Ds. A.T. Vergunst - 1 Kronieken 16 : 15

Zijn verbond gedenken

Het denken over het verbond
Het denken aan het verbond

1 Kronieken 16 : 15

1 Kronieken 16
15
Gedenkt tot in der eeuwigheid Zijns verbonds, des woords, dat Hij ingesteld heeft tot in het duizendste geslacht;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 103: 7, 9
Lezen : 1 Kronieken 16: 7-36
Zingen : Psalm 111: 2, 3, 5
Zingen : Psalm 89: 2
Zingen : Psalm 95: 4
Zingen : Psalm 81: 1, 12

Gemeente, het Woord van God komt tot ons aan de hand van 1 Kronieken 16, met name vers 15:

 

Gedenkt tot in der eeuwigheid Zijn verbond, het woord dat Hij ingesteld heeft tot in het duizendste geslacht.

 

We staan stil bij twee gedachten:

1. Het denken over het verbond 

2. Het denken aan het verbond

 

1. Het denken over het verbond

 

Ze hebben gebroken met alle wetten van hun Vader. Ze hebben de liefde van hun Vader veracht. Hij heeft hen vriendelijk en herhaaldelijk brieven gezonden, maar ze hebben ze verscheurd. Ze hebben alles ontkend wat Hij voor hen gedaan heeft. Hoe Hij ze een huis bereid heeft. Hoe Hij gezorgd heeft voor eten en drinken. Hoe Hij ze zorg en bescherming gaf.

En nu zitten ze diep in de put. Hun huis is verbrand. Velen van de familie zijn dood. Anderen zijn ontvoerd en verblijven honderden kilometers van huis. Ze leven in slavernij. En dan gaan ze bidden. En dit is wat ze bidden, terwijl ze in deze omstandigheden zijn, na alles wat ze gedaan hebben:

 

Heere, wees niet zozeer verbolgen, en gedenk niet eeuwiglijk der ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk. (Jes. 64:9)

 

En even daarvoor, in Jesaja 63 vanaf vers 15, terwijl ze diep in de put zitten, terwijl alles verbrand is en velen van het volk gedood zijn:

 

Zie van de hemel af, en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning (…)

Gij zijt toch onze Vader, want Abraham kent ons niet; Gij, o Heere, zijt onze Vader, onze Verlosser vanouds af is Uw Naam.

Keer weder om Uwer knechten wil, de stammen van Uw erfdeel.

Wij zijn geworden als die over welke Gij vanouds niet hebt geheerst, en die naar Uw Naam niet zijn genoemd.

 

Vindt u dit niet verbazingwekkend? Wie zijn deze mensen? Stakkers, dwazen, boosaardigen, ondankbaren, beesten, noem ik ze. En toch: wij zijn Uw volk. Ze lijken er niet op, ze leven er niet naar. Maar ze zijn het wel.

 

Gemeente, ik denk dat wij nu niet meer zo denken. Maar toch is dit Bijbelse taal. Dit is hoe de Joden in Babylonische ballingschap durfden te bidden: ‘U bent onze Vader. Abraham kent ons niet meer, maar U wel. Wij zijn naar Uw Naam genoemd. Wij zijn Uw volk.’

Denkt u wel eens zo? Bidt u wel eens zo? Wanneer jij afgedwaald bent van God en je jezelf vervuilde met de zonden en je ver weg was van God, heb je toen zo gebeden? Is dat niet een beetje aanmatigend, verwaand? Maar het is… Bijbels. Natuurlijk kunnen we het op een aanmatigende, verwaande manier doen. Zoals de farizeeërs in de tijd van de Heere Jezus deden: ‘Wij zijn het volk van God, wij zijn de geliefden. Het maakt niet uit hoe wij leven. Natuurlijk, een beetje godsdienstig, maar wij zijn Zijn volk.’ De Heere Jezus zet er een dikke streep door. In de tijd van Jesaja 64, wat we net lazen, in het bijzonder voor de wegvoering naar Babel leefden de Joden net zo. Ze deden wat ze wilden. Ze hadden hun afgoden, hun eigen leefstijl, maar ze ontkenden hun Vader.

 

Gemeente, er is een fout in ons denken hierover. In een overreactie op kerken om ons heen die het verbond overwaarderen, zijn wij in de tegenovergestelde richting gegaan. Wij onderwaarderen het verbond. En niet zo’n beetje ook.

Ik wil eens een vraag stellen aan de kinderen. Wanneer heeft je vader heel persoonlijk tegen jou over de doop gesproken? Nou, ik ben bang dat dit lang geleden is. En wanneer is het de laatste keer dat u, jij over de doop hebt nagedacht? Dat je tot God naderde in je gebed op grond van de verbondsrelatie die Hij met jou is aangegaan? En dat je gepleit hebt op de beloften van het verbond? Heb je ooit gezegd: ‘U bent mijn Vader, wij zijn Uw volk. Wees niet toornig meer op me, wees mij genadig’? Heb je ooit zo gebeden?

 

Het maakt nogal een verschil als laat op een regenachtige avond iemand op de deurbel drukt en een kind uit de buurt staat voor de deur: ‘O meneer, wilt u mij alstublieft helpen? Ik heb veel verkeerde dingen gedaan, maar ik heb het zo koud en ik heb zo’n honger. Wilt u mij alstublieft helpen?’

En een uur later hoor ik weer de deurbel. En ik doe open en er staat weer een jongen voor de deur en zegt: ’Vader, ik heb veel verkeerde dingen gedaan, maar ik heb het koud en ik heb honger. Wilt u mij alstublieft helpen?’ En… daar staat je bloedeigen zoon voor je. Natuurlijk help je beiden, maar je voelt het verschil. En dat is wat ik onder uw aandacht wil brengen. Een ongelooflijke rijke en noodzakelijke manier van denken.

 

Het doel van de preek, die gebaseerd is op 1 Kronieken 16, is om in herinnering te brengen en te vernieuwen en te verdiepen ons verstaan van Gods verbondsrelatie met ons. Want onwetendheid leidt tot ongeloof. Onwetendheid is ook de oorzaak van afvalligheid en opstandigheid, maar ook van een verkeerde vooronderstelling. Het maakt de duivel niet uit wat voor fout je maakt in je denken. Ze leiden allemaal tot hetzelfde einde. Maar God spreekt tot ons in deze dienst. We moeten niet wandelen in een vooronderstelling of onderwaardering of overwaardering van het verbond of van wat dan ook.

 

Laten we eens kijken naar 1 Kronieken 16. De context van dit hoofdstuk is een dag van afzondering. Er is sprake van een speciale dag. De ark werd naar de tent gebracht. Een tent die door David was opgezet. En dan componeert David deze psalm. Deze psalm, die begint bij vers 7, is een compositie van drie psalmen. Kinderen, weet je welke psalmen David uitkoos? Psalm 105, 106 en 97. En David voegde er ook wat woorden aan toe.

In vers 7 staat: Te dienzelven dage, toen gaf David ten eerste deze psalm. Je zou het een dankdagpsalm kunnen noemen. Het is een psalm waarin de Israëlieten God danken dat ze… de Israëlieten zijn. Dat ze gezalfd, afgezonderd zijn. Kijk maar in vers 22: Tast Mijn gezalfden niet aan. Ze zijn apart gezet. En verder in vers 22: en doet Mijn profeten geen kwaad. Dan moet u niet denken dat het alleen om profeten gaat. Het gaat over heel Israël. Zij behoorden Gods profeten te zijn in een wereld van het kwaad. David spreekt in deze psalm over de gehele natie. Kijk maar naar vers 13: Gij zaad van Israël, Zijn dienaar, gij kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen, met wie God een verbond heeft gemaakt.

 

Elke zondagmorgen wordt de wet voorgelezen, die begint met: Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. Ja maar, dat heeft toch geen betrekking op mij? Zal ik het eens wat anders uitdrukken: ‘Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypte, uit het diensthuis gehóúden heb!’ Is dat niet net zo bijzonder: dat je uit het slavenhuis gehóúden bent?

Wat is het slavenhuis? Het is het huis van de banden. Nou, ga je woonplaats maar in. Je vindt het overal. Je hebt de banden van afgoderij, de banden van verslaafdheid, van sport, van materialisme. En is dat niet net zo goed in onze huizen te vinden?

Kinderen, op deze dag zijn er een heleboel kinderen op het strand, of aan het voetballen, maar ze zijn nog nooit in de kerk geweest. Misschien zeg je wel: ‘Nou, ik zou zelf ook wel naar het strand willen of lekker gaan voetballen, in plaats van een hele tijd in deze kerk te zitten.’ Als je dat denkt, dan heb ik een woord voor je. Die kinderen zijn in het huis van de banden, van de slavernij. Maar daar ben jij niet in opgevoed. Je kunt er wel voor kiezen om dat te gaan doen. Je kunt er voor kiezen om die richting uit te gaan. Maar reken erop: het is een huis van slavernij. Er is echt geen vrijheid. Nee, wij zijn in Gods verbond gebracht.

 

En nu wil ik uw en jouw aandacht vestigen op vers 15:

Gedenkt tot in der eeuwigheid Zijn verbond, het woord dat Hij ingesteld heeft tot in het duizendste geslacht.

Gedenkt tot in der eeuwigheid Zijn verbond. Dat is het woord waar ik met u en jou eens bij stil wil staan. Wat is dat gedenken? En wanneer moet ik gedenken? En hoe doe ik dat?

Ik moet gedenken. Wat is dat? Wel, dat je er vol van gedachten over moet zijn. Dat is gedenken.

Nu is er iets bijzonders aan dit vers. David heeft deze zin uit Psalm 105 genomen, maar hij heeft het wat veranderd. Lees maar eens mee in Psalm 105 vers 8:

Hij gedenkt Zijn verbond tot in der eeuwigheid, het woord dat Hij ingesteld heeft tot in duizend geslachten.

Ziet u het? In 1 Kronieken 16 staat dat wij aan het verbond moet gedenken, terwijl in Psalm 105 staat dat God aan Zijn verbond gedenkt. Dat helpt ons om uit te vinden wat het woord ‘gedenken’ betekent. Wat betekent het dat God gedenkt aan zijn verbond? God is gedachtig aan Zijn verbond. Hij vergeet Zijn verbond nooit. Zie je het, Zíjn verbond. Niet het jouwe, maar het Zijne. Hij begint. En Hij is er elke dag gedachtig aan. Elke nacht. God denkt of spreekt altijd over Zijn Israël.

Neem nu de stap naar het Nieuwe Testament. Er is één kerk, in het Oude Testament en in het Nieuwe Testament. De zichtbare kerk is precies hetzelfde. Natuurlijk zijn er uitwendige verschillen, bijvoorbeeld de offerdienst in de tempel in Jeruzalem. Dat is er niet meer in het Nieuwe Testament. Maar in wezen is het dezelfde kerk: ze zijn allemaal gered door het geloof, door het werk van de Heilige Geest. Ze zijn allemaal gered door het zien op het offer. Er is één kerk, één lichaam, één zichtbare kerk. Nu kijkt God vandaag de dag op dezelfde wijze naar de nieuwtestamentische kerk als naar de oudtestamentische kerk. Lees vandaag maar eens Romeinen 11 en je ziet het helemaal voor je. De oorspronkelijk boom van het Oude Testament is niet verplaatst, maar is alleen uitgebreid. Er zijn meer takken aan toegevoegd, en één ervan bent u, ben jij. Je behoort tot dezelfde zichtbare kerk zoals deze te vinden is in het Oude Testament.

 

Denkt u zo? Denk jij zo? In het Oude Testament vind je de meest persoonlijke openbaringen van Gods hart. In het bijzonder in de profeten. Van Zijn gevoelens richting Zijn mensen. Zíjn mensen. Wanneer God Amos zendt om te profeteren, zegt Hij tot hen: Uit alle geslachten des aardbodems heb ik ulieden alleen gekend (Amos 3:2). Dat betekent: aan wie Ik Mezelf heb verbonden. God spreekt altijd zo.

Wanneer God spreekt door de profeet Hosea tot de tien stammen, luister dan wat Hij zegt in hoofdstuk 11 vers 8: Hoe zou ik u overgeven, o Efraïm, u overleveren, o Israël? Hoe zou ik u maken als Adama, u stellen als Zebóïm? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tezamen ontstoken. Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeren om Efraïm te verderven; want ik ben God en geen mens.

Let wel op dat Israël in dat boek wordt vergeleken met een hoerachtige vrouw! Dus ze zijn heel ontrouw en hebben God op het diepst bezeerd, zoals dat gebeurt als een man of vrouw ontrouw is aan zijn of haar huwelijkspartner. Er is geen pijn groter dan die pijn! Die voelde God ook, en toch kan Hij dat volk niet overgeven.

 

We gaan er eerst van zingen, want dat is toch zingenswaardig. Psalm 89 vers 2:

 

Ik heb, dit was Uw taal, een vast verbond gemaakt

Met Mijnen gunsteling, dien steeds Mijn oog bewaakt;

Ik heb aan Mijnen knecht, aan Mijnen uitverkoren’,

Aan David, in Mijn gunst, met enen eed gezworen:

‘Ik zal van kind tot kind, tot aan het eind der dagen

Uw zaad bevestigen, en uwen rijkstroon schragen.’

 

‘Ik maakte een verbond. En hoewel u dat verbond al zo vaak gebroken hebt, Ik zal het Mijne niet verbreken.’ Dit Joodse volk is nog steeds de geliefde van de Vader. Nog steeds! We moeten dit goed overwegen. God is gedachtig. Niet omdat Israël zo liefelijk is. Nee, ze zijn het minste volk. Ze zijn buiten het paradijs. Hij deed het niet omdat ze het verdienden, omdat ze beter waren. Nee, Hij verkoos hen omdat God soeverein is.

En datzelfde geldt voor jou. Je moet niet denken dat je een haar beter bent dan de mensen buiten de kerk. En toch, God vestigt Zijn Koninkrijk met jou en mij en Zijn zaad. En ik zeg op Bijbelse gronden vandaag: jullie zijn allemaal Zijn volk. Ik zeg niet dat u allemaal bekeerd bent. Kijk maar naar het Oude Testament. Er is een meerderheid waarvan geschreven staat dat ze niet gered zijn. En ook dat is zo vandaag. Er zijn er velen in deze kerk die niet in het Koninkrijk van God komen. Dat is niet omdat je niet tot Zijn kerk behoort, maar omdat je er voor koos om ongehoorzaam in het ongeloof te blijven. En omdat je weigert het Woord van God te gehoorzamen.

Gemeente, zoals we in het Oude Testament zien, zien we het ook in het Nieuwe Testament. De christelijke kerk is de zichtbare kerk van God. Maar de meerderheid van hen is niet gered. En we moeten altijd deze twee aspecten van het volk van God herinneren. Uitwendig, ja, dan zijn het kinderen van God, maar inwendig? Nee. Daarom klinkt het vandaag: bent u gedachtig aan het verbond van God, zoals God er gedachtig aan is? Denkt u eraan? Niet overwaarderen, alsof alles goed is omdat we nu eenmaal in het verbond opgenomen zijn. Maar ook niet onderwaarderen, alsof het toch niet veel betekent, omdat het alleen maar uitwendig is.

 

Letten we in onze tweede gedachte vervolgens op:

 

2. Het denken aan dit verbond

 

Ouders, denkt u eraan? Hoe functioneert dit verbond in uw ouder zijn? Nee, nog een stap terug: hoe functioneert het in het denken over u zelf? Heeft het überhaupt wel een functie? Hierover moet je denken!

Denk ik er over na dat God mij verhoogd heeft en Zichzelf heel dicht bij mij bracht? O Kapernaüm, u bent verhoogd tot aan de hemel. Dat ben ik; ik ben verhoogd tot de hemel. Zo dichtbij is de hemel naar mij gekomen. De machtige werken die aan u zijn gedaan, zijn niet aan de wereld gedaan. Denk aan uw ongelovige buurman of collega: hij heeft niet gehoord wat u gehoord hebt of gezien wat u gezien hebt. Is dat omdat u een beter mens bent? Nou, vergeet het maar. Het heeft helemaal niets met u of met jou te doen. Het is omdat God een verbond bevestigd heeft van generatie op generatie. Duizenden generaties. God heeft u, jou in dit verbond gebracht.

Denk eraan, ouders, met betrekking tot je nageslacht. Bij elke doopdienst wordt het zaad van de gemeente voorzien van een teken met betrekking tot deze relatie van God met de mens. Elk gedoopt kind is een erfgenaam van het Koninkrijk. Onze voorvaderen hadden geen moeite om dit zo te zeggen. De kinderen die in de gemeente gedoopt worden zijn kinderen van het Koninkrijk van God. Zo staat het ook in het doopsformulier. Als lid van Zijn kerk behoren ze gedoopt te worden, want ze behoren tot de kerk, zoals de kerk van het Oude Testament behoorde tot de zichtbare kerk. Zo behoort ook het nieuwtestamentische zaad tot de zichtbare kerk. En God heeft beloofd aan deze kinderen: ‘Ik ben jouw God.’ Elke zondagmorgen bij het lezen van de wet hoor je tot vijf keer toe: Ik ben de Heere uw God. Hij daalt zo diep neer om ons hieraan te herinneren. Daarom, heb geen andere goden, dien Mij. Denk aan Mijn verbond! Denk hieraan, ouders, wanneer je je kinderen opvoedt.

 

Het zou wat zijn alsof ik zou doen alsof ik een dag niet getrouwd was, of zelfs dat ik een uur niet getrouwd was. Alsof ik geen verbond had met mijn vrouw. Dat is toch niet te accepteren? Ik kan niet één uur doen alsof dat niet het geval is.

Als dat al waar is van een aards verbond, hoeveel te meer van een hemels verbond tussen God en mensen? Te doen alsof we niet in dit verbond zijn is vreselijk. Maak niet het grote misverstand om te denken dat je zalig bent omdat je tot dit verbond behoort. Nee, laat ik het zo zeggen: de bijzondere relatie zegt nog niets over je geestelijke redding. Dat is het misverstand dat veel Joodse mensen maken in de Bijbel. Alsof hun relatie, hun positie, ook onmiddellijk betekent dat ze in een geredde toestand zijn. Dat is een overwaardering van de relatie waarin ze staan.

 

Een ander beeld dat ook in de Bijbel veel gebruikt wordt, is de schapen in de wei met de herder. In Psalm 95 roept de profeet ons op om de Heere groot te maken. Komt, laat ons aanbidden en nederbukken, laat ons knielen voor de Heere, Die ons gemaakt heeft. Want Hij is onze God (let op dat woord ‘onze’!) en wij zijn het volk Zijner weide en de schapen Zijner hand (Ps. 95:6-7).

Israel tóen en wij nú zijn schapen van Zijn weide. En het is uiteraard de beste weide en de allerbeste Herder als we mogen geboren zijn in de kerk en onder de prediking van het Woord geweid worden.

 

Kinderen, er zijn heel veel kinderen die niet grazen in deze weide. Ze zitten de hele dag voor de televisie, of met hun iPad op schoot. Ze gaan met hun iPhone in de hand op de fiets of met de bus. En ze grazen in het wereldse denken, ze grazen in de sport, in de afgoderij, in het gamen, in de films. Hun gedachten raken vol van deze dingen en ze denken daar steeds aan. Is dat de beste weide?

Kinderen, jongeren, God heeft jou uitgekozen en je geplaatst in de beste weide die er is.  Van jongsaf aan heeft God als een Herder ons geleid door ouders, leerkrachten en kerkleiders en we mogen grazen in Zijn weide van het Woord. Dat alles maakt je nog niet zalig, hoewel het een heel groot voorrecht is. Want het redt je wel van een heleboel slechte dingen. Als je altijd volgegoten wordt met slechte woorden, zondige dingen, afgoderij, verkeerde denkbeelden van God, dan word je dus geweid in de wereld.

Dank God ervoor dat je zo onder Zijn Woord mag opgroeien. En denk aan Zijn verbond, dat Hij met ons en onze vaders heeft gemaakt.

 

Maar pas op voor het misverstand dat ik al eerder noemde. De meerderheid van de verbondsmensen uit het Oude Testament stierf als ongelovigen in de woestijn, als ongelovigen in Israël of later in Babylon. Het was maar een klein deel dat overbleef. Het grootste gedeelte van de Joden in Babylon voelde zich er prima thuis en ging helemaal niet terug naar Israël.

En zo ook hier, vandaag. Je hebt het teken van het verbond. Je hebt het voorrecht dat God je Verbondsvader is. Maar het spijt me om het te zeggen: er zijn er velen nu in deze kerk die, als ze vandaag sterven, buiten staan en niet in de hemel komen. Waarom is dat? Omdat de verbondsrelatie nog geen verandering brengt in je hart. Er is een persoonlijke bekering nodig, en een persoonlijk geloof en antwoord. Vanuit je hart. Als dat niet komt, ondanks al die liefdevolle leiding van God als een Herder in je leven, dan zul je een slechter deel krijgen dan de mensen uit Sodom en Gomorra. Dat is een aangrijpende gedachte. We zetten ons vaak mijlenver boven deze mensen. Maar dat doet God niet.

Luister toch, mensen. Luister naar wat God ons toeroept. Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet… Heden is vandaag, want morgen is niet zeker.

 

Laat ik het zo samenvatten: wanneer ik denk aan het verbond, betekent dat dat Gods Woord altijd in je gedachten is, waar je ook bent, waar je ook zit. Jongelui, hoe zit dat bij jullie? Je zet je computer aan, je gaat naar YouTube, je ouders kijken niet mee, maar wie wel? Degene die in een verbond staat met je; de Heere kijkt mee. Misschien als je gamet met je vrienden. Je hebt je koptelefoon op. Je ouders horen niet wat er gezegd wordt. Maar God wel. Hij is Degene Die Zijn hand plaatste aan je voorhoofd. Hij zegt: Ik ben de Heere uw God.  

David zegt dat hij altijd denkt aan Gods verbond. En Wij? Denk ook aan dit verbond: thuis, in de kerk, op school, op het werk. Waar je ook bent. Altijd en overal. In tijden van voorspoed en tegenspoed.

 

We zingen Psalm 95 vers 4:

 

Want Hij is onze God, en wij

Zijn ‘t volk van Zijne heerschappij,

De schapen die Zijn hand wil weiden;

Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord;

Verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

Waarom moeten wij aan Zijn verbond denken?

Ten eerste om je nederig te houden. Ik dank God elke dag dat Hij op mij neergezien heeft en mij heeft afgezonderd, apart gezet. Hoe ouder ik word, hoe meer ik me verwonderd afvraag: Waarom? Waarom ben ik niet als zoveel mensen, dat ik nu niet zit te gamen, dat ik nu niet aan het werk ben, dat ik nu niet aan het winkelen ben? En weet je, dat zijn de dingen die ik ook wil doen als je hier naar binnen kijkt in mijn oude hart. Daarom: denk aan het verbond!

Waarom zijn wij zo bevoorrecht dat wij de schapen van Zijn weide zijn? Afgezonderd, beschermd, verzorgd door God. Dat we opgroeien onder de beste omstandigheden die we ons kunnen voorstellen. Ik was eens in India en zag er allerlei mannen lopen, keurig in pak. Maar voordat ze begonnen met werken, bogen ze voor een beeld. Een beeld dat oren heeft, maar niet hoort. Ogen, maar niet ziet. Handen, maar niet kan helpen. En daar stelt men zijn vertrouwen in. Ik kon hen niet aanspreken omdat ik hun taal niet sprak. Maar toen ik het zag, bad ik tot God: ‘Als U het niet verhoedde, zou ik precies hetzelfde doen. Brengt U alstublieft iemand tot deze mannen die in hun eigen taal over U kan vertellen.’

 

Kinderen, denk aan het verbond! Wanneer ik kijk naar die kinderen die volgepakt met bommen in opdracht van de IS zichzelf opblazen, dan denk ik: Waarom ben ik niet zo? Waarom ben ik niet zo gehersenspoeld dat ook ik zou denken dat als ik mezelf opblaas en zoveel mogelijke mensen dood, dat ik dan de beste plaats in het paradijs zou ontvangen? Waarom doe ik niet zo? Waarom niet? Ik dank God dat ik het niet doe omdat Hij mij leerde dat dit niet goed is. We krijgen elke dag honderdduizend redenen om onze knieën te buigen en net als David te zingen in ons teksthoofdstuk, bijvoorbeeld vers 8, 9 en 10: Looft de Heere, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken. Zingt Hem, psalmzingt Hem. (…) Roemt u in de Naam Zijner heiligheid.

 

Waarom moeten wij aan Zijn verbond denken? Niet alleen om je nederig te houden, maar, ten tweede, ook om je aan je plichten te herinneren. Ik wandel in deze wereld met een ring aan mijn hand. Wat betekent dat? Dat ik een plicht heb. Waar ik ook ben in deze wereld, er is een vrouw die mij liefheeft en die mij heeft beloofd dat ze zich helemaal alleen aan mij geeft. Die vrouw heeft ook een ring. En die is het symbool van mijn belofte. Ik heb beloofd, wat er ook met mijn vrouw gebeurt, dat ik haar altijd lief heb. Met heel mijn hart. Om teer, lief en verzorgend te zijn, en als het nodig is, zelfs mijn leven voor haar te geven. Daarom dragen wij deze ringen. Om ons er aan te herinneren wat we aan elkaar beloofd hebben.

En dat is precies dezelfde reden waarom God een teken aan ons heeft gegeven. In het Oude Testament was dat de besnijdenis van de jongens en de mannen, in het Nieuwe Testament is dit de doop van jongens en meisjes, mannen en vrouwen. Al het zaad van de kerk heeft het voorrecht om het teken van het verbond te ontvangen. En ik noem dat Gods ring, waarin Hij zichtbaar maakt wat Hij in Zijn Woord zegt. Die draag ik als teken van Zijn belofte dat Hij de Heere, mijn God, wil zijn.

 

Kinderen, als je opgroeit hoop ik dat je op een gegeven moment als het ware een ring aan God teruggeeft. Wat bedoel ik daarmee? Dat je mag komen tot de jaren van volwassenheid, om een persoonlijk verbond met God te maken. Als antwoord op Zijn belofte aan jou gedaan in het Woord. Wij noemen dat belijdenis doen. Maar weet goed dat God er niet geïnteresseerd in is dat we dit doen als een lege gewoonte. Hij wil een hartelijke belijdenis, waarin we ook echt met heel ons hart zeggen dat we tot Hem willen behoren en Hem willen dienen. Dat we dat niet kunnen zonder hulp moet duidelijk zijn. Maar Hij is heel gewillig om ons dat dagelijks te geven.

oe daarom nooit belijdenis omdat je ouders het verwachten, of omdat de kerk het verwacht, of omdat je al wat ouder bent geworden en je wilt gaan trouwen, of een kind moet gedoopt worden. Als je het om deze redenen wilt doen, dan betekent het weinig en dan vraag ik me af of het dan wel gedaan moet worden.

Als zulke belangrijke ja-woorden uit gewoonte gebeuren, zijn ze totaal uitgehold.  Dan ontstaat er schijnheiligheid. God wil het hart!

En merk op dat wanneer we bidden tot God in het dankgebed van het doopsformulier, dan bidden we of God deze kinderen wil laten bekennen Zijn Vaderlijke goedheid en barmhartigheid. Dat bekennen is: belijden met het hart.

Jongeren die nog geen belijdenis hebben gedaan: ik verlang dat jullie mogen komen tot de tijd dat je als het ware je ring mag teruggeven aan God. En daarom heeft het verbond twee kanten. Bij de doop is het Gods verklaring tot ons en onze kinderen, maar bij belijdenis doen is het jouw antwoord tot God. Daarom: denk aan dit verbond!

 

Er is een derde reden om aan het verbond te denken: opdat we zouden bidden tot God. Aan het eind van deze psalm van David, vers 35, zegt hij: Verlos ons, o God onzes heils, en verzamel ons en red ons van de heidenen. Waarom vraagt hij dat? Zijn ze dan niet Gods kinderen? Jazeker, maar ze hebben redding nodig. Anders zou het alleen een uitwendige zaak zijn, en dat is echt niet voldoende! Onze verbondsrelatie brengt juist het recht en het voorrecht van het gebed met zich mee. Er is een toegang tot de God van het verbond. Om Jezus’ wil.

 

Ouders, u moet uw kinderen onderwijzen hoe verloren ze zijn. Laat ze zien hoe afgodisch ze zijn. Maar stop daar niet! Vertel ook over het bloed van Jezus Christus. Vertel ze over het verbond dat God met hen gemaakt heeft. Dat God hen uitgekozen heeft om dichtbij hen te komen en Zijn hand op hen te leggen, en te zweren: ‘Ik wil jouw God zijn.’

Kinderen, jongeren, wat betekent dat? Hij neemt bezit van je. Je behoort Hem toe. En dat geeft de troost om tot Hem te naderen en te zoeken naar vergeving en genade. Herinner je je dat kind bij de deur? Natuurlijk, iedereen zou helpen. Maar als je lid bent van Zijn verbond, dat heb je een speciale toegang, een speciale plaats.

 

En daarom mag je Psalm 81 vers 12 zingen:

 

Opent uwen mond,

Eist van Mij vrijmoedig,

Op Mijn trouwverbond;

Al wat u ontbreekt,

Schenk Ik, zo gij ’t smeekt,

Mild en overvloedig.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 81: 1 en 12

 

Zingt nu blij te moê

’t Machtig Opperwezen

Enen lofzang toe;

Om ons heilgenot

Worde Jakobs God

Met gejuich geprezen.

 

Opent uwen mond,

Eist van Mij vrijmoedig,

Op Mijn trouwverbond;

Al wat u ontbreekt,

Schenk Ik, zo gij ’t smeekt,

Mild en overvloedig.