Ds. D.W. Tuinier - Genesis 35 : 1 - 7

Gods genade in Jezus Christus reformeert

Genesis 35
In Jakobs gezin
Op Jakobs weg

Genesis 35 : 1 - 7

Genesis 35
1
Daarna zeide God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-el, en woon aldaar; en maak daar een altaar dien God, Die u verscheen, toen gij vluchttet voor het aangezicht van uw broeder Ezau.
2
Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw klederen;
3
En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-el; en ik zal daar een altaar maken dien God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is op den weg, die ik gewandeld heb.
4
Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder den eikeboom, die bij Sichem is.
5
En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.
6
Alzo kwam Jakob te Luz, hetwelk is in het land Kanaan (dat is Beth-el), hij en al het volk, dat bij hem was.
7
En hij bouwde aldaar een altaar, en noemde die plaats El Beth-el; want God was hem aldaar geopenbaard geweest, als hij voor zijns broeders aangezicht vlood.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 98: 2
Lezen : Genesis 35: 1-7
Zingen : Psalm 32: 3, 4
Zingen : Psalm 86: 6
Zingen : Psalm 118: 3

Gemeente, Gods Woord ligt open bij de geschiedenis die ons is voorgelezen uit Genesis 35. Ik stel voor dat we de verzen 1 tot en met 3 nog eens met elkaar lezen:

 

Daarna zeide God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-El en woon aldaar; en maak daar een altaar voor dien God Die u verscheen, toen gij vluchttet voor het aangezicht van uw broeder Ezau. Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw klederen; en laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-El; en ik zal daar een altaar maken dien God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is op den weg dien ik gewandeld heb.

 

Met Gods hulp vraag ik uw aandacht voor: Gods genade in Jezus Christus reformeert. Deze genade reformeert ten eerste in Jakobs gezin, en ten tweede op Jakobs weg.

 

1. In Jakobs gezin

 

Onze tekst begint met de woorden: Daarna zeide God tot Jakob. Het woordje ‘daarna’ veronderstelt dat er het een en ander aan vooraf gaat. Dat klopt. Er is al heel wat gepasseerd in het veelbewogen leven van de aartsvader Jakob. En de Heere heeft Zich niet onbetuigd gelaten. Er zijn al heel wat keren geweest dat God tot hem sprak. Wat een bemoeienissen van de Heere met hem. Gods trouw is groot, ondanks alles wat tegen Zijn kind getuigt. De Heere openbaart Zich opnieuw: Daarna zeide God tot Jakob…

Dat geldt ons niet minder. Jongens en meisjes, het is toch niet de eerste keer dat je in de kerk bent? Gemeente, het is toch niet de eerste keer dat God tot u spreekt vanuit Zijn Woord? De Heere heeft u al zo vaak geroepen. Hij heeft al zo dikwijls genodigd en gewaarschuwd, en ernstig, liefdevol en welgemeend op de deur van uw gesloten hart geklopt. Vandaag doet de Heere dat weer. Ook nu zet God nog geen punt. Hij wil opnieuw met u, met jou, beginnen. Er volgt opnieuw een ‘daarna zeide God tot Jakob’.

Ja, Jakobskinderen, dat zijn we. Niet meer en niet minder, kinderen van Jakob. Wij kunnen ons niet boven Jakob verheffen.

 

Als de Heere in Jakobs leven komt, bevindt hij zich in Sichem. Daar woont hij, daar leeft hij, en daar werkt hij. Zijn vrouwen, zijn kinderen, zijn vee en personeel leven daar ook. En als God hem zijn gang laat gaan blijft hij in Sichem.

Want langzaam maar zeker heeft hij het in Sichem naar zijn zin gekregen. Hij is zich in Sichem thuis gaan voelen, als een vis in het water, hoewel de Heere toen Hij hem bevrijdde uit Paddan-Aram, tegen hem had gezegd: ‘Ga naar Bethel.’

Maar in Sichem aangekomen heeft de karavaan stilgehouden. Daar heeft Jakob zijn tenten opgeslagen. In plaats van na enkele dagen de boel weer in te pakken en verder te reizen, is hij daar blijven hangen. Met alle schadelijke gevolgen van dien.

 

Geliefden, wat aangrijpend! Het verbondsvolk bevindt zich in Sichem. De verbondskinderen bevinden zich midden tussen het heidendom. Dat kan nooit goed gaan.

Het gáát ook niet goed! Leest u alleen maar eens vluchtig waarover het gaat in het vorige hoofdstuk. In Genesis 34; die ontzaglijk verdrietige geschiedenis met Jakobs enige dochter Dina. Haar eer geschonden, ruzie in zijn gezin en zijn zoons Simeon en Levi zijn moordenaars geworden.

Jakob zelf haalt met dat alles een donkerheid over zijn zielenleven. Ja Jakob, dat komt er nu van. Een kind van God zondigt niet goedkoop! Je hebt het aan je zelf te danken, man. Je doet mee met Sichem. Je snoept te veel van het snoepgoed van Sichem.

De gevolgen zijn ernstig. Kijk maar eens in Jakobs tenten. Schrik niet, want u ziet daar de terafim, de afgodsbeeldjes, die zijn lievelingsvrouw Rachel vanuit haar ouderlijke woning heeft meegenomen. Ze heeft ze een plekje gegeven in de tent. In Jakobs tent wordt openlijk afgoderij bedreven. Terwijl hij heel goed weet dat hij alleen de enige ware God dienen mag. Zo gaat dat in Sichem.

Jakob vindt het blijkbaar goed. Hij zegt er niets van. Er zijn wissels omgezet. Dat wat vroeger ongewoon was, daarvan wordt nu geen probleem meer gemaakt.

‘Jakob, waarom doe je dat?’

‘Omdat ik zoveel van Rachel hou. Ik wil haar niet tegenspreken. Ik heb geen zin in ruzie.’ Gemeente, zo gaat dat!

 

Jakob te Sichem. Zijn leven is gericht op dat van de Sichemieten. Denkt u daar eens over na. Dit is de man die een Bethel en een Pniël kent, zielsbevindelijk. Nee, dit staat niet in Gods Woord om het na te volgen, maar om ons te waarschuwen. Het volk van God heeft zich vermengd met Sichem, met de wereld. Het zou als een baken in zee moeten zijn: Gij geheel anders.

Maar hoe staat het met u? Van u geldt toch ook: ‘Wel in de wereld, maar niet van de wereld’? Bent u beter dan Jakob in Sichem? Nee toch? Daarom is het wonder na alles wat er gebeurd is, des te groter. Want we lezen: Daarna zeide God tot Jakob...

Wat leeft Jakob oppervlakkig. Wat is zijn leven uit de aarde aards. Wat doet hij een water bij de wijn! ‘O man, pas op! Wees gewaarschuwd! Wat een wonder dat God je nog niet moe wordt. Wat een wonder dat Hij Zich nog met u wil inlaten.’

Gemeente, wat is de Heere lankmoedig. Wat is Hij verdraagzaam. Ja, Hij is genadig en groot van goedertierenheid. Hij was de Eerste in het leven van Jakob. En dat is Hij opnieuw. Hij is de Eerste en de Laatste, de Alpha en de Omega.

‘Jakob, al zondig je niet goedkoop, Gods eeuwige en eenzijdige verbondstrouw schittert. Hij zal nooit laten varen het werk dat Zijn hand begonnen is.’ Hij bevestigt wat we samen hebben gezongen: Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Jakob nooit gekrenkt.

 

Daarna zeide God tot Jakob... Dat spreken gaat met kracht gepaard. God spreekt hier als Machthebbende. Hij werkt hier krachtdadig en onwederstandelijk. En dat heeft zijn uitwerking. Dan gebeuren er wonderen. Jakob komt op de juiste plaats. Daarna zeide God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Bethel en woon aldaar. Trek op! Eigenlijk staat er: ‘Word wakker!’ Jakob, je bent met de wijze maagden in slaap gevallen.

Kinderen des Heeren, hoort u het? Is het vandaag anders? Maak u op, trek op naar Bethel en woon aldaar, zo roept de God van Abraham, van Izak en van Jakob. ‘Bekeert u! Zoek Mij en leeft! Trek op naar het hoger gelegen Bethel en woon aldaar.’

Zet maar een streepje onder: woon aldaar. Want Jakob, je mag niet wonen in Sichem. Daar mag je wel logeren; je kunt niet om Sichem heen. Wij kunnen ook niet om Sichem heen. We staan met beide benen op de grond, midden in deze wereld. Maar wij mogen er niet wónen. De Heere zegt: ‘U moet naar Bethel. U moet gehoorzaam zijn. U moet luisteren. U moet doen wat God van u vraagt. U moet naar Bethel.’

 

De Heere zegt nog meer: Maak u op, trek op naar Bethel en woon aldaar; en maak daar een altaar voor dien God Die u verscheen, toen gij vluchttet voor het aangezicht van uw broeder Ezau.

Dat is niet de gemakkelijkste weg. Maar het is wel de meest veilige weg. Het is de meest betrouwbare weg. Het is de meest zegenrijke weg. De gemakkelijkste weg is met de stroom mee. De moeilijkste weg is tegen de stroom in. Trek op naar Bethel en woon aldaar; en maak daar een altaar voor dien God Die u verscheen.

‘Jakob, dat heb je Mij beloofd. En wat komt ervan terecht? Tot nu toe niets. Maar wat ben Ik onuitsprekelijk goed voor je geweest. Weet je dan niet meer wat er in Bethel heeft plaatsgevonden? Hoe je daar bent gekomen om eigen schuld? Je naam is Jakob, dat weet je toch? Leugenaar, hielenlichter. Door jouw leugen en bedrog was er ruzie in de tent. Weet je nog dat je daar lag onder een gesloten hemel? Kun je je nog herinneren dat je daar moest inleven voor eeuwig verloren te moeten gaan? Maar in die nacht is de hemel opengegaan. Je hebt gedroomd. De hemel ging open en de ladder van Jakob daalde vanuit de hemel neer. Toen ontving je de belofte dat Ik, vanwege de ladder Jakobs, de Zoon van Mijn eeuwig welbehagen, op jou zal neerzien, in genade en ontferming. Voor Hem zal de hemel zich sluiten; ze zal voor Hem op Golgotha gesloten blijven. Daaronder zal Hij de dood sterven. Daar zal worden bevestigd: Ik voor u, Jakob, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. Daarom gaat voor jou de hemel open. Daarom hoef jij niet om te komen. Daarom beloof Ik je altijd, in alle gevaren die je overkomen, te beschermen. Ondanks jouw zonden en ontrouw, blijf Ik getrouw! Daarom, nogmaals: Maak u op, trek op naar Bethel en woon aldaar; en maak daar een altaar voor dien God Die u verscheen toen gij vluchttet voor het aangezicht van uw broeder Ezau.’

Nee, de Heere draait er niet om heen: ‘Jakob, je was een vluchteling om eigen schuld. Je vluchtte voor je broer Ezau. Toen heb Ik naar je omgezien, naar Mijn eeuwig welbehagen. En nu moet je voor Mij in Bethel een altaar bouwen. Want het kan alleen maar goed komen in de weg van het bloedige offer. In een rechte weg zal Ik voor verzoening zorgen. In de weg van het volbrachte werk van de Zoon van Mijn eeuwige liefde, Jezus Christus, zal Ik in gunst en genade op je neerzien.’

 

Gemeente, is er niet alle reden om diep te buigen? Is er niet reden tot verootmoediging? De hoge, heilige en rechtvaardige God, Die met de zonden en de zondaren geen gemeenschap hebben kan, laat Zich nog in met mensen zoals Jakob. Hij bemoeit Zich met Jakobskinderen. Hij roept ons heden toe: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer (Jes. 45:22).

Bent u zo’n Jakobskind? Belijdt u dat u het er niet beter van af brengt? Is het geen wonder dat de Heere de Getrouwe is, Die Zijn werk voor u vervolmaakt? Hij komt op Zijn eigen werk terug. Hij bevestigt Zijn werk. Hij laat het ook door middel van deze geschiedenis aan u zien: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jer. 31:3).

Als de Heere zo spreekt, kan de vrucht niet uitblijven. U leest het in vers 2: Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin en tot allen die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden die in het midden van u zijn, en reinigt u en verandert uw klederen.

Op het ‘daarna’ van vers 1 volgt een ‘toen’ in vers 2. Jakob laat er geen gras over groeien. Het komt direct tot de daad. Hij neemt het Woord van de Heere ernstig. Het legt beslag. Het doet kracht. Jakob buigt ervoor. Dat valt niet mee, maar hij wordt ervoor ingewonnen.

 

Wat is nu het gevolg? We vatten vers 2 samen met één woord: reformatie. Die reformatie begint niet in politiek Den Haag. Die reformatie begint in uw eigen hart en leven. Hij begint op uw knieën, in het verborgene, in uw binnenkamer.

Jakob roept zijn vrouwen, zijn kinderen, zijn nageslacht en zijn personeel bij zich en vertelt wat er gebeurd is: God is hem verschenen. God is hem te sterk geworden. Het gevolg is: Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin en tot allen die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden die in het midden van u zijn, en reinigt u en verandert uw klederen.

Hij krijgt geen tegenspraak. Niemand valt hem in de rede. Niemand sputtert tegen. Er gaat blijkbaar zoveel ernst en liefde, gunning en pastorale bewogenheid van zijn spreken uit, dat zijn woorden beslag leggen. Het komt uit zijn hart. Hij zegt: ‘Lieve vrouwen, kinderen en anderen: weten jullie wat wij gaan doen? Wij houden grote schoonmaak. Vanaf nu houden we grote opruiming: Doet weg de vreemde goden die in het midden van u zijn, en reinigt u en verandert uw klederen. Ga jullie wassen! Doe schone kleren aan. De Heere vraagt dat van ons. We moeten Hem gehoorzamen.’

En dan gaat het vanzelf. Het gaat niet onder dwang. Dan vraag je ook niet meer: ‘Hoe ver kan ik nog meegaan met Sichem? Kan dit nog wel en kan dat niet meer?’ Dan is maar één vraag belangrijk: Hoe komt God aan Zijn eer? ‘Heere, wat wilt U dat ik doen zal?’

 

Daar staat Jakob. Gods eer gaat boven de sympathie van Rachel. De liefde van Christus dringt. Het gaat om het heil van onsterfelijke zielen. Hij ziet alles in eeuwigheidslicht.

Ja, dat is nodig. Ligt daar niet de haper vandaag aan de dag? Er kan zoveel mee door. We denken gemakkelijker dan vroeger. Het hoeft ook allemaal niet zo moeilijk. Daaraan doen ook wij mee. Als het gaat om de zonde van de tijdgeest: we zijn er allemaal door geïnfecteerd.

In vers 4 gaat het over oorsiersels. Verwacht van mij geen opsomming van wat de vreemde goden van toen en nu zijn. U begrijpt, ik weet niet waar ik beginnen zal en waar ik zal eindigen. De grootste afgod bent u zelf. Uw hart is een fabriek van afgoderij. Reformatie begint in uw eigen hart. De hervorming begint in uw eigen gezin, als vrucht van het spreken Gods. U wordt van geestelijk dood geestelijk levend gemaakt, door het herscheppende werk van Gods Geest. De vrucht is een radicale verandering. Het komt van binnenuit.

Natuurlijk, u kunt uw leven wel reformeren van buiten naar binnen. Op zich is dat niet verkeerd. Maar grote kans dat u dan een rijke jongeling wordt of een vrome, eigengerechtigde farizeeër. Daarom moet de reformatie van binnenuit komen. Uw hart moet worden vernieuwd. Dan zal de vrucht naar buiten toe niet achterwege blijven. U begrijpt dan Jakob. Als God komt wordt heel zijn leven hem tot schuld. De beelden, de afgoderij, ze zijn hem tot zonde geworden. Al die stomme afgodsbeelden hebben nooit een woord teruggezegd. Ze hebben nooit de ware blijdschap en de echte vreugde gegeven. Ze hebben hem teleurgesteld. Ze hebben hem bedrogen.

U proeft hier ook de verwondering: God is teruggekomen op Zijn eigen werk. De Heere heeft hem een Goddelijk halt toegeroepen. Gods gunst en nabijheid is Jakob meer waard dan een kus van Rachel. Daarom: Doet weg de vreemde goden die in het midden van u zijn, en reinigt u en verandert uw klederen.

 

Gemeente, dat is Gods Woord en Zijn eis vandaag voor u! Welke vreemde goden hebt u in huis? Welke vreemde goden houdt u eropna? De Heidelbergse Catechismus leert ons in Zondag 34 wat afgoderij is: ‘In de plaats van de enige ware God Die Zich in Zijn woord geopenbaard heeft of benevens Hem iets anders hebben of verzinnen waarop de mens zijn vertrouwen zet.’ Dus iets anders hebben of verzinnen waarop je je vertrouwen zet. Waarin je helemaal opgaat buiten de Heere.

Ik vraag weleens aan de catechisanten: ‘Wat is het eerste waaraan je denkt als je wakker wordt? Wat is het eerste wat je doet als je wakker wordt. Pak je je smartphone? Daarmee ga je naar bed en je staat er mee op. Je kunt geen ogenblik zonder. Je gaat daar helemaal in op.’

Dat geldt niet alleen onze jongeren. Ik zeg het ook tegen de ouderen. Afgoderij is: ‘In de plaats van de enige ware God Die Zich in Zijn woord geopenbaard heeft of benevens Hem iets anders hebben of verzinnen waarop de mens zijn vertrouwen zet.’

De smartphone, een afgod. Internet, een afgod. Geliefden, als u wakker wordt: eerst Biblia, dan media.

 

Doet weg de vreemde goden… U leest in vers 4 dat Jakob de oorsierselen en de vreemde goden begraaft. Waarachtige bekering is noodzakelijk. Maar ook mogelijk! Dagelijks! Er moet een andere gang komen in uw leven. U moet uw leven reformeren. God vraagt de eerste plaats. Daarop heeft Hij recht. Hij zegt: ‘Mijn zoon, Mijn dochter geef mij uw hart.’

Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. Dat bedoelt Jakob hier. Vreemde goden. Het kan uw werk zijn, de auto, uw huis, je studie, de vakantie, de caravan, uw hobby en zelfs uw kerkelijk werk. U kunt daarin zo opgaan, dat het u helemaal in beslag neemt en u het ene nodige vergeet. De Heere Jezus roept u in het Evangelie van Mattheüs op om eerst het Koninkrijk van God te zoeken en Zijn gerechtigheid. En Jakob zegt: Doet weg de vreemde goden die in het midden van u zijn, en reinigt u en verandert uw klederen.

Wat denkt u van de geldmammon? U leert pas echt mensen kennen als u geldzaken met hen bespreekt.

 

Wat is het nodig dat de kerk reformeert! Waarachtige reformatie blijft dagelijks nodig. En het begint bij uzelf! Want wat denkt u van zijne koninklijke hoogheid ‘ik’? Zelf bent u de grootste afgod. Hoe vaak buigt u niet voor uw eigen beeld? Daarmee zijn we begonnen in het paradijs: God van de troon af en ik er op. Doet weg de vreemde goden die in het midden van u zijn, en reinigt u en verandert uw klederen.

 

We gaan er nu eerst over zingen uit Psalm 86 vers 6:

 

Leer mij naar Uw wil te hand’len,

‘k Zal dan in Uw waarheid wand’len;

Neig mijn hart, en voeg het saam

Tot de vrees van Uwen naam.

Heer’, mijn God, ik zal U loven,

Heffen ’t ganse hart naar boven;

‘k Zal Uw naam en majesteit

Eren tot in eeuwigheid.

 

Gods genade in Jezus Christus reformeert. We hebben gezien dat dit in Jakobs gezin gebeurt. We letten er nu ten tweede op dat die reformatie ook plaatsvindt:

 

2. Op Jakobs weg

 

We zien in onze tekst wat Gods genade vermag. Vader Jakob reformeert niet alleen zijn huisgezin, maar hij vertelt in vers 3 ook dat God onuitsprekelijk goed is voor albedervers. Hij zegt: Laat ons ons opmaken en optrekken naar Bethel; en ik zal daar een altaar maken voor dien God Die mij antwoordt ten dage van mijn benauwdheid, en met mij geweest is op de weg dien ik gewandeld heb. ‘Mensen’, zegt hij, ‘we doen wat de Heere van ons vraagt. We zijn gehoorzaam. Laat ons optrekken naar Bethel.’

Wat opvalt is dat Jakob bijna dezelfde woorden gebruikt als die de Heere tot hem spreekt: Laat ons ons opmaken en optrekken naar Bethel. Ik zal daar een altaar maken voor dien God. Maar dan verandert het: ‘Hij heeft alles zo goed gemaakt. Daarom is Hij het zo waard dat ik groot en goed van Hem spreek. Daarom zal ik roemen in vrije gunst die eeuwig God bewoog.’

 

Groot spreken van de Heere, Zijn liefdedienst aanprijzen… Dat hoort ook bij Hervormingsdag. Doet u dat ook? Uw huis wordt dan een klein kerkje. De Heere geeft u vrijmoedigheid en blijmoedigheid om te vertellen dat God goed is voor slechte mensen: Die God Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is op de weg dien ik gewandeld heb.

Die God, zegt Jakob, Die mij antwoordt (tegenwoordige tijd) ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is (voltooide tijd) op de weg dien ik gewandeld heb. We horen Jakob spreken: ‘Lieve vrouwen, kinderen, personeel, we staan hier op de grens van Sichem. We trekken op van hier. We gaan naar Bethel. Daar bouwen we een altaar. Daar slachten een dier. Daar vloeit het bloed, het bloed der verzoening.’

Het zal een zichtbare preek zijn van het volbrachte werk van de Beloofde van de vaderen; de komende Messias, Wiens bloed en Geest wast en reinigt van alle zonden. Voor Hem zal er de benauwdheid zijn, heel Zijn leven, maar in het bijzonder in Gethsémané en op Golgotha. Daarom is er redding voor hen die de dood hebben verdiend.

 

Ten dage mijner benauwdheid... In de oorspronkelijke taal staat er: ‘Als ik in barensnood ben.’ Het gaat hier dus over barensweeën. Wat zijn die tijden er veel geweest. Ze zijn er nog! Tijden van benauwdheid. Verstaat u het? U hebt geen doorzicht, uw weg loopt dood, zalig worden is van uw kant onmogelijk? Waar alle hoop mij gans ontviel en niemand zorgde voor mijn ziel, heeft God mijn pad gekend! Hij antwoordt mij ten dage van mijn barensweeën. Hij is met mij geweest op de weg die ik gewandeld heb. Er is alle reden tot verwondering. Die stomme afgodsbeelden hebben mij al die jaren teleurgesteld. Zij hebben nooit iets tegen me gezegd. Nee, ze zijn stom! Maar de Heere, mijn God, heeft mij nog nooit beschaamd. Hij is de nooit beschamende Rotssteen! Lieve kinderen en nageslacht, dien de Heere toch met heel je hart. Neem afscheid van de wereld. Je krijgt er nooit spijt van.

Groot en goed spreken van de Heere en waarschuwen voor de zonden. Dat hoort ook bij reformeren! ‘Jakob, wat ben je gunnend. Wat ben je bezet met de ernst van het leven. De zielen wegen. Je weet iets van de schrik des Heeren. De liefde van je Koning dringt. Je hebt zicht op Christus. Hij, Die in barensnood geweest is. Al de golven van Gods toorn zijn over Hem heen gegaan. Dat moest. Hij heeft Zich vernederd tot in de allerdiepste versmaadheid en angsten der hel, met lichaam en ziel, waar Hij uitriep in bange Godsverlatenheid: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth. 27:46). Toen ging de hemel dicht, zodat Jakobskinderen onder een geopende hemel tot God genomen, en nooit meer van Hem verlaten zullen worden.

 

Jezus Christus is de Ladder Jakobs. Weet u wat dat is? Dat is genade, Sola Gratia. Dan ontvangt u wat u niet hebt verdiend. U krijgt niet wat u wel waard bent. Dan roemt u in genade, in eeuwige, eenzijdige ontferming. Dan blijft er slechts verwondering en gunning over.

Wat staat vader Jakob daar ruim! De bazuin geeft een helder geluid. De waarschuwingen ontbreken niet. De dienst des Heeren wordt aangeprezen: Die God Die mij antwoordt ten dage van mijn benauwdheid, en met mij geweest is op de weg dien ik gewandeld heb.

Die weg is niet altijd de gemakkelijkste. God heeft Zijn volk geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst. Het zijn vaak wegen tegen vlees en bloed in. De weg van Paulus met een doorn in zijn vlees. Het heeft hem klein, ootmoedig en afhankelijk gehouden. Maar het is wel de meest betrouwbare weg. Het is de weg van God, van Zijn gunst, van Zijn liefde en ontferming. Het is de weg van het offer, het plaatsbekledende offer van de Borg en Middelaar. Al weet u de weg dan niet, het hoeft ook niet, want de goede Herder gaat voorop. Zijn schapen volgen Hem. Zijn weg is de beste weg, de meest betrouwbare weg. Dat blijkt in het vijfde vers: daar leest u dat de vijanden op afstand blijven. Zij durven niets te doen. En God brengt Jakob in Bethel. Hij geeft hem een veilig geleide. Hij houdt getrouw Zijn Woord.

 

We eindigen met de vier sola’s van de Reformatie:

 

Sola scriptura: alleen de Schrift.

Sola gratia: alleen genade.

Sola fide: door het geloof.

 

Alles loopt uit op Soli Deo Gloria: God Drie-enig alle eer!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 118:3

 

Ik werd benauwd van alle zijden,

En riep de Heer’ ootmoedig aan.

De Heer’ verhoorde mij in ‘t lijden,

En deed mij in de ruimte gaan.

De Heer’ is bij mij, 'k zal niet vrezen;

De Heer’ zal mij getrouw behoên;

Daar God mijn schild en hulp wil wezen,

Wat zal een nietig mens mij doen?