Ds. W. Visscher - Jesaja 13 : t/m 14 : 23

Afspelen

De oordelen Gods

Jesaja 13
17-2-2017
De ondergang van Babel
De verlossing uit Babel
Hoofdstuk 13

1 DE last van Babel, dien Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.
2 Heft op een banier op een hogen berg, verheft een stem tot hen; beweegt de hand omhoog, dat zij intrekken door de deuren der prinsen.
3 Ik heb aan Mijn geheiligden bevel gegeven; ook heb Ik tot Mijn toorn geroepen Mijn helden, de vrolijken Mijner hoogheid.
4 Er is een ruisende stem op de bergen, gelijk van een groot volk; een stem van gedruis der koninkrijken, der verzamelde heidenen: de HEERE der heirscharen monstert het krijgsheir.
5 Zij komen uit verren lande, van het einde des hemels, de HEERE en de instrumenten Zijner gramschap, om dat ganse land te verderven.
6 Huilt gijlieden, want de dag des HEEREN is nabij; hij komt als een verwoesting van den Almachtige.
7 Daarom zullen alle handen slap worden, en aller mensen hart zal versmelten;
8 En zij zullen verschrikt worden, smarten en weeën zullen hen aangrijpen, zij zullen bang zijn als een barende vrouw; een iegelijk zal over zijn naaste verbaasd zijn, hun aangezichten zullen vlammende aangezichten zijn.
9 Zie, de dag des HEEREN komt, gruwelijk, met verbolgenheid en hittigen toorn, om het land te stellen tot verwoesting, en deszelfs zondaars daaruit te verdelgen.
10 Want de sterren des hemels en zijn gesternten zullen hun licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden wanneer zij opgaan zal, en de maan zal haar licht niet laten schijnen.
11 Want Ik zal over de wereld de boosheid bezoeken en over de goddelozen hun ongerechtigheid, en Ik zal den hoogmoed der stouten doen ophouden en de hovaardij der tirannen zal Ik vernederen.
12 Ik zal maken dat een man dierbaarder zal zijn dan dicht goud, en een mens dan fijn goud van Ofir.
13 Daarom zal Ik den hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van haar plaats, vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, en vanwege den dag Zijns hittigen toorns.
14 En een iegelijk zal zijn als een verjaagde ree, en als een schaap dat niemand vergadert; een iegelijk zal naar zijn volk omzien, en een iegelijk zal naar zijn land vluchten.
15 Al wie gevonden wordt, die zal doorstoken worden, en al wie daarbij gevoegd is, zal door het zwaard vallen.
16 Ook zullen hun kinderkens voor hun ogen verpletterd worden; hun huizen zullen geplunderd en hun vrouwen geschonden worden.
17 Zie, Ik zal de Meden tegen hen verwekken, die het zilver niet zullen achten; en aan het goud zullen zij geen lust hebben.
18 Maar hun bogen zullen de jongelingen verpletteren; en zij zullen zich niet ontfermen over de vrucht des buiks, hun oog zal de kinderen niet verschonen.
19 Alzo zal Babel, het sieraad der koninkrijken, de heerlijkheid, de hovaardigheid der Chaldeeën, zijn gelijk als God Sódom en Gomórra omgekeerd heeft.
20 Daar zal geen woonplaats zijn in der eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht; en de Arabier zal daar geen tent spannen en de herders zullen er niet legeren.
21 Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren der woestijnen; en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen.
22 En wilde dieren der eilanden zullen in zijn verlaten plaatsen elkander toeroepen, mitsgaders de draken in de wellustige paleizen; haar tijd toch is nabij om te komen en haar dagen zullen niet vertogen worden.

Hoofdstuk 14 (vers 1 t/m 23)

1 WANT de HEERE zal Zich over Jakob ontfermen en Hij zal Israël nog verkiezen, en Hij zal hen in hun land zetten; en de vreemdeling zal zich tot hen vervoegen, en zij zullen het huis van Jakob aanhangen.
2 En de volken zullen hen aannemen en in hun plaats brengen; en het huis Israëls zal hen erfelijk bezitten in het land des HEEREN, tot knechten en tot maagden; en zij zullen gevankelijk houden degenen die hen gevangen hielden, en zij zullen heersen over hun drijvers.
3 En het zal geschieden ten dage wanneer u de HEERE rust geven zal van uw smart en van uw beroering, en van de harde dienstbaarheid waarin men u heeft doen dienen,
4 Dan zult gij deze spreuk opnemen tegen den koning van Babel, en zeggen: Hoe houdt de drijver op! Hoe houdt de goudene op!
5 De HEERE heeft den stok der goddelozen gebroken, den scepter der heersers.
6 Die de volken plaagde in verbolgenheid met een plaag zonder ophouden, die in toorn over de heidenen heerste, die wordt vervolgd zonder dat het iemand afweren kan.
7 De ganse aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich.
8 Ook verheugen zich de dennen over u, en de ceders van Libanon, zeggende: Sinds dat gij daar nederligt, komt niemand tegen ons op, die ons afhouwe.
9 De hel van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan als gij kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken der aarde; zij doet al de koningen der heidenen van hun tronen opstaan.
10 Die altegader zullen antwoorden en tot u zeggen: Gij zijt ook krank geworden gelijk wij, gij zijt ons gelijk geworden.
11 Uw hovaardij is in de hel nedergestort, met het geklank uwer luiten; de maden zullen onder u gestrooid worden en de wormen zullen u bedekken.
12 Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! Hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij die de heidenen krenktet;
13 En zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen, en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst, aan de zijden van het noorden;
14 Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden.
15 Ja, in de hel zult gij nedergestoten worden, aan de zijden van den kuil.
16 Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten en zeggen: Is dat die man die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?
17 Die de wereld als een woestijn stelde en derzelver steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet los gaan naar huis toe?
18 Al de koningen der heidenen, zij allen, liggen neder met eer, een iegelijk in zijn huis;
19 Maar gij zijt verworpen van uw graf als een gruwelijke scheut, als een kleed der gedoden die met het zwaard doorstoken zijn, als zij die nederdalen in een steenkuil, als een vertreden dood lichaam.
20 Gij zult bij dezelve niet gevoegd worden in de begrafenis, want gij hebt uw land verdorven en uw volk gedood; het zaad der boosdoeners zal in der eeuwigheid niet genoemd worden.
21 Maakt de slachting voor zijn kinderen gereed, om hunner vaderen ongerechtigheid wil; dat zij niet opstaan en de aarde erven en de wereld vervullen met steden;
22 Want Ik zal tegen hen opstaan, spreekt de HEERE der heirscharen; en Ik zal van Babel uitroeien den naam en het overblijfsel, en den zoon en den zoonszoon, spreekt de HEERE.
23 En Ik zal haar stellen tot een erve der nachtuilen en tot waterpoelen, en Ik zal haar met een bezem des verderfs uitvagen, spreekt de HEERE der heirscharen.

Delen & Download

Download preek