Ds. J.W. Kersten - Lukas 22 : 35 - 38

Onderwerp

Lukas 22
Het laatste gesprek van de Heere Jezus met Zijn discipelen

Lukas 22 : 35 - 38

Lukas 22
35
En Hij zeide tot hen: Als Ik u uitzond, zonder buidel, en male, en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets.
36
Hij zeide dan tot hen: Maar nu, wie een buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook een male; en die geen heeft, die verkope zijn kleed, en kope een zwaard.
37
Want Ik zeg u, dat nog dit, hetwelk geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk: En Hij is met de misdadigen gerekend. Want ook die dingen, die van Mij geschreven zijn, hebben een einde.
38
En zij zeiden: Heere! zie hier twee zwaarden. En Hij zeide tot hen: Het is genoeg.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Gemeente, onder degenen die onder het Evangelie leven, zijn hoofdzakelijk twee soorten mensen. Het ene soort bespreekt het stuk der ellende zonder Christus. Het andere soort bespreekt Christus zonder het stuk der ellende. Het is ook wel een wonder van Gods genade als we in de nauwe weg ten leven een weinigje het goede middelpunt mogen vinden. Dat is een zaligmakend werk van de Heilige Geest. En alles wat daar buiten is, een mens kan zich voordoen alsof hij kennis heeft aan de geestelijke zaken, hij kan geweldig armoedig en geweldig ootmoedig doen, en hij kan over de ellende kan spreken, hij kan diep in de put zitten en hij kan zwaarmoedigheid nog houden voor Godsvreze, maar er is geen plaats voor Christus. Dat is natuurlijk nooit de rechte ellende. Als de Heilige Geest ons ellendig maakt, dan is dat een heilige vanzelfsheid. Daar is de Heilige Geest voor, als de Geest van Christus, om in onze ellende de mogelijkheid in een Ander te openen: U dan, die gelooft, is Hij dierbaar (1 Petr. 2:7).

 

Anderen spreken en roemen in een Christus zonder de ellende. Ik denk dan aan het jolige, het vrolijke, het opgewekte en blijmoedige gereformeerde christendom van onze dagen. Daar bedoel ik niet alleen de Gereformeerde Kerk mee. Was het alleen maar daar! Maar laten we dat in ons eigen hart maar onderzoeken.

Daar wordt gesproken over de heerlijkheid van de borgtocht van Christus, de komst van de Heere Jezus; Jezus heeft alles goed gemaakt wat wij bedorven hadden, Jezus is de Weg ten leven. Het lijden en sterven van Jezus gaat daarin op dat mensen met God bevredigd worden en zalig kunnen worden, nietwaar, en zo verlustigen ze zich in iets heerlijks, in de toekomstige zaligheid. Jezus, de Zoon van God, de Middelaar, de Borg,  heeft onze weg goed gemaakt, Hij heeft de weg gebaand naar de hemel, en wij twijfelen niet, we zitten niet in de put, we klagen niet en ongeloof kennen we niet, want Jezus is onze Zaligmaker.

Die mensen worden onderscheiden. Die kun je herkennen aan een geweldige geestelijke zorgeloosheid. En daarbij, dat spreekt vanzelf, een zekere wereldlust. Het gaat zo makkelijk, want Jezus is onze Zaligmaker, Jezus is onze Borg, Jezus heeft alles goed gemaakt, Hij heeft onze zonde weggenomen. Dan kun je ook makkelijk leven, dan neem je het ervan, want: ‘We zijn kinderen van God, wie doet ons wat? En de aarde is aan Zijn kinderen gegeven en we maken er gebruik van met alle lust die in ons is en straks verkrijgen we op de koop toe nog de eeuwige zaligheid.’ En zo zorgeloos als ze leven, in die geweldige, onbegrijpelijke zelfverzekerdheid, zo zorgeloos gaan ze straks sterven. Ze roemen in Jezus Die Sions Borg is en Die hun gegeven is van de Vader en ze leggen hun hoofd rustig op het kussen neer. Ze zijn innerlijk zeer verzekerd dat het nooit anders dan goed kan gaan.  

Terwijl de hoofdzaak waar het om gaat: het lijden en sterven van Jezus, Zijn komst in het vlees, toch niet de bedoeling had om mensen naar de hemel te brengen? Is Jezus daarom gekomen, om ons gelukkig te maken? Nee, Jezus kwam op de wereld omdat God de zonde zo haatte dat Hij die, eer Hij die ongestraft liet blijven, aan Zijn eigen lieve Zoon met de bittere en vervloekte dood des kruises heeft gestraft.

Dus waar gaat het tenslotte om? Waartoe kwam de Heere Jezus in de wereld? Zeker, het is een getrouw woord en aller aanneming waardig dat Hij op de wereld kwam om zondaren zalig te maken. Maar hoe kan dat ooit de vrucht zijn, dat zondaren zalig worden? Dat kan alleen de vrucht zijn van de genoegdoening aan de gerechtigheid Gods. En als dat niet vooropgaat, ook in de kennisneming van onze ziel, dat we met een rechtvaardig God te doen krijgen Die Zijn gerechtigheid afdrukt in ons gemoed zodat wij verloren zondaren worden, wat moeten we dan met Jezus doen?

Dat is waar het om gaat, nietwaar, dat God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. En daarom moeten wij betalen, hetzij door onszelf, hetzij door een ander. Daarom wordt een ontdekkende en afsnijdende prediking door hen ook zeer gehaat. Men vindt dat ontmoedigend. Men is o zo bang dat je dan de mensen in de wanhoop drijft, en dan spotten ze dat de mensen van de zuivere leer bij hopen in het gekkenhuis zitten. Dan zeggen ze: ‘Die leer van jullie, het is altijd maar drukken, het is altijd maar dood en verdoemenis, en altijd maar ellende en zonde en de val in Adam; waar hebben we anders Jezus voor gekregen? Die leer van jullie brengt mensen in de wanhoop en ze komen in het gekkenhuis terecht.’ Dat is de algemene opinie van de vrolijke wereld en het vrolijke christendom.

Die mensen die zoveel met Jezus op hebben, die moet je toch maar wantrouwen. Want het is gevaarlijk, zoveel met Jezus op te hebben. Daar bedoelen we niet anders mee dan alleen ons eigen behoud. En of God aan Zijn eer komt, en of die vreselijke Majesteit genoegdoening ontvangt voor onze zonde, dat komt op de tweede plaats. Daar is de mens ook niet zo druk mee. Als ik weet dat ik bekeerd ben en als ik weet dat ik, als ik ga sterven, naar de hemel ga, dan ben ik tevreden. En of God aan Zijn eer komt, daar heb ik dan verder geen bekommernis over. Dat is een mens.

 

Ook de discipelen hadden van deze zaken nog niets in hun hart. Ze hadden ook veel waardering voor Jezus. Ze hadden de Heere Jezus erg lief. Ze hadden van die zalige omgangen met Hem gehad en ze dachten dat alles in orde was. Ze leefden in een zekere geestelijke opgewondenheid en opgetogenheid, nietwaar, twee en half jaar lang, en ze dachten dat het zo wel voor elkaar kwam.

En nu gaat de Heere hun de weg wijzen waarlangs ze tot de kennis van Zijn borgtocht zullen komen. En daar wilden ze niet aan, ze begrepen er niets van en ze protesteerden er vreselijk tegen.

 

We gaan daar een ogenblik samen over spreken in deze dienst, over de weg die de Heere Zijn discipelen aanwijst, waarlangs ze enige kennis kunnen krijgen van de noodzaak van Zijn lijden en sterven. De discipelen hebben die noodzaak helemaal niet gezien, ze vonden het helemaal niet nodig dat de Heere Jezus door de vijanden werd gegrepen en dat Hij straks aan het kruis hangt. Ze hadden Hem er ook helemaal niet voor over, daar hadden ze Hem veel te lief voor.

U voelt wel, daar deugt niks van. En toen het dan zover kwam, zijn ze allemaal aan Hem geërgerd,  hebben ze allen Hem verlaten en zijn heen gevlucht. Want zulk een Jezus konden ze zich niet voorstellen. Is dat dan die Koning, is dat dan hun Zaligmaker? Is dat Die de troon van David beklimt, Die Zich straks laat slachten als een lam? Ze zagen er niet doorheen, ze hadden geen kennis van de deugden van God en van de noodzakelijkheid van de borgtochtelijke genoegdoening aan het recht des Vaders.

Daar ligt de ergernis in het hart van de discipelen, en daar ligt de ergernis in uw hart en in mijn hart. En daar ligt onze opstandigheid en onze kritiek, daar ligt onze boosaardigheid en onze onwil om zalig te worden. Daar ligt de bittere vijandschap om God God te laten en om ons doemvonnis te ondertekenen. En als daar geen kennis en inleving van is, dan hebben we Jezus zo lief niet. Dan gaan we Jezus haten. En dan gaan we ons aan Jezus stoten. En alles wat in ons is verzet zich tegen die gang om minder te worden, om te sterven, om alleen uit genade gezaligd te worden.

De Heere Jezus zegt het tegen Zijn discipelen. Ze begrepen het wel niet. Ze begrepen het helemaal verkeerd. Ach, ze hebben álles verkeerd begrepen. Als de Heere Jezus zegt: Wacht u van de zuurdesem van de farizeeën en de sadduceeën (Matth. 16:6), met andere woorden: ‘Vraag maar veel om ontdekkend licht, want jullie zijn ook nog halve farizeeërs’, dan zeggen ze: ‘O, dat is zeker omdat we geen broden hebben meegenomen?’ Zelfkennis hadden ze nog zo weinig. Ook als Hij het heeft over Zijn Koninkrijk dat komt, hebben ze totaal verkeerde gedachten.

Zo ook hier. Het is het laatste gesprek dat de Heere Jezus met Zijn discipelen voerde toen ze nog in de Paaszaal waren. Het volgende ogenblik gaat Hij uit om de beker te drinken. En dat laatste gesprek is onze tekst.

 

U kunt dat vinden in Lukas 22 vers 35 tot en met 38:

 

En Hij zeide tot hen: Als ik u uitzond, zonder buidel en male en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets.

Hij zeide dan tot hen: Maar nu, wie een buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook een male; en die geen heeft, die verkope zijn kleed en kope een zwaard.

Want Ik zeg u, dat nog dit hetwelk geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk: En Hij is met de misdadigen gerekend. Want ook die dingen die van Mij geschreven zijn, hebben een einde.

En zij zeiden: Heere, ziehier twee zwaarden. En Hij zeide tot hen: Het is genoeg.

 

Het laatste gesprek van de Heere Jezus met Zijn discipelen. 

 

Ze hadden in de Paaszaal de lofzang gezongen. En toen ging Hij Gethsémané tegemoet. Niet in een soort vaag voorgevoel dat er iets verkwikkelijks stond te gebeuren. De Heere Jezus wist van stap tot stap de weg die Hem was voorgeschreven. En Hij gaat, zingend het Groot Halleluja, dat is Psalm 113 tot en met 118, waarin zo bijzonder de gangen van Christus profetisch worden voorzegd. Hij gaat, de lofzang zingend, de strijd tegemoet. En straks wordt Hem de beker aan de lippen gezet. En dan wordt het oordeel, het vreselijke oordeel van God over de zonde, aan dit beminnelijke Lam voltrokken, opdat, God bevredigd zijnde,  wij zouden kunnen zalig worden.

Hij ging gelukkig zingend de strijd tegemoet. Gods kinderen kunnen wel eens bezet zijn met onverklaarbare angsten, van die donkere, drukkende en benauwende voorgevoelens als het ware. Weet u wat dat is? Dat is een kwaad geweten; dan is ons gemoed niet bevredigd. Dan ligt er wat tussen onze ziel en de Heere. Dan liggen er zonden en een wettische benauwdheid voor de straf. En dan denken ze dat alles zich straks samenpakt om hen te verderven en te vernietigen. Dan kan er zo’n beklemming zijn in het gemoed, en zo’n druk in de ziel; wat zou er dán weer gebeuren?

Maar zo was het bij de Heere Jezus niet. De Heere Jezus wist niet wat ongeloof was. Dat kende Hij niet. Hij was volmaakt als Mens, ook in het stuk van het geloof. Dat was niet het zaligmakende geloof, maar dan toch het geloof van een volkomen vertrouwen op Zijn Vader.

Hij ging zingend de strijd tegemoet. Er blijft voor Gods volk met al de benauwdheden toch nog soms een lofzang over. Dat heeft Hij voor Zijn Kerk verdiend. En als we het dan soms niet meer weten, en als we soms de rug buigen om de slagen te ontvangen, en als we soms vrezen dat de aarde zich zal openen en ons zal verslinden en dat dan het gericht Gods aan ons voltrokken zal worden, als er allerlei sombere levensomstandigheden zijn en als de golven van smart, druk en ellende zo op ons komen aanrollen, dan plotseling begint de Kerk te zingen. Dat heeft Hij verdiend, want Hij zong ook. Er blijft voor Gods volk toch wat over: ‘In de grootste smarten blijven onze harten in de Heere gerust.’ Dat hebben we te danken aan deze gang van de Heere Jezus Christus, Die onze overste Leidsman is en Die zingend de beker aan de lippen zette. En dan laat Hij Zijn volk ook zingen.

 

En als Hij dan zo met de discipelen op het punt staat Gethsémané in te gaan, dan begint Hij dit gesprek: Als Ik u uitzond, zonder buidel en male en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? Toen hebben ze eens even nagedacht, en ze konden niets vinden. Zolang ze bij de Heere Jezus waren en zolang ze met Hem omgegaan zijn, dag in dag uit, had het hun aan niets ontbroken. Het kwam er hartelijk uit: ‘Nee, Heere, niets! Niks geen gebrek gehad!’

Maar nu, zegt Hij, wie een buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook een male; en die geen zwaard heeft, die verkope zijn kleed en kope een zwaard. Want Ik zeg u, dat nog dit hetwelk geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk: En Hij is met de misdadigen gerekend.

 

Wat betekent dat nu, die buidel en die male en die schoenen? Dat betekent dat de Heere Jezus, toen Hij aanvankelijk Zijn discipelen om Zich heen vergaderde en ze uitzond om aanvankelijk het Evangelie te prediken als schapen te midden van de wolven, dat Hij vanwege hun zwakheid, hun argeloosheid, hun onvermogen en hun kinderlijke onbevangenheid waardoor ze geen gevaren zagen, en omdat ze nog geen zelfkennis hadden, voor hen zorgde. Ze wisten niet wat vijanden waren en wat strijd was, ze hadden geen diepgaande ontdekking aan zichzelf. Maar dat wist Hij. Hij trekt Zijn pas beginnende discipelen niet de meest grote mannenlaarzen aan, want het zijn nog maar kinderen in de genade. Dat wist Hij. En daarom zorgt Hij Zelf overal voor in dat beginnende leven.

Er was heel lang geen wolkje aan de lucht. Ze hoefden voor geen brood te zorgen. Ze hoefden geen male mee te nemen, geen schoenen aan de voeten te doen. Ze hoefden geen buidel te nemen of voor geld te zorgen om in het noodzakelijke levensonderhoud te voorzien. ‘Nee’, zegt Jezus, ‘daar zorg Ik voor. Gaan jullie nu maar.’

En ze kwamen toch zo opgetogen terug! De Heere zei: ‘Hoe ging dat?’ Ze zeiden: ‘O, dat ging kostelijk; zelfs de duivelen waren ons onderworpen!’ Ze waren in zo’n blijmoedige, opgewekte, opgeruimde, opgetogen zielsgestalte, er kon hun niets meer gebeuren. Ze leefden zo uit de volle korf zonder zorg. Ze wisten niet wat zonden waren, ze wisten niet wat strijd en vijandschap was… En al dat andere, een buidel, een male en schoenen en vooral een zwaard... welnee. Dat was allemaal overbodige ballast. Ze lieten de Heere maar zorgen. En als ze ’s morgens opstonden, nou ja, dat was dan weer een dag vol zonlicht, en blijmoedig begonnen ze de dag. En blijmoedig en opgewekt en ruim en zalig gesteld kwamen ze ’s avonds weer terug. En dan zeiden ze: ‘O Heere, Uw liefdedienst heeft ons nog nooit verdroten!’ Het was een kostelijke tijd.

 

En nu? De Heere Jezus zegt: ‘Dat blijft zo niet, dat wordt anders.’ Als je nu soms nog een male hebt of een buidel, neem hem dan en doe schoenen aan, en zelfs als je geen zwaard hebt moet je er nodig een kopen. En dat zwaard is zo noodzakelijk dat je zelfs je mantel, je overkleed, nog moet inruilen, want er komt een heel andere tijd. Er komt een tijd van strijd, van ontbering en van donkerheid, want de machten der duisternis komen op de been. Want het is volbracht wat over Mij geschreven staat: Hij zal heengaan. De Herder wordt geslagen en de schapen zullen verstrooid worden.

 

Dat wil dus zeggen dat dat eerstbeginnende, aangename, blijmoedige leven wordt verruild tegen een leven van strijd, een leven waarin de onmiddellijke bediening van de Heilige Geest plaatsmaakt voor de oefening van het geloof. Want het volk van God dat voor het eerst zijn voet mag zetten op de weg des levens, en dat in het begin uit het Evangelie wordt gevoed en verkwikt en verruimd, dat leeft uit de onmiddellijke toevloeiing van de genade van de Heilige Geest. Wat geloof is, wat geloofswerkzaamheden zijn, wat geloofsvertrouwen is, wat geloofsoefening is, wat geloofsarmoede is, dat weten ze niet.

 

Wanneer is dat, dat eerste blijmoedige, aangename leven, dat leven van de eerste liefde? Dat is er wanneer het Evangelie ontsloten wordt, want vóór die tijd is de mens zo blijmoedig niet. Dat kan niet, want dan wordt de mens in zijn schuld voor God gezet en dan komt de Heilige Geest hem inwendig overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. En bij de aanvang is die Geest een Geest der dienstbaarheid tot vreze. Dan legt de Heilige Geest hem de majesteit van de wet op zijn ziel en dan wordt hij bepaald bij zijn dagelijkse zonden, bij zijn struikelingen en bij zijn afmakingen en dan wordt zijn hele leven gesteld onder dat volmaakte licht. En dan weet hij geen raad. Dus dat kan geen blijmoedig leven zijn.

Maar wanneer het Evangelie ontsloten wordt, als hij eens een ogenblik weiden mag met een verwonderend oog in de ruimte van het zalig worden, als de Naam van Jezus, al is het maar uit de verte, hem wordt verklaard en hij mag er eens doorheen zien, dan zegt hij: ‘Ja maar, nu kan heel de wereld wel zalig worden. Zo ruim als ik het nu zie – en daar liggen enige toe-eigeningen bij – zeg ik: Heere, is dat de weg om zalig te worden?’ Nee maar, dan kan dat toch zo ruim, zo makkelijk, zo eenvoudig, als de heerlijkheid van die Middelaar in Zijn bereidwilligheid en algenoegzaamheid een weinig in de ziel wordt verklaard.

Dan kan het zijn dat hij in die omgangen met de Heere Jezus, net als de discipelen, een tijd krijgt van vrolijkheid, van verruiming, van blijdschap, van aangenaamheid. Hij heeft geen last van de zonden, zijn hart is zo teer gesteld en zijn ziel is zo verootmoedigd, hij leeft zo dichtbij, hij eet uit de korf zonder zorg, net zoals de discipelen. En als er wat moeilijkheden zijn, dan gaat hij naar de Heere toe en dan zegt hij: ‘Heere, wilt U het opruimen?’ En als er wat gebeurd is, als er wat aan de hand is, of ze zijn bang, of er zijn donkere omstandigheden of wat ook, dan gaan ze naar de Heere toe. Ze gaan dagelijks met Hem om. Ze leggen het alles zo eenvoudig kinderlijk in Zijn schoot en ze laten Hem maar zorgen.

 

Dat eerste leven is voor het gevoel van ons hart een aangenaam leven. Maar daarin worden de oefeningen des levens gemist. Dat leven blijft zo niet. En wat gebeurt er dan? Nou, dan zegt de Heere: ‘Het wordt nu tijd dat jullie eens gaan zorgen voor een buidel en voor een male en voor een zwaard, want al de vermogens die in jullie zijn, en al de onderwijzingen die Ik jullie gegeven heb, en al de ervaringen tot nu toe, die zul je moeten inzetten in die ontzaglijke strijd op leven en dood.’

Waarom moet dat nou zo? Dat moeten de discipelen nou leren. Kijk, gemeente, die discipelen wisten niet wat genade was. Dat wisten ze niet. Ze dachten dat ze Jezus vasthielden, maar het moet blijken dat de Heere Jezus hén vasthoudt. Dat begon al met ‘Simon, Simon’, u weet wel, die bekende tekst. ‘U zult Mij driemaal verloochenen’, zegt de Heere, maar Simon zei: ‘Dat is misschien mogelijk voor een ander, maar ik niet. Ik U verloochenen?’

Zo is het ook in die eerste liefdestijd. Je kunt je dan niet indenken dat een kind van God in de zonde valt. Dan zegt je: ‘Wat is dat vreselijk! Dat overkomt mij nooit, want ik haat en verfoei de zonde, en die tere vreze en zo, nietwaar, dat gebeurt mij nooit!’ Daar kun je laag op neerzien en zeggen: ‘Kan dat dan wel een kind van God zijn? Want kan dát met genade bestaan?’ We voelen ons halve engeltjes en we worden rijp voor de hemel en hebben er geen erg in dat de levenspraktijk, dat de kennis van onze verloren staat in Adam, totaal gemist wordt. Dat was bij de discipelen immers ook zo, nietwaar? Je kunt je dat leven wel indenken.

 

En zal nu een mens, zullen de discipelen enige kennis krijgen en enige geoefendheid in de noodzakelijkheid van het tussentreden van de Middelaar, dan zullen ze dat proefondervindelijk moeten meemaken. Wat namelijk? Dat kan de Heere van tevoren wel zeggen, maar ze geloven het toch niet. Waarom zegt Hij het dan? Hij zegt: ‘Simon, Simon, Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoude, maar u zult de band met Mij doorsnijden.’  Simon gelooft dat niet, hij neemt dat niet aan, hij denkt dat dit niet mogelijk is.

 

Maar wat heeft het dan voor nut als je tegen die levendig gestelde zielen zegt: ‘Als je straks in de oefenschool van de ontdekking komt, dan zul je wel wat anders meemaken. Hier blijft niks van over’? Het is misschien beter dat je het niet zo scherp zegt als ze in de dadelijke levendigheid verkeren. Laat leven wat leeft. Maar toch zijn het onderwijzingen van Gods Woord. Als je nou tegen ze zegt dat er tijden zullen komen dat je nergens meer gevoel van hebt, dat je nog in vijandschap tegen God uitbarst, dat je nog in toestanden komt van een dergelijke onbekeerlijkheid en hardheid, en dat het inwonend verderf je zo zal meesleuren dat je aan de rand van de afgrond komt, dan zeggen ze: ‘Dat geloof ik niet, want ik heb zoveel krediet voor de Heere. Het goede werk dat Hij begon, zal Hij voleindigen.’ O, dat is waar, dat is zeker waar. En dat krediet voor de Heere mag je wel hebben. En dan zeggen ze: ‘De Heere verandert toch niet?’ Nee, de Heere niet, maar u wel. Wij veranderen.

En hoe komt dat dan? Dat komt omdat we eigenlijk in die aangename eerste tijd waarin onze gevoelens, onze gestalten en onze bevinding onze middelaar zijn, het lijden en sterven en het tussentreden van de Heere Jezus Christus in Zijn borgtochtelijke voldoening helemaal niet nodig vinden.

 

U moet eens luisteren: er is zo’n verschil tussen de gemoedelijke beschouwing van de Heere Jezus in Zijn lijden en sterven, en de gelovige beschouwing. Dan denken sommigen in ons midden: Daar hoor ik ook bij. Dan moeten we onze winst er mee proberen doen. Daar liggen van die zeer beschamende en scherpe onderwijzingen in.

Wat is eigenlijk gemoedelijkheid? Gemoedelijkheid is religieus gevoel. En wat is de bron van de gemoedelijkheid? Dat is ons natuurlijke gemoedsleven. En als we nu de Christus in Zijn ganse lijden, in Zijn hele leven, in al Zijn gangen, in Zijn middelaarsglorie en vooral ook in de laatste gangen van Zijn lijden gemoedelijk beschouwen, wel, dan kunnen we soms zeer onder de indruk komen, en dan kunnen we een zekere ontroering gewaar worden in ons gemoed, als we de Heere Jezus dan voorgesteld zien als een lam ter slachting geleid, en dat Hij zo mishandeld werd voor Pilatus en voor het Sanhedrin, en dat ze Hem zo toegetakeld hebben... Het is toch vreselijk, als je Hem dan onder dat kruis ziet waggelen. Dan zeg je: ‘Die beminnelijke en liefste Heere Jezus, Die nooit wat misdaan heeft; dat is toch vreselijk?’ En dan zie je dat het bloed van Zijn gezegende gezicht afsijpelt en je ziet Zijn opengereten rug, ach, ga maar door. En dan worden ze ontroerd en zeggen ze: ‘Vreselijk, waarom moest dat nou?’ Net als die vrouwen die zo weenden toen ze met Hem meeliepen en die het vreselijk vonden wat er gebeurde. Ze vonden het heel erg.

Maar dat heeft niks met het werk van de Heilige Geest te maken, totaal niks! En we bedriegen ons daarin, want dit is eigenlijk niet anders als zelfmishagen. Zolang er enige gevoeligheid in meekomt, ligt er ook een zekere zelfgenoegzaamheid in.

 

Ik zal een heel raar voorbeeld nemen. Ik heb een vrouw gekend die een kind van een jaar of tien verloren had. En dat was al tien, twaalf jaar geleden. Weet u wat die vrouw deed? Twee of drie maal per jaar, vooral op verjaardagen, haalde ze alle kleertjes en wat speelgoed van dat kind voor de dag en ging ze daarbij zitten wenen. Dan ging ze in haar ziel al die wonden weer openrijten. En dan zeg je: ‘Dat is toch ook wonderlijk, dat kan ik niet begrijpen.’ Dat is een soort verlustiging in het gevoel van smart, nietwaar? Een mens is tot alles in staat. Dit is dwaasheid. Maar toch, onder die dwaasheid ligt er een zekere zelfbevrediging in.

En zo is het ook in de gemoedelijke beschouwingen van Sions Borg in Zijn lijden en sterven. Dan kan er een zekere ontroering onder de prediking zich van ons meester maken, en dan kunnen we in een soort van gemoedsaandoening de kerk uitgaan, en dan zeggen we: ‘Wat was het toch dierbaar en wat was het toch lief.’ En weet u wat we daarmee worden? Daar worden we vrome mensen mee. Dat is een beschouwing over de lijdensgangen van Christus waarin we de noodzákelijkheid van de voldoening aan het recht Gods totáál niet zien. Want die vrouwen vonden het zó erg dat ze Jezus zo mishandelden, dat ze Hem wel hadden willen verlossen. Ze vonden het helemaal niet nodig dat het zo ging. En wat is de vrucht van die gemoedelijke en gevoelige beschouwing van de Heere Jezus? De vrucht daarvan is vroomheid, zelfingenomenheid, het is een redeneren over Jezus.

 

Er zijn van die mensen die zitten op hun manier te genieten onder de predikatie en soms zijn ze zo aangedaan en zo ontroerd. Dat zijn die gevoelige naturen. En dan denken ze nog dat ze een zegen hebben gehad, is het niet? Dat denken ze dan nog ook. Dat is het grootste zelfbedrog dat er is.

Als uw ontroeringen daaruit voortspruiten, dan spruiten ze voort uit de bron van de natuurlijke gemoedsgesteldheden, en u bent bezig uzelf zo geweldig te bedriegen, om daar aan toe te geven. Dan komen er wat tranen mee, en uw hart wordt een beetje ontroerd en is aangeraakt, en een beetje gemoedelijkheid. En u denkt: wat is dat werk van de Geest toch dierbaar en lief. Maar er is niets van de Heilige Geest bij. Dat is de geest uit de hel die inwerkt op onze natuurlijke gesteldheid. Dat is dat grote bedrog. Want wat moet zo iemand dan met een lijdende en stervende Borg doen? Daar is totaal geen plaats voor.

 

En nu moet u eens opletten: zolang daar nog wat te genieten valt… Want die vrouwen daar op de Via Dolorosa toen ze met de Heere Jezus naar Golgotha liepen, liepen toch te genieten, al liepen ze dan te schreeuwen, maar er was toch een zekere zoetigheid in, een zeker genot in die ontroering. Zolang er dan ook nog wat te genieten valt, nou ja, dan gaat dat best. Maar o wee, als dat weggenomen wordt, dan slaat dat om in de bitterste vijandschap. Daar komen ze voor de dag. Waar het waarachtige werk des Geestes niet gewrocht is, daar komt vijandschap en ergernis tegen het kruis van Christus.

Zolang je er nog over praten kunt, zolang je er nog in meesmuilen kunt, zolang je jezelf nog behagen kunt, jezelf toch wel een goed, vroom mens vindt, nou, dan is dat wel een lieve Jezus. Maar dan richt uw aandacht zich niet op de Persoon van de Middelaar, maar op die treurige verschijnselen.

 

Maar nu wat anders: als het oog des gelóófs op deze Middelaar wordt gericht, Die Zichzelf gaat geven tot een rantsoen voor de zonden van Zijn volk, dan is het niet de gemoedelijkheid, maar het oog des geloofs dat op Hem wordt gericht. Weet u, dan zijn er ook ontroeringen, maar die zijn heel anders.

De bron van dat zien des geloofs is de waarachtige ontdekking van de Heilige Geest. Die weg gaan nu de discipelen in. En wat zie je dan straks, als ze daarin geoefend worden? Dan zie je dat hun blijdschap, hun gemak en hun opgetogenheid  weg zijn. Hun tranen van blijdschap zijn weg, hun gevoel is weg, ze kruipen in het donker en ze sluiten de deuren dicht voor de vreze der Joden, en ze weten geen raad meer. En ze kunnen elk ogenblik gevangen genomen worden. En het zal nog een eeuwig wonder wezen als daar nog wat van terechtkomt. Daar zitten ze.

 

In die ontdekkingen van de Heilige Geest drogen onze tranen juist op en daar is onze goede gestalte niet meer te vinden, maar daar vliegen de zonden ons in het aangezicht. Dan komt het recht Gods en dat eist betaling, en daar komt een vloekende wet en de beschuldigende duivel met ons geweten, en dan weten ze het niet meer. En dan zouden ze zeggen: ‘Och, wierd ik derwaarts heengeleid!’

Als u uw gemoedelijkheid en uw aangename leven van vroeger, toen je er zo lekker over praten kon, en toen je zo knus bezig kon zijn in die gestalten en die werkzaamheden en psalmversjes, een beetje begint kwijt te raken, dan moet je maar niet te hard klagen, want dan is de Heere misschien bezig om je van je bedrog te genezen. En als we dan komen in zulke gangen dat onze tranen opdrogen, dat onze gestalten er niet meer zijn en dat we God niet meer kunnen behagen, dat we soms een prooi worden: ‘Simon, Simon, de satan heeft u zeer begeerd te ziften als de tarwe…’ En het is nog gebeurd ook. Als we een prooi worden van allerlei boze machten vanbinnen en vanbuiten, dan raken we in ieder geval onze vroomheid kwijt. En dat is toch al heel wat, want die vroomheid is de grootste vijand van het borgwerk van Christus.

En daarom vrees ik dat hier zulke gemoedelijke en zoveel blijmoedige vijanden van het kruis van Christus zijn. Dat komt in de gesprekken openbaar. Dat kun je merken. Waar ben je mee bezig? Met jezelf. Goed, je vrome ‘ik’, of je aangedane ‘ik’, of je verootmoedigde ‘ik’, of die arme zondaar, dat is toch ook een ‘ik’, het is altijd maar ‘ik’…

En nu beschuldig ik ú niet, want hier valt niets te beschuldigen, want de mens ís zo. Zo waren de discipelen ook. Dat woonde ook in hen. Vandaar dat verzet van Petrus, toen hij zijn zwaard pakte.

Dat zie je hier ook. Jezus zei: ‘Jongens, koop een zwaard, want er komt een tijd dat het op leven en dood gaat, dat je alles op alles zet.’

En daar komen ze. Ze hebben al iets aangevoeld, dat het niet goed zou gaan. Ze hebben maar vast een zwaard gekocht. En misschien had een ander al een zwaard, en dan is het: ’Heere, we hebben er al twee; hebben wíj even voorzorgsmaatregelen genomen?’

En dan zegt de Heere Jezus – want dat betekent Het is genoeg: ‘Hou maar op. Als het zover is zul je het wel begrijpen.’ Want er was helemaal geen plaats voor. Ze begrepen er niets van. Het is genoeg; we praten er niet meer over. Maar straks zul je het weten wat Ik nu gezegd heb. Ze komen met een natuurlijk zwaard en ze gebruiken het ook nog. Petrus hakt er op los en dan zegt de Heere Jezus: ‘Weg dat wapen, want die het zwaard neemt zal door het zwaard vergaan.’ Ze snappen er niets van. Ze protesteerden, maar er was totaal geen aanknopingspunt.

 

En nu kun je zeggen tegen vrome mensen: ‘Er moet toch wat anders in je leven gebeuren, want zo kom je er niet.’ En als de Heere dat dan gaat doen, en Hij neemt die vrolijkheid en dat gemak en die blijdschap en die verootmoedigde gestalte en dat arme zondaarsgevoel eens weg, wat dan? Dan moet je die zielen eens laten spreken. Dan zeggen ze: ‘O, het is met mij zo verschrikkelijk. Vroeger kon ik nog wel eens ergens in komen, vroeger had ik een zekere opgewektheid, en als ik dan thuis kwam was ik blij dat ik alleen was. En toen kon ik nog zo hartelijk bidden, en dan mocht ik zo eens enige tijd mijn nood aan de Heere klagen en mocht ik mijn weemoedige ziel en mijn verlangen aan Hem bekendmaken. En o, dat was toch zo zoet en zo aangenaam, en de Heere was goed, en Hij zorgde voor me, en Hij was elke dag haast bij me.’

‘Maar nu’, zeggen ze dan, ‘er komt niks meer van terecht, ik weet niet wat er met me gebeurd is. Ik wist niet dat ik zo verdorven was en zo goddeloos was, en dan de vijandschap in mijn hart had tegen God, en dat twisten met Zijn voorzienigheid…’

‘Ik ben een groot beest’, zeggen ze dan. ‘Dus dat vroegere, het zal wel bedrog geweest zijn dat het van de Heere was. Ik kan me niet indenken dat ik me dan zó zou openbaren.’

 

Nou, dan beginnen hun tranen op te drogen. En daar zet de Heilige Geest het zwaard in je gemoedelijkheid. Want gemoedelijkheid is bedrog. Dat beschouwt de zaken totaal verkeerd. Je gemoedelijkheid heeft geen recht op de Persoon van de Middelaar, het houdt zich met de omstandigheden bezig.

Maar waar het geloofsoog geopend wordt, in de weg der ontdekking, daar wordt de noodzakelijkheid van een betalende Borg in onze zielen bekendgemaakt. Ook door de Heilige Geest. En dan krijgt die Man Die de doornenkroon draagt, en Die daar bespot en gegeseld wordt met een rietstaf in Zijn hand, Die krijgt daar een zeer bijzondere en een onuitsprekelijk wonderlijke heerlijkheid: Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. Dat wordt het oog geopend voor de betekenis van het plaatsbekledende Lam Dat de zonde der wereld droeg.

 

Maar zal nu die Jezus enige waardij in ons leven hebben, zal er enige praktikale betrekking op zijn, dan moeten we eerst onze rijkdom verliezen, dan moeten we aan onze bekering sterven, dan moeten we aan onze beschouwing sterven. We weten zoveel, we zien het zo goed, we hebben zoveel beleefd, en dít is onmiskenbaar van de Heere, en dát neem je me nooit af. En als het een beetje donker wordt gaan ze zelf naar de Heere toe en zeggen ze: ‘Heere, dat was toch van U?’ Dan gaan ze daar op pleiten. Dan zeggen ze: ‘Dat kan toch niet van de duivel zijn? Vasthouden hoor, vasthouden, aan een strohalm je vastgrijpen.’ Natuurlijk doe je dat. Je wilt niet sterven, maar je wilt leven. De psalmversjes van vroeger, wat je aan Gods volk hebt verteld, de overname die er was… ‘Vasthouden hoor! Probeer het leven erin te vinden, je leven te rekken.’

Wat is dat anders dan bittere vijandschap tegen de alléén geldende gerechtigheid van het Lam Dat geslacht is? Wat is het anders dan een gebrek aan kennis van de majesteit en de gerechtigheid Gods, de gerechtigheid die van de hemel geopenbaard is?

 

En zal er in deze lijdensweken enige vatbaarheid in onze zielen zijn voor het Woord van God dat we zo gedurig samen bespreken, och, dan moesten we wel van dag tot dag vragen: ‘Heere, maak me toch eens recht en grondig aan mezelf bekend.’

 

De Heere zei tegen Petrus: ‘Zo zal het met je gaan: je zult Mij driemaal verloochenen.’ ‘Nee,’ zegt Petrus, ‘dat kan niet. Er is niets dat daar op lijkt.’ Waarom zei de Heere Jezus dat, waarom zegt Hij dit tegen de discipelen? Waarom zegt Hij: ‘Koop een buidel, neem een male en koop een zwaard, want…’? En heeft het geholpen? Hebben ze zich aan het Woord vastgeklemd? Heeft Petrus gezegd: ‘Heere, moet ik U verloochenen? Nou, dan zal ik alle middelen te baat nemen, ik zal alles doen, ik zal bidden en zuchten, en ik zal de uiterste voorzichtigheid betrachten’? Welnee, integendeel. Hij zegt: ‘Heere, daar moet U Zich beslist in vergissen, want het is ondenkbaar dat ik…’ En hier ook de discipelen; die begrijpen er niks van.

Waarom zegt de Heere Jezus het dan, als het toch geen nut doet, als het toch niet helpt? O, er komt een tijd dat het wél nut doet. Als het gebeurd is. Maar dat is toch ook verdrietig, dat het dan eerst gebeuren moet? Je zou zeggen: ‘Heere, laat het dan niet gebeuren!’ Nee, dat moet gebeuren. Weet je waarom? Dan moet je in je zonde en je schuld voor God verloren gaan, en je moet een slaaf worden van je boze hartstochten, en je moet misschien nog een keer in de zonde vallen en je moet misschien nog een keer als een beest voor de dag komen met je ontvangen genade. Waarom moet dat dan? Omdat dat beoefend moet worden, want de beschouwing brengt je er niet. Je kunt met instemming die gangen van de Kerk lezen en begrijpen op je manier, en je kunt er over redeneren en zeggen: ‘Maar zo ligt de weg’, terwijl je het in de praktijk van het leven niet kent.

 

Petrus wou dat niet. ‘Mijn Meester verloochenen…?’ En dan zegt de Heere tegen hem: ‘Petrus, als je nou straks bekeerd bent, dan zul je je broederen kunnen versterken.’

Dat is toch ook hatelijk: ‘Als je straks bekeerd bent’? Was hij dat soms niet? En dat wist Hij goed hoor. En het gebeurt wél met Petrus. Straks staat hij zijn Meester te verloochenen, straks staat Petrus te vloeken en te zweren: ‘Ik heb geen gemeenschap aan Jezus, ik ken die Persoon niet eens.’ Dus de Heere zegt hoe het gebeuren zal, en het gebeurt zo ook. En als het dan gebeurd ís, dan wordt Petrus indachtig het woord dat zijn Heere tot hem gesproken had. En geloof maar dat hij dan voorzichtig begint te worden, want dan heeft hij dat niet voor niets gekregen. De discipelen vroegen: ‘Ben ik het, Heere?’ Daar had je het verschil. Dat wantrouwen van zichzelf, enige diepe inblikkingen in de verlorenheid in Adam, dat in ons hart alle boosheid woont, en dat we van dag tot dag en van minuut tot minuut de goddelijke bewaring en bescherming nodig hebben.

 

De Heere zegt het van tevoren. En het wordt aan degenen die God vrezen in ons midden en die het soms ook niet meer weten, en voor wie het zo anders gaat dan ze hadden gedacht, ook van tevoren gezegd, hoe het gaan zal. Hoewel, het helpt van tevoren niet. De Heere zegt: ‘Ziet, Ik heb het u gezegd, zodat u, als het u overkomt, indachtig zult zijn dat Ik het u gezegd heb.’ En geef u nou maar over, en laat de Heere door Zijn Heilige Geest u maar oefenen en ontdekken, en laat Hij u nu maar leren wat genade is, want dat weten we niet. We denken dat genade is dat ons hart nog eens verruimd wordt, dat de Heere naar ons omziet. Dan zeggen we: Wat een kostelijke genade! Maar dat is geen genade. Ja, het is wel genade, maar als we hier over genade spreken, dan is het dat het soeverein welbehagen Gods in Christus eenzijdig wordt volvoerd.

 

Als u weten wilt wat Gods barmhartigheid is in Christus, als u dat nou eens werkelijk mag leren wat dat is, wat moet daar dan aan onze zijde tegenover staan? Hardvochtigheid,  goddeloosheid en opstandigheid. Anders weet je toch nooit wat barmhartigheid is? Wil je weten dat God genadig is in Christus, alleen om Zijn voldoening? Nou, dan moet je leren wat zonde is. Dan moet je leren wat je zondige aard is, dan moet je leren hoe diep je verloren ligt in Adam. Anders weet je niet wat genade is.

Wil je weten wat de bereidwilligheid van de Zaligmaker is? Dan moet je zelf je onwilligheid leren kennen. Zo is het toch? Zullen we ooit de liefde van Christus leren, dan zullen we eerst goed moeten weten dat wij vijanden zijn van het kruis van Christus.

 

Dus daar ligt nou de oefening van de Kerk. In het minder worden, in het sterven, in het verliezen van je vroomheid, van je bezigheden en van je ootmoedige werkzaamheden, al die zoete dingen.

 

En nu haal ik ter bemoediging een woord van Comrie aan. Het is niet zo dat je dat allemaal weg moet gooien. Comrie schrijft in zijn Eigenschappen dat als die zielen in hun werkzaamheden, in hun tedere uitgangen naar de Heere, in die overdragingen, in die uitgangen uit zichzelf en dat Hem toch niet kunnen missen, in dat neerleggen van hun bezwaren, hun noden, hun zonden, maar ook hun begeerte naar Gods liefdehart, hij zegt: Op zichzelf zijn die dingen wel goed, maar ze zijn zo ellendig ongelovig als ze óver zijn! Dat is ook een uitdrukking. Hij zegt: die werkzaamheden zijn wel goed, want dat zijn vruchten uit Christus en werkingen van de Heilige Geest in hun hart, om te lokken en te trekken. Maar ze zijn zo ellendig ongelovig als het over is.

Waar komt het dus op aan? Op het geloof. Op de geloofswerkzaamheden. En daar moet het gevoel maar een keer voor op de achtergrond. De Heere Jezus wijst de weg aan hoe het gaan zal. En zo ligt die weg voor allen die de Heere vrezen, en voor allen die begeren zalig te worden, en voor allen die Jezus liefhebben.

Maar pas op: Jezus liefhebben omdat je het zo goed hebt? Jezus liefhebben als je in de benauwdheid zit, of als je in de strijd zit, of als je in zondige hebbelijkheden zit of in benauwdheden, of wat dan ook? Je vlucht naar Jezus, en het is zo in orde, is het niet? Ja, die tijd is er toch, volk van God? En dan krijg je toch zo’n betrekking op Jezus en dan zeg je: ‘U bent mijn Koning, U bent mijn Bloedbruidegom, U bent mijn Zaligmaker, U ben mijn Alles, het Allerliefste wat er is in de hemel en op de aarde.’ Ja, eigenlijk omdat het zo aangenaam is.

Maar daar is de Heere Jezus toch eigenlijk niet voor gekomen. Hij is gekomen om het recht van God te bevredigen. En zolang de kennis van dat onverbiddelijke recht van God in onze zielen gemist wordt, hebben we wel lieve omgangen, en dan spreken we van een beminnelijke Heere Jezus, maar dan is er geen kennis van de noodzakelijkheid van Zijn lijden en sterven. Dan zijn we gemoedelijke, vriendelijke, aangename christenen die zo lief bekeerd zijn en die zoveel hebben genoten en die toch zo kostelijk kunnen vertellen, maar bij wie de waarachtige armoede ontbreekt. Maar ook de kennis van Wie God in Christus is.

 

Misschien zegt u: ‘Dit is niet bepaald bemoedigend.’ Nee, maar dat was dit ook niet. Maar ik heb maar Gods Woord te verklaren.  

Misschien zegt u: ‘Nou, ik had toch graag wat anders gehoord.’ Ik had ook graag wat anders gepreekt. Maar het staat in Gods Woord. En de Heere is ook vrij in de toepassing er van. En we zijn er helemaal niet geschikt voor hoor, voor deze gang, en we liggen er helemaal niet naast met ons hart. En we zijn even hard aan het protesteren als het die kant op moet als de discipelen, en we zijn even bittere haters van het kruis van Christus als de discipelen. Straks gaan we ook ons ergeren aan Hem. ‘En allen Hem verlatende, zijn heen gevlucht.’ Nou, dit is dan toch de weg om de waardij en de betekenis van de borgtochtelijke bediening te leren.

 

De Heere lere het ons en Hij bekere ons, zoals Hij Zijn volk heeft bekeerd en ook Zijn discipelen bekeerd zijn. We moeten precies eender bekeerd worden. Hij zei tegen Petrus: ‘Als je straks bekeerd bent, versterk dan je broederen.’

De Heere mocht het toepassen. En Hij doet dat dwars door onze onwil, en door onze opstandigheid, en door onze dolle streken heen, van Petrus en van al de anderen. Thomas staat te protesteren en zegt: ‘Ik ga liever dood dan dat dát gebeuren moet. Dat wil ik niet meemaken, als ik mijn Heere kwijt ben dan wil ik ook niet meer leven.’

En de Heere neemt dat maar, en Hij is eindeloos geduldig en vriendelijk. Maar Hij brengt Zijn Kerk onwederstandelijk met Hem mee de dood in. En straks wordt het Pasen! En dan weten ze wat ze aan hun Heere hebben. En laten we dan vast het Evangelie maar uitdragen; het Evangelie van de opgestane Heere. Want de Kerk heeft een levende Jezus, Die uit de dood verrezen is.

 

De Heere bekere ons en Hij buige ons hart maar over, en Hij winne ons maar in om ons doemvonnis te ondertekenen. Want zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn.

 

Amen.