Ds. P. Mulder - Job 1 : 22

Levensleed in het land van Uz

Job 1
Aanslagen van de satan
Toelating van de HEERE
Belijdenis van Job

Job 1 : 22

Job 1
22
In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 56: 1
Lezen : Job 1: 6-22
Zingen : Psalm 37: 6, 7
Zingen : Geb. d. Heeren: 4, 8
Zingen : Psalm 73: 13

Gemeente, onder de inwachting van de zegen van des Heeren Geest hopen we het Woord Gods te overdenken vanuit het ons voorgelezen Schriftgedeelte uit Job 1, waarvan we als tekstwoord nogmaals lezen vers 22:

 

In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.

 

Het gaat in dit Schriftgedeelte over: Levensleed in het land van Uz.

 

Daarbij letten we op drie hoofdzaken:

1. Aanslagen van de satan

2. Toelating van de Heere

3. Belijdenis van Job

 

Levensleed in het land van Uz. Wat is daar in korte tijd ontzaglijk veel gebeurd! Wat een leed in het leven van deze godvrezende man daar in het land van Uz.

We letten eerst op de aanslagen van de satan. We lezen in vers 9: Toen antwoordde de satan den Heere, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?

Vervolgens letten we op de toelating van de Heere. Het is opmerkelijk, wat we lezen in vers 12: En de Heere zeide tot den satan: Zie, al wat hij – Job – heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des Heeren.

Tenslotte letten we op de belijdenis van Job. Want na alles wat er gebeurt in zijn bedrijf, en vooral in zijn gezin, mag hij in vers 21 zeggen: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, naakt zal ik daarheen wederkeren. De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd!

 

1. Aanslagen van de satan

 

God bereikt Zíjn doel in de verheerlijking van Zijn Naam en in het behoud van Zijn Kerk. Dat ligt vast in de eeuwige raad Gods, in de arbeid van Christus en in de toepassing van de Heilige Geest.

En toch, wat gaat satan tekeer! Hij probeert te verstoren, hij probeert te verwoesten en te verwarren. Hij is er altijd op uit om zelf te overwinnen. Dat kan hij niet en dat zal hij niet, maar hij wil het toch. Hij is de anti-God; hij stelt zich op tegen de Heere en tegen Zijn kinderen. Uiteindelijk zal het tevergeefs zijn. Maar hij weet op aarde wel verwoestingen aan te richten. Zelfs in de harten en levens van Gods kinderen. Satan is de grote verwoester en leugenaar.

 

Het boek Job is geschiedenis. Er zijn mensen die zeggen: ‘Is dit niet een gelijkenis, zoals we de aangrijpende gelijkenis kennen van de rijke man en Lazarus?’

Nee, dit is geen gelijkenis; dit is geschiedenis. Daarop wijst bijvoorbeeld Ezechiël 14 vers 14 nadrukkelijk. En Jakobus 5 vers 11 verklaart het ons ook. Het is wáár gebeurde geschiedenis, daar in het land van Uz.

Job is een mens: oprecht, vroom, Godvrezend, en wijkende van het kwade. Een vader in zijn gezin. Een rijk begenadigde man. Over hem gaan de vredegedachten Gods. Dat is zeker! Maar hij is tegelijk de man op wie satan zijn vurige pijlen gaat richten.

 

Het is opmerkelijk dat we lezen: Er was nu een dag, als de kinderen Gods – de engelen worden daarmee bedoeld – kwamen om zich voor den Heere te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.

Dat is iets bijzonders. Want de satan heeft zich losgescheurd van God. Hij is een kwade engel geworden. Hij is in opstand gekomen; hij wilde niet zijn plaats innemen en houden onder God. Satan hoort niet meer thuis in de hemel. En toch mag hij er soms nog komen, móet hij er komen. Dat lezen we hier.

We kunnen iets dergelijks lezen in de geschiedenis van Josafat, die met Joram wilde optrekken met het leger van Israël. Daar is ook sprake van een overleg tussen de geesten. Zoiets is voor ons wat onbekend. Maar er is een strijd der geesten gaande. Zeker, de overwinning staat vast. Die is des Heeren. Ook is zeker in die strijd der geesten dat Christus is gekomen en satan de kop vermorzeld heeft. Maar we weten ook uit Genesis 3 vers 15 dat satan aan Christus en Zijn Kerk de verzenen zal vermorzelen. De verzenen – dat zijn de pezen van de hielen. Wat zal dat zeer doen. Wat kan dat ook verlammend werken. Maar de satan zal niet overwinnen. Christus heeft hem ten principale reeds overwonnen.

 

Toch is satan, als de engelen zich voor de Heere moeten verantwoorden en hun opdrachten ontvangen, de hemel binnengekomen. De Heere zegt dan tegen hem: Vanwaar komt gij? Satan antwoordt: Van om te trekken op de aarde en van die te doorwandelen.

Dat is zijn werk. Alleen doet hij dat niet zoals de goede engelen: beschermend voor Gods kinderen, de lof des Heeren bevorderend. Dat niet! Hij doet het juist in venijn, in haat. En als hem dat mogelijk zou zijn: dood en verderf zaaiend. Satanisch! Zoals we dat in onze tijd wel met schrik en afschuw horen. De Heere zegt tegen de satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.

De Heere zegt het dus tegenover de vorst der duisternis nog een keer: ‘Zó is Job, een oprecht kind des Heeren, wandelend in de tere omgang met de Heere.’

De Heere wijst satan op Zijn kind. Dan antwoordt satan: Is het om niet, dat Job God vreest? ‘Hij krijgt een geweldig loon, nu hij U liefheeft. Hij doet het niet voor niets. Hij heeft een bloeiend bedrijf, een voorbeeldig gezin, waar liefde woont, waar zoveel milddadigheid is. Maar omdat U hem die goede dingen geeft, daarom vreest hij U en houdt hij Uw geboden. Het is om loon, dat hij dat doet. Het komt niet uit zijn hart voort. Het is uitwendige godsdienst. U hebt een omheining om hem heen geplaatst. Ik kan niet bij hem komen. Ik kan hem geen ziekte bezorgen, of twijfel, of aanvechting van zijn geloof. Ik kan zijn kinderen niet aantasten en tot zonde verleiden. Ik kan geen ziekte onder zijn beesten brengen. U hebt er een omheining omheen geplaatst. Ik kan hem niet in verwarring brengen, hem niet verzoeken. Ik mag mijn vinger niet eens naar hem uitstrekken. U hebt een vurige muur rondom hem gelegd. Natuurlijk vreest hij U. En het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken. Maar als het anders wordt, als Job tegenslag krijgt, dan wordt het wel anders. Dan weet ik zeker dat hij U zal zegenen.’ Die uitdrukking lezen we in vers 11. Dat betekent dat hij U vaarwel zal zeggen, dat hij afscheid van U zal nemen, dat hij U een laatste groet zal brengen. ‘Dan komt hij wel naar mij toe, om kwaad van U te denken en kwaad van U te spreken.’

Zo maakt satan Job verdacht. Satan maakt het werk Gods verdacht. Ten diepste maakt hij God verdacht. Wat is de duivel gemeen. Hij is altijd uit op het zwarte, het negatieve, het boze, de dood en de ellende.

Dit alles vindt plaats – onbegrijpelijk, maar het staat er – in de hemel. Vanwege een strijd der geesten. Zeker, de Heere regeert. Hij staat er boven. En toch krijgt satan toestemming om veel te doen, hoewel met één begrenzing: hij mag zijn hand niet uitstrekken naar Jobs leven.

 

Satans aanslag begint in de hemel. Daar is ook de zondeval begonnen, voor Gods troon. Satan maakte zich los van God en stelde zich tegen God. Hij heeft de mens meegenomen, Eva, Adam, en heeft zoveel in de verwoesting en onder de vloek gebracht. Maar hij heeft niet het laatste woord. Het is echter wel een ontzaglijke werkelijkheid.

 

We zien ook dat zijn aanslagen niet alleen in de hemel plaatsvinden, maar ook hun uitwerking krijgen op de aarde: Er was nu een dag, als zijn – Jobs – zonen en zijn dochters aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, de eerstgeborene… Kennelijk zijn ze bij elkaar gekomen op een verjaardag; ze hadden een goede familieband.

Er staat nog wat: Job bracht hen bij het altaar, om met hen te offeren. Want hij zei: ‘Het zou kunnen zijn dat ze de Heere vergeten hebben, gezondigd hebben.’ Die godvrezende man wist het: er is verzoening nodig! Nu is er weer zo’n dag dat Jobs kinderen bijeenkomen. Dit alles wordt ons meegedeeld in vers 13.

Dan, vanaf vers 14 tot vers 17 komt de rampspoed, wat zijn bedrijf betreft. Eerst worden de runderen en de ezelinnen door de Sabeeërs geroofd. De Sabeeërs waren nazaten uit het huwelijk van Abraham en Ketura. Dan is er ‘het vuur Gods’. Deze benaming van vuur treffen we ook aan bij de verwoesting van Sodom. En op de Karmel, als Elia bidt bij het offer en het vuur neerdaalt.

Het vuur Gods. We moeten denken aan een ontzaglijk vuur, ‘een vuur boven de menselijke maat’. Wat een gedachte: satan lijkt erover te kunnen beschikken. Zo’n vuur daalt neer, onder de toelating Gods.

Wat kan satan veel. Hij kan stormwinden doen bulderen en golven zo tekeer doen gaan, dat het lijkt alsof Jezus in het scheepje verdrinken zal. Wat kan satan veel, als de Heere hem de ruimte geeft. En wat dóet hij, als hij de gelegenheid krijgt? Zeker geen goede dingen. Hier verwoest hij schapen en personeel.

Daarna zijn er de Chaldeeën gekomen. Zij hebben de kamelen meegevoerd en de jongens gedood. Zo is het bedrijf van Job in één dag geruïneerd.

Maar dan komt het allerergste. Als deze nog sprak – zegt vers 18 – zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochters – zijn kinderen, waarmee Job zo in liefde verbonden is. Hij heeft ze willen opvoeden in de vreze Gods, hij is hen daarin voorgegaan. Hij heeft hen tot het altaar gebracht, tot de Heere geleid. Deze zonen en dochters waren bijeen. Toen stak er een grote wind op. Daardoor is het huis ingestort en ze zijn allemaal gestorven. En ik ben maar alleen ontkomen om het u aan te zeggen, zo sprak de bode.

 

Wat een onbeschrijfelijk verdriet. Een mens moet maar eens één kind verliezen… Wat een smart voor het ouderhart. Wat een groot verdriet in het leven. Maar Job en zijn vrouw verliezen op één dag ál hun tien kinderen. Onbeschrijfelijk, wat een pijn, wat een smart. En toch is het waar, dat niet de duivel regeert. ’s Mensen geboortestond wordt door de Heere bepaald. En ook zijn stervensuur. Maar intussen is er de strijd der geesten – we krijgen hier een klein inkijkje – wat kan er dan allemaal gebeuren…

 

Toch staat de Heere boven dit alles. Ook in dit verdriet. Wanneer zo’n verdriet in het huis, in het hart komt, en als de Heere dan niet ondersteunt en vasthoudt; een mens zou er niet doorheen komen. Een mens zou bezwijken.

De ondersteuningen van de Heere zijn ook in algemene zin dan zo onmisbaar. En die wil Hij ook betonen en verlenen. Verborgen ondersteuning, zeggen we dan wel. Zodat je – soms vooral achteraf – toch mag en moet bekennen dat de Heere er doorheen heeft geholpen en willen bijstaan. En Hij wil zeker ook aan Zijn kinderen denken in zulke wegen. Dat mogen we ook hier opmerken. In het diepste verdriet weet de Heere zelfs vertroosting  te verlenen.

 

Maar de Heere doet de dingen op Zijn wijze. Vaak anders dan wij zouden denken.

Als Maria en Martha in groot verdriet zitten, omdat hun broer sterven gaat, dan komt de Heere niet aanstonds. Pas na vier dagen. Ze hadden Hem laten roepen; Hij had hen lief. Maar de Heere komt te laat, dachten ze. Maar toch komt Hij op Zijn tijd.

Of we zien die weduwe die haar enige kind, de jongeling te Naïn, moet uitdragen. Ze loopt achter de baar om hem te gaan begraven; wat een smart. Het enige kind van een weduwe. Maar dan komt de Heere daar bij die poort van Naïn. En dan staat er zo opmerkelijk dat Hij ‘met innerlijke ontferming bewogen’ was over deze weduwe.

Daarop mogen we nu ook wijzen. Wanneer zulke ontzaglijke dingen gebeuren, dan is er grote smart. Een mens zou denken: wat is satan toch bezig. En dan tóch weet de Heere vertroostingen te zenden. Daarom mogen we daar ook om vragen en er naar uitzien.

 

En wat klinkt er een roepstem. Ineens zijn er tien sterfgevallen van jonge mensen. Dat gebeurt ook vandaag! In het verkeer, soms door ongelukken. Onverwacht opgeroepen voor Gods troon. Wat een roepstemmen.

Zou jij bereid zijn? Kun jij God ontmoeten?

Kunt u Hem ontmoeten? Is uw ziel geborgen achter het bloed der verzoening? Hebt u op tijd leren bedenken wat tot uw vrede dient? Eén ding is nodig. Het wonder van Gods genade is onmisbaar. Het kan ineens eeuwigheid zijn. Voor ons en voor onze kinderen.

Job… O, één ding is zeker: hij had gebeden voor zijn kinderen. Hij had getracht zijn kinderen bij het altaar, bij Christus, te brengen. Wat een gedachte, vaders, zo terug te mogen kijken.

 

Levensleed in het land van Uz. Ontzaglijk. Onbegrijpelijk. We kunnen er niet bij. Aanslagen van de satan. We gaan nu naar onze tweede gedachte:

 

2. Toelating van de Heere

 

Want we moeten er goed op letten dat in vers 12 staat: En de Heere zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft – al wat Job heeft – zij in uw hand; alleen aan hem, strek uw hand niet uit.

De Heere laat toe. De Heere geeft satan ruimte om Gods werk op de proef te stellen; om een kind van God op de proef te stellen. Satan doet dat zo hard mogelijk, zo schrikwekkend mogelijk. Maar toch zal straks Gods eer blinken, Jobs geloof en liefde blijken en satan als leugenaar voor de dag komen.

Maar zover is het nu nog niet! Diepe dalen en donkere ravijnen dienen zich aan. En Job weet niet wat het einde zal zijn. Hij weet ook niet wat er in het hemelhof besproken en besloten is.

 

De Heere laat toe. Laten we lezen in artikel 13 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis. Dit is een heel inhoudsvol en pastoraal artikel. Het is zo uit de werkelijkheid genomen. We lezen daar dat de Heere de zonde niet werkt. Je kunt ook niet zeggen dat de zonde buiten Gods besluit gebeurt. Het is ook niet zo dat de Heere niet van de zonde weet. Hij geeft de ruimte ertoe; Hij láát toe… Maar de Heere is geen auteur van de zonde; geen uitdenker en geen bewerker van de zonde. Dat mogen we niet denken en niet zeggen.

De zonde wordt door de duivel en door de boze mensen gewerkt. De Heere straft de zonde, vertoornt Zich erover, en haat de zonde. Wij moeten vol eerbied luisteren naar wat de Schrift zegt, en geen verwarrende gedachten toelaten of naar voren brengen.

Bovenaan staat dat de Heere met alles Zijn bedoeling heeft. Hoewel we dat vaak niet begrijpen. Job kon het niet doorzien. Het bracht hem – nu nog niet, maar straks – in grote verwarring en strijd.

 

Zo gaat het nog weleens met Gods kinderen. Krommingen op de levensweg, moeite en verdrietelijkheden; ze kunnen het einde niet zien en het doel niet bekijken. Na dezen zult gij het verstaan.

Abraham moest Izak offeren. Dat kan toch niet? Het kind der belofte – juist in de diepste betekenis. Het kind uit wie later de Messias komen moet. Juist dit kind offeren; dat kan toch niet?

Toch moet hij het doen. Wat een onbegrepen en onverklaarbare weg in het leven van Abraham.

Satan is zo vaak in de weer. Hij porde David aan – staat er – om het volk te tellen (1 Kron. 21:1). Er staat ook in 2 Samuël 24 waar het over dezelfde geschiedenis gaat, dat de Heere David beproefde. Satan porde David aan; David zondigde. De Heere beproefde David.

Er kunnen zich wegen voordoen waarbij de mens kennelijk de zonde verkiest. En daarin is de satan in de weer om te verwarren en te verwoesten. En tegelijk is het waar dat de Heere er boven staat en het toelaat. Hij weet het zelfs daarheen te leiden, zodat Hij er Zijn doel mee bereikt. Een mens begrijpt dat lang niet altijd. Het kan zelfs veel vragen geven en raadsels oproepen.

 

De wegen Gods zijn hierin ook heel onderscheiden. Abraham werd beproefd. David werd door de satan aangepord en hij zondigde. Petrus werd door de Heere Jezus zelfs gewaarschuwd: De satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe (Luk. 22:31). Maar Petrus was al bezig met zondigen. In zijn hoogmoed zei hij immers: Al werden zij ook allen aan U geërgerd; Ik niet! (Matth. 26:32). Petrus is niet op zijn hoede. En satan staat gereed om hem verder te belagen.

Wat is Petrus toen diep gezonken. Maar welk een wonder van ontferming: dan kijkt de Heere hem aan. Wat zijn Gods wegen onbegrijpelijk en niet te verstaan. En toch voor Zijn kind vol ontferming.

 

Paulus was uitermate ijverig als dienaar van het evangelie. En juist hij moest het meemaken dat satan hem met vuisten sloeg. O zo pijnlijk. Een vijand, die hem met vuisten sloeg. Zo heeft hij het beleefd. Hij vraagt de Heere: ‘Mag daar niet een einde aan komen?’ Bij herhaling heeft daar om gebeden. Misschien heeft hij er wel bij gezegd: ‘Dan kan ik nog beter werken in Uw dienst.’ Maar de Heere doet het niet. Wel zegt de Heere twee dingen tegen Paulus: Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Kor. 12:9). De Heere zegt als het ware: ‘Door dat slaan van satan gaat u uw eigen zwakte gevoelen. En juist dan zult u Mijn kracht nodig hebben.’ Dat is een les. Inderdaad om stil van te worden.

En de Heere zegt ook: ‘Mijn genade is u genoeg (2 Kor. 12:9). Ik geef u geen gemakkelijk leven. Maar u mag delen in Mijn opzoekende zondaarsliefde, die u uit de verlorenheid redt. Paulus, dat is voor u genoeg.’

Gods kinderen kunnen weleens in wegen terecht komen die ze niet kunnen overzien en doorgronden. En dan toch te beseffen: de Heere laat het toe. En Hij houdt vast.

Maar hoe zullen ze dat verstaan en in dit alles de juiste weg des geloofs bewandelen? Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis geeft ons daarin onderwijs: Veel begrijpen wij niet. Er zijn veel vragen die wij niet doorzien. De boze mens en de duivel zelf is in de weer, zegt onze belijdenis. Inderdaad, dat merken we om ons heen. En daar kunnen we niet door heen zien. Maar, gemeente, dan mag je toch, dan moet je toch geloven dat door dat alles heen, God toch Zijn wil en raad volvoert.

We lezen en horen van terreur en christenvervolgingen, van onrecht en geweld. Velen op deze aarde ondervinden dat lijfelijk. Wij kunnen er bang van worden. We nemen het allen waar: boze mensen, de duivel. En tóch, door dat alles heen weet God Zijn raad en wil te volvoeren.

 

Begrijpen we dit alles? Kunnen we het uitleggen? Er zijn veel moeilijke vragen, dat begrijpt de Geloofsbelijdenis ook wel. En juist daarover geeft onze belijdenis raad. We moeten maar niet ongepast vragen. We mogen niet te nieuwsgierig onderzoeken. En dat doen we zomaar: ‘Waarom overkomt me dit alles? Hoe kan het toch zó gaan? Dit kan toch Gods bedoeling niet zijn?’

Mag je dan zo niet denken, niet vragen? Hierop zegt onze belijdenis: ‘Die vragen kunt u niet verdragen; die gaan uw begrip te boven.’

De belijdenis brengt dus een beperking aan. Met eerbied gezegd: De Heere kan er wel tegen, dat je vragen stelt. Maar wijzelf kunnen er niet tegen. We zouden in het geloof wankelmoedig worden. Overschat jezelf niet! Stel paal en perk aan uw gedachten wanneer vragen opkomen en je raadsels de ruimte willen krijgen. Het gaat uw begrip te boven. Daarmee moeten we oppassen! Je zou je historisch geloof verliezen.

 

Er zijn heel wat mensen die hun historieel geloof verloren hebben omdat ze toe gingen geven aan vragen. ‘Hoe kan het scheppingsverhaal nou waar zijn?’ Ze gaven die vragen te veel ruimte. Hun begrip kon het niet verdragen. Zo verloren ze hun historieel geloof. Het is te vrezen dat er in Nederland zo duizenden en duizenden geestelijk verongelukt zijn. Want ze gaven te veel ruimte aan wat hun begrip, hun historiële geloofsbegrip, te boven ging.

 

We krijgen dus een waarschuwing: zeg ‘halt’ tegen je kritische geest, tegen je twijfels. Heel bewust ‘halt’ zeggen, want u kunt het niet aan. Onze geloofsbelijdenis zegt: ‘Wees hiermee tevreden leerlingen van Christus te mogen zijn.’ Hij is de allerbeste Leraar. Hij heeft in de raad Gods gestaan. Hij is de Wijsheid Gods Zelf.

Als u nou leerling van Hem mag zijn, wees daar dan tevreden mee en ga dan de palen, de grenzen, van het Woord niet over.

Wat een waarschuwing! Ga de grenzen van het Woord niet over. Blijf binnen de begrenzing van het Woord. Ook als je denkt over het wereldbestuur. Of over het begin van de wereld. En over het einde van de wereld. Over uw persoonlijke raadsels. Ga de grenzen van het Woord niet over. Vraag toch of je leerling van Christus mag zijn, mag worden, mag blijven.

 

Wat bracht Christus in praktijk? ‘Uw wil geschiede, en niet de Mijne. Vader, zoals het U behaaglijk is, zo zal Ik doen, denken en zeggen.’ Dan mogen en zullen we de oordelen Gods niet ter discussie stellen.

Wat betekent dat woord ‘oordelen’? Het betekent: ‘de meningen’ van God. De uitspraken, de meningen, de bedoelingen van God, mogen we niet ter discussie stellen.

 

Wat volgt dan een wijze raad in artikel 13: Wij moeten die oordelen aanbidden. Eerbiedig en ootmoedig, want wij zijn maar kleine mensen. We hebben een beperkt verstand en begrip. We hebben geringe kennis, al meent de mens van vandaag heel veel te weten en te overzien.

Wij mensen zijn zo klein. We weten niet; we zijn van gisteren. We moeten onze plaats weten. We zijn gevallen zondaren. Ons verstand is verdorven en verduisterd. Onze wil, onze gevoelens, onze gedachten, onze meningen, ze zijn allemaal aangetast, aangevreten door de zonde. Dat moet ons klein maken. En verlegen om onderwijs van de Heere.

Dit mag ons tot troost zijn en tot lering, dat niets toevallig gebeurt, maar dat alles vanuit Zijn Vaderhand tot ons komt. En die Vaderhand is goedertieren en zorgend.

Of niet, Kerk des Heeren? Is het niet waar? Zijn Vaderhand is goedertieren, en zorgend. Daar zit het kwade niet in. Zijn hand is vol liefde en trouw en goedgunstigheid.

 

Kunnen ze dat altijd bekijken? Kunt u het altijd geloven?

We krijgen vandaag raad. Welgemeende raad. Laten we toch bidden: ‘Leer mij Uw wegen te bewandelen. Bewaar me toch voor afwijken, voor toegeven, voor weglopen, voor verdwalen. Voor omkomen. Voor de zonde. Voor het ongeloof. Want ik zit erin verstrikt. Ik zit eraan vast. Ik heb me eraan uitgeleverd. Bekeer me, leer me, leid me. Heere, maak mij Uwe wegen door Uw Woord en door Uw Geest bekend.’

 

De Heere houdt satan onder Zijn bewind. Kunnen we dat geloven? Als christenen vervolgd, ja, gedood worden. Als er zoveel bruut geweld en schrikwekkende terreur plaatsvindt. En dan toch?

Dan toch is het waar dat de Heere satan in toom de houdt. Want áls dan Stefanus met stenen gedood wordt, dan staat Hij gereed om zijn ziel in de hemel op te nemen. De Heere houdt Zijn Kerk vast en zorgt voor Zijn Kerk. Zij is geen ogenblik uit Zijn gedachten, geen ogenblik uit Zijn liefde, geen ogenblik uit Zijn handen.

 

O, we mogen wel vragen: ‘Zou U mij dat geloof willen geven? Geeft U me dat rechte begrip, dat geloofsbegrip. Bewaar me ervoor dat ik dat in twijfel trek en ervan afwijk.’ Ook hierin hebben we zo nodig door de Heere geleid en geleerd, bekeerd en geregeerd te worden. Onze belijdenis wijst ons daarin de weg: leerjongeren van Christus zijn. Niet als Petrus het beter weten, maar als een Maria aan de voeten des Heeren zitten.

 

We gaan nu samen zingen uit het Gebed des Heeren, het vierde en het achtste vers:

 

Uw wil geschied’, Uw wil alleen,

Als in de hemel, hier beneên;

Uw wil is altoos wijs en goed;

’t Is majesteit, al wat Gij doet;

Dat ieder stil daarin berust’,

En Uw bevelen doe met lust.

 

Verlos ons uit des bozen macht;

Bescherm, en sterk ons door Uw kracht;

Wij zijn toch zwak, zijn sterkt’ is groot;

Dus zijn w ‘elk ogenblik in nood;

Hier komt nog vlees en wereld bij;

Ai, sterk ons dan, en maak ons vrij.

 

Gemeente, het gaat over: Levensleed in het land van Uz. Daar vonden aanslagen van satan plaats. Die maakte Job mee. Zelfs zijn kinderen worden hem allemaal in één dag ontnomen. Wat een ontzaglijk levensleed.

We durven het nauwelijks te zeggen dat satan achter het sterven van een kind kán zitten. Maar vanuit onze tekst moet je het toch zeggen.

Onder de toelating des Heeren. Gelukkig wel! Gelukkig? Jazeker!

Dat mag Job geloven, want dat is zijn  belijdenis. Dat is onze laatste gedachte:

 

3. Belijdenis van Job

 

Wat een belijdenis! Zo zuiver, zo godvrezend: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen. Geen bedrijf en geen gezin. Naakt zal ik de aarde verlaten. Ik kan niets meenemen. Geen kind kan mijn zaligmaker zijn en geen bezit kan me tot redding strekken. Naakt; dat is het begin, en dat is het einde.

Maar dan dat grote wonder: De Heere, de God des Verbonds, Die de Getrouwe is. De Ik zal zijn Die Ik zijn zal, de God van mijn besnijdenis…

Zou Job dat niet gedacht hebben? De God van onze doop. De Heere, Hij heeft gegeven…

Wat een belijdenis! Ik heb kinderen gekrégen.

Voortgebracht? Nee, gekrégen!

Nu moeten we er wel voor oppassen oppervlakkig te gaan praten: ‘Wij hebben kinderen gekregen, dus we geven ze ook weer terug.’ Ach, wat heeft een mens te geven? De Heere geeft. En de Heere neemt. Dat zegt Job ook. Dat zijn waarheden en werkelijkheden die doorleefd moeten worden. Dan houdt ons praten wel eens op. Dat moet de Heere te beleven en te bespreken geven. Anders hebben we niets dan onze gevallen natuur. En die is verre van gelovig. Integendeel, die is boosaardig en zelfzuchtig.

 

Job zegt niet: ‘De Heere heeft gegeven en nou heb ik teruggegeven…’

Nee, de Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen. Anders had Job ze wel vastgehouden, als hij gekund had. Nee, de Heere heeft genomen.

 

Maar dan mag hij eerbiedig loslaten. Want hij heeft ze gekrégen; elk kind. En de Heere néémt ze; elk kind. Gemeente, laten we er op mogen letten wat hier besproken wordt. En laten we er stil bij mogen worden. In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.

 

Heeft Job dan geen verdriet? Ja, ontzaglijk verdriet! Dagen zit hij te zwijgen in diep verdriet.

Maar de Heere is heilig, en majesteitelijk, en vrij. Hij doet met het Zijne wat Hém behaagt.

 

Kan een mens dat uit zijn natuurkrachten geloven?

Ach, het komt uit onze natuur niet voort. Onze gevallen natuur is vol opstand, vol afkerigheid. Niet onderworpen. Op onszelf gericht. De ene keer misschien boos, het volgende moment vol zelfmedelijden, de andere keer weer op een andere manier. Soms mogelijk bezet met een zelfgemaakt geloof.

Maar hier is hét geloof aan het woord, het ware geloof dat uit de Heilige Geest is en in Christus wortelt. Dat uit Hem bediend wordt. Want Christus heeft altijd God behaagd, Hem bedoeld en het zuivere belijden van God in praktijk gebracht. Christus wist het: ‘Het leven heb Ik gekregen en het leven wordt weer genomen, want Ik moet sterven voor de zonde, om God te verheerlijken.’

Zó wordt de Naam Gods geprezen. Uit die Christus wordt Job bediend. Zó mag Job door het geloof zeggen: ‘De Heere heeft gegeven – tien kinderen – de Heere heeft genomen – alle tien – de Naam des Heeren zij geloofd.’

Het gaat maar om één ding: Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen. Als een mens dat in waarheid kan zeggen, dan heeft hij twee dingen geleerd en die beoefent hij dan ook daadwerkelijk. Door de werkingen van ’s Heeren Geest.

Het eerste is dit: Dan heeft hij geleerd en beoefent hij dat hij een verloren mens is, een eerrover Gods. ‘Ik heb alles doorgebracht. Ik heb geen enkel recht van spreken. Ik lig verloren; dat is mijn schuldig bestaan. En wie zal nu een reine geven uit een onreine? Daarom zijn mijn kinderen kinderen des toorns.’

Het tweede is dat hij door de bediening uit Christus één doel mag hebben: de Heere. Het gaat om Hem! Om wat Hij geeft, en doet, en bedoelt. Daarin opgenomen te mogen zijn; dan zal alleen kunnen in Christus. Want Christus heeft eigen wil willen verzaken en Gods wil geëigend. Hij heeft het immers gebeden: Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede. Dat ging door de worsteling heen. Indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan (Matth. 26:39).

 

Zou Gods kind ook hierin niet voetstappen leren drukken? Voetstappen drukken, buigen onder het recht van God? Vanwege zonde en schuld en vanwege de rechtvaardige toorn Gods daarover. Verdiend, waardig. Dat brengt in de worsteling, want onszelf verloochenen is tegen onze natuur.

Daar is inwinnende lering toe nodig. Uw wil alleen is heilig en goed. Voetstappen drukken, ook in de gebeden. Eigen wil leren verzaken. Gods wil mogen eigenen en eerbiedigen.

Zo mag Job uitspreken: De Naam des Heeren zij geloofd. Daar gaat het om. De daden des Heeren strekken tot Zijn eer, tot Zijn lof en roem. Zo is Job Gode aangenaam in Christus. Want Christus was en is in alles Gode aangenaam.

 

Als die bediening uit Christus er mag zijn, dan is de ziel stil. Dan mogen we van de omstandigheden afzien en op de Heere zien. Hij beheerst zelfs de omstandigheden. Hij schept de omstandigheden. Hij geeft zelfs wel om boven de omstandigheden uit Hem te mogen vertrouwen. Dan mogen de omstandigheden droevig zijn. Zo moeilijk en verwarrend. Maar het geloof mag zien op de Heere, de God des verbonds, Die niet laat varen het werk dat Zijn hand begon.

Dan mag Job de vrijmacht Gods belijden. Hij doet wat Hem behaagt. Dan mag Job belijden dat ook hierin de hand Gods is. Dan is er beproeving en diepe rouw, maar Job slaat zijn ogen dan niet op satan, niet op het menselijke. Job mag dan zijn hart opheffen tot de Heere, bij Hem schuilen, het in Zijn hand leggen.

Wat een genade! Dat is niet uit de mens, want een mens schopt. Een mens vraagt: ‘Waarom overkomt mij dit? Is dit Gods weg? Hoe kan ik een beetje overeind blijven?’

Ach ja, als een mens het van zichzelf moet hebben, dan kan het niet en dan gaat het niet. Maar als de Heere het belieft erin mee te komen en als Hij geeft door het geloof op Hem te mogen zien, dan is het: De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen.

De Heere heeft kinderen gegeven aan Job. Kinderen, in zonden ontvangen en geboren. Job mocht ze bij het altaar brengen. De Heere had een altaar gegeven; Job én zijn kinderen mochten bij dat altaar komen. Verstaan we dat, ouders? Zoeken we dat?

 

En de Heere heeft genomen. O, dan gaat het naar Hem toe. Hij doet naar Zijn vrijmacht. Hij is ons geen verantwoording schuldig. Maar als we tóch de Heere ter verantwoording gaan roepen – we kunnen het eigenlijk niet, we mogen het niet, maar doen het vaak wel – dan is ons geloof al gewankeld. De Heere ter verantwoording roepen; we zijn er zo vaak mee bezig, al is het maar een beetje. Maar als we als Job mogen buigen, dan kunnen we God ‘God’ laten.

De Heere doet in Zijn vrijmacht wat Hem behaagt, omdat Christus daaronder heeft gebogen en daarnaar heeft geleefd. Daarom mag Job belijden: De Naam des Heeren zij geloofd. Die Naam, Die heilig is en goed.

 

Het is een wonder als een mens dan de Heere mag vrijspreken en toevallen. Dan krijgt hij ook de vertroosting. En de rust. Want de onderwerping geeft rust. Dan krijgt hij ook de afdrukken van de vrede. Dan is er niet alleen de hand Gods, maar ook de troost en de kracht Gods, en de liefde Gods.

 

Ja, het kan zo weer bestreden worden. Want wie zijn wij? Hoe kunnen we staande blijven? Het kan soms wel zo zijn dat we het om vijf voor twaalf mogen geloven en belijden, maar het om twaalf uur weer missen en kwijt zijn. Want wie zijn wij? Maar de Heere heeft het gegeven en het zo gewerkt in het leven van Job.

 

Gemeente, wat kan er in het leven veel voorvallen, in de kerk en in de wereld, in je huis en in het werk, in je leven en in je hart. Maar deze God in Zijn Christus, door Zijn Geest, Hij is alleen de Heere, de Genadige en de Alvermogende. Naar Hem moeten we toe. En naar Hem mogen we toe.

Want als we leven buiten God, als we onbekeerd zijn, hoe zal het dan moeten? Dan hebben we geen Schuilplaats en geen Helper. Bedenk dat toch bijtijds, eer het te laat is.

En als Hij dan spreekt, keer u dan niet af; dat doen we van nature. Maar laten we dan door genade ons verootmoedigen en mogen luisteren. Wanneer dat door Gods Geest gedaan mag worden – eerbiedig, nederig – dan mag er ook weleens geantwoord worden. Dat mocht Job doen.

Dat komt niet uit ons vlees of uit onze godsdienst voort. Dat is al verderf en dwaasheid. Van onze kant opstand en ongerechtigheid, zonde en zelfzucht. Daar kunnen we veel over zeggen en veel van voortbrengen. Twijfelingen, wankelmoedigheid, zwak geloof, zoveel worsteling, zoveel onmogelijkheid. Niet kunnen en niet hebben, niet durven en niet weten. Maar nu mogen we in het verdere van het leven van Job zien, dat de Heere dat allemaal weet en ziet. Hij weet wat van Zijn maaksel is te wachten. Hij heeft geen hoge verwachtingen van ons. Laten wij het dan ook maar niet van onszelf verwachten. De Heere weet dat van Zijn maaksel niet anders is te wachten dan gebrek en zonde, tekort en ongeloof.

Maar dat is het wonder: Christus is de Gave Gods, en dat tot verzoening, tot heiligmaking en tot heerlijkmaking. Maar ook tot wijsheid, tot het ontbinden van knopen en tot het oplossen van raadsels. Tot vertroosting, tot geest en leven.

 

Die Christus, Hij heeft onder ons gewoond, schrijft de apostel Johannes (Joh. 1:14).Hij heeft onder ons getabernakeld’, staat er eigenlijk. Hij had geen vaste woonplaats, geen huis. Hij wilde als Vreemdeling te midden van vreemdelingen op aarde verkeren. De broederen in alles gelijk geworden – in lijden, in strijd, in alles – uitgenomen de zonden. Hij is zonder zonde de weg gegaan. Hij heeft één groot werk gedaan: God verheerlijkt. Volkomen verheerlijkt.

 

O, wat is het een voorrecht als we de zoom van Zijn kleed mogen aanraken, om bevrijd te worden van al onze onreinheid en melaatsheid. Want die zit overal in en overal tussen. Die is zo breed, zo diep en zo wijd. Maar Hij reinigt en Hij zuivert.

Hij heeft God verheerlijkt. Mocht er dan één bede overblijven: ‘O, Zoon, maak ons Uw beeld gelijk.’ Opdat we het gelovig na mogen stamelen: De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 73:13

 

Wien heb ik nevens U omhoog?

Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog,

Op aarde nevens U toch lusten?

Niets is er waar ik in kan rusten.

Bezwijkt dan ooit, in bitt’re smart

Of bange nood, mijn vlees en hart,

Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed

Mijn Rots, mijn Deel, mijn eeuwig Goed.