Ds. L. Huisman - Mattheüs 5 : 6

Zielsverlangen

Waarin dit bestaat
Waardoor dit vervuld wordt
Deze preek is eerder gepubliceerd in de bundel ‘Met lege handen’ (10 voorbereidingspreken op het Heilig Avondmaal, van ds. L. Huisman), Uitgeverij P. Boekhout, 2006.

Mattheüs 5 : 6

Mattheüs 5
6
Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 65: 1, 6
Lezen : Mattheüs 5: 1-26
Zingen : Psalm 63: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 36: 3
Zingen : Psalm 17: 8

Geliefden, in deze ure van voorbereiding voor het Heilig Avondmaal dat we volgende week zondag hopen te houden, wil ik het Woord van God bedienen uit Mattheüs 5 vers 6:

 

Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.

 

Deze tekst spreekt ons van: Zielsverlangen.

 

en zegt ons:  

1. Waarin dit bestaat

2. Waardoor dit vervuld wordt

 

Gods Woord spreekt in deze tekst over gerechtigheid. Hier worden zalig genoemd die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Maar dan wordt er niet mee bedoeld – en zeker niet in de eerste plaats – die gerechtigheid die door mijn arbeid tot stand gebracht wordt. Dat is die gerechtigheid die wij samen op deze wereld kunnen realiseren door alle schrijnende wantoestanden uit de wereld te ruimen. Dat is zeker ook onze taak, maar daar gaat het hier niet in de eerste plaats om. Wanneer men de Bijbelse betekenis van gerechtigheid niet kent, dan komt er ook geen gerechtigheid op de aarde.

Als de Bijbel spreekt van gerechtigheid zoals in deze tekst, dan bedoelt God in de eerste plaats die gave der gerechtigheid, die niet het resultaat is van mijn denkkracht en die niet het resultaat is van mijn inspanning, maar die God uit genade geeft aan verloren zondaren, die uit zichzelf nooit iets goeds meer kunnen doen.

Het beeld van die verloren zondaren staat getekend in Romeinen 3, en in zoveel andere plaatsen in het Woord van God; zij zijn namelijk onbekwaam tot enig geestelijk goed. Dat vonnis wordt geveld door de Rechter van de hemel en van de aarde. En dat komt tot u en tot mij en tot onze kinderen. Want wie zal een reine geven uit een onreine? Niet één. Wij hebben allen gezondigd en wij allen derven de heerlijkheid Gods. En er is niemand die goed doet, ook niet tot één toe, zegt God. Dat is het Goddelijk vonnis dat over ons allen gaat.

En tenzij de mens – en ik weet het: het kan alleen door de genade van God – tenzij een mens onder dit vonnis buigt, dit vonnis aanvaardt en zich onder dit vonnis verloren weet voor God, tenzij dat dit in ons hart aanvaard wordt, leren we die geschonken gerechtigheid door het offer van Christus niet kennen. En als we de gerechtigheid van Christus niet kennen, dan brengen we ook niets terecht van het scheppen van gerechtigheid in deze wereld. Want hoe zou een mens die zijn doel mist ten opzichte van zijn Maker, aan het doel kunnen beantwoorden ten opzichte van de mens die God hem als zijn gelijke, als zijn broeder, op de aarde gegeven heeft?

 

Nee, geliefden, aan die kant is het verloren. Van die zijde is geen hulp te wachten. Niet in deze wereld. Want de goddelozen – en dat zijn alle mensen die de gerechtigheid van Christus niet kennen – de goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede. En kijk het nu maar na: Gods Woord zal bestaan tot in eeuwigheid. Niemand kan Gods Woord tenietdoen, want het is gesproken door de Mond der Waarheid, Die niet liegen kan. Er zal geen vrede komen, tenzij door deze van God geschonken gerechtigheid. In uw hart niet, in uw huis niet, in de kerk niet en in de wereld niet.

 

Maar, geliefden, wat nu gedoemd is te mislukken, wat nu door geen mens tot stand gebracht kan en zal worden, dat mag ik u prediken: dat geeft God uit genade aan degenen die hongeren en die dorsten naar die Bijbelse, naar die echte gerechtigheid.

 

De Heere Jezus heeft deze zaligspreking gesproken ongeveer aan het begin van Zijn openbaar optreden onder het volk van Israël. Dit is de grondwet van het Koninkrijk der hemelen, door Hem plechtig afgekondigd, als Hij gezeten is, daar op die glooiing van de berg der zaligsprekingen, met Zijn discipelen rondom Hem vergaderd en daaromheen duizenden die Hem horen. Toen heeft Hij dit woord gesproken: Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.

Als de Heere zegt: Zalig zijn die hongeren en dorsten, dan veronderstelt dat leven. Een dode hongert niet en een dode dorst niet. De mensen die zich hier rondom Jezus bevinden, zijn door het woord dat uit Jezus’ lippen gegaan is, tot leven gekomen. Niet allen, o nee, lang niet allen. Straks zal het blijken dat velen niet willen volgen, dat velen afscheid van Hem nemen. Maar toch zijn er onder die schare die gegrepen zijn door het woord van deze Rabbi van Nazareth. Zij hebben dat woord aanvaard als de stem van God. Ze zijn door dat woord levend gemaakt. Ja, ze zijn door dat woord uitgetild uit de sleur van hun leven, uit hun wettische godsdienst en uit hun slavernij onder de wet.

O, het woord van Jezus was zo’n wonderlijk woord. Waren ze tot nu toe gewend dat de zaligheid exclusief gepredikt werd aan degenen die nauwkeurig de inzettingen des Heeren onderhielden, met name farizeeën, schriftgeleerden en oversten des volks, de Heere Jezus trekt Zich van die scheiding – die zich in Israël duidelijk en pijnlijk openbaarde – niets aan. Voor Hem zijn alle mensen zondaars. Of het nu de hogepriester is met zijn efod en zijn gouden plaat op zijn hoed, waar op staat: ‘De heiligheid des Heeren’, of die arme melaatse die daar als een onreine ligt aan de poort van de rijke man, voor Hem zijn alle mensen zondaren, verloren zondaren. En dat laat Hij duidelijk uitkomen. Hij zegt: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij dan der schriftgeleerden en der farizeeën, gij zult in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan (Matth. 5:20).

 

En geliefden, die prediking van Jezus is nog volop actueel. Daar hebben we nog direct mee te maken. Hij doet net alsof er geen scheiding is. Hij spreekt hen allen aan. Hij laat ze allen het Woord Gods horen. Hij zegt ze aan waartoe Hij gekomen is. Hij zegt: ‘Als je in Mij niet gelooft, als je je eigen gerechtigheden niet verlaat, dan zul je buiten staan. Als je dit Mijn vlees niet eet en als je dit Mijn bloed niet drinkt, dan heb je geen leven in jezelf.’

Met andere woorden: als je de gerechtigheid die Ik bezig ben aan te brengen niet nodig hebt, maar als je meent in het kleed van je eigen gerechtigheid voor God te kunnen verschijnen, dan zal het slecht met je aflopen.

Of, nog duidelijker gesproken misschien: als volgende week het Avondmaal wordt gevierd, zo God het geeft, en u denkt dat u dan zonder waarachtig geloof en zonder dit brood en deze wijn, als een zeker pand van Gods liefde en trouw, Hem kunt behagen en zalig kunt worden, dan zal het bed te kort en het dek te smal zijn. Dan kunt u daar niet op rusten voor God. Er is maar één Weg, zegt Jezus, om de helse verdoemenis te ontgaan en dat is: tot Mij te komen en dat is: in Mij te geloven en dat is: te horen naar Mijn stem. Dat is: te drinken van het water dat Ik u geven zal, dat is Mijn bloed. Dat is Mijn gerechtigheid, verkondigd in het Woord der gerechtigheid.

 

Geliefden, wij zijn hier ook samen vergaderd rondom Jezus Christus. Want Hij is het, Die tot ons komt in het Woord Zijner genade. En nu hebben wij misschien een grens getrokken in ons eigen hart en in ons eigen denken. En wij denken misschien over anderen: ‘O die? Nee die niet, die in ieder geval niet. En die? Ja, die wel.’

En nu breekt het Woord van God vandaag met heilige soevereiniteit en met grote macht door ons denkpatroon heen. En nu verkondigt het Woord van God ook aan ons, bekeerd en onbekeerd, dat we allen zondaars zijn. U en ik. Bekeerde mensen zijn ook zondaars. Allen zijn we grote zondaars. Allen zijn we verdoemelijk voor God. Niemand kan zich beroemen op wat er bij de vorige avondmaalsviering gebeurd is. Nee, allen derven we de heerlijkheid Gods. We worden om niet gerechtvaardigd (Rom. 3:24), staat er.

God doorbreekt die grens. Hij doet net alsof die grens er niet is. Voor Hem is die grens er ook niet. En Hij komt soeverein met het Evangelie van Zijn genade. En Hij zegt: ‘Dit zijn Mijn schapen. Dit zijn Mijn kinderen. Aan dezen heb ik een welgevallen. Zulken wil Ik aan Mijn tafel. Dezen zijn het die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.’

 

Gerechtigheid moet u hier niet in de eerste plaats zien als dat goede dat ik in mijn ziel mag ervaren als vrucht van mijn wandelen in de wegen des Heeren. Ook dat is gerechtigheid. Van Zacharias en Elizabeth staat dat ze onberispelijk, dat ze rechtvaardig waren voor God. Zeker, dat hoort erbij, maar dat is het niet in de eerste plaats. Als de Heere Jezus hier zegt: ‘Zalig zijn ze, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid’, dan is dat de gerechtigheid die God geeft in Christus Jezus. Dat is die – wat de reformatoren genoemd hebben – ‘vreemde’ gerechtigheid, die van buiten mij komt, die God als een wonder uit de hemel geeft aan mensen die er helemaal niet voor gewerkt hebben.

 

Paulus zegt: En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden (Ef. 2:1). We waren dood in de zonden en misdaden. We hongerden niet eens naar God. We dorstten niet eens naar het eeuwige leven. We hongerden wel, maar naar de zonden, naar de ongerechtigheid, naar wat van de wereld is. We hongerden naar geld en goed, naar eer en vermaak. Maar ach, hoe meer we van die spijze aten en hoe meer we uit die zoute wateren dronken, hoe erger onze honger werd en hoe schrijnender onze dorst. En we bemerkten dat de wereld voorbijgaat met al haar begeerlijkheden. Dat ze ons niet wezenlijk gelukkig maken kan.

Maar toen kwam het Woord van Jezus Christus. En Die brak door alle muren en door alle heiningen en door alle afscheidingen heen. En Hij zag ons recht in de ogen en Hij sprak het Woord Zijns Vaders. En toen, toen het de tijd van Gods welbehagen was, toen we in de kerk zaten of thuis dat Woord lazen, toen we bij een sterfbed stonden – of waar we ook dat Woord gehoord hebben – toen kreeg dat Woord kracht in ons hart. Toen begonnen we dat Woord van God te geloven. Toen geloofden we waarlijk dat dat Woord waarheid was. En toen zagen we dat we onszelf bedrogen hadden. Dat we als een kind naar een zeepbel gegrepen hadden. Dat we gezocht hadden naar winst, en toen we het bereikt hadden liet het onze ziel ledig. En toen, toen zagen we dat ons leven alleen gelegen was in de gemeenschap met God. En dat we die gemeenschap verbroken hebben door onze zonden. En toen zijn we gaan hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.

 

Die gerechtigheid die Jezus Christus bedoelt in deze tekst, dat is in feite dat het weer goed is tussen God en mij. Volmaakt weer goed, alsof ik nooit zonden gekend noch gedaan had. Alsof ik nooit het huis van mijn Vader verlaten had, om Zijn goed door te brengen. Dat is gerechtigheid. De staat van mijn leven ten opzichte van God verandert van een staat van vijandschap in een staat van vriendschap. Dat is die gerechtigheid.

Kijk, ik zal het u trachten duidelijk te maken. Een zakenman heeft een bedrijf, maar door bijzondere omstandigheden raakt dat bedrijf aan lager wal. Hij wordt steeds armer. De schuld wordt steeds groter. Het wordt zo erg, dat hij geen geld meer heeft om brood en drinken te kopen. Hij heeft inmiddels een enorme schuld. Nu komt er iemand die zegt: ‘Hier heb je van mij een brood en hier heb je van mij een pond boter. En hier heb je van mij een nieuwe jas.’ Ziezo, nu kan die man weer eten, hij kan drinken en hij kan gekleed gaan. Maar is daarmee de schuld weg, die hij gemaakt heeft? Als hij nu zijn lichaam voeden kan, vrolijk zijn kan bij brood en wijn, is daarmee zijn schuld weg? Nee, geliefden.

 

Welnu, als Jezus Christus hier spreekt over een gerechtigheid, dan – nog eens – dan betekent dat niet die gerechtigheid die het gevolg is van het nieuwe leven in ons hart.

Daardoor komt óók een gerechtigheid. Want als iemand zegt: ‘Ik heb een ander leven van God gekregen, maar ik blijf in de ongerechtigheid leven’, dan zegt God: ‘Je liegt.’ Hij zegt dat door de mond van Jakobus en door de mond van Johannes.  Deze gerechtigheid ontstaat door de werking van de Heilige Geest, wanneer ik mijn rechteroog ga uittrekken en mijn rechterhand en mijn rechtervoet ga afkappen, omdat ze me hinderen ten leven in te gaan. Omdat ik mijn leden ga doden die op de aarde zijn. O, dat geeft ook een wonderlijke vreugde. Dat geeft ook een zoete vrede met God, wanneer we zo gerechtigheid mogen vinden. Gerechtigheid door de werking van de Heilige Geest in ons.

Maar al zouden we die gerechtigheid hebben, al mogen we die gerechtigheid beoefenen, geliefden, die gerechtigheid is zo wisselvallig. Want vandaag doe ik het, maar morgen doe ik het weer niet.

En als ik dan niet anders heb dan alleen die gerechtigheid, dan durf ik niet aan het Avondmaal te komen. Dan zeg ik: ‘Ja, ik ben wel eens aangegaan, maar het is nu  allemaal zo treurig en ellendig in mijn leven gesteld.’ En dan zegt u: ‘Ja, nu kan het echt niet hoor. Deze keer zal ik maar overslaan. In deze toestand kan ik niet aan het Avondmaal gaan.’

Ach, wat bent u dan nog wettisch. U bent nog niet aan die eerste man gestorven. U leeft nog ten dele uit uw eigen gerechtigheid. En daar moet God schade bij lijden. De Heere zegt: Doe dat tot Mijn gedachtenis (Luk. 22:19). Jezus Christus heeft het als het bevel Zijner liefde Zijn discipelen nagelaten. Doe dat tot Mijn gedachtenis. En u zegt: ‘Ja maar, dan moet ik eerst meer gerechtigheid hebben. Dan moet ik meer en beter leven voor God. Dan moet ik meer gedood zijn aan mijzelf.’ En dan begint u weer bij de verkeerde kant. Nee, geliefden, daar begint de vrede met God niet. Dat is de vrúcht van de vrede met God. De vrede met God begint hier, waar u weer leert hongeren, weer opnieuw leert hongeren naar de gerechtigheid die buiten u is aangebracht in het kruis van de Heere Jezus Christus. Die is u aangebracht in het offer van Golgotha, waar Hij met Zijn lijden en met Zijn gehoorzaamheid een gerechtigheid aangebracht heeft die volkomen vlekkeloos en ongeschonden is.

 

‘Ja,’ zegt u, ‘maar de situatie van mijn leven is zo, dat ik daar nu juist niks van zie.’ Nee, dat komt omdat u niet wilt sterven aan uw eigen gerechtigheid. En als u uw eigen gerechtigheid niet verliest, dan bent u aan de gerechtigheid van Christus niet onderworpen. Je kunt maar met één man tegelijk leven. Óf met Mozes, óf met Jezus. Óf onder de wet óf onder het Evangelie.

En nu weet ik wel dat er mensen zijn die waarachtig van staat veranderd zijn en die kinderen Gods geworden zijn, maar die toch in de oefeningen van hun leven niet van hun eerste man af zijn. Die eerste man is niet gestorven. Ze zijn niet, zoals Paulus dat zegt, door de wet aan de wet gestorven, opdat ik Gode leven zou (Gal. 2:19). Hoe komt het dat we niet Gode leven of niet méér Gode leven? Omdat we niet genoeg door de wet aan de wet gestorven zijn!

 

Welnu, geliefden, er staat op een andere plaats dat Paulus zegt dat hij aan de wet gestorven is, door het lichaam van Christus. Ik wens u die sterfdag spoedig toe. O, God geve dat u in deze week van voorbereiding sterven mocht aan uw eerste man. Opdat u die gerechtigheid zou mogen winnen, die ‘vreemde’ gerechtigheid, die van een Ander komt.

Ach kom, buig dan uw knieën in deze week veel voor God. Zoek God gedurig in het verborgene. Steun niet op uw gerechtigheden. Ga niet in de eerste plaats rechttrekken in uw leven wat krom gemaakt is. Weet u wat u doen moet? U moet ernstig uw leven bezien in het licht van Gods waarheid en u moet het onbarmhartige licht – laat ik het zo even zeggen – het onbarmhartige licht van die waarheid in uw ziel laten schijnen. Waartoe? Opdat u uzelf moogt veroordelen! ‘Want die zichzelf oordeelt,’ zegt God, ‘die zal Ik niet oordelen.’ Die van zichzelf zegt (natuurlijk met uw hart, met uw hele wezen, met het innerlijke van uw ziel): ‘O God, hier ligt een schandvlek van zonden en van ongerechtigheid voor u. Maar evenwel ben ik een mens die uit de diepten van zijn ellende zijn oog tot U opheft, die komt om genade te ontvangen van die God, Die de oorzaak van onze eeuwige honger en kommer heeft weggenomen!’

En wat is dan die oorzaak? Dat is de zonde. En die heeft Hij weggenomen, staat er. En daar moeten we terecht, hoor. Daar alleen! Hij is de Deur naar het eeuwige leven en buiten Hem is er geen zaligheid.

 

De schuldeisers blijven roepen. Ook, zei ik straks, al heb je die man, die zoveel schulden heeft, een beetje brood en een nieuwe jas gegeven. Die schuldeisers blijven roepen. Die schuldeisers komen weer. Ook al heb ik mijn maag vol. Ook al ben ik eens een keertje vrolijk, om het nu even geestelijk te zeggen. En ook al mag ik eens een keertje zingen van het heil, in God bereid. En ook al geloof ik eens een keertje dat ik van deugd tot deugd zal voortgaan, om zo voor God in Sion te verschijnen. Maar die schuldeisers blijven roepen. Die zijn niet tevreden met een beetje vrolijkheid in mijn hart en met een beetje blijdschap in God. Hoe groot dat op zichzelf ook kan zijn. Want voor een arme, uitgeteerde zondaar is een kruimeltje genade al groot. Maar die schuldeisers, die blijven roepen! Die moeten de mond gestopt worden. Die moeten betaald worden. En dat kan niet door een gemoedstoestand. Dat kan niet door hetgeen ik vandaag mag beleven en wat ik morgen weer mis.

 

Geliefden, het kan alleen door die vreemde, door die buiten mij aangebrachte gerechtigheid. En nu zegt de Heere Jezus: ‘Zalig zijn zij die hongeren en die dorsten naar díe gerechtigheid.’ Zij die zonder Jezus niet leven kunnen. Die zeggen: ‘Heere, hoe groot het ook is dat ik af en toe wat van dat brood, van dat hemelse brood krijg, dat ik niet behoef te vergaan van honger, maar mijn schuldeisers zijn daar niet tevreden mee.’

O, dan heeft God afgebeeld onder het Oude Testament, onder de strenge eisen van de wet, dat Hij een volmaakte gehoorzaamheid wil: de minste overtreding van de mens had de dood ten gevolge. En eindelijk, wat bij de wet onmogelijk was, dewijl ze door het vlees krachteloos geworden is, dat heeft God teweeggebracht, Zijn Zoon zendende in de gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonden. Dat heeft God gedaan! En dat is wat Jezus zegt tegen hen die daarnaar hongeren: ‘Zalig zijn die hongeren en die dorsten naar die gerechtigheid.’

Die zijn zalig! God zet deze mensen – in zichzelf hulpeloos en in zichzelf onbekwaam en altijd weer opnieuw zondaar – binnen de kring van het verbond en Hij proclameert hen soeverein tot ‘zaligen’. Hij zegt: ‘Ik, God, zeg van deze mensen: ze zijn zalig. Dat zijn Mijn beminden. Dat zijn Mijn kinderen. Dat is Mijn Bruid, die heb Ik lief.’

 

Geliefden, dat zijn Gods kinderen, door God zelf genodigd aan de dis des verbonds. De hongerigen en de dorstigen naar die gerechtigheid, die buiten dat offer niet kunnen leven. Die buiten de betalende kracht, de verzoenende kracht van dat bloed geen vrede in hun hart kunnen vinden. Jezus zegt: ‘Die zijn zalig.’

Dat is heel iets anders dan je zalig gevoelen. Jezus zegt: ‘Ze zijn zalig.’ Maar ze treuren nog, ze hongeren nog, ze dorsten nog, ze zijn arm van geest, ze zijn verschoven en ellendig. Duizend zorgen, duizend doden kwellen hun angstvallig hart. Maar let op één ding: ze hongeren en ze dorsten. Niet maar even. Niet maar zo in een tijdelijke omstandigheid van ziekte of dood of armoede of ellende om daarna weer hun eigen leven te leiden. Nee, ze hongeren voortdurend.

 

Waar God ons het nieuwe leven gegeven heeft en waar wij door het Woord van Jezus de stem van God gehoord hebben en uit de doden zijn opgestaan, daar blijven we hongeren en dorsten, totdat we bij Jezus zijn in de hemel. Dat gaat nooit meer weg. De ene tijd mag het eens sterker zijn dan de andere tijd. Maar die het gesmaakt heeft God te dienen, die weet hoe goed het is bij God te mogen zijn, die kan nooit meer zonder hongeren en dorsten. Nooit meer! Daar kan geen dag in ons leven voorbijgaan, of we moeten hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, al hebben we alles wat ons leven dienen kan hier op de aarde van eten en drinken en kleding en wonen.

 

En dat geldt voor al Gods kinderen. O, het is waar, menigmaal moeten we klagen: ‘Wat kleeft mijn ziel aan het stof.’ Dat is waar. Maar juist in dat uitroepen: ‘O God, ik ben in het stof nedergedrukt en ik kan niet opstaan’, komt dat verlangen uit naar bevrijding, naar leven voor God, naar gerechtigheid om Gods vriendelijk aangezicht weer te mogen zien. Ja, zelfs die tijd dat God vanwege onze zonden Zijn aangezicht voor ons rechtvaardig verbergt, dan zijn de verbergingen van Gods aangezicht ons nog bitterder dan de dood, zegt onze belijdenis. En wat komt daarin openbaar de honger en de dorst naar Gods gerechtigheid!

 

En nu zegt de Heere: Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. Als een mens ons iets belooft, iets groots belooft, dan hangt het van vele factoren af of het beloofde ooit in vervulling zal gaan. Maar als Jezus Christus tegen mij zegt: ‘Ik zal je helpen’, dan zeg ik: ‘Ik vertrouw op Uw Woord, want U liegt nooit. Wat U zegt, wat uit Uw lippen gaat, dat blijft vast en onverbroken.’ Met dat Woord van Jezus – al moet ik mijn hele leven blijven hongeren en dorsten – kan ik voorwaarts. Want ik weet: dan zal ik Hem toch eenmaal in gerechtigheid aanschouwen. En dan zal ik toch eenmaal verzadigd worden met Zijn beeld, wanneer ik zal opwaken, want de mond des Heeren heeft het gesproken.

 

Daar zingen we van, voordat ik het laatste gedeelte van de tekst ontvouw, uit Psalm 36 het derde vers:

 

Bij U, Heer’, is de levensbron;
Uw licht doet, klaarder dan de zon,
Ons ‘t heuglijk licht aanschouwen.

Wees die U kennen mild en goed,
En toon d’ oprechten van gemoed

Uw  recht, waar z’ op vertrouwen.

Dat mij nooit trotse voet vertrapp’,
Noch boze hand in ballingschap
Ellendig om doe zwerven.
Daar zijn de werkers van het kwaad
Gevallen in een jammerstaat,
Waarin zij hulp’loos sterven.

 

Geliefden, laat ons in dit geloof de week ingaan. Want Jezus zegt: Zij zullen verzadigd worden. Misschien schreeuwt uw ziel: ‘O God, wanneer?’ Ach, dat weet ik niet. Dat weet ik voor mezelf niet en dat weet ik voor u ook niet. Maar ik weet wel dit: als ik het Woord van God geloof, dan is het genoeg. Dan zeg ik: ‘Heere, dan wil ik hier nog wel wat hongeren en dorsten. Dan wil ik hier nog wel wat lijden en strijden, maar ik geloof Uw Woord. Gij zult eens mijn druk verwisselen in geluk. En daarom sla ik het oog op God en daarom hoop ik op Uw heil.’

 

Zo heeft Abraham op God gehoopt toen hij zijn zoon op het altaar gelegd heeft en God hem de ram aanwijst in de plaats van zijn jongen. Dan zegt hij: Op de berg des Heeren zal het voorzien worden (Gen. 22:14). En dan begeert Abraham Zijn dag te zien en hij heeft hem gezien, al moest hij nog lang wachten. Hij heeft de vervulling der beloftenissen niet gekregen. Hij heeft gewandeld als vreemdeling in een vreemd land, totdat hij de laatste adem uitblies. En toch was hij gelukkig.

Dat begrijpt de wereld niet. Dat kent een schijngodsdienst niet. Dat kent alleen het kind van God, de mens die aan God verbonden is door het waarachtig, zaligmakend geloof. Wij weten dat wij zelfs in onze armoede toch gelukkig kunnen zijn. En dat we, zelfs in onze vreemdelingschap, toch meer blijdschap hebben dan de goddelozen die met koren en most begiftigd zijn. Wij weten dat zelfs in onze honger en dorst nog spijze te vinden is. Dat in het gemis – in dat vurig gemis der liefde naar God – ons hart nog ontbrandt naar onze Bruidegom en dat we zeggen: ‘Ach, dat ik Hem vond, Die mijn ziel liefheeft. Dan zou ik Hem brengen in mijns moeders huis en in de binnenkamer van haar die mij gebaard heeft.’

 

Ach nee, laat Vader zorgen. Stel God in deze week van voorbereiding geen limiet en zeg niet: ‘En als dit niet en als dat niet…’ Welnee, zoek te hongeren en te dorsten naar de gerechtigheid. Dan draagt u de belofte van Jezus: U zult verzadigd worden.

Dat is waarachtig. Dat heeft God gezegd. Dan is het ons goed, wat God ons in onze druk toezegt. Zouden we daar niet mee tevreden zijn? Zouden we daarover niet verblijd zijn, als iemand die een grote buit vindt? Als een mens van deze wereld blij kan zijn omdat hij de honderdduizend in de loterij gewonnen heeft, zullen wij dan niet blij kunnen zijn, als we zulk een goed in het vooruitzicht hebben, door God Zelf beloofd?

 

Zij zullen verzadigd worden, zegt God. Verzadigd worden. Dat wil zeggen: zij zullen die gerechtigheid krijgen. Want u weet wel, in deze zaligspreking wordt telkens een gemis genoemd en daartegenover de vervulling van het gemis. Die reinen van hart, die zullen God zien. Die verstrooide vreemdelingen op de wereld, die verschovenen, die zullen de aarde beërven. Die treurigen, die zullen van hun tranen verlost worden. Die zullen getroost worden. En die hongerigen en die dorstigen, die zullen verzadigd worden. Waar hongeren ze naar? Naar gerechtigheid. Wat zullen ze krijgen? Gerechtigheid! Volmaakte gerechtigheid voor God. Dat heeft God ons beloofd.

 

En nu goed, als we het dan hier op aarde met de rente van het kapitaal moeten doen, dan zal het toch wel zoveel zijn dat we niet van de honger omkomen. Want David heeft gezegd: Ik heb nooit een rechtvaardige verlaten gezien, noch zijn zaad, zoekende brood (Ps. 37:25). Natuurlijk is dat in geestelijk opzicht bedoeld. Dan zal God ons niet verlaten. ‘Zij zullen daarmee verzadigd worden’, zegt God. En we hoeven zo lang niet te wachten. Want de Heere leerde het hier reeds bij de aanvang, dat verzadigd worden. Zij zullen verzadigd worden.

Wat is dat, verzadigd te worden van gerechtigheid of met gerechtigheid? Ach, dat is heel eenvoudig. Het is wel een wonder dat de wereld niet bevatten kan, maar het is toch voor een kind heel eenvoudig.

 

Met gerechtigheid verzadigd worden; dat werd die Samaritaanse vrouw, toen God haar aan haar schrijnend leed ontdekte en zei dat ze nog nooit een gelukkig leven gehad had, maar dat Hij kwam om, als die zevende man, haar leven gelukkig te maken. Toen ze Hem zag, werd ze vervuld met gerechtigheid. Toen ging ze van grote blijdschap naar de inwoners van Sichem en toen ging ze Hem verkondigen, Die ze gevonden had als haar gerechtigheid.

 

Dat was wat die Moorman vond op de weg terug naar zijn land. Toen hij Jesaja 53 las over dat stemmeloos Lam Dat naar de slachtbank geleid is, en waar hij geen raad mee wist. En toen God hem Zijn Heilige Geest zond, zodat hij door de mond van Filippus in de Schriften Christus mocht ontdekken als het Lam Gods, Dat de zonden der wereld wegneemt. Toen werd zijn ziel vervuld met gejuich en toen riep hij uit: Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden? En Filippus zei: Indien gij van ganser harte gelooft, dan is het geoorloofd. En hij zei: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is (Hand. 8:36-37). Welnu, hij ontving de gave des Heiligen Geestes en hij reisde zijn weg met blijdschap.

Dat is vervuld worden met gerechtigheid. Een kind kan het beoefenen. Het is waar, het is voor de wijzen en verstandigen verborgen, maar het is de kinderkens geopenbaard.

 

Vervuld worden, verzadigd worden. Dat is wat Thomas en Maria Magdalena en Petrus ervaren hebben, nadat ze bedroefd waren vanwege het scheiden van Christus en misleid waren vanwege hun eigen ongerechtigheid. De één zei: ‘Het kan niet meer.’ En de ander zei: ‘Ik mag vervloekt zijn, indien ik ooit iets met Jezus van doen gehad heb.’ En ze kwamen allemaal in de kuil terecht, toen de Herder geslagen werd. Toen werden al de schapen verstrooid.

Maar op Paasmorgen is Hij heengegaan om Zijn gemeente bijeen te vergaderen. Toen heeft Hij die hongerigen en die dorstigen naar de gerechtigheid, die de weg kwijt waren en die toch niet konden ophouden met hongeren en dorsten, opgezocht.

Daar heb je een kenmerk van het echte: ze konden toch niet ophouden met hongeren en dorsten. Al had Petrus het duizend keer verzondigd en al lag hij daar buiten als een grote nul; hij bleef toch hongeren en dorsten. En al zei Thomas: ‘Het kan niet, het bestaat niet. Ik heb Hem zien sterven aan het kruis. Ik heb Hem dood zien hangen aan het hout. Je kunt me niet vertellen dat Hij leeft. Je kunt het me niet wijsmaken!’ Maar als dat grote Levenslicht komt, terwijl hij daar ligt te hongeren en te dorsten in het midden van zijn ellende, dan wordt hij verzadigd en dan zegt hij: Mijn Heere en Mijn God (Joh. 20:28). Dan daalt de hemel op de aarde neer. Zo vervult God hetgeen Hij beloofd heeft.

En ik zeg u: het zijn hier maar sprankeltjes. Het is hier maar de rente van het kapitaal. Het is hier maar net zo veel, dat we niet tot een prooi van de duivel worden. We moeten leren dat hier het land der rust niet is, dat we vreemdeling op de aarde zijn. We moeten hier leren wat onze zonden Christus gekost hebben, opdat we straks des te heerlijker, des te luisterrijker en des te schoner zullen mogen zingen het loflied der verlosten.

 

Welnu, geliefden, aan dezulken heeft de Heere Jezus toegezegd: ‘Ik zal ze verzadigen in Mijn bedehuis.’ Tot dezulken zegt Hij: ‘Alle dingen zijn gereed, kom tot de bruiloft.’ Tot dezulken zegt Hij: ‘Zalig zijn ze, die geroepen zijn tot dat grote bruiloftsmaal van het Lam.’

 

Hoort u nu tot deze hongerigen en dorstigen? Dat kunt u toch gemakkelijk opmaken? Waar is doorgaans uw leven mee bezet? Nee, ik vraag niet of u af en toe wel eens even een betere gedachte in uw hart hebt. Ik vraag niet of u af en toe wel eens even aan de eeuwigheid denkt. Ik vraag niet of u af en toe wel eens even jaloers bent op het grote goed dat God Zijn volk beloofd heeft. Dat kunt u ook hebben als een puur werelds mens. Maar ik vraag wat uw bestendig leven is. Wat is uw leven van elke dag?

Ga dat nu eens na. Zeg het dan eens eerlijk: kan dan de wereld uw hart vervullen? Kan dan uw salaris uw leven tot vreugde brengen? Kan dan al het goed van deze wereld uw hart blij maken, dat u zegt: ‘Nu ben ik echt gelukkig’?

O, het is allemaal goed, wanneer God het schenkt. En we willen het kinderlijk dankbaar uit Zijn hand ontvangen. Als de zon schijnt en als we brood hebben en als we kleding hebben en als we allerlei gunstbewijzen hebben. Maar is dat uw leven? Dan zeg ik: Nee, Heere God, dat is mijn leven niet. Mijn leven is: U te aanschouwen in gerechtigheid. Dat is mijn leven. Al had ik geen jas om aan te trekken en geen dak om onder te wonen. Het zou niet meevallen, maar als ik de glans van Gods aangezicht kon zien, dan zou ik toch kunnen zingen: ‘In de grootste smarten blijven onze harten in de Heere gerust.’

 

Wat is uw leven? U kunt het weten of u een kind van God bent. Hieraan kunt u het weten: dan hongert u en dan dorst u naar de gerechtigheid. En dan bent u nergens, maar dan ook nergens mee te vervullen en mee blij te maken, dan alleen met die gerechtigheid. Maar dan bent u ook blij met die gerechtigheid! Dat is de andere kant. Dan zegt u: ‘Ja, Heere, ik leid hier wel een arm en een ellendig leven, maar ik heb U voorwaar in het heiligdom voorheen beschouwd met vrolijk’ ogen! Hoe zag ik daar Uw alvermogen. En hoe blonk Uw Godd’lijk eer alom. Want beter dan dit tijdelijke leven is Uwe goedertierenheid. O God, ach, werd ik derwaarts weer geleid, want dan zal mijn mond U de ere geven.’

Dan zullen al de stromen vrolijk zingen, de handen klappen naar omhoog, en het gebergte vol van vreugde springen en huppelen voor des Heeren oog. Ja, dat is het leven! Wanneer ik Jezus zie! Wanneer ik dat offer aanschouw dat Jezus voor mij bracht. Wanneer ik Zijn lijdende liefde beschouw met een oog des geloofs. Hij in mijn plaats! Dan ben ik een goddeloze, maar dan hoef ik ook niet méér te zijn. Dan ben ik een verlorene, maar dan weet ik dat God verlorenen redt. Dan ben ik een kind des doods, maar begiftigd met het eeuwige leven. Dan wil ik nog een poosje vreemdeling zijn en dan ga ik op tot Gods altaren, tot God, mijn God, de Bron van vreugd!

Dat is het leven van Gods kinderen. Van al Gods kinderen! Toets er uw hart aan. Dan roept God u. Zult u dan niet achterblijven? Zal dan niemand van u achterblijven om de dood van Jezus Christus te verkondigen?

 

Maar helaas, indien u nog hongert en dorst naar de ongerechtigheid, indien dat uw leven is en indien u nog vreemd bent van deze gerechtigheid, dan zult u ook verzadigd worden. Maar dan zult u verzadigd worden met datgene waar u nu naar hongert, met de ongerechtigheid. Dan zult u eeuwig vloeken en eeuwig lasteren en eeuwig uw naaste tot een satan zijn in de hel. Dan zult u in eeuwige vijandschap tegen God leven. En daar zal nooit een eind aan komen. O, besef het, hoe gevaarlijk uw staat is, als u nog buiten Jezus leeft, zonder deze honger en zonder deze dorst.

 

Jongelui, als het Avondmaal gevierd wordt, blijf dan niet weg. Kom en aanschouw de daden des Heeren. Want door het zien van dat gebroken brood en dat vergoten bloed, door het zien van Gods genade, zou God door Zijn Heilige Geest het verlangen in je ziel kunnen werken, om ook met dat volk te mogen leven en met dat volk te mogen sterven. Om met Mozes te mogen zeggen: ‘Dat is het volk, het volk van mijn keuze.’ Om met Ruth te mogen zeggen: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keren; want waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God mijn God. Waar gij zult sterven, zal ik sterven, en aldaar zal ik begraven worden; alzo doe mij de Heere en alzo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u (Ruth 1:16-17).

 

Dat zou je mogelijk volgende week, terwijl je in je bank zit, ook kunnen zeggen met je ziel voor God, en zou je dan niet gelukkig zijn? Als je dat waarachtig mocht doen en zeggen: ‘Al zou ik niet aan het Avondmaal mogen komen, want ik ben nog te jong, of ik ben geen lid, al ben ik een Moabitische, maar ik zweer, Heere, ik zal van achter U niet afkeren.’ Dan zal die meerdere Boaz ook tegen u zeggen: ‘Het is goed dat u gekomen zijt. Gezegend zijt ge, Mijn dochter, die onder de schaduw, in de schuilplaats van de Allerhoogste begeert te vernachten. Gezegend zijt ge. Gekomen onder de vleugels van de God van Israël om daar bescherming te vinden.’ Hij zal u niet afwijzen. Hij zal ook u vertroosten en in uw ziel de vrede geven die de wereld niet kent.

 

Kom, geliefden, laat ons zo die voorbereidingsweek mogen ingaan. Satan zal wel weer hoog spel spelen. Dat doet hij altijd in zo’n week. Maar Paulus zegt: Zijn gedachten zijn ons niet onbekend (2 Kor. 2:11). Laat ze ons ook niet onbekend zijn. Laten we voorzichtig wandelen. Op onze hoede zijn. Bovenal bedenken dat hij de rover is van onze grote troost. En worden we aangevochten en bestookt en belaagd, laat ons schuilen bij Hem, Die gezegd heeft: Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u (Joh. 14:27). En wanneer Hij het zegt, dan zendt Hij het ook, want Zijn Woord is de waarheid!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 17: 8

 

Maar (blij vooruitzicht, dat mij streelt!)

Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,

U in gerechtigheid aanschouwen,
Verzadigd met Uw Godd’lijk beeld.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de bundel ‘Met lege handen’ (10 voorbereidingspreken op het Heilig Avondmaal, van ds. L. Huisman), Uitgeverij P. Boekhout, 2006.