Ds. L. Huisman - 2 Koningen 4 : 23

Het gaan tot de man Gods

Onder een drukkende last
Op een ongelegen tijd
Door de kracht van het naakte geloof
Deze preek is eerder gepubliceerd in de bundel ‘Met lege handen’ (10 voorbereidingspreken op het Heilig Avondmaal, van ds. L. Huisman), Uitgeverij P. Boekhout, 2006.

2 Koningen 4 : 23

2 Koningen 4
23
En hij zeide: Waarom gaat gij heden tot hem? Het is geen nieuwe maan, noch sabbat. En zij zeide: Het zal wel zijn.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 146: 1, 3
Lezen : 2 Koningen 4: 8-37
Zingen : Psalm 77: 7, 8
Zingen : Psalm 23: 1, 2
Zingen : Psalm 17: 4

Geliefden, het Woord van God dat wij in deze dienst in uw midden wensen te verkondigen, vindt u in 2 Koningen 4 vers 23, waar wij het Woord van God aldus lezen:

 

En hij zeide: Waarom gaat gij heden tot hem? Het is geen nieuwe maan noch sabbat. En zij zeide: Het zal wél zijn.

 

Deze tekst spreekt ons van: Het gaan tot de man Gods.

 

1. Onder een drukkende last

2. Op een ongelegen tijd

3. Door de kracht van het naakte geloof

 

Deze geschiedenis brengt ons in gedachten naar de tijd waarin de man Gods, Elisa, leefde. Elisa was de opvolger van de even bekende Elia. Elia, de man Gods, die met oordeel en met vuur als de handhaver van de Goddelijke wet zich geopenbaard had in een goddeloze tijd.

Elisa wordt wel eens gezien als het tegenbeeld van Elia. Elia sprak immers: Indien ik dan een man Gods ben, zo dale vuur van de hemel en vertere u en uw vijftigen (2 Kon. 1:10). En hij verkondigde aan Achab het oordeel: Indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord! (1 Kon. 17:1). Let in tegenstelling daarmee eens op Elisa, die de weduwe hielp toen de schuldeisers kwamen. Diezelfde Elisa, die ook hier in dit hoofdstuk wonderen van genade verricht aan deze Sunamietische vrouw, net als straks aan de profeten in het vervolg van dit hoofdstuk.

Er wordt wel eens een vergelijking getrokken tussen Johannes de Doper en Jezus enerzijds en Elia en Elisa anderzijds. Elia, de wegbereider, de prediker van de gerechtigheid Gods en na hem Elisa, die de geslagen wonden heelt met de balsem van het Evangelie. Zo heelt ook Christus de geslagen wonden, geslagen door de prediking van Johannes de Doper.

 

In de tijd van deze Elisa leefde het volk van Juda, het tweestammenrijk, net zo min als het volk van Israël, het tienstammenrijk, in de inzettingen des Heeren zoals hun vaderen geleefd hadden. Vooral het rijk der tien stammen was ver van de dienst van de levende God afgedwaald. Het is waar: Juda had nog een godvrezende Josafat als koning. Een man die recht deed in de ogen des Heeren. Maar toch, het volk was niet één van hart en één van zin in het volgen van Hem, zoals in de dagen van David en in het begin der dagen van Salomo. Toch heeft God ook in deze droeve, donkere en afvallige dagen Zijn trouwe knechten nog. Zie het maar in deze Elisa. Elisa, die van plaats tot plaats reisde om het volk in aanraking te brengen met het Woord van God, teneinde de kennis van Gods wetten voort te planten onder Zijn volk.

 

Er is een vrouw – ze wordt in vers 8 beschreven als: een grote vrouw – in de plaats Sunem, gelegen in de vruchtbare vlakte van Jizreël, niet ver bij de ons bekende berg Karmel vandaan. Deze vrouw vreesde God. Zij was niet groot in uiterlijke eer. Niet groot doordat ze spreken kon op openbare vergaderingen, of omdat ze een naam had in de politiek van die dagen. Maar een vrouw die groot was omdat ze haar huis verzorgde in de vreze des Heeren. Waarin kan een vrouw groter zijn? Nergens in, dan in het verzorgen van haar huis, van haar gezin, in stilheid en in ootmoedigheid. Een vrouw die zo haar gezin regeert en zo voor haar man en kroost zorgt, is groot in de ogen van God.

Deze Sunamietische vrouw heeft gehoord van de profeet Elisa. Dat hij dikwijls doortrekt door Sunem. En zij heeft – toen zij het woord gehoord had dat hij sprak – een betrekking op deze man gekregen. Zij heeft deze profeet lief gekregen om het Woord van God dat hij aan het volk bekend maakte. Zij heeft aan de profeet gevraagd of hij in haar huis wilde komen, om samen met haar en haar man brood te eten. Maar dat niet alleen, zij vond het ook een gezegende ure om samen met haar man en samen met deze profeet – want kinderen hadden ze niet – te spreken over de wegen des Heeren. Dat was haar grootste verlangen.

En die knecht Gods, Elisa, heeft dat aangevoeld. Hij is in het huis van deze mensen gekomen en hij heeft met hen gesproken over de dingen van Gods Koninkrijk. En toen die vrouw bemerkte dat deze man Gods heilig was, dat hij zuivere, reine bedoelingen had, heeft ze met haar man overlegd om een opperkamer voor hem te maken op het platte dak van hun huis waar hij zou kunnen verblijven zoveel hij wilde. En ze heeft die kamer gemeubileerd met een stoel, een tafel, een lamp en een bed. Nee, ze heeft niet met een dure inrichting deze profeet aan haar willen binden. Maar ze heeft hem slechts een kamer gegeven waar hij rusten en werken kon. Dat had hij het meest nodig om het Woord van God ook in Sunem te kunnen verkondigen.

 

En wanneer de profeet de zorg van deze vrouw bemerkt, dan wil hij haar het loon van een profeet schenken. Want de Heere heeft gezegd: Die een profeet ontvangt in de naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in de naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen (Matth. 10:41). En daarom vraagt Elisa door middel van zijn knecht Gehazi of er ook iets is om voor haar te spreken bij de koning of bij de krijgsoverste. Want vanwege de vorige geschiedenis, die u lezen kunt in 2 Koningen 3, heeft deze profeet Elisa een goede naam aan het hof gekregen door de raad Gods, welke hij de koning van Israël verkondigd had in de strijd tegen de koning der Moabieten.

Hij biedt aan om, als dat nodig is, haar voorspraak te zijn bij de koning of bij de oversten van het volk. Maar dan zegt deze vrouw: ‘Ach, ik heb eigenlijk niets nodig, want ik woon in het midden van mijn volk.’ Ze wil zeggen: ‘Ach, ik heb een man, een goede man, en ik heb samen met mijn man rijk mijn brood. We hebben zelfs knechten met wie mijn man op het veld werken kan. En ik leef in het midden van mijn volk Israël. Wat zou ik nu nog meer begeren? Zou ik het hofleven, met al zijn ijdelheid, begeren? Nee, ik heb hier vrede mee.’

Had deze vrouw dan niets meer te vragen? O ja, vroeger was er een zeer sterk verlangen in haar hart geweest, toen ze pas getrouwd was. In elke vrouw immers leeft het moederhart. Maar in dit verlangen is ze teleurgesteld en ze heeft dat verlangen sinds lang in haar hart begraven. Daar wil ze niet meer over spreken. Ze is het eens geworden met God. Ze wil het kruis dat God haar in dit opzicht heeft opgelegd, dragen. En wat God haar niet verlenen wil, daar wil ze verder ook niet onverenigd om blijven smeken aan Gods troon. Maar ze wil liever moedig het haar opgelegde kruis vrolijk voorwaarts dragen.

 

O, dit is niet het enige kruis, dat God menig gezin – en menig vrouwenhart in het bijzonder – heeft opgelegd. God heeft zovele kruisen. Denk maar eens aan David, hoe hij de tempel des Heeren wilde bouwen maar het niet mocht, omdat hij een man des bloeds was. Denk maar eens aan Paulus, hoe hij driemaal gebeden had om de doorn uit zijn vlees verwijderd te zien. Maar de Heere had hem gezegd: Mijn genade is u genoeg (2 Kor. 12:9).

 

Zo heeft deze vrouw ook dit kruis mogen aanvaarden en ze spreekt er niet over. Maar Gehazi heeft het bemerkt en hij zegt tegen Elisa, de man Gods: Ze heeft toch geen zoon, en haar man is oud (2 Kon. 4:14). Hun huwelijk is kinderloos. Ze heeft geen zoon. En als de man Gods de vrouw bij zich geroepen heeft, dan zegt hij: Op deze gezette tijd, omtrent deze tijd des levens zult gij een zoon omhelzen (2 Kon. 4:16). Dat spreekt hij in de Naam des Heeren.

Maar dan zegt ze: Neen, mijn heer, gij man Gods, lieg toch tegen uw dienstmaagd niet (2 Kon. 4:16). Met andere woorden: Dat kan toch niet waar zijn. Herinner mij niet weer aan die onvervulde verwachtingen. Trek die wond niet weer open.

Maar God maakt Zijn Woord waar! En Hij geeft haar het volgend jaar op de beloofde tijd een zoon. Dat kind, door God gegeven, is in een weg van beproeving aan haar geschonken.

 

Maar de beproeving is niet ten einde! Want als dat jongetje enkele jaren oud is en op een dag naar zijn vader wil, die vlakbij huis op het land aan het koren maaien is, en hij toestemming krijgt van zijn moeder om naar zijn vader en naar de knechten te gaan, dan gebeurt het in de morgen van die zomerdag, dat het kind ziek wordt. En hij begint te roepen: O, mijn hoofd, mijn hoofd! (2 Kon. 4:19). En zijn vader, die moeilijk raad weet met het zieke kind op het veld, zegt tegen één van zijn knechten: ‘Breng het eens gauw bij zijn moeder.’ Ach, wat is een betere plaats voor het zieke kind dan bij de moeder op schoot? Wie kan zorgen, wie kan troosten, wie kan medelijden hebben zoals een moeder dat kan? 

Zo ook deze moeder. Wanneer de ziekte toeneemt, schreeuwt haar ziel tot God. En toch gilt ze niet van wanhoop. Toch vlucht ze niet radeloos van de ene dokter naar de andere, maar ze schreeuwt tot God, terwijl ze haar doodzieke kind in haar armen houdt en op haar schoot vertroetelt. Deze vrouw heeft een Toevlucht.

Dat is de weelde van het geloof. Dan mogen we schreeuwen tot God. Dan mag het kind stervende zijn, maar ze heeft een Toevlucht. Zelfs als na enkele uren de ziekte zo hevig wordt dat het kind onder vreselijke pijnen in haar armen sterft.

Ze had van God een kind gekregen, maar nu zal het geslacht toch uitsterven. Nu zal God toch de zegen die Hij haar aanvankelijk gegeven heeft, niet op haar huis laten rusten. En dat was heel wat, vooral voor een Israëlitische moeder. Dit geslacht kon nu niet verder voortgeplant worden. Het zal ophouden te bestaan. Het zal niet meewerken aan de uitbreiding van Gods Koninkrijk. In hun zaad zal de Naam des Heeren nooit verheerlijkt worden.

 

Wat doet nu deze vrouw? Ze legt haar kind op het bed van de man Gods. En ze vertelt niemand iets, zelfs haar man niet. Ze laat haar man vragen: Zend mij toch een van de jongens en een van de ezelinnen, dat ik tot de man Gods lope en wederkome (2 Kon. 4:22).

Ze moet naar de man Gods, want die was het die haar in de Naam des Heeren een kind beloofd had. En nu moet ze haar smart gaan vertellen aan die man Gods en hem het raadsel van haar leven gaan openbaren. Ze moet het gaan vertellen aan die man Gods die haar verblijd had in de dagen van weleer.

Maar dan zegt haar man tot zijn vrouw, door middel van zijn knecht: Waarom gaat gij heden tot hem? Het is geen nieuwe maan noch sabbat (2 Kon. 4:23). Dus dan zegt haar man: ‘Moet je nu naar de knecht van God? Het is toch geen nieuwe maan?’

Het nieuwe maanfeest was door God ingesteld. Wanneer de eerste sikkel van de nieuwe maan gezien werd, dan blies men in Israël op de ramshoorn. Dan was het een feestdag. En ook de sabbat was voor Israël een feestdag. En dan ging men in die dagen – want toen waren er nog geen synagogen – naar de huizen van profeten om de wet te mogen horen. Althans, dat deden die mensen die nog niet totaal gebroken hadden met de dienst van Jehova. Dan ging men met een ezel of te voet of met een voertuig naar de profeet om van de Naam des Heeren te mogen horen. Daarom zegt deze man ook: ‘Moet je nu naar de profeet? Het is toch geen nieuwe maan? En het is toch geen sabbat? Het is toch een ongelegen tijd om het aangezicht van de man Gods te zoeken?’

Maar dan antwoordt zij haar man en zegt: Het zal wél zijn (2 Kon. 4:23). In het Hebreeuws staat hier eigenlijk maar één woord. Het woord: ‘Sjaloom’. En sjaloom is de bekende groet die ook vandaag in Israël nog weerklinkt. Sjaloom betekent: ‘Vrede zij u’ of ‘vrede is het’. Zo zegt deze vrouw in de grootste nood van haar leven tegen haar man: ‘Sjaloom: vrede zij het, het is goed. Laat me slechts gaan.’

Hoe is dat nu mogelijk? U ziet hier een voorbeeld van een mens die alles verliest, maar door het naakte geloof God overhoudt. Ziet u?

 

Het is voorbereiding voor de bediening van het Heilig Avondmaal volgende week. En deze geschiedenis spreekt ons van een begenadigde vrouw en van een begenadigd gezin dat onder de slagen van Gods hand doorging. Deze vrouw kwam in een zware beproevingsweg omdat ze het van God gekregene verliezen moest.

En waar moest ze nu heen? Waar moest ze heen met zo’n grote smart? Wel, geliefden, deze vrouw ging naar de man Gods! En dat mag u wel zo zien, dat Elisa God Zelf vertegenwoordigde in het woord van God dat hij sprak. En de meerdere Elisa is Jezus, Die ons de raad en de wil van God heeft bekend gemaakt.

 

Hoe is het nu bij ons? Misschien zijn er hier ook die in de dagen van weleer de vertroostingen Gods ontvangen hebben. Misschien is het wel zo dat ook u het ontvangen hebt, net als deze vrouw het heeft ontvangen, toen u er niet meer op kon rekenen en toen u er niet meer op durfde te hopen. Dat u tot de Profeet, ja, tot God, moest zeggen toen het Woord waarheid werd in uw hart: ‘Heere, bedrieg me toch niet. Zou het dan toch ook voor mij, ook in mijn leven kunnen gebeuren?’ En nu behoeft u hier niet te blijven staan bij die uiterlijke weldaad van de geboorte van een kind als uiterlijke zegening. Tast hier maar door naar de geestelijke dingen, die hierin verklaard liggen.

Het is mogelijk dat u zegt: ‘Ja, eenmaal is die Profeet Gods – is God Zelf – met Zijn Woord tot me ingekeerd en heeft Hij in mijn leven waargemaakt wat ik allang had afgeschreven. Toen heeft Hij mijn oog verlicht en in mijn hart Zijn vreze verwekt. Toen heb ik gebeefd voor Zijn heilig aangezicht en toen heeft Hij de beloften van het Evangelie voor mijn hulpeloze ziel ontsloten. Toen heb ik een blijdschap in God gekend, die ik nog nooit in de wereld gekend had. Ik mocht toen het beloofde heil met beide handen aangrijpen en ik heb God geprezen voor de weldadigheden die Hij aan mij bewees. Maar nu ben ik alles kwijt! Het kind dat ik van God had gekregen in de weg van de beloften, de werkzaamheden, de uitgangen van mijn ziel, ik had ze alle van God gekregen. En nu ben  ik alles kwijt, op een onverwachte wijze.’

Misschien meende u wel dat het kind – het werk van God, om overdrachtelijk te spreken – in vreugde en in voorspoed zou opgroeien. En nu blijkt het, wanneer u geroepen wordt tot de dis des Heeren, dat u zeggen moet: ‘O God, ik heb niets om voor Uw aangezicht te verschijnen. Waar zijn Uw vorige goedertierenheden? Waar is het leven van mijn ziel? Waar is dat nederbuigen voor U? O, getrouwe Verbondsgod, waar zijn de weldadigheden die ik genadiglijk van U mocht ontvangen?’

Misschien moet u, net als deze vrouw, zeggen dat uw kind gestorven is. De liefde van uw hart lijkt helemaal weg en u mist de gemeenschap met God en vindt het voorwerp van uw blijdschap niet meer in uw hart.

 

En wat doet u dan? Zegt u dan: De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten (Jes. 49:14). Blijft u dan steeds moedeloos klagen tot ieder die het maar horen wil? Snelt u dan naar uw man en naar de knechten op het veld en roept u dan al uw buren te hulp, om met u te komen wenen over uw verloren kind? U begrijpt wel hoe ik dat bedoel. Ik bedoel eigenlijk: Moet de gehele gemeente en uw hele familie en de gehele wereld horen hoe diep u er toch wel door moet? En moet u dan aan iedereen gaan vertellen dat het zo donker is in uw hart en dat u bij God niet meer komen kunt?

Dat heeft deze vrouw niet gedaan. O nee! Zij heeft haar kindje gelegd op het bed van de man Gods, van wie ze dit kind middellijk – door zijn voorbede – van God ontvangen had. En ze heeft de deur gesloten, zodat niemand erbij kon komen. Niemand heeft in haar armoede kunnen blikken. Niemand! Ze heeft het zelfs aan het liefste wat ze nog had, namelijk haar man, niet verteld. Maar ze is rechtstreeks gegaan naar hem van wie ze de weldaden ontvangen had: naar de man Gods. Die man Gods kon haar ook niet helpen. Maar middellijk ging ze naar de man Gods als de tussenpersoon tussen God en haar ziel.

Welnu, dit is de werkzaamheid van de ziel waar God toe opwekt. Waar zult u anders heen gaan?

 

Of zegt u misschien: ‘Ja, maar er is toch een begin van het geestelijk leven in mijn ziel geopenbaard? Want lang geleden, in mijn jeugd, toen was alles zo anders. Toen mocht ik de Heere nawandelen door bezaaide en onbezaaide wegen. Toen heb ik een tijd gehad dat ik hartelijk geloofde een kind van God te zijn en dat ik met smekingen en geween Zijn troon niet los kon laten. Dat ik dikwijls Zijn vertroostingen in mijn ziel mocht ervaren.’

Ja, en zegt u dan: ‘Nu zal de Heere toch voleinden wat Hij begonnen is?’ Nou, dat geloof ik ook. Als het toen waar geweest is, dan zal God u nooit meer verlaten. Maar weet u wat ik ook geloof? Als het toen waar geweest is, dan kunt u nu niet buiten God leven. En dan kunt u zich niet tevreden stellen met te zeggen: ‘Het zal nog wel eens goed komen. En de Heere zal toch Zijn werk niet laten varen.’ Dan kunt u het daar gewoon niet mee doen! Want als dat werk door God in uw ziel gewerkt is, dan schreeuwt uw ziel naar God! Dat kan niet buiten God.

Dan kunt u niet – mag ik het zo even zeggen – met uw dode kindje op schoot blijven zitten tot het in staat van ontbinding is overgegaan. Maar dan moet u naar God terug, van Wie u uw kindje, uw leven en Gods genade ontvangen hebt. Het schreien, het wenen en het klagen is niet genoeg. Het moet u uitdrijven tot God. Het moet u doen vluchten naar de man Gods, Elisa, naar het Woord van God, naar de Christus Gods, Die gekomen is om de zondaren zalig te maken.

Want al is uw kindje dan dood en al is uw leven dan weggeëbd in de stroom van de zonde, Jezus leeft toch? En bij Hem is toch licht? En bij Hem is toch waarheid? En bij Hem is toch troost? En bij Hem is toch uitkomst? En bij Hem is toch veel ontferming? Hij leeft toch?

 

U zegt: ‘Zeker, maar mijn zonden dan? En mijn armoede? En mijn gemaakte schuld?’ O, hoor toch, God zegt: Kom dan en laat ons samen rechten; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als de sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes. 1:18).

U zegt: ‘Dat is zo, maar ik weet juist niet of het wel echt geweest is. Het is juist mijn grote strijd of het beginsel, dat ik toen dacht waarheid te zijn, wel van God geweest is.’ Dan zeg ik: Dat wist deze vrouw ook niet. Ook zij is natuurlijk in de grootste moeite en ellende terechtgekomen. En ze heeft natuurlijk geschreeuwd: ‘O God, is dat nu het kind dat ik van U ontvangen heb? Is dat nu het kind waarop Gij mij verwachting gegeven hebt?’ Maar ze is met haar hulpeloosheid en hopeloosheid heen gesneld naar de man Gods. Want waar zou je nu anders de waarheid bevestigd kunnen krijgen over wat er eerder in je leven gebeurd is, dan bij Hem Die de Waarheid Zelf is en Die je de Waarheid schonk? Waar wil je nu anders de verzekering krijgen dat je werk waarheid is, dan bij God?

 

En daarom dan, geliefden, in deze week van voorbereiding, onder verdrukking en onder ellende en onder twijfel en onder allerlei mismoedigheden: Waar zult u nu anders heengaan, dan tot de man Gods? Ga naar die meerdere Elisa, onze Heere Jezus Christus, Die gekomen is om de wonden – door de prediking van Johannes geslagen – genadig te helen? En waar zult u nu anders uw ziel op waarheid onderzoeken, dan voor Zijn troon?

Ach, zoek het niet in uzelf. Zoek niet de verzekering van uw leven bij uzelf. Zoek u niet wat op te knappen voor God door deze week wat minder zonden te doen dan de vorige week. Want dat is niet aangenaam in de ogen van God. Maar vlucht, vlucht met uw dode kindje, vlucht met de nood van uw leven, vlucht met al uw verborgen klachten, tot Hem.

 

Deze vrouw is gegaan door het naakte geloof Op een ongelegen tijd. Haar man zei het haar: ‘Maar het is toch geen nieuwe maan en het is toch geen sabbat?’ Misschien zegt u wel: ‘Ja maar, had ik nu dít nog eens. Of was ik nou nog eens zó. Of zei de Heere nou nog eens tot mijn ziel: Zie, hier ben Ik.’

Ach, geliefden, ze is gegaan op een ongelegen tijd. Dat was een tijd waarin men niet gewoon was tot de profeet te gaan. Maar als de nood van uw hart het vereist, bedenk het dan: er zijn bij God geen ongelegen tijden! De weg naar de vrijstad is gebaand en de poorten van de vrijstad staan dag en nacht open. Bij God bent u altijd welkom. Al zou de hele wereld en al zou de ganse macht der hel zeggen: ‘Nu niet! Wacht! Verbeter je leven! Verander eerst je leven!’ Dan zegt deze vrouw: ‘Het is goed. Sjaloom. Vrede. Het zal wél zijn.’

 

Ze klemt zich op hoop tegen hoop vast aan die God, Die het gedaan heeft. O, dat hebben God kinderen ook vaak in dagen van druk gedaan: ‘Ik zal gedenken hoe voor dezen, mij de Heere heeft gunst bewezen.’

Het is ook zoals de dichter in Psalm 77 gesproken heeft: Mijn stem is tot God en ik roep; mijn stem is tot God en Hij zal het oor tot mij neigen. Ten dage mijner benauwdheid zocht ik de Heere; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden. Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela. Gij hieldt mijn ogen wakende; ik was verslagen en sprak niet. Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen. Ik dacht aan mijn snarenspel; in de nacht overlegde ik in mijn hart en mijn geest onderzocht: zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn? Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht? Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela. (Ps. 77:2-10).

Hier hebt u een man die betere dagen gekend heeft. Een man die in de nachten ging denken aan zijn snarenspel van vroeger dagen. En wat doet dan deze man? Dat moet u thuis eens nalezen. Dan gaat deze man denken aan de dagen van ouds.

Dan zegt hij, nadat hij zich heeft afgevraagd of God vergeten heeft genadig te zijn: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert. Ik zal de daden des Heeren gedenken; ja, ik zal gedenken Uw wonderen van ouds her; en zal al Uw werken betrachten en van Uw daden spreken. (Ps. 77:11-13).

In het leven van deze man veranderde er niets. Maar hij ging denken aan de dagen van ouds. En dan zegt hij aan het eind van diezelfde Psalm 77: Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren en Uw voetstappen werden niet bekend. Gij leidde Uw volk als een kudde, door de hand van Mozes en Aäron (Ps. 77:20-21).

Dan krijgt hij moed uit hetgeen God vóór deze dagen aan Zijn volk gedaan heeft. En dan zegt hij: ‘Heere, Gij hebt toen toch ook de zee droog gemaakt. En Gij hebt toen toch ook Uw volk met Uw sterke hand verlost? Toen vóór hen de Rode Zee en opzij de bergen waren en farao achter hen kwam, toen hebt Gij ze toch verlost?’ En kijk, als hij aan die verlossing gaat denken, dan zegt hij: ‘En daarvan zal ik spreken, dag en nacht.’ Begrijpt u?

 

Zo klemt ook deze vrouw zich door het naakte geloof vast aan het woord van de man Gods. En als je dan niets meer hebt in deze week en als je dan helemaal leeg bent en als je kindje – geestelijkerwijs gesproken – dood is en als dan juist datgene wat God je geschonken heeft en waar Hij je verwachting op gegeven had, niet tot troost voor je ziel meer leiden kan, doe dan net als deze vrouw. Zeg met deze vrouw: ‘Het zal tóch vrede zijn. Sjaloom. Het zal toch vrede zijn. Wat God ook doet. Ik zal geen kwaad van Hem denken. En ik zal door de macht van alle duivelen heen breken om mijn God te ontmoeten. En verlaat Hij me dan, dan blijft God evenwel rechtvaardig en nochtans zal ik op Hem hopen met mijn ganse hart.’

 

Zo moet u ten Avondmaal komen, en dan zult u zien wat God doet! Dan zult u zien wat de eeuwige God doet, want Hij heeft er een welbehagen in om ledigen en armen te vervullen met Zijn goederen. Heeft Hij het niet wél gemaakt?

Heeft Hij het met deze vrouw niet wél gemaakt, hoewel het geen nieuwe maan en geen sabbat was. Heeft Elisa haar om laten komen in haar smart? Nee, hij heeft haar geholpen. Hij heeft haar ziel getroost. Hij heeft haar haar dode kind wedergegeven. En zij is gaan zingen, zoals we het nu ook samen willen doen, uit Psalm 23 het eerste en het tweede vers:

 

De God des heils wil mij ten Herder wezen;

’k Heb geen gebrek, ’k heb geen gevaar te vrezen.

Hij zal mij zacht, in liefelijke weiden,

Aan d’ oevers van zeer stille waat’ren, leiden.

Hij sterkt mijn ziel, richt, om Zijn Naam, mijn treden

In ’t effen spoor van Zijn gerechtigheden.

 

Ik vrees niet, neen; schoon ik door duist’re dalen,

In doodsgevaar, bekommerd om moest dwalen;

Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden;

Uw stok en staf zal mij altoos behoeden;

Gij troost mijn ziel, en richt, in mededogen,

De tafel aan, voor mijner haat’ren ogen.

 

Geliefden, volgende week is het bediening van het Heilig Avondmaal. Dan gaat God Zijn kinderen nodigen aan Zijn tafel. Dan is het feest voor Gods Kerk aan deze plaats. Ziet u het ook zo? Of is de week van voorbereiding een week van verschrikking? Zegt u eigenlijk in uw hart: ‘O, ik wilde wel dat het nog maar niet zover was. Ik zie er zo tegenop’? Maar dan klopt er iets niet in uw leven.

Want als het in het natuurlijke zo is, dat een vader zijn kinderen of een moeder haar gezin in bijzondere tijden, op feestdagen, eens op een bijzondere wijze onthalen wil, zou het hart van het kind daar niet naar uitzien? Zou het hart van het kind zich niet reeds dagen van tevoren verblijden, om het bijzondere dat vader of moeder het op die dag heeft beloofd?

Nu, zo is die goede God ook over Zijn Kerk als een trouwe vader en moeder tegelijk. Hij zegt: ‘Ik zal u elke dag onderhouden als die meerdere Jozef, maar Ik wil u nu aanstaande zondag een feestmaal geven. Dan wil Ik u op een bijzondere wijze onthalen. Ik geef u dikwijls veel goed, Ik geef u dikwijls te smaken Wie Ik ben, maar nu wil Ik het eens op een bijzondere wijze doen. Dan wil Ik het niet alleen doen door de verkondiging van het eeuwig Evangelie, maar nu wil Ik het ook zo doen, dat u met uw hand en met uw mond zou mogen tasten en proeven dat Ik goed ben. Dat u de tekenen van Mijn genade mag zien en proeven, opdat u verzekerd zult worden van Mijn liefde en trouw jegens u!’

Nu, dat is toch geen reden om er tegenop te zien?

 

‘Ja,’ zegt u, ‘daar zie ik ook niet tegenop. Maar ik zie er tegenop omdat ik weet wie ik ben en geweest ben, van het vorige Avondmaal tot nu toe.’ En dan zeg ik: ‘Heere, ach, er is in mij niets, werkelijk niets, waar U Zich in zou kunnen verlustigen.’ Maar troost u dan: dat vraagt de Heere ook niet van u. Hij vraagt niet of Hij Zich in u verlustigen kan en in het werk dat u voor Hem deed. Maar Hij vraagt of u zich – als een arme zondaar – in Hem verlustigen wilt en in het werk dat Hij deed.

Dus, hoe u bent voor God is geen voorwaarde om hier aan de dis te kunnen aanzitten, maar wat Hij doet voor u! Wat Hij wil doen, wat Hij gedaan heeft en wat Hij nog doen zal. Als u  dat met een gelovig hart aanvaardt, dan heeft de Koning lust in uw schoonheid. Verlaat dan alles wat uw hart bekoorlijk schijnt en buig u zo, als zulk een verlorene in uzelf, voor Hem neer. 

 

De Sunamietische vrouw had niets. Zelfs hetgeen God haar eerlijk gegeven had, dat heeft Hij haar nog ontnomen. En toch zegt ze: ‘Sjaloom. Het zal vrede zijn.’ Dat is geloof, dat is geloof, gemeente! Als je er niets meer van voelt. Als je niet meer weet waar je het zoeken moet. Als je zegt: ‘Zouden Gods beloftenissen dan voor eeuwig hun vervulling missen?’ Om dan alles te laten voor wat het is en je door het naakte geloof te spoeden tot Hem, Die van de hemel gezonden is om zulken zalig te maken.

 

En is die vrouw beschaamd uitgekomen? Heeft Elisa haar ledig weggezonden? Nee. Waar heeft ze op gepleit? Ze heeft gezegd: ‘Elisa, ik heb er toch niet om gevraagd? Heb ik het dan niet gezegd: Bedrieg me niet?’

Welnu, kom dan zo ook voor Zijn aangezicht en zeg: ‘Heere, van Wie is dit snoer en van Wie is deze zegelring? Van Wie is deze staf? Was het dan Uw werk niet? Als U dan lust hebt in onze dood, dan had U ons al deze dingen toch niet getoond? Zie, ik kom tot U gevloden, want de ellende drukt mij neer.’

Nu, zo één zal God van Zijn tafel niet verstoten. Zulk een boetvaardige is Hem aangenaam al had hij niets om God aan te bieden dan een verloren leven.

Maar indien u die rust en die vrede, indien u die liefde tot God, indien u die ootmoed over uw zonden niet kent, dan mag u zo niet aan het Avondmaal komen. U weet wel: ik verstoot het minste niet, omdat God het niet verstoot. En ik zeg dat zelfs de kleinste in de genade van Godswege geroepen wordt om aan Zijn dis Zijn dood te verkondigen. Maar degene die geen genade bezit, die vreemdeling is van de droefheid naar God en van de liefde tot God, nee, die wordt wel genodigd, maar niet zo, niet onbekeerd. Die wordt wel genodigd. Maar haast u dan en buig u voor Hem en kom tot Zijn stoel met smeking en met geween in deze week van voorbereiding.

Want denk erom: de plicht blijft op u rusten! Als u lid bent van de gemeente des Heeren, dan blijft de plicht op u rusten om Zijn dood te verkondigen, totdat Hij komt. Daar zal uw onbekeerd hart geen einde aan kunnen maken. Die Goddelijke verplichting rust op u. En zo u het niet doet, dan maakt u bij al de zonden die u tegen God gedaan hebt, uw schuld nog groter door openlijk Zijn Christus en Zijn offer te verwerpen. Want als u het niet gelovig aanneemt, dan verwerpt u het.

 

Gemeente, er zijn maar twee wegen: of God liefhebben, of Hem haten. En die Hem niet liefheeft, die is een vervloeking. Eén van tweeën. En dan moet u kiezen. In deze week moet u kiezen.

O, buig dan uw knieën en ga in uw binnenkamer. Leg dan uw leven voor Hem bloot en smeek dan tot die God, Die het ook u geven kan. Want Zijn arm is nog uitgestrekt. Zijn hand is nog geopend, opdat u onder de schaduw van Zijn rechterhand een schuilplaats zou mogen vinden voor al uw zonden en zo aanstaande zondag ook zou mogen komen, net als deze Sunamietische: ‘Ik heb alles verloren, maar ik heb Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben.’

 

De Heere geven u, kinderen Gods, dat u in die keuze en in dat naakte geloof tot Hem zou mogen vluchten. En dan nog eens: knap je zelf maar niet op. Het gaat toch niet. Zie zelf dat dode kindje maar niet levend te maken. Maar ga met de nood van je hart tot Hem, van Wie je de zegen ontvangen hebt: naar God. Blijf aan Zijn troon liggen met smeking en met geween. Lees Zijn Woord. Overdenk het heil dat Hij aan u geopenbaard heeft. Bemediteer en beschouw Hem, Die de Schoonste is van al de mensenkinderen.

Lees in deze week voornamelijk datgene dat handelt over Zijn zeer bitter lijden en sterven. Lees van de grote liefde waarmee Hij betoond heeft zondaren te willen minnen. En God zal het gebruiken in uw leven. U zult een honger en een dorst krijgen, hoe arm, hoe ongelukkig, hoe ellendig, hoe ledig u ook bent. Dan zult u bij vernieuwing verzadigd mogen worden met het goed van Zijn huis en met het heilige van Zijn paleis.

En dan zal de Koning Zijn genade kwijt kunnen aanstaande zondag. En dan zult u uw schuld bij vernieuwing aan Zijn voeten mogen werpen. En dan zult u in Christus, die meerdere Elisa, die volle beek van wellust die Hij voor Zijn gunstgenoten openen zal, aan Zijn tafel met volle teugen mogen smaken. En dan zal uw ziel verzadigd worden als met vet en smeer. En uw oog zal verlicht worden om uw Koning te aanschouwen. En uw reiskleed zult u opschorten om u naar het eind van de baan te spoeden, waar u in onverderfelijkheid zult aanzitten aan de ronde tafel van de bruiloft des Lams. En het Kind, Dat God ons geschonken heeft, Zijn genade, Zijn Zoon Jezus Christus, zal eeuwig voor ons aangezicht schitteren als de blinkende Morgenster.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 17:4

 

Maak Uwe weldaân wonderbaar,

Gij, Die Uw kind’ren wilt behoeden

Voor ’s vijands macht en vreeslijk woeden,

En hen beschermt in ’t grootst gevaar.

Wil mij Uw bijstand niet onttrekken;

Uw zorg bewaak’ mij van omhoog;

Bewaar m’ als d’ appel van het oog;

Wil mij met Uwe vleug’len dekken.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de bundel ‘Met lege handen’ (10 voorbereidingspreken op het Heilig Avondmaal, van ds. L. Huisman), Uitgeverij P. Boekhout, 2006.