Ds. C. Harinck - Jeremia 18 : 5 - 6

In het huis van de pottenbakker

Jeremia 18
Een mislukt werkstuk
Een geslaagd werkstuk

Jeremia 18 : 5 - 6

Jeremia 18
5
Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
6
Zal Ik ulieden niet kunnen doen, gelijk deze pottenbakker, o huis Israels? spreekt de HEERE; ziet, gelijk leem in de hand des pottenbakkers, alzo zijt gijlieden in Mijn hand, o huis Israels!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 75: 4
Lezen : Jeremia 18: 1-17
Zingen : Psalm 93: 1, 2, 3, 4
Zingen : Psalm 145: 4
Zingen : Psalm 135: 12

Gemeente, onze moderne wereld wordt wel een consumptiemaatschappij genoemd. Het nadeel is dat we grote bergen afval creëren. Dat zorgt voor een groot wereldwijd probleem. De oplossing is gevonden in het Engelse woord recycling: hergebruik. We moeten het oude hergebruiken. Die oplossing heeft God ook gevonden, en daar willen wij in deze dienst bij stilstaan.

 

Onze tekst kunt u vinden in Jeremia 18 vers 5 en 6, waar wij lezen:

 

Toen geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: Zal Ik ulieden niet kunnen doen gelijk deze pottenbakker, o huis Israëls? spreekt de Heere; zie, gelijk leem in de hand des pottenbakkers, alzo zijt gijlieden in Mijn hand, o huis Israëls.

 

Deze profetie brengt ons in het huis van de pottenbakker.

 

Twee gedachten:

1. Een mislukt werkstuk

2. Een geslaagd werkstuk

 

1. Een mislukt werkstuk

 

Jeremia is de profeet van het oordeel en van de ballingschap. Hij heeft niet alleen van de verwoesting van Jeruzalem en de ballingschap geprofeteerd, maar hij heeft het ook allemaal meegemaakt.

De tijd voor de ballingschap was een tijd van groot moreel en zedelijk verval. Israël diende allerlei afgoden. Die afgodendienst brengt allerlei zedeloosheid met zich mee. De dienst van de vruchtbaarheidsgoden Baäl en Astoreth ging gepaard met tempelprostitutie en nog veel meer zedeloze praktijken. Het is met de afgodendienst vandaag niet anders. Denk maar aan beachparty’s en allerlei andere festivals met de bijkomende drank, seks en drugs.

 

Het was echt niet zo dat die Israëlieten nu zoveel op hadden met die afgoden, maar de feesten en alles wat daar bij te beleven was, trok hen.

Het rijk van de tien stammen was reeds weggevoerd naar Assyrië. Nu dreigde datzelfde oordeel ook voor het rijk van Juda. Die boodschap moet Jeremia aankondigen.

Hij doet dat niet als een brievenbesteller, maar als een mens die deel uitmaakt van het volk waarover hij Gods oordeel moet afkondigen. Het raakt de profeet tot in het diepst van zijn ziel. Hij ziet in profetische gezichten wat er zal gebeuren. Een ontzettende verwoesting zal er komen en een wegvoering naar het verre en heidense Babylon. Hij ziet ook dat het oordeel onafwendbaar is, want Israël volhardt in de zonde van de afgodendienst en veracht de dienst des Heeren.

Jeremia is er door ontzet. We horen hem roepen: Och, dat mijn hoofd water ware en mijn oog een springader van tranen! Zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen der dochter mijns volks (Jer. 9:1).

Jeremia vreest dat de verwoesting van Jeruzalem en de tempel van God het einde zal betekenen van het rijk van Juda.  Maar wat zal er dan terechtkomen van de beloften van God? Zullen dan Gods beloften niet vervuld worden? Zal de Messias dan nooit geboren worden? Hebben de vaderen dan tevergeefs op de Heere gehoopt? Het grijpt Jeremia diep aan. Wat zal er terechtkomen van de Naam en de zaak des Heeren? De komst van de Messias en het koninkrijk van God is immers ten nauwste met het bestaan van Juda verbonden?

 

Temidden van zijn zorg, vrees en groot verdriet heeft de Heere de profeet Jeremia, en daarin al de vromen die er toch nog in Juda waren, getroost.

In Jeremia lezen we daarom niet alleen van oordeel, maar we lezen ook van beloften, waarin God zegt dat Hij Juda niet over zal geven tot finale verwoesting. De Heere zal hen uit de ballingschap laten weerkeren. Hun ballingschap zal niet langer dan zeventig jaar duren. Daarna zullen zij terugkeren naar Jeruzalem en de Heere zal weer in het midden van hen, in een herstelde tempel, wonen.

En dat niet alleen. De ballingschap zal hen tot bekering brengen. God zal hen een nieuw hart een nieuwe geest geven, zodat zij Hem met hun hart zullen dienen en liefhebben. Juda zal dus niet ondergaan, omdat God aan Zijn verbond gedenkt. Omdat Christus in dit volk verborgen is en uit dit volk moet voortkomen.

In dat licht moeten we ook het bezoek aan de werkplaats van de pottenbakker zien. De Heere zei tot Jeremia: Maak u op en ga af in het huis van de pottenbakker, en aldaar zal Ik u Mijn woorden doen horen (vers 2).

 

In die tijd was het beroep van de pottenbakker een belangrijke bedrijfstak. Vaten, kruiken en schalen waren in die dagen onmisbaar. Men bewaarde er olie, graan en meel in. En zelfs belangrijke documenten. De boekrollen van Jesaja, die te Qumran gevonden zijn, waren verborgen in een kruik. Kruiken, potten en schalen, daar zorgde de pottenbakker voor. 

De pottenbakker had zijn bedrijf buiten de stad in de vallei van de beek Kidron. Want daar was leem te vinden,  een soort van zware klei, die zeer geschikt was om potten van te bakken. Hij haalde die klei uit de bodem van de beek en legde zo’n klomp klei op de pottenbakkersschijf. Daarna maakte hij daar een kruik, een schaal of iets anders van.

Die pottenbakkersschijf was een heel eenvoudig werktuig. In enkele duizenden jaren is er aan het principe eigenlijk niets veranderd. Al gebruikt men nu wel andere materialen en mechanische aandrijvingen enzovoorts. De pottenbakkersschijf bestond uit twee schijven. De onderste schijf werd met de voeten rond gedraaid. Je kunt denken aan de vroegere trapnaaimachine, waarbij men ook, door de voeten te bewegen, iets rond liet draaien.

Bovenop die draaiende schijf lag dan de tweede schijf; de bovenste schijf. Deze lag daar los op, zodat je die met je handen kon afremmen en sturen, maar ook harder of zachter kon laten draaien.

Op die tweede schijf, legde de pottenbakker de klomp leem. Wanneer de schijven draaiden, kneedde hij dat leem met zijn handen. Hij maakte bijvoorbeeld de wand, die  steeds dunner en hoger werd. Hij vormde en kneedde het leem totdat een schaal, een kruik of ander voorwerp ontstond. Precies zoals hij het wilde hebben.

Daarna werd het in een oven gebakken en soms ook wel geglazuurd. Het was een  kunstzinnig beroep. Men moest heel nauwkeurig te werk gaan en veel geduld hebben. Uren was de pottenbakker soms bezig. Hij wilde er iets moois van maken, iets waar hij trots op kon zijn. Wat hij aan anderen kon laten zien. Maar vandaag mislukte het. Dat zag Jeremia in de werkplaats van de pottenbakker.

 

Wanneer Jeremia, naar Gods bevel, de werkplaats van de pottenbakker bezoekt, ziet hij  de pottenbakker met het klei bezig. Hij wil een mooie kruik maken. Maar vandaag lukt het hem niet. Er zaten waarschijnlijk harde delen in het leem, die zich niet lieten kneden en vormen, zoals hij wenste.

Wat deed toen die pottenbakker? Wierp hij dat mislukte werkstuk weg? Nee, dat deed hij niet. Hij nam dat van de schijf en hij kneedde dat weer tot een klomp, en legde het daarna opnieuw op de schijf en begon opnieuw te werken totdat er een kruik of een schaal ontstond waarover hij wél tevreden was, waar hij trots op kon zijn en waarmee hij kon pronken.

 

Jeremia zag het allemaal voor zijn ogen gebeuren. Hij heeft het aandachtig gevolgd. En dan lezen wij in vers 5: Toen geschiedde des Heeren woord tot mij. Gods woord kwam tot Jeremia. God sprak tot hem. We weten niet hoe. In hoorbare spraak of ingesproken in zijn hart. Het zal waarschijnlijk het laatste geweest zijn. Maar God sprak tot de profeet. Hij hoorde Gods woorden. Wat de Heere zei lezen we in vers 6: Zal Ik ulieden niet kunnen doen gelijk deze pottenbakker, o huis Israëls? spreekt de Heere; zie, gelijk leem in de hand des pottenbakkers, alzo zijt gijlieden in Mijn hand, o huis Israëls.

Dat is Gods boodschap voor het volk van Juda. De Heere zegt tot Jeremia en door Jeremia tot het volk van Juda: ‘Kan ik met jullie niet hetzelfde doen, wat de pottenbakker met dat leem doet? Jullie zijn in Mijn handen toch niet anders dan leem, dat Ik bewerken kan zoals Ik dat wil?’ De pottenbakker heeft de macht over het leem dat hij bewerkt.

De pottenbakker en het leem zijn in de Bijbel altijd met elkaar verbonden. In het boek Job, in de Psalmen, in Jesaja 64, in Zacharia 11, maar het bekendste is wel wat we lezen in Romeinen 9. Daar zegt de apostel: Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit dezelfde klomp te maken het ene vat ter ere, en het andere ter onere? (vers 21). In Romeinen 9 komt het beeld naar voren van Gods soevereiniteit. Hij mag als de Pottenbakker met het leem doen wat Hij wil. Hij is soeverein. Waarbij u natuurlijk niet moet denken aan willekeur. God handelt wel soeverein, maar ook altijd rechtvaardig en heilig.

 

Maar in Jeremia 18 treedt een ander aspect naar voren. Hier wordt God vergeleken met de pottenbakker, die van het leem een sierlijk werkstuk wil maken, maar het mislukt. Maar daarna pakt hij dat mislukte werkstuk, kneedt het weer samen, legt het op de schijf en maakt daar dan een werkstuk van dat zijn goedkeuring wél kan wegdragen.

En dan zegt de Heere bij monde van Jeremia: ‘Kan ik zo ook met jullie niet doen, o huis van Israël?’ Wat die pottenbakker deed met dat mislukte stuk leem, zal de Heere dus doen met het volk van Juda.

 

Gemeente, de Heere is al eeuwen bezig geweest om van Israël iets moois te maken. Iets waar Hij als de Pottenbakker trots op kan zijn. Een volk dat Hij kan laten zien aan de andere volkeren, en zeggen: ‘Zie daar, Mijn uitverkoren volk. Zie hoe ze Mij dienen. Zie wat een hoge moraal en levensstandaard zij hebben. Zie hoe trouw ze zijn in hun huwelijk en hoe de liefde woont in hun gezinnen. Zie hoe ze in Mijn wegen wandelen.’

Dit moet de Heere van ons, christenen, ook kunnen zeggen. God moet voor de wereld zichtbaar worden in de manier waarop de christenen leven.

God wilde Israël maken tot wat Petrus schrijft: Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht (1 Petr. 2:9).

Met dat doel heeft Hij hen uit het diensthuis van Egypte geleid en verlost uit de slavernij. Met dat doel heeft Hij Zijn verbond met hen gemaakt en hen uit alle volkeren zich tot het volk van Zijn eigendom verkoren. Met dat doel heeft Hij de tabernakel in hun midden opgericht. Hij toonde hun in de offeranden en bloedstortingen Christus als in een spiegel. Calvijn zegt terecht: ‘De tempeldienst was het Evangelie voor het volk van het Oude Testament.’ Hij heeft ze in Kanaän gebracht, de vijanden voor hun aangezicht verdreven en Hij woonde in hun midden. Waarlijk, alzo wilde Hij met geen andere volkeren handelen.

 

En nu verwachtte de Heere dat ze goede vruchten zouden voortbrengen. Dat ze een prachtige kruik zouden worden, waar Hij trots op zou kunnen zijn; die Hij de andere volkeren zou kunnen tonen. Maar ze hebben stinkende vruchten voortgebracht. Het is mislukt. Jeremia zag het voor zijn ogen gebeuren. De pottenbakker gebruikte al zijn vakmanschap. Hij was uren bezig, maar het mislukte. Hij kon van het leem niet maken wat hem voor ogen stond.

Dat was niet de schuld van de pottenbakker, maar van het materiaal, van het leem. Dát deugde niet. Zo is het niet de schuld van God, dat Israël niet beantwoordde aan zijn hoge roeping, maar de schuld van Israël. Zij waren ontrouw aan Zijn verbond. Zij dienden andere goden en dat bracht allerlei zonden met zich mee.

Het mislukte. God bewerkte Israël, zoals Jeremia de pottenbakker het leem zag bewerken. Hij bewerkte hen met Zijn profeten, die hen niet alleen waarschuwden, maar hen ook het Evangelie van de Messias verkondigden. Hij gaf hen Zijn Woord en Zijn verbond. Maar zoals het de pottenbakker niet lukte om van het leem een prachtig werkstuk te maken, zo scheen het God met Israël ook niet te lukken.

 

Gemeente, Israël wordt hier aan ons voorgesteld als een mislukt werkstuk. Als een volk dat niet beantwoordde aan zijn hoge roeping, namelijk om het volk van Gods eigendom te zijn. Een volk waar God mee pronken kan. Dat is wat de Heere wilde. Zo hadden zij moeten zijn. De Heere zegt er van in Jesaja 62 vers 3: En gij zult een sierlijke kroon zijn in de hand des Heeren, en een koninklijke hoed in de hand uws Gods.

 

Maar tegelijk is dit het beeld van het gehele menselijke geslacht. We zijn allen gelijk aan een mislukt werkstuk. We zijn zondaren, we hebben ons doel gemist. Want met welk doel zijn wij geschapen? Onze catechismus zegt het in het kort: ‘God heeft de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, opdat hij God zijn Schepper, recht kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.’

De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat we door onze moedwillige ongehoorzaamheid in het paradijs, onszelf van al onze heerlijke gaven, die God ons had gegeven, hebben beroofd. We hebben onszelf beroofd van de kwaliteiten en geschiktheden. We hebben onszelf beroofd om in Gods hand een sierlijke kroon en voor Hem een koninklijke hoed te kunnen  zijn. Het maaksel van Gods hand, en dat zijn wij, u en ik, beantwoordt niet meer aan het doel van de Schepper. Het beantwoordt niet meer aan wat God voor ogen stond.

Het is Bijbels, hoe vreemd het misschien ook klinkt, dat het mislukt is. De eerste weg der zaligheid, de weg van het verbond der werken is een mislukking geworden. Maar dat komt niet door de Pottenbakker. Dat komt door ons. Onze val was niet gedwongen, maar moed- en vrijwillig. Adam heeft er voor gekozen om God ongehoorzaam te zijn. De weg van zaligheid door werken is daardoor een doodlopende weg geworden. De apostel zegt met nadruk: ‘Uit de werken van de wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden voor God.’

 

Een mislukt werkstuk. Dat is het beeld van het volk van Juda. Het is het beeld van de gehele mensheid en het beeld van u en mij. Ons leven beantwoordt niet aan de wil van onze Schepper. Wij zijn niet zoals God ons heeft bedoeld. Ons leven beantwoordt niet aan zijn bestemming. Want onze bestemming was... God. We waren bedoeld om in God onze hoogste blijdschap en ons hoogste geluk te vinden. Om Hem nu lief te hebben en aan te hangen, te vrezen en te dienen. In dat licht is ons leven ten diepste een mislukt leven.

Wij geloven dat niet. Wij vinden ons leven geslaagd, ja zeer geslaagd. We zijn trots op wat we bereikt hebben. Onder een mislukt leven verstaan wij het leven van de drugsverslaafden, de daklozen en de werklozen. In onze ogen zijn mislukte mensen degenen die vroeger een goed huwelijk en warm gezin hadden, maar die alles stuk hebben gemaakt en in de goot terecht zijn gekomen.

Ons eigen leven beschouwen we als een geslaagd leven. We wijzen op wat we bereikt hebben; op de achting die we genieten. We zijn tevreden over onszelf en God kan ook over ons tevreden zijn. We houden Zijn geboden en we zetten ons in voor Zijn koninkrijk.

Maar, gemeente, ook het meest geslaagde en succesvolle leven is mislukt, totaal mislukt, als God er niet de inhoud van is en als Zijn eer niet het hoogste levensdoel is geworden. Naar de maatstaven van de wereld mag het een geslaagd leven zijn. Een goede baan, een goed huwelijk, een gezegend gezin, een florerend bedrijf, geslaagde mensen die veel bereikt hebben en waarnaar bewonderend wordt opgekeken. Mensen waarvan men zegt: Zij hebben het gemaakt in het leven.

Maar naar de maatstaven van de Bijbel is een leven waarin God gemist wordt een mislukt leven. Het is een leven dat niet beantwoordt aan zijn bestemming. Een leven dat God niet liefheeft boven alles en de naaste als zichzelf, is in Gods ogen mislukt.

 

In dit licht, gemeente, is ons aller leven mislukt. Dat zegt de apostel dan ook. Hij zegt: Want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods (Rom. 3:23). Ze missen het doel waartoe ze geschapen, namelijk Gods eer en heerlijkheid.

Tot deze zelfkennis brengt ons God. Zo leren we onszelf kennen, wanneer de Heilige Geest ons de waarheid leert omtrent onszelf. In werkelijkheid is er niemand die ons de waarheid vertelt omtrent onszelf. Maar als God met je begint, vertelt Hij je de waarheid over jezelf. Dan zien we wie we zijn ten opzichte van God en ten opzichte van de naaste. Dan hebben we God nooit de eer gegeven die Hem toekomt. Dan hebben we altijd maar voor onszelf en voor onze eigen eer geleefd. We hebben nooit iets gedaan uit liefde tot God.

We hebben de God die ons voedt en onderhoudt en zegent en tot ons komt met Zijn woord en ons liet dopen, onze rug getoond en niet ons aangezicht. We hebben geroepen: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust (Job 21:14).

Als we die waarheid leren verstaan, zien we ons leven als een mislukt leven. Dan is het allemaal gewogen, gewogen en te licht bevonden. Dan zijn we een vijgenboom die onnuttelijk de aarde beslaat. Dan vrezen wij dat de dag zal komen, dat God zal zeggen: ‘Houw hem uit; waarom beslaat ook onnuttelijk de aarde?’

 

Maar wat zag Jeremia? Wat deed de pottenbakker met het mislukte werkstuk? Hij maakte er toch een schone vaas van. Daarom letten we nu in de tweede plaats op:

 

2. Een geslaagd werkstuk

 

Wat deed de pottenbakker, toen het hem niet lukte om van dat leem een sierlijke kruik of iets anders te maken? We lezen het in vers 4: Toen maakte hij daarvan weder een ander vat, gelijk als het recht was in de ogen des pottenbakkers te maken. Hij kneedde dat mislukte werkstuk weer tot een klomp leem en hij begon helemaal opnieuw.

Hij legde het op de schijf en hij werkte er zó lang aan, tot er een werkstuk uit kwam dat beantwoordde aan zijn bedoeling; waar hij trots op kon zijn.

 

Dan zegt de Heere: Zal Ik ulieden niet alzo kunnen doen, o huis Israëls? Jeremia hoort in het huis van de pottenbakker de boodschap van Gods trouw. De boodschap van Gods onveranderlijke liefde en genade. God zal Juda niet verwerpen.

Juda zal niet ondergaan in de ballingschap. De ballingschap staat wel voor de deur. Stad en tempel zullen worden verwoest. Lijden en verbanning wacht hen, maar Israël blijft Gods volk. Door de beproeving van de ballingschap heen, zal de Heere hen vormen en kneden tot een volk dat Hem weer dienen zal.

Zoals de pottenbakker het leem kneedt en vormt, zo zal Hij er een volk van maken dat Hem weer dienen en vrezen zal.

Dat is de boodschap van Jeremia. In plaats van die mislukte klomp weg te werpen, zal God opnieuw beginnen. Hij zal uit het van Hem afgeweken Juda een nieuw volk maken. Het volk dat na de ballingschap onder leiding van Nehemia is teruggekeerd naar Jeruzalem, was een nieuw volk. We lezen bijvoorbeeld in Ezra dat zij hun zonden voor God betreurden, met hun zondige praktijken braken en zich vrijwillig gaven voor de dienst des Heeren. Juda is niet alleen teruggekeerd naar het beloofde land, maar ook teruggekeerd tot de dienst des Heeren. 

 

Gemeente, wat is dat een wonder van genade! We zouden toch verwachten dat die pottenbakker het leem dat zich maar niet liet vormen, weg zou werpen. Israël zou het verdienen dat God Zijn handen van hen af zou trekken. Maar God, de grote Pottenbakker, doet dat niet. Toen maakte hij daarvan weder een ander vat, gelijk als het recht was in de ogen des pottenbakkers te maken.

Dit leert ons wat God doet met allen die Hij voorgenomen heeft te redden uit het gevallen geslacht van Adam. Het leert ons wat God zal doen met allen wier namen geschreven zijn in het boek des levens des Lams. Hij kneedt en bewerkt die mensen tot vaten tot Zijn eer.

Wanneer je in een pottenbakkerswerkplaats komt, zie je daar op planken en in kasten allemaal prachtige potten en vazen staan. Maar al die prachtige vazen en kruiken lagen eens als leem op de schijf van de pottenbakker.

Allen die nu in de hemel zijn, lagen eens op de schijf van de hemelse Pottenbakker. Zij allen moeten zeggen: ‘Ik was eens een mislukte brok leem, maar God maakte mij tot een nieuw mens. Hij vormde mij en kneedde mij tot een mens die God weer lief kreeg en zijn heil in Christus zocht.’

 

Gemeente, dát is de glorie van het christendom. De glorie van het christendom is: God maakt mensen tot nieuwe mensen. Nergens anders vind je dat. Andere godsdiensten kennen dit niet. God alleen maakt mensen tot nieuwe mensen. Van een mislukt werkstuk maakt Hij iets nieuws. Zoals het recht was in de ogen van de pottenbakker.

Het is een werk dat begint in de wedergeboorte. Het werk dat de Geest van God in het binnenste van de mens werkt, wordt met recht een níeuwe geboorte genoemd.

Een mens voelt zich dan als het ware opnieuw geboren. Niet dat zo iemand precies kan vertellen wat er zoal veranderd is. Het zijn meestal naamchristenen die dat precies met de juiste termen weten te vertellen. Maar de waarlijk wedergeboren mens moet met Rebekka zeggen: Hoe ben ik dus? Men weet alles geen naam te geven, maar er zijn nieuwe verlangens, een nieuwe droefheid, een nieuwe strijd, een nieuwe vreugde, die men voorheen niet kende. Er is droefheid over de zonde, verlangen naar God, strijd met de zonden en een zoeken naar heiligheid. Kortom: een nieuwe geboorte. Het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden (2 Kor. 5:17). De zondaar wordt herschapen. Het gevallen beeld Gods wordt in hem of haar  weer opgericht.

Wat een verbazend leerstuk! De Heilige Geest neemt Zijn intrek in het zondaarshart. Vanaf die dag liggen we op de schijf van de hemelse Pottenbakker. Dan begint het kneden en vormen, het boetseren en bewerken van de zondaar, totdat hij of zij een vat wordt zoals de pottenbakker dat vanaf het begin voor ogen heeft gestaan.

Want, gemeente, de pottenbakker is niet zómaar, in het wilde weg bezig om iets te doen. De pottenbakker heeft in zijn hoofd een bepaald beeld. Het staat hem helder voor ogen wat hij maken wil. Hij ziet voor zich wat het worden moet. Al knedend en al vormend werkt hij daar naar toe. Zo is het nu ook met de hemelse Pottenbakker.

Maar welk model zal God voor ogen hebben? De pottenbakker heeft op de planken veel mooie voorbeelden van potten en kruiken staan. Hij ziet die voor zich en zegt in zijn hart: zo moet het worden. Maar wat is nu het model waar God naar toe werkt? Wat staat Hem voor ogen, in het bewerken en in het kneden en het vormen van de nieuwgeboren zondaar?

Het antwoord moet zijn: het beeld van Zijn Zoon. Dat zegt ons de apostel. Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen (Rom. 8:29).

Dát is het model dat God voor ogen staat. Jezus Christus is het grote Voorbeeld van het herstel van Gods genadewerk.

God kon nergens een mens vinden die als voorbeeld dienen kon. Bij de beste gelovigen vond Hij nog smetten, gebreken en zonden. Zelfs bij Abraham en andere groten in Gods Koninkrijk. Wij zijn allen misvormd door de zonde. Maar Jezus, de tweede Adam, vertoonde een beeld wat God welbehaaglijk is. En dát beeld staat God voor ogen in het kneden en bewerken van een zondaar. Zoals de apostel zegt: En gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, alzo zullen wij ook het beeld des Hemelsen dragen (1 Kor. 15:49). En welk beeld is dit? Het is het  beeld van de tweede Adam, Jezus Christus.

 

Wat is dat beeld? Gemeente, welk beeld hebben wij in onze gedachten, als we denken aan de tweede Adam, als we denken aan Jezus Christus? Het is een beeld van volmaaktheid in heiligheid. Van volmaaktheid in goedheid. Van volmaaktheid in nederigheid. Van volmaaktheid in gehoorzaamheid. Van volmaaktheid in liefde tot God en tot de naaste. Het is het beeld Iemand van Wie de Heere zegt: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Dewelken Ik Mijn welbehagen heb.

Dát beeld staat God voor ogen. We kunnen zeggen dat Jezus Christus de Mens is zoals God de mens hebben wil. Om dit doel te bereiken legt God ons op de schijven van het pottenbakkerswerktuig en bewerkt Hij ons, zoals de pottenbakker het leem bewerkt. Hij overtuigt van zonde en werkt in ons een overtuiging dat we Gods geboden hebben overtreden. Hij doet ons gevoelen dat wij in een groot gevaar verkeren, namelijk onze ziel te verliezen in de hel. Hij verontrust de mens en maakt ons zodanig onrustig dat men  begint te zoeken en te vragen: ‘Wat moet ik doen? Waar zal ik heenvlieden?’ Hij leert ons hoe schuldig we voor Hem staan en dat we zelf niets hebben om die schuld te betalen, maar deze alleen iedere dag meerder maken. Hij doet ons sterven aan het zoeken van zaligheid in de werken der wet en aan al ons pogen om onszelf te verbeteren. Hij laat alles wat we ondernemen om onszelf te verbeteren, mislukken. En dat alles met doel om ons Christus gelijkvormig te maken.

Kortom, gemeente, al het werk van overtuigen, van verwonden door de wet, van neerwerpen van de hoogten die zich verzetten tegen de kennis van Christus, al dit werk hoort bij Gods bearbeiding van de zondaar, opdat Christus in ons een gestalte zal verkrijgen.

 

Het is het ontbreken van de kennis van schuld en verlorenheid, die de oorzaak is dat Christus niet wordt gezocht en Christus niet wordt begeerd. Maar de ontdekking aan schuld en verlorenheid, maakt Christus niet alleen noodzakelijk, maar ook o zo dierbaar.

Wat krijgt dan het Lam Gods Dat de zonden van de wereld wegneemt, waarde voor ons. Wat wordt de bebloede en gekruisigde Jezus ons dan dierbaar! Wat wordt onze ziel dan naar deze Jezus toegetrokken. Jezus krijgt een gestalte in ons. Zo begint de Heere met een levenslang werk, namelijk Christus in ons heerlijk te maken.

Augustinus zegt er van dat sinds het paradijs de vrome één gestalte voor ogen staat, en dat is de gestalte van de Heere Jezus Christus. Hij krijgt gestalte in ons. Diep in ons, in ons denken, in ons doen, in ons begeren, in ons verlangen. De kennis van Jezus bewerkt dat. De kennis van Jezus’ nederigheid en de kennis van Zijn liefde; de kennis van Zijn gehoorzaamheid tot in de dood van het kruis, dat is het middel waardoor Christus een gestalte in ons verkrijgt en wij enigszins op Hem gaan lijken.

Gemeente, om het nu maar eenvoudig te zeggen: ‘Waar je mee omgaat, daar word je mee besmet.’ Van de discipelen merkte men dat ze met Jezus geweest waren. Als u met Jezus geweest bent, en als die Jezus een gestalte in je hart heeft verkregen, dan beïnvloedt dat je doen en laten. Dan beïnvloedt dat je denken en je spreken.

Dan begin je op Hem te lijken en dat is Gods doel, om hen het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te maken.

 

Laat ik het met een paar voorbeelden duidelijk maken. De kennis van Christus, Die als Hij gescholden werd niet wederschold en als Hij leed niet dreigde, maar het overgaf in Gods handen, als je die Jezus kent, en je wordt zélf kwalijk behandeld en onrecht aangedaan, klim je niet op de barricade om voor je eigen eer te vechten, maar dan zie je op Hem.  Dan geef je de strijd in Gods hand. Dan leer je van Jezus, dat Hij zachtmoedig is en nederig van hart. Dan vind je ook rust voor je ziel.

Een ander voorbeeld: Als je Jezus leert kennen, Die, daar Hij zo rijk was, zo arm werd in Bethlehem, als daar je ogen voor geopend zijn, als die gestalte je lief is geworden, dan maakt dat je ook nederig. Dan is dat dodend voor onze hoogmoed en voor het zoeken van onze eigen eer. Dan zeggen we met David, zoals in de berijming van Datheen: ‘Geen meerder goed, Heer’, Gij mij geven meugt, dan dat Gij mij vernedert en maakt kleine.’

De kennis van Jezus, Die voor goddelozen Zijn leven aflegde en voor onze zonden gekruisigd is, Die Zélf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout, gemeente, die geloofskennis van de gekruisigde Jezus zal ook ons kruisigen. Het is een kennis die onze oude mens kruisigt.

En zo zouden wij verder kunnen gaan.

 

Op de schijven van de hemelse Pottenbakker worden de gelovigen gevormd en gekneed tot een sierlijk vat, zodat zij het beeld van Christus zouden vertonen. De Heere gebruikt daar dikwijls ook beproevingen, tegenspoeden en kruisen voor. De Heere zou de ballingschap gebruiken om het volk van Juda te vormen, als het ware te hervormen, tot een nieuw volk. De ballingschap zou zuiverend en genezend werken, en zo werken kruis en tegenspoeden zuiverend en genezend. Het is wel een bitter medicijn, maar het is  Gods medicijn om ons te genezen van onze hoogmoed. Om ons te genezen van het verkleefd zijn aan het aardse. Om ons te genezen van de liefde tot de zonde en de wereld. Op de schijven van de levensomstandigheden, wordt de gelovige gevormd en gekneed tot een nieuw mens.

De driftige Mozes werd de meest zachtmoedige man die ooit op de aarde geweest is.

De zwakke Petrus, die al viel uit vrees voor een dienstmaagd, werd tot een rots in de branding, om de gemeente te sterken in verdrukkingen en in beproevingen.

En de onnutte Onesimus werd daardoor zeer nuttig.

 

Het is een vorming, gemeente, die ons gehele leven door gaat. Het gehele leven blijven Gods kinderen liggen op de schijf van de grote Pottenbakker. De apostel zegt het: Altijd de doding van de Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden (2 Kor. 4:10).

Net zoals de stenen van de tempel ver van de tempel pasklaar werden gemaakt, zo worden Gods kinderen pasklaar gemaakt, tot stenen van de hemelse tempel.

 

Laten wij daar samen van zingen uit Psalm 145, het vierde vers:

 

Al wat Gij wrocht, zal juichen tot Uw eer;

Uw gunstvolk zal verblijd U zeeg’nen, Heer’,

En roemen van Uw koninkrijk, Uw macht,

Uw heerlijkheid en Goddelijke kracht;

Om, waar zich ’t hart ooit voelt in leerzucht blaken,

Uw heerlijkheid, Uw macht bekend te maken,

En d’ eer Uws rijks, zo groot, zo hoogverheven,

Voor aller oor, den hoogsten roem te geven.

 

Gemeente, na zijn bezoek aan de werkplaats van de pottenbakker mag Jeremia het volk van Juda de boodschap brengen: Zal ik ulieden niet kunnen doen gelijk deze pottenbakker, o huis Israëls? Er is bij God genade voor mislukte mensen en mislukte levens.

Maar wie zijn dat dan? Sommigen zijn het letterlijk. Zij zitten op de puinhoop van hun leven. Maar als God niet ons doel is; als God niet onze hoogste blijdschap is; als we niet kunnen zeggen: Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde (Ps. 73:25); als we niet op God gericht zijn, is ons leven ook een mislukt leven.

Wat moet je met dat mislukte leven doen? Hoe mislukt het ook is en wat je er ook van gemaakt hebt, ga met dat mislukte leven tot de God Die van een mislukte klomp, een nieuw werkstuk kan maken.

 

Maar ik hoor u zeggen: ‘God is toch de soevereine Pottenbakker? Hij maakt soeverein van het leem, een vat ter ere en een vat ter onere. Je moet toch voor dit alles uitverkoren zijn?’ Ja, dat is zo, maar lees nu eens het verband. Lees nu eens wat Jeremia óók hoorde uit dat hart van die Pottenbakker. Wat hoorde hij dan nog meer?

Dat begint in vers 7. Hij hoorde God zeggen: In een ogenblik zal Ik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal uitrukken en afbreken en verdoen. Dat had God gedreigd voor Juda.

En dan lezen we verder: Maar indien datzelve volk, over hetwelk Ik zulks gesproken heb, zich van zijn boosheid bekeert, zo zal ik berouw hebben over het kwaad dat Ik hetzelve gedacht te doen (vers 8).

Wij zijn altijd met de verborgen dingen bezig, maar dit is wat God ons openbaart.  Wanneer u zich van uw zonden bekeert, er mee breekt en u schuldig tot God wendt, is er bij de Heere genade en vergeving voor een mislukt vat.

En het omgekeerde is ook waar. Indien mensen die in Gods wegen wandelden zich van God afkeren, trekt God de beloofde zegen in.

Het beeld van God dat Jeremia 18 tekent, is niet het beeld van een willekeurige God, maar van een God Die ons de boodschap brengt: ‘Die zich van zijn zonden bekeert en Mij met berouw zoekt, die zal Mijn genade vinden. Maar die zich van Mij afkeert en zich verhardt, die zal ik straffen in Mijn toorn.’ Gemeente, dat is de God met Wie wij te doen hebben!

 

Wij liggen allen op de schijf van de hemelse Pottenbakker. Op de schijf van Gods voorzienigheid. Wat maakt het leven van ons? Jonge mensen, denk er eens over na: wat maakt het leven van jullie? Wat maken de gebeurtenissen, de dingen die ons overkomen, wat maken die dingen van ons?

Dat is de vraag. Worden wij daardoor harder en bozer en goddelozer? Of worden wij daardoor tot bekering, berouw en inkeer gebracht? Deze boodschap heeft Jeremia gehoord in het huis van de pottenbakker.

Nu zijn wij van nature mislukt door de val in het paradijs. Aan onszelf overgelaten, komt er nooit iets goeds van ons terecht. Wat een grondeloze barmhartigheid, dat God een mens, een jongen of een meisje, een man of een vrouw neemt, en die op Zijn schijf legt, en bewerkt, kneedt en vormt, tot een nieuw mens, tot een bruikbaar vat.

Wat een genade dat Hij onze rebellie verbreekt, ons trotse hoofd buigt, zodat we met Saulus van Tarsen bidden: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? (Hand. 9:6). Wat een genade dat de Heere onze trotse eigengerechtigheid vernietigd, zodat we met de tollenaar op de borst slaan en roepen: O God, zijt mij zondaar genadig (Luk. 18:13). Wat een genade dat Hij ons zo bearbeidt, dat Christus een gestalte in ons krijgt, ons dierbaar en onmisbaar wordt.

 

Gemeente, ons vlees roept tijdens dat kneden om gespaard te worden. Want Gods vormen en Gods kneden, doodt de oude mens. Het kruisigt ons zondige vlees en ook ons vrome vlees. Dat gaat met pijn gepaard. Maar al zal het gaan door de ballingschap; al zal het gaan door lijden en kruis; de Pottenbakker weet wat Hij doet. Hij heeft een model in gedachten en dat is het beeld van Zijn Zoon. Hij zoekt Gods kinderen aan Hem gelijkvormig te maken.

Calvijn zegt er van: ‘Het is een zaak waarin wij maar langzaam vorderen.’ Gods kinderen moeten met smart belijden en merken dat ze zo weinig aan Christus gelijkvormig zijn. Hoe weinig bezitten we van Zijn nederigheid. Hoe weinig bezitten we van Zijn goedheid. Hoe weinig bezitten we van Zijn gehoorzaamheid, van Zijn toewijding, van Zijn liefde en oprechtheid. Indien Gods kinderen zich meer zouden oefenen om Christus gelijkvormig te zijn, wat zou de vrede Gods in de kerken wonen en de broederschap bloeien en de wereld bekennen dat God in ons midden is.

God zal echter verheerlijkt worden in de Zijnen. Hij blijft ons vormen en kneden. Hij wil het beeld van Zijn Zoon in ons zien. Hij maakt het mislukte opnieuw. Geestelijke recycling. Het afgedankte gebruikt Hij om er een nieuw vat van te maken. Jezus was een Vriend van tollenaren en van zondaren, van de mislukten en afgeschrevenen. Hij maakt zondaren een vat tot Zijn eer en heerlijkheid.

 

Gemeente, in het laatste Bijbelboek valt het op hoe dikwijls het woordje ‘nieuw’ gebruikt wordt. In plaats van het oude Jeruzalem komt er een nieuw Jeruzalem. In plaats van het oude Israël komt het nieuwe Israël, uit Jood en heiden. In plaats van de oude hemel en de oude aarde komt er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De Heere zegt: Zie, Ik maak alle dingen nieuw (Openb. 21:5).

Aan het eind van de wereld zal Hij het met trots zeggen: ‘Zie, wat Ik met gevallen mensen, met mislukten heb gedaan.’ God zal van dat werk eeuwige eer ontvangen.

In Openbaring lezen we over  het eeuwige loflied van de geredden. Je zou verwachten dat ze een loflied zouden aanheffen op Gods barmhartigheid en Zijn genade. Maar wat doen ze? We lezen dat ze roepen: De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onze God in alle eeuwigheid. (Openb. 7:12). God wordt geëerd als de kundige Pottenbakker, Die van een mislukte klomp een heerlijk werkstuk heeft gemaakt. God zal Zijn kunstwerk tonen en engelen en gezaligden geven Hem de eer.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 135:12

 

Sion, loof met dankb’re stem

God, uw Heer’, Die eeuwig leeft,

En het schoon Jeruzalem

Door Zijn woning luister geeft;

Loof Hem voor uw heilrijk lot;

Loof al juichend uwen God!