maar als de koude invalt en sneeuw de akkers en ijs het water bedekt, dan zeggen we: ’Wat zijn die vogels wijs geweest! Ze zijn op tijd vertrokken, ze hebben de tijd van hun aankomst, ze hebben de gelegenheid om te vertrekken gebruikt.’

Nu stelt de Heere de trekvogels tot voorbeeld voor het volk van Juda en tot voorbeeld van ons. De Heere moest van Juda zeggen: Maar Mijn volk weet het recht des Heeren niet. Mijn volk is dwazer dan de trekvogels. Zij nemen de gelegenheid om zich te bekeren níet waar. Wat moeten we van u zeggen, ouderen, stokouden, jonge mensen en kinderen?

Neemt u de gelegenheid waar? Zoekt u op tijd naar veiligheid? De trekvogel weet: als ik niet vertrek dan sterf ik, want de winter is aanstaande. En als u zich niet tot God bekeert, de toekomende toorn is aanstaande en God zal wraak doen over wie Zijn Evangelie ongehoorzaam zijn. Het is vertrekken of sterven. Nú is de gelegenheid; héden is de welaangename tijd. Héden is de dag der zaligheid.

 

Jonge mensen, jullie tijd is de beste tijd om God te zoeken en je tot God te bekeren. Want voor jullie staat er niet alleen een opwekking in de Bijbel, maar aan jullie doet de Heere een belofte. Hij zegt: Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden (Spr. 8:17). De Heere belooft dat je Hem niet tevergeefs zult zoeken.

 

Oude vogels hebben een taak ten opzichte van jonge vogels. Ze vertrekken in grote groepen. Ook zie je dat sommige vogels de koers bepalen. Het is alsof ze andere vogels die nog talmen en vooral jonge vogels die de weg nog niet weten, toeroepen: ‘Kom, ga met ons en doe als wij!’

Dit is de roeping van kinderen van God, die al lang op de weg des levens zijn. Zij moeten de twijfelaars toeroepen: ‘Kom, ga met ons!’ Oudere vogels kunnen vertellen dat het een goed en veilig land is waarheen ze gaan. Zo moeten Gods kinderen spreken van dat goede land waarheen ze op reis zijn. Jozua en Kaleb deden dat. Zij brachten een goed gerucht van het land Kanaän.

 

Misschien zijn er hier die zeggen: ‘Ik vrees dat mijn tijd voorbij is. Zoveel gelegenheden heeft God me reeds gegeven. Ik heb m’n jeugd voorbij laten gaan. Ik heb tijden van kruis en verdriet, waarin God klopte, voorbij laten gaan, en nu ben ik oud geworden.’ Inderdaad, ouderen, er is niet veel tijd meer. Het is inderdaad laat. Maar niet té laat.

Ook op het elfde uur wil God nog roepen tot werken in de wijngaard. Ook dan staat de deur der genade open. Ook dan zegt de Heere: Keert weder, gij afkerige kinderen; Ik zal uw afkeringen genezen (Jer. 3:22).

Maar nu zijn er misschien die zeggen: ‘Ik vrees toch dat míjn tijd voorbij is, want ik heb gezondigd tegen beter weten in. Ik heb met opzet mijn hart toegesloten en verhard.’

Dat mag allemaal waar zijn en nog veel ergere dingen mogen waar zijn. Maar hoor het bij monde van Jeremia: Gij nu hebt met veel boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de Heere (Jer. 3:1). Dat is de onbevattelijke genade van God. Wij zouden zo’n vrouw, die met zoveel mannen geleefd heeft, nooit meer terug ontvangen, maar de Heere zegt: Keer nochtans weder. En: Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes. 1:18b.

 

Wat verhindert u? Er is iets wat u vasthoudt. Er staat iets tussen God en uw ziel. De wereld en zijn genoegens, de duivel en de zonde zoeken ons vast te houden en zij zeggen: ‘Blijf hier. Er is nog voldoende tijd en je hebt het toch goed. Je bent nog te jong voor de bekering. Te jong voor die ernst. De winter zal best meevallen.’

Wat een list van de duivel. Want het zál niet meevallen, als je onder het Evangelie geleefd hebt en genodigd en gedrongen bent om in te gaan en toch onbekeerd en ongelovig blijft. Dan zal het vreselijk zijn om in de handen van de levende God te vallen.

We zien in onze kring mensen die het gevaar kennen. Die in hun rechtzinnige belijdenis zeggen dat de mens een verloren zondaar is. Die zeggen dat het nodig is dat hij bekeerd wordt. Die nadrukkelijk zeggen dat een zondaar in Christus geborgen moet worden. ‘Het zal er maar op aan komen en het zal nauw uitgaan; het zal nodig zijn.’ Men weet het allemaal zo goed. Maar wat doet men ermee? Ze praktiseren niet wat ze weten en daarom is het geloof een dood geloof, En Jakobus zegt dat een dood geloof ons niet redden kan.

 

Gelukkig is de mens voor wie het waar wordt: vertrekken of sterven. Dan móet ik bekeerd worden. Dan zeg ik niet dat ik het zélf kan, maar dan voel ik: ik móet in Christus geloven. Dat betekent niet dat ik zeg: ‘Ik kan zélf in Christus geloven.’ Dan voelen wij: het is vertrekken of sterven. Het is Christus vinden of eeuwig omkomen.

Gemeente, dan vertrekken we. Dan wachten we de winter niet af. Dan vertrekken we. Dan wordt dat vluchten, dat toevlucht nemen tot Christus geboren. Dan wordt dat zoeken van de veiligheid geboren. Dan gaan we behoren tot die mensen die allen hun zaligheid buiten zichzelf in Christus Jezus zoeken en verwachten.

 

De reis kan moeilijk zijn en de gevaren zijn vele. Soms roepen de pelgrims: ‘Ik zal nog één dezer dagen in de handen van Saul omkomen.’

Maar een Goddelijke hand leidt ze. Ze gaan van kracht tot kracht en zullen weldra in Sion voor God verschijnen.

 

Hoor de les van de trekvogels: Zelfs een ooievaar aan de hemel weet zijn gezette tijden, en een tortelduif en kraan en zwaluw nemen de tijd hunner aankomst waar, maar Mijn volk weet het recht des Heeren niet.

Maar, zegt de Heere, Mijn volk weet het recht des Heeren niet. Moet Hij zeggen: ‘Maar u…?’ Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt toch uw harten niet.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 84:4

 

Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort;

Elk hunner zal, in ‘t zalig oord

Van Sion, haast voor God verschijnen.

Let, Heer’ der legerscharen, let

Op mijn ootmoedig smeekgebed;

Ai, laat mij niet van druk verkwijnen;

Leen mij een toegenegen oor,

O, Jakobs God, geef mij gehoor.