Ds. M.J. van Gelder - Mattheüs 17 : 24 - 27

Jezus en de tempelbelasting

Moet Hij wel betalen?
Hij wil en zal betalen

MattheĆ¼s 17 : 24 - 27

Mattheüs 17
24
En als zij te Kapernaum ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet?
25
Hij zeide: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat dunkt u, Simon! de koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hun zonen, of van de vreemden?
26
Petrus zeide tot Hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zo zijn dan de zonen vrij.
27
Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga heen naar de zee, werp den angel uit, en den eersten vis, die opkomt, neem, en zijn mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden; neem dien, en geef hem aan hen voor Mij en u.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 84: 5
Lezen : Exodus 30: 11-16
: Mattheüs 17: 22-27
Zingen : Psalm 40: 3, 4
Zingen : Psalm 40: 7
Zingen : Psalm 44: 2

Gemeente, in Matthéüs 17 leest u de tweede aankondiging van het lijden. U leest in de verzen 22 en 23: En als zij in Galiléa verkeerden, zeide Jezus tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen; en zij zullen Hem doden, en ten derden dage zal Hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd.

Christus is dicht bij Zijn smartelijk lijden en sterven. Stelde Hij Zich niet Borg in de stilte van de eeuwigheid? Een voor ons onbevattelijk wonder, dat Hij voor vijanden de dood wilde smaken en voor schuldigen wilde betalen, Gods recht in des zondaars plaats wilde voldoen en een Zaligmaker van zondaren zou zijn. Dat betekende voor Hem een aanvaarding van het dragen van de volle last van de toorn van God tegen de zonde.

De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen; en zij zullen Hem doden, en - toch - ten derden dage zal Hij opgewekt worden. Dat laatste lijken de discipelen niet gehoord te hebben, want u leest: En zij werden zeer bedroefd. Het kan dus zijn dat je niet alles van een preek hoort. Het kan dus zijn dat je belangrijke zaken in de preek juist mist, enkele opvangt en andere niet. U leest het hier bij de discipelen.

En nu dan voor deze dienst het daarop volgende Schriftgedeelte, Matthéüs 17 vers 24 tot en met 27:

 

En als zij te Kapérnaüm ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet?

Hij zeide: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat dunkt u, Simon? De koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hun zonen of van de vreemden?

Petrus zeide tot Hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zo zijn dan de zonen vrij.

Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga heen naar de zee, werp den angel uit, en den eersten vis die opkomt, neem, en zijn mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden; neem dien en geef hem aan hen voor Mij en u.

 

Matthéüs 17 vers 24 tot en met 27 gaat over: Jezus en de tempelbelasting.

                                                                                                                      

Twee aandachtspunten:

1. Moet Hij wel betalen?

2. Hij wil en zal betalen

 

1. Moet Hij wel betalen?

 

De Heere Jezus had Zijn woonplaats in Kapérnaüm, evenals Petrus. Iedere mannelijke Israëliet moest bijdragen aan de bekostiging van de heilige eredienst in de tempel, die op Gods voorschrift gebouwd en ingericht was, waar ambtsdragers dienden, priesters en de hogepriester. Zij deden hun werk in de opdracht des Heeren. De dienst der verzoening mocht daar plaatsvinden. De heilige eredienst was een dienst tot verzoening, als voorbeeld van Christus, Die eens Zijn offer zou brengen tot verzoening van veler zonde. God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. Daarom moeten wij aan haar voldoen, volkomen voldoen. Als er geen voldoening is, dan zal de eeuwige toorn van God op ons rusten. De Heere heeft het volk Israël geleerd dat verzoening nodig was, en Hij heeft Zelf de heilige eredienst, de tempeldienst ingesteld.

 

Het is nu, als wij in dit hoofdstuk aangekomen zijn, in Matthéüs 17, dicht bij het paasfeest. Nog enkele weken en dan mag het volk het pascha weer vieren. Dat was ook een verplichting. De Heere heeft het paasfeest laten instellen en Hij heeft gezegd: Doet dat tot Mijn gedachtenis. Hij heeft die verplichting Zelf op Zijn volk Israël gelegd. Daarbij zou dan ook een jaarlijkse bijdrage gedaan moeten worden, eenmalig. In Éxodus 30 leest u daar iets van. Vanaf het twintigste levensjaar moest men deze bijdrage doen: jaarlijks de helft van een zilveren sikkel. In Jezus’ dagen was dat twee drachmen, of een didrachme; ‘di’ is twee. Dat kwam neer op twee dagen loon. Men was dus verplicht om die bij te dragen tot instandhouding van de eredienst bij de tempel.

Twee dagen loon. U kunt zelf uitrekenen wat u op jaarbasis verdient, deel dat door het aantal werkdagen, dan weet u hoeveel dat voor u geweest zou zijn, als dat nog zou gelden.

 

Deze verplichte bijdrage aan de dienst des Heeren werd een ‘hefoffer’ genoemd, en diende om voor de ziel verzoening te doen. U zegt: ‘Maar dat kan niet…’ Je kunt toch een zedelijke schuld, de overtreding van Gods heilige wet, het onteren van Zijn Naam en Zijn dienst, toch niet met geld goed maken? Nee, dat zal zo zijn, en dat kon toen ook niet. Het werd ook niet met geld goed gemaakt, maar met de heilige eredienst, waarvan de vervulling in Christus komen zou. Die eredienst moest in stand worden gehouden, en vandaar deze verplichte bijdrage. In sommige kerken in Nederland kent men ook iets van een verplichte bijdrage; wij kennen dat niet. De kerk mag leven van giften, van collecten, waarbij de kerkenraad het vertrouwen heeft en hopelijk daar niet in beschaamd zal worden, dat elk gezin ook zijn verplichting zal vervullen, al naar de financiële mogelijkheden die men heeft.

U zult wellicht zeggen: ‘Maar die bijdrage kon de schuld toch niet wegnemen?’ Nee, ik gaf het al aan, het is tot instandhouding van de dienst der verzoening. Maar het gaf toch tegelijkertijd aan dat er voldaan zou moeten worden, want de dienst der verzoening was juist om de ongerechtigheid van het volk te verzoenen. Zo moet ook onze schuld voldaan worden, die wij sinds Adam met ons meedragen, omdat wij zelf ook de heilige wet overtreden met gedachten, woorden en werken.

Is er iemand die zijn nameloze schuld voor God zou kunnen voldoen? Gevoelen wij trouwens wel schuld? Zijn wij niet net als de kleine kinderen die hun schuld altijd ontkennen en zeggen: ‘En wat heb ik dan gedaan? Ik heb niks gedaan…’ Leven wij eigenlijk ook zo niet ten opzichte van God? ‘Wat heb ik dan misdaan, wat doe ik dan voor kwaad? Ik leef netjes, ik ben trouw in mijn arbeid, ik probeer mijn gezin zo goed mogelijk te verzorgen, ik ga trouw naar de kerk, ik geef een bijdrage aan de kerk, ik ga niet naar de bioscoop enzovoorts. Wat doe ik eigenlijk voor kwaad?’

Met gedachten, woorden en werken, leert ons de Heilige Schrift, leert ons de catechismus. Radicaal zegt het Woord van God dat er niemand is die goed doet, en dat er niemand is die God zoekt, ook niet tot één toe, dat wij allen afgeweken zijn, dat wij allen God onteerd en verlaten hebben en dat wij allen overtreders van de wet zijn. De Schrift zegt: Van de buik af, dus vanaf onze geboorte: in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren. En, zegt de Schrift, wij kunnen niet goed doen, wij die geleerd zijn kwaad te doen.

In maatschappelijk opzicht, in gezinsverband, in familieverband, in het maatschappelijk leven kan er gelukkig nog wel iets goeds gedaan worden. Dat is Gods algemene goedheid over het menselijk geslacht, anders zou er geen leven op aarde mogelijk zijn. Maar goed doen in de zin van volkomen vervulling van de eis van de wet van God, Hem lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf, dat is voor u en mij ten enenmale onmogelijk.

Heeft God het op ons hart gebonden, dat wij overtreders zijn van de buik af, dat wij geen van Gods geboden ooit gehouden hebben met een volkomen hart? Dat er helemaal niemand is die goed doet?

 

Nu heeft God aan Israël de dienst der verzoening gegeven, daarmee aanwijzende dat er voldoening moet zijn voor de zonde tegen God, dat aan de gerechtigheid van God voldaan zal moeten worden. In het Nieuwe Testament is daar Jezus, het Lam Gods. Want al die offeranden onder het Oude Verbond konden de schuld niet wegnemen, ze wezen slechts heen naar de komst van Christus. Die zou de Vader verheerlijken, Die zou gehoorzaam zijn tot de dood des kruises. Die kon zeggen: Wie overtuigt Mij van zonde? (Joh. 8:46). Die geen zonde gekend noch gedaan heeft, Die tot zonde werd gemaakt. De last van de toorn van God tegen de zonde is op Hem gelegd. Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.

Dit alles werd dus in de eredienst onder het Oude Testament afgebeeld, voorgesteld, zichtbaar gemaakt, verkondigd door de lezing van de boeken van Mozes, maar dat kon de zonde van het volk niet wegnemen. Er moest een Ander komen, Die zou kunnen uitroepen: Het is volbracht (Joh. 19:30). Het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Daar wees heel de eredienst naar. En die dienst, het Huis Gods met alle voorzieningen die nodig waren om de dienst te laten plaatsvinden, het altaar, de tafel der toonbroden, de offerdieren, de priesterdienst, dat alles moest bekostigd worden. Daarom was er die verplichte bijdrage, die jaarlijks moest worden gedaan.

 

Nu lezen we in ons Schriftgedeelte: En als zij te Kapérnaüm ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen - de personen die de bijdragen voor de tempeldienst moesten innen. Ze gingen tot Petrus. Ze gingen niet tot Jezus Zelf, maar ze gingen tot Petrus, en zeiden: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet? Hij wordt met deze vraag dus in gebreke gesteld. Moet Hij dan niet betalen? Jazeker. Christus is gekomen om de ganse wet te vervullen. Hij zal betalen.

De vraag is niet zozeer verwijtend bedoeld. Kennelijk heeft de Heere Jezus andere keren wél voldaan, maar nu niet, en waarom dan niet? Is Hij ver van huis geweest, zodat Hij niet in staat was om aan Zijn verplichting te voldoen? Zijn er andere omstandigheden geweest? Waarom betaalt uw Meester de didrachmen niet? Zou het kunnen zijn dat Jezus, Die met de Vader en de Heilige Geest eeuwig God is, alwetend zijnde, gewacht heeft op deze vraag, opdat Hij Petrus en heel Zijn Kerk onderwijs zou kunnen geven? Het zou best kunnen. De vraag is dan ook niet zo vreemd. Priesters waren vrijgesteld. Zij leefden van het huis des Heeren, en vooral de rabbijnen, die het volk onderwezen, claimden ook vrijstelling voor zichzelf. Maar gold dat ook voor Jezus van Nazareth? Geldt dat ook voor uw Meester, Petrus, uw Rabbi? Is Hij ook vrijgesteld?

Die de didrachmen ontvangen, vragen Petrus: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet? Dan antwoordt Petrus hen: Ja. Er is geen sprake van dat Hij vrijgesteld is. Jezus claimt geen vrijstelling voor Zichzelf. Natuurlijk zal mijn Meester voldoen! Ongetwijfeld!

 

Dan komt de Heere Jezus met de discipelen in de woning, en zal Petrus de vraag over de tempelbelasting aan de Heere overbrengen. Maar de Heere is hem al voor, in vers 25 leest u dat Hij Petrus ‘voorkwam’. Toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat dunkt u, Simon? De koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hun zonen of van de vreemden? Tol op in- en uitgaande goederen. Buitenlanders moesten tol betalen wanneer zij binnen de landpalen van Israël kwamen. Schatting is belasting, die geheven wordt van de eigen onderdanen. Maar koningen zijn soeverein. Zij nemen geen belasting van hun eigen kinderen en van hun familie. De zonen zijn vrij. Het wordt alleen gevraagd van anderen, van de buitenlanders en van eigen onderdanen.

Zo leest u in het Schriftgedeelte dat Petrus antwoordt: Van de vreemden. Maar dan gaat Jezus antwoorden met een bedoeling, dan zegt Hij: Zo zijn dan de zonen vrij. Wat bedoelt Hij daarmee? De tempel is het huis van Zijn Vader. Hij is de Zoon. Het is Gods huis, het huis van Zijn Vader, en Zijn eigen huis. De tempel is Zijn eigen huis. Hij als de Zoon zijnde, hoeft niet te betalen. Hij is gekomen tot Zijn eigen huis. Hij is de Heere over alles en over allen. Hij is vrij.

De vraag was: Moet Hij wel betalen? En het antwoord is: Nee, want Hij is de Zoon des Vaders, vrij in Zijn eigen huis, de tempel.

 

2. Hij wil en zal betalen

 

Toch, Hij wil en zal betalen. Het is opmerkelijk dat deze gebeurtenis zich eerst dertien jaar na Jezus’ twintigste jaar voordoet. In Matthéüs 16 en 17 leest u van de eerste en de tweede aankondiging van het lijden van Christus. Hij is op weg naar Jeruzalem. Voor de laatste maal is Hij in Kapérnaüm, en nu Hem gevraagd wordt, zal Hij duidelijk antwoord geven. Hij zal metterdaad betalen.

Opdat wij hun geen aanstoot geven, ga heen, Petrus, naar de zee, werp den angel, de hengel, uit, en den eersten vis die opkomt, neem, en zijn mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden; neem dien en geef hem aan hen voor Mij en u.

Jezus is gekomen onder de wet. Hij zal heel de wet vervullen, ook de ceremoniële wet. Aan alle verplichtingen zal Hij voldoen. Hij wil geen aanstoot geven. Hij is vrij, want Hij is de Zoon van dit huis. De tempel is het huis van Zijn Vader. Hij behoeft niet te betalen, want de zonen zijn vrij. Maar Hij wil geen aanstoot geven, geen aanleiding geven, dat iemand uit Zijn weigering zou kunnen afleiden dat die ook zou kunnen weigeren.

 

Geen aanstoot… Wat betekent het woord ‘aanstoot’ in de Bijbel? Dat betekent iemand tot zonde brengen, dat wij een aanleiding of oorzaak geven of zijn, dat een ander ten val komt. Dat is aanstoot geven. Wij gebruiken het woord ‘aanstoot’ eigenlijk veel oppervlakkiger, maar in de Bijbel heeft het een heel diepe betekenis. Aanstoot geven is iemand ten val brengen, en dat is heel wat meer dan de betekenis waarin wij dit woord onder elkaar gebruiken.

Jezus zal gaan betalen. Hier bewijst Hij dat Hij niet gekomen is om de wet te ontbinden, maar om die te vervullen. Hij zal deze belasting voldoen. Hij is gekomen onder de wet. De Wetgever, Christus Zelf, is gekomen onder de wet, om die te gehoorzamen, om die te vervullen, en zo het eeuwige leven voor Zijn gemeente te verwerven. In het vervullen van de wet eert Hij Zijn Vader. Hij is gekomen in een dienstknechtgestalte, en Hij zal zeggen: Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk dat Gij Mij gegeven hebt om te doen (Joh. 17:4). Hij zou gehoorzaam zijn tot de dood, gehoorzaam aan al de inzettingen en rechten des Heeren. Ook deze bijdrage zal Hij gaan voldoen!

 

Petrus wordt naar de zee gestuurd, naar het meer, en de eerste de beste vis die hij vangt, heeft een stater in zijn bek. De Heere gaf aan dat het zo zou gaan. Een stater is een zilverstuk, met een waarde van vier drachmen, genoeg om de tempelbelasting te betalen én voor Jezus én voor Petrus. Voor Mij en u, zegt de Heere.

Misschien hebt u de naam Petrusvis weleens gehoord. Welnu, die komt uit deze geschiedenis voort. De Heere betaalt niet uit de beurs van de discipelen, maar Hij laat een vis opkomen uit het water. Hij betaalt daarmee Zélf, met Zijn eigen gave. Niet uit de beurs van de discipelen. Hij heeft niet nodig van mensenhanden gediend te worden als iets behoevende. Hij is de Zoon, Die Zelf vrij is, en niet hoeft te betalen. Hij ontvangt alles wat Hij nodig heeft en zal moeten doen uit de volheid van de Vader. Zijns is de zee en daarmee ook de vissen. Zijns is het zilver en het goud. In Psalm 8 lezen wij van Zijn volheid, van Zijn rijkdom, van Zijn bezit.

Hij zal nu de tempelbelasting betalen, niet omdat Hij onder dwang zou staan, maar omdat Hij volkomen wil voldoen aan al de eisen van de wet, tot heerlijkheid van God en tot vrijkoping van heel Zijn Kerk. Hij neemt deze verplichting vrijwillig op Zich, zoals Hij al gedaan heeft in de stilte van de eeuwigheid: Zie, Ik kom; Ik heb lust, o Mijn God, om Uw wil te doen. Hij zal voldoen niet als een onderdaan, maar als een Koning, Die soeverein is, Die door Zijn eigen wil en eigen keuze zal voldoen, door middel van het wonder en door middel van de gave van God. En Hij Zelf is de grootste Gave.

 

We willen eerst zingen Psalm 40 vers 7:

 

’t Behaag’ U mij te redden uit den nood,

O Heer’, bied vaardig onderstand;

En overstort met schaamt’ en schand’

Hen die mijn ziel vervolgen tot den dood;

Laat z’, achterwaarts gedreven,

Met schand’ in ’t vluchten sneven,

Wier lust is in mijn kwaad;

Verwoesting zij het loon,

Voor al den schimp en hoon

Van hem die mij versmaadt.

 

Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga heen naar de zee, werp den angel uit, en den eersten vis die opkomt, neem, en zijn mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden; neem dien en geef hem aan hen voor Mij en u.

Petrus doet onvoorwaardelijk wat de Heere hem opdraagt. Het woord des Heeren is met macht, het woord des Heeren is met heerlijkheid. Petrus gaat niet discussiëren en zeggen: ‘Heere, maar dat kan toch niet? Hoeveel vissen zijn er wel niet, en stel U voor dat er maar één vis was die zo’n muntstuk in zijn bek zou hebben, te midden van alle andere vissen, zou ik die dan vangen? Het lijkt me een onmogelijke opgave…’ Maar de stem des Heeren is met macht, de stem des Heeren is met heerlijkheid, zo lezen we in de Heilige Schrift. Jezus is de Meester en Hij kan tot Zijn knecht zeggen: ‘Ga heen en doe dat’, en alzo is ook geschied.

 

Wat moet dat tot verbazing, tot verwondering geweest zijn, toen Petrus zijn hengel uitgeworpen had en daar een vis mocht vangen waarin dat muntstuk was, dat ruim voldoende was om te voldoen voor zijn Meester en voor hem.

En de Heere zegt: Geef hem aan hen, die dus deze bijdrage moeten innen, voor Mij en u.

Voor Mij? En Hij is de Zoon des Vaders, de Zoon van het huis, de Priester, de Hogepriester van dat huis, en de zonen zijn toch vrij? Hij hoeft toch niet te voldoen? Petrus wel. Voor u, voor Petrus, jawel, dat kon Petrus wel verstaan, maar voor Mij? Dat geheim moest hij nog leren kennen.

Dat geheim is voor u en mij ook allernoodzakelijkst, dat Christus zegt, ook tot onze ziel: Voor Mij en voor u. Christus heeft geen zonde gekend, noch gedaan, maar Hij sprak: Ik zal Borg zijn, en wat Ik niet geroofd heb, zal Ik alsdan wedergeven. Daarom is Hij Die geen zonde gekend heeft, noch gedaan heeft, tot zonde gemaakt, plaatsvervangend, zegt de apostel (2 Kor. 5:21), opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hém.

Voor Mij en voor u! Jezus zal gaan voldoen. Hij zal gaan naar de kruisheuvel Golgotha. Petrus verstaat dit nu nog niet, maar nadien zal hij het verstaan. Jezus zal de losprijs gaan betalen. Niet met goud of zilver kan de zaligheid voor hem verdiend worden, en voor wie dan ook, maar zij kan alleen betaald worden met Christus’ eigen Borgstelling. Hij zal Zijn leven stellen voor de schapen. De ziel die zondigt, die zal sterven, maar Jezus heeft niet gezondigd. De Zoon is vrij. Hij hoeft niet te voldoen, maar Hij komt in de gestaltenis van een dienstknecht, en in die gestalte zal Hij gaan voldoen. Hij zal wedergeven wat Hij niet geroofd heeft. Ik moet voor voldoening zorgen. Zijn Borgstelling. Christus zal te zijner tijd voor de goddelozen sterven.

Voor Mij - Petrus, ga maar voldoen met die stater die je vangen zult, die je kríjgt, want zelf kun jij niet voldoen, Petrus. Daar moest Petrus in de loop van de tijd nog achter komen, dat hij de prijs der ziel in tijd noch eeuwigheid kon voldoen. Straks zou hij zijn lieve Meester gaan verloochenen, en dan is hij des eeuwigen doods schuldig. Dan moet hij voldoen, maar hij zal niet kunnen voldoen.

Een Ander zal voor hem voldoen. Deze Jezus, Die zegt: Betaal de tempelbelasting voor Mij en voor u. Christus is gekomen onder de wet. Dat wil zeggen dat Hij de gehele wet zal vervullen; niet alleen de vloek van de wet zal dragen, maar dat Hij ook de wet zelf inhoudelijk zal vervullen en daarmee het eeuwige leven zal verdienen. Als Hij de vloek van de wet draagt, zal Hij de schuld verzoenen, de toorn van God stillen. Maar als Hij de wet zal voldoen, dan verwerft Hij daarmee het eeuwige leven. Doe dat en gij zult leven (Luk. 10:28). Jezus voldoet op deze wijze. Die stater, dat muntstuk, had precies de waarde, dat voor beide personen betaald kon worden. Voor Mij en voor u.

 

Daar klinkt ten diepste het wonder van het Evangelie in door. De prijs die Christus gaat betalen, is meer dan deze stater. Het is een voorbeeld van wat Hij wezenlijk zal gaan doen. Hij zal Zijn ziel geven tot een rantsoen voor velen. Hij zal de Vader gehoorzaam zijn tot de dood des kruises. Zijn bitter lijden en sterven is niet voor Zichzelf. De Zoon is vrij. Hij hoeft die tempelbelasting niet te voldoen, de Zoon heeft niet gezondigd, Hij hoeft niet de eeuwige dood te sterven, maar Hij voldoet voor Petrus en voor Zichzelf, omdat Hij de gestaltenis van een dienstknecht heeft aangenomen, en voor voldoening moet zorgen, plaatsvervangend, als een Borg. Wat Ik niet geroofd heb, moet Ik alsdan wedergeven.

In deze opmerkelijke geschiedenis ziet u dus de Borgstelling van de Zaligmaker. Hij zegt in dit Evangelie dat Hij bekwaam en gewillig is om de prijs te voldoen voor arme, schuldige, rampzalige, verloren zondaren en zondaressen, die geen penning hebben om te betalen.

Ach geliefden, zolang wij aan onze nameloze schuld voorbijgaan, en denken dat wij met het uitwendig voldoen aan de eisen van de wet, onszelf kunnen vrijkopen, dan verstaan wij de eis van de Goddelijke gerechtigheid niet. Dan bevatten wij niet het ontzaglijke woord: De ziel die zondigt, die zal sterven. Dan is nog nooit tot onze ziel doorgedrongen dat wij des eeuwigen doods schuldig zijn. Juist wanneer dit tot onze ziel doordringt, door de onderwijzing van de Heilige Geest, dan worden wij zo arm, dan kunnen wij de tempelbelasting niet voldoen, dan kunnen wij aan Gods gerechtigheid niet voldoen. Als God onze zakken leeghaalt, en al onze gerechtigheden worden als een wegwerpelijk kleed, dan zijn we een stank in Gods neusgaten. Dan is er ongerechtigheid en dan is er eigengerechtigheid. De ziel die zondigt, die zal sterven. De prijs der ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden. Wij kunnen niet voldoen.

 

Toch zal er voldaan moeten worden, en als dat door u en mij niet kan, dan zullen wij de eeuwige dood moeten sterven. Gelooft u dat? Geloven onze jongens en meisjes dat? Ik merk weleens onder een preek dat niet iedereen meeluistert, ook onder de jongeren niet, maar ik wil je vragen: Moet je niet voor God verschijnen? Moet de prijs niet betaald worden? Is er niet een eeuwige bestemming, eeuwig wel of eeuwig wee? Is er niet een buitenste duisternis, alwaar zal zijn wening en knersing der tanden, eeuwig van God verlaten zijnde? Zijn dat geen Goddelijke waarheden, absolute waarheden? O, mochten zij doordringen tot ons aller hart, dat wij verstaan zouden: De prijs der ziel is te kostelijk, te duur, en zal in eeuwigheid ophouden.

Dan hebben wij nodig dat een Ander voor ons betaalt, zoals Jezus hier met die stater wil leren aan Petrus en aan heel Zijn Kerk. Voldoe daarmee aan de verplichting bij de tempel voor Mij en voor u. Hij is ons in alle dingen gelijk geworden, Hij is tot zonde gemaakt, nu moet Hij voor voldoening zorgen. Zelf heeft Hij geen zonde gekend, noch gedaan, maar Zijn Borgstelling is: Ik moet voor voldoening zorgen. En tegelijkertijd voor anderen, voor u, Petrus! En in Petrus voor heel de Kerk, door al de eeuwen heen, uit al de geslachten, van alle volkeren. Ook nu in de Evangelieverkondiging voor ieder die verstaat: De prijs der ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden. Ik moet voldoen, en ik kan niet voldoen; o God, ik ben zo arm, en nameloos schuldig, ik zal de eeuwige dood moeten sterven. Ik heb verdiend om te komen, er is niets in mij wat U ooit zou kunnen bevredigen… Dan zegt Christus: Zie dan op Mij.

 

Petrus wordt gezaligd om niet, want die stater is niet van Petrus, maar is door God beschikt, Gods gave. Jezus zegt: Betaal daarmee voor Mij en voor u. Jezus, Die de wet volkomen vervult; Zijn Borgstelling: Hij zal betalen. Hij is gekruisigd, nedergedaald ter helle. Ik moet voor voldoening zorgen. Wat Ik niet geroofd heb, moet Ik alsdan wedergeven. Hij is tot zonde gemaakt, zegt de apostel, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.

Voor u en voor Mij! Ik voor u, Petrus. Ik voor u, laat Hij verkondigen aan zondige mensenkinderen. Weet u wat onze nood is? Dat wij geen zondaar willen zijn. Dat we onze nameloze schuld voor God niet bekennen en belijden, en niet aanvaarden dat wij de eeuwige dood schuldig zijn. Als dat in uw en mijn hart gaat leven, door het onderwijs van de Heilige Geest, geliefden, dan hebben we geen prijs om te betalen. Niet de offers die ik breng, en niet de tranen die ik pleng, ofschoon ik ganse nachten ween, Gij kunt redden, Gij alleen. Het moet dus op Jezus aan! Hij zal voldoen, en Zijn voldoening zal voor mijn ziel moeten zijn.

 

Petrus mag die stater nemen uit de bek van de vis. Hij voldoet daarmee aan de verplichting voor zichzelf en voor zijn Meester. De Meester voldoet aan de ontzaglijke verplichting, voor Zichzelf, want Hij is tot zonde gemaakt, en voor heel Zijn Kerk, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.

Petrus zal toch verwonderd geweest zijn toen hij die vis ving en die stater in de bek van de vis mocht vinden. Nu kan er voldaan worden, nu is er voldoening. O geliefden, Petrus zag in deze gave van de stater Jezus’ goedheid, Jezus’ liefde, Jezus’ genade, Jezus’ trouw, Jezus’ offer. Hebben wij dat ooit mogen zien voor onze nameloze schuld? Dat is de kern van het Evangelie. Ik weet voor mezelf en voor u niet hoe we anders zalig zouden kunnen worden. Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.

Wij móéten voor voldoening zorgen. De ziel die zondigt, die zal sterven. O God, ik kan de prijs der ziel in tijd noch eeuwigheid voldoen!

 

God is rechtvaardig als Hij de gehele wereld zou laten verloren gaan en om der zonde wil verdoemen. Mogen we het daarmee eens zijn? Mag ons hart daaronder buigen? Dat is een grote genade van God, maar onmisbaar om de Gave Gods, Jezus Christus Zelf, in onze ziel te ontvangen! Om ons heilbegerig te maken naar deze Zaligmaker, en om ons de gave van het geloof te schenken om Hem te ontvangen. Wat een wonder, Hij betaalt voor Zichzelf, omdat Hij tot zonde gemaakt is, de Middelaar Gods en der mensen zou zijn, het enige Offer voor de zonde, én voor Petrus. Want Petrus zal delen in dit wonder, en heel Christus’ Kerk zal delen in dit wonder, wat Christus verdiend heeft voor Zijn gemeente.

Wat heeft Petrus er dan aan gedaan? Niets, hij heeft alleen maar ontvangen. En een begenadigde zondaar en zondares, wat moet hij of zij doen, verdienen, presteren? Niets. Hij hoeft slechts een zondaar te zijn, die moet belijden: O God, mijn hart is zo zwart als de hel, en zo goddeloos als de duivel zelf; in mij woont geen goed, maar voor U is al mijn begeerte. De ziel gaat uit naar Jezus Christus, Die Borg geworden is, Die voor vijanden de dood wilde smaken, om goddelozen te kunnen rechtvaardigen. Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood zou moeten sterven.

 

Petrus was verwonderd toen hij die stater in zijn hand hield. Elke zondaar die begenadigd wordt in den Geliefde, zal zeer verwonderd zijn als hij Christus mag zien, de Gave Gods. Hebt u Christus ooit gezien? Wij hebben dezelfde Zaligmaker nodig. Hij wordt u verkondigd, Gods Gave, om vijanden met God te verzoenen en om goddelozen te rechtvaardigen. Wat dunkt u van de Christus? (Matth. 22:42)

Jezus houdt Petrus vrij, Petrus die zijn Meester nog zou verloochenen, Hij houdt hem vrij, Jezus houdt heel Zijn Kerk vrij. En die Kerk bestaat niet uit lieve mensen, maar uit begenadigde zondaren en uit overwonnen vijanden, die zalig worden om niet, zonder enige verdienste hunnerzijds, maar om de prijs die Christus betaald heeft. Daarom is alle lof voor Hem alleen! Het Lam is waardig te ontvangen alle lof, eer, aanbidding en dankzegging. Alle eer voor God Drie-enig! Het is door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen.

Voor Mij en u genoeg, Petrus. En dat mag verkondigd worden in het Evangelie, hoe zwaar uw schuld ook mocht zijn, hoe u zou moeten kreunen onder de wet van God, hoezeer u ook veroordeeld zou zijn in uw ziel, die prijs van Christus is algenoegzaam en Hij verkondigt: Voor Mij en voor u.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 44:2

 

Hun zwaard deed hen dit land niet erven;

Hun arm deed hen geen heil verwerven;

Maar Uwe rechterhand, Uw macht,

Heeft hun dien voorspoed toegebracht;

De glans van ’t Godd’lijk aangezicht

Heeft hen de zege weg doen dragen;

Want Gij omscheent hen met het licht

Van Uw genadig welbehagen.