Ds. B. Labee - Zondag 22

Dubbele troost

Voor ziel en lichaam
Voor nu en straks

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 4: 4
Lezen : Filippenzen 3
Zingen : Psalm 49: 1, 4, 6
Zingen : Psalm 73: 12
Zingen : Psalm 43: 5

Gemeente, de stof van onze overdenking is Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus:

 

Vraag 57: Wat troost geeft u de opstanding des vleses?

Antwoord: Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.

 

Vraag 58: Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?

Antwoord: Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat om God daarin eeuwiglijk te prijzen.

 

Zondag 22 bepaalt ons bij: Dubbele troost.

 

1. Voor ziel en lichaam (vraag en antwoord 57)

2. Voor nu en straks (vraag en antwoord 58)

 

1. Voor ziel en lichaam

 

Gemeente, met Zondag 21 hebben we de twee weldaden en twee zegeningen overdacht die Gods kinderen in dit leven ontvangen. De eerste weldaad was de gemeenschap der heiligen. Want Gods kinderen vormen een gemeenschap. Het zijn geen losse individuen. Als het goed is, zijn zij een levend organisme, een geheel. De tweede weldaad was de vergeving der zonden.

Nu gaat het opnieuw over twee weldaden. De weldaden na dit leven, die de Borg verwierf voor al Zijn kinderen en die Gods kinderen straks na dit leven ontvangen zullen. Dat is de wederopstanding van het vlees en een eeuwig leven, het elfde en twaalfde geloofsartikel. Jongens en meisjes, dat horen jullie toch aan het eind van de Twaalf Artikelen? Het wordt elke zondag gelezen: ‘Wederopstanding des vleses en een eeuwig leven.’

 

Nu overdenken wij Zondag 22. Een Zondag met twee vragen en antwoorden. Eigenlijk gaat het over twee dingen in de toekomst. Deze toekomst is zo onbevattelijk rijk! Wanneer wij daar met een oog van het geloof op mogen zien, dan is deze zo rijk, dat de troost ervan nu al begint. Er staat namelijk in vraag 57: ‘Wat troost…’ en in vraag 58 ook: ‘Wat troost…’ Daarom hebben wij als thema onder deze preek geschreven: Dubbele troost.

‘Maar (blij vooruitzicht dat mij streelt) ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen. Verzadigd, vol, vol van geluk, verzadigd met Uw Goddelijk beeld.’ Mag u dit nazeggen? Hoe groot is het goed dat de Heere heeft weggelegd voor degenen die Hem vrezen!

Gemeente, u voelt, dan moet je bij Gods kinderen horen. Anders mis je deze dubbele troost en ben je troosteloos. Je moet weten van de eerste opstanding uit het zondegraf. Anders zal de wederopstanding ontzettend zijn. Dat u heden, als u onbekeerd bent, deze opgestane Levensvorst, Jezus Christus, zou benodigen! Opdat u niet zonder troost over deze aarde zou zwerven.

 

Vraag 57: ‘Wat troost geeft u de opstanding des vleses?’ Waarom staat het er zo ouderwets? Kun je dit niet beter een beetje hertalen: Wat troost geeft u de opstanding van het lichaam? Daar wordt natuurlijk hetzelfde mee bedoeld, en toch is ‘des vleses, van het vlees’ niet direct ouderwets. Ik laat de dwalingen hieromtrent maar rusten. Wij hebben genoeg te overdenken over wat het wél is.

Het gaat hier in Zondag 22, vraag en antwoord 57, over een kind van God. Deze wordt weleens een twee-mens genoemd. Als je de Romeinenbrief wat kent, dan begrijp je het. De apostel zegt in Romeinen 7 vers 14: Ik ben vleselijk. Daar bedoelt hij mee: zondig, verkocht onder de zonde. Tegelijk mag hij zeggen: En hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, Die mij liefgehad heeft (Gal. 2:20). Daar spreekt hij over zijn geestelijk leven. Een kind van God kent zijn vlees en zijn vernieuwd geestelijk leven.

Het vlees wijst op verdorvenheid, vergankelijkheid en op de dood. Dit trekt altijd als een baksteen naar beneden. Want Gods kinderen zijn ook nog aards. Zij hebben nog vleselijke, aardsgezinde gedachten, lusten, verlangens en boze werken. Dat is hun aardse bestaan, hun vlees.

Als je bekeerd wordt, dan krijg je ook die vernieuwde geest. ‘Herschep in mij een nieuwe geest!’ Dat is het nieuwe deel, dat uit God geboren is. Deze Geest trekt naar boven, ziet naar de hemel en verlangt naar Jezus, maar ook om zonder zonde voor God te leven.

 

Onze vaderen waren niet alleen gericht op het lichaam, maar waren ook niet overgeestelijk.

Gemeente, het lichaam wordt over- en ondergewaardeerd. Wanneer je de reclames ziet, bijvoorbeeld op grote billboards langs de weg, dan wordt het lichaam daar vrijwel altijd sterk overgewaardeerd. Zou je dan niet denken dat het alleen maar om het uiterlijk gaat? Bent u ook zo op het uiterlijk gericht? Je moet er goed uitzien. Jongere, je mag best wel voor de spiegel staan. Je mag er verzorgd, eerbaar uitzien. Daarbij is sober zijn de lijn vanuit de Schrift.

Je mag het lichaam ook niet onderwaarderen. Slordig en slecht gekleed zijn, is niet naar de Schrift. Zo spreekt de Bijbel niet over het lichaam. Als je nu de Heere mag vrezen, dan begrijp je dit zeker. Want de Borg, Jezus Christus, kocht Zijn kinderen naar ziel (en geen punt zetten) én lichaam.

Nu zou ik de vraag willen stellen, en daar moet je maar eens over denken: Hoeveel tijd besteed jij, hoeveel tijd besteedt u per dag aan uw lichaam? En hoeveel tijd besteed je aan je ziel? Hoeveel tijd sta je voor de spiegel? Heel eenvoudig: hoe lang lees je in de Bijbel? Hoe lang bid je per dag? Hoeveel tijd ben je bezig om je kleren aan te passen, en hoeveel tijd besteed je met aan de Heere te vragen: ‘Heere, schenkt U mij de klederen des heils?’ Mooie uitdrukking is dit. Is dat met elkaar in evenwicht: ziel en lichaam?

Gods kinderen hebben een dubbele troost en deze geldt ziel en lichaam. Beiden zijn in harmonieus evenwicht.

 

‘Wat troost geeft u de opstanding des vleses?’

Weet u wat Gods kinderen zeggen? Wat troost geeft u de opstanding des vleses, de opstanding van het lichaam? Dat een kind van God straks opstaat uit het graf en hij een verheerlijkt lichaam zal krijgen?

Het staat er zo: ‘Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden.’ Dat is opmerkelijk. Er wordt gevraagd naar het vlees en nu gaan onze vaderen toch eerst spreken over de ziel. Wat gebeurt er als Gods kind sterft? De ziel van Gods kind zal opgenomen worden.

De dood is iets vreselijks. Ook als je de Heere vreest, ben je bang voor de dood. Niet altijd, maar de dood wordt in de Bijbel ‘de koning der verschrikking’ genoemd. De dood wordt ook genoemd: de grafkuil waarin de Kerk zeker zal wonen. De dood is de laatste vijand die tenietgedaan moet worden. Denk maar nooit lichtvaardig over de dood.

Maar nu heel teer: weet u wat er staat, wanneer Gods kind sterft? Dan zijn er handen van omhoog, die de ziel van Gods kind nemen en brengen in het Vaderhuis. Jezus heeft gezegd: En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben (Joh. 14:3).

Wanneer nabestaanden staan te wenen bij een ontzield lichaam waar de laatste adem is uitgegaan, als zij al weer druk bezig zijn met regelen van de begrafenis, dan is de ziel van Gods kind ingegaan in de eeuwige vreugde. Het is het ten volle waar: ‘Dan ga ik op (naar de ziel) tot Gods altaren; tot God, mijn God, de bron van vreugd.’

 

Van stonden aan… Is dit ook uw toekomst? Kunt u het nazeggen? Het is een persoonlijke zaak. ‘Wat troost ú?’ En het antwoord: ‘Dat niet alleen mijn ziel na dit leven (als ik de laatste adem uitblaas) zal opgenomen worden in eeuwige heerlijkheid…’

Waar komt deze troost vandaan? Is het een kwestie van gevoel? Nee, gemeente, het is een gelóófsartikel. Wij hebben het hier over het elfde geloofsartikel en dit is verbonden met Zondag 7. Dat is verbonden met het ware geloof. Deze Twaalf Artikelen zijn een samenvatting van alles wat een christen nodig is te geloven.

Nu mag een kind van God door het geloof zien op Jezus, Die hun Hoofd en Koning is. Dan mag een kind van God zeggen, door het geloof: ‘Dat is mijn troost. Als ik straks sterf, dan zal mijn ziel opgenomen worden.’ Het klinkt zo heel teer. Als met handen opgenomen worden en gebracht worden tot Christus, haar Hoofd.

Deze troost is mijn troost alleen(laat dat helder zijn) als dat Hoofd, Christus, mijn Hoofd is geworden, in de weg van Zondag 2 tot en met 6. Als het waar geworden is wat wij horen in Zondag 7: Hem (dat is Jezus) door een waar geloof ingelijfd. Zonder Hoofd ben ik dood, ben ik troosteloos, zonder toekomst en zonder hoop.

Als ik dit leven van Jezus deelachtig ben, als ik ingelijfd ben in Christus, een lidmaat ben, verenigd met dat Hoofd, dan deel ik in dit leven van het Hoofd, Jezus Christus. Dat is hetzelfde leven wat in de handen en voeten zit.

 

Er staat: ‘van stonden aan’. Terstond, onmiddellijk.

Van de rijke man, in de bekende gelijkenis, jongens en meisjes, staat dat hij begraven werd. Je ziet het voor je: een grote begrafenisstoet met veel vertoon. De mensen staan zijn lof uit te bazuinen. Zelfs bij het graf. Terwijl zijn ziel al in de hel was, in de pijn.

Van die tobber, Lazarus, lezen wij niet eens van een begrafenis. Wel van wat anders. In de eerste verwijstekst onder dit antwoord staat: En het geschiedde dat de bedelaar stierf en van de engelen gedragen werd in de schoot van Abraham (Luk. 16:21).

Gemeente, wij zeggen vaak: ‘Die of die was een kind van God en is naar de hemel.’ Maar de catechismus zegt het mooier, rijker. Deze zegt: ‘Van stonden aan (onmiddellijk) tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden.’

Want het grootste geluk is niet dat je, als je de Heere vrezen mag, naar de hemel gaat. Wat zou de hemel zijn zonder Jezus? Maar dat nu een bekeerde, een gelovige, een kind van God, naar Jezus gaat; naar de Bruidegom. De bruidskerk gaat verlangen naar de huwelijksdag, de bruiloftsdag. Weet u wanneer dat is? Wanneer de hemelse Bruidegom Zijn bruid tot Zich neemt. Jong, in de kracht van het leven, of oud, uitgeput, versleten, uitgeleefd. Het ogenblik is door de Heere bepaald. Maar de bruidskerk gaat naar Jezus, haar Heere. Dan zullen wij altijd bij de Heere wezen. Er is een heimwee naar de levende God. De ziel gaat terstond na het sterven tot Christus, haar Hoofd.

 

Er staat nog iets: ‘Dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.’

Zult u nooit spreken over ‘het stoffelijk omhulsel’ of (en dat klinkt mij nog erger in de oren, ergerlijk zelfs) ‘het stoffelijk overschot’? Dat zijn termen die door mensen bedacht zijn, maar deze mensen dachten dat het lichaam er niet zoveel toe deed. Het lichaam moet sterven en gaat toch de aarde in, onder het stof. Maar het is niet waar. De Heidelberger en ook de Schrift spreken altijd over het lichaam of over het vlees. U mag het niet onderwaarderen. Want een kind van God is gekocht en betaald naar de ziel, maar ook naar het lichaam.

Daarom staat er: ‘Dat ook dit mijn vlees.’ Dit vlees, gezond of aftakelend, neigend naar het graf, aangetast door de kanker of gehandicapt, noemt u maar op.

 

Dat lichaam wordt gezaaid in oneer. Begraven is niet ‘de laatste eer bewijzen’. Nee, ook een kind van God wordt tot zijn oneer in het stof der aarde gelegd. Daar zijn wij niet voor geschapen. Wij zijn geschapen om boven het stof van de aarde te wandelen. Maar door onze zonden moeten wij er onder, de grond in. Dit vreselijke graf wacht u en mij, en dat is oneer. Tenzij de wederkomst van de Koning eerder daar is.

Dan is er toch het wonder: het lichaam moet het graf in, maar het zal straks door de kracht van Christus worden opgewekt. Met mijn verstand kan ik dit niet bij elkaar krijgen. Het is maar goed dat het gelóófsartikelen zijn, ook dit elfde geloofsartikel. Want als ik het uit zou moeten leggen, jongeren, als ik het wetenschappelijk, natuurkundig of scheikundig moest verklaren, dan konden wij beter naar huis gaan. Maar het is een gelóófsartikel. Door de kracht van Christus zal nu het wonder gebeuren; zullen doden uit de zee komen, zal het stof samengevoegd worden, zal mijn vlees uit het graf komen, zullen de vermisten ineens weer terecht zijn, zullen de verbranden tot as, verrijzen.

 

Newton, een 17e-eeuwse geleerde, had eens een gesprek met een atheïst. Die waren er toen ook al. Die atheïst zei: ‘Hoe kom je toch bij dat geloofsartikel: de wederopstanding des vleses? Hoe is mogelijk dat het graf opengaat, dat de zee haar doden zullen geven?’ Toen antwoordde Newton: ‘Haal eens een bak met zand en roer daar ijzerdeeltjes doorheen.’ Daarna gaf hij de opdracht: ‘Haal die ijzerdeeltjes er nu weer uit.’ ‘Nee, dat is onmogelijk.’ ‘Geef mij eens een magneet.’ Jongens en meisjes, dan weet je het wel. Als je met een magneet door het zand roert, dan kleven de ijzerdeeltjes daaraan. ‘Wel’, zei Newton, ‘hoe het gebeurt weet ik niet, maar zo zal het gebeuren: door de kracht van Christus zullen al de lichamen opstaan uit het graf.’

 

Dan zullen er drie dingen gebeuren.

Opgewekt zijnde; dat is het eerste.

Wederom, opnieuw, met mijn ziel verenigd; dat is het tweede.

En aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig; dat is het derde,

Dit lichaam, gezaaid op de dodenakker, zal worden opgewekt. En het wordt opnieuw met mijn ziel verenigd. Geen ander lichaam; geen hemellichaam. Dit lichaam, zonder enig gebrek, zal gelijkvormig worden aan Christus’ heerlijk lichaam.

 

Gemeente, nog een keer: je moet wel behoren bij Christus. Anders predik ik u een opstanding tot verdoemenis. Onbekeerde medereiziger, dat is een opstanding tot versmaadheid. De Bijbel zegt: tot eeuwig afgrijzen, met vreze en beving. Je zult ook je lichaam terugkrijgen. Datzelfde lichaam waarmee je de zonde bedreven hebt, dat afkerig was van de Heere en van Zijn Woord.  Dat mooie lichaam, waar je misschien zo trots op was en waar je al je levenstijd aan besteed hebt, krijg je terug. Het zal zijn tot eeuwig afgrijzen.

Het zal wat zijn, als je geen geredde ziel hebt! Dan zal het met vreze zijn, als je uit het graf komt. Je zult met dat lichaam, wat je zult herkennen, en met je eigen ziel, verenigd worden. Dan zal je voor eeuwig verwezen worden naar de poel die brandt van vuur en sulfer.  Gemeente, gebruik de genadetijd. Zoek de Heere!

 

Voor Gods kinderen geldt precies het tegenoverstelde. Mijn ziel, waar de Heere in wilde wonen en werken met Zijn lieve Geest, die gered is door het wonder van genade, van dood levend gemaakt, komt weer samen met mijn lichaam en zal gelijkvormig worden aan het heerlijke lichaam dat Christus kreeg op de paasmorgen. 

Daarom heb ik u Filippenzen 3 laten lezen. Die ons vernederd lichaam… Hebt u meegelezen? Dat lichaam is namelijk in het graf gelegd, gevallen, behept met zorgen en ziekten, handicaps of beperkingen. Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam (Fil. 3:21). Johannes schrijft in 1 Johannes 3: Maar wij weten dat als Hij (Jezus) zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is (1 Joh. 3:2).

Gods kinderen mogen op aarde het beeld van de Koning gaan vertonen. Er gebeurt straks niet iets heel wezensvreemds. Want Gods kinderen mogen hier al gaan lijken op de Heere Jezus.

Zij krijgen iets van Zijn handen. Dit kunnen de jongens en meisjes ook begrijpen. Waar waren de handen van de Heere Jezus altijd op gericht? Deze waren erop gericht om te zegenen, goed te doen en te helen.

Zij krijgen de ogen van de Heere Jezus. Had ik er maar meer van! Had u er maar meer van!  Deze ogen waren bewogen met een wereld die wegzinkt in de eeuwige verlorenheid. Deze ogen waren met innerlijke ontferming bewogen over hen die ten dode wankelden.

Hebt u, Sion in ons midden, iets van de mond van Jezus? Ook deze wordt in beginsel weer zoals de mond van Hem. Altijd gericht op de Vader. Altijd gericht op de hemel. Altijd gericht op de dingen die goed en nuttig waren.

Zijn voeten hebben zich gehaast naar het verlorene en het verachte. Deze waren altijd op de aarde om goed te doen.

Gods kinderen krijgen er heel beperkt iets van. Ik weet het wel, in beginsel was het vorige helemaal waar, maar er ontbreekt zoveel. Is dit u weleens tot smart geworden? Sion, al het tekort wordt straks opgeheven! Dat is de troost van dit geloofsartikel.

Straks zal mijn vernederd lichaam, wat zo weinig leek op Jezus, gelijkvormig aan Hem worden. Terwijl ik er zo weinig van terecht bracht. Niet om daarin te rusten, want als het goed is geeft het een heilige ijver in het stuk van de heiligmaking. Straks krijg ik een lichaam zonder ongeloof, ziekte en moeite. Dat lichaam is geschikt om eeuwig God groot te maken.

 

Dan begrijp je waarom een onbekeerde niets in de hemel te zoeken heeft. Wat moet je daar doen, als je hier op aarde niet eens leefde in de inzettingen van de dienst van de Heere?

Wat moet je daar doen, wanneer je lichaam zo belangrijk was en niet eens eerbaar gekleed? Als het hier en nu, het materialisme, waar wij allemaal mee behept zijn, de hoogste plaats in je leven had?

Hier moet een beginsel zijn van de nieuwe gehoorzaamheid en het nieuwe leven. Dan is er ook die zoete troost. En dat is een geheim. Draagt u ook dit geheim in het diepst van uw ziel? Straks, als ik sterf, dan zijn er handen van omhoog, die mijn ziel onmiddellijk zullen opnemen in eeuwige heerlijkheid. De laatste adem, de laatste zucht, en God zal alle tranen van mijn ogen afwissen. Straks komt ook nog de morgen der opstanding. Er komt soms een heimwee hiernaar in de ziel: ‘Heere, dan zal ik een lichaam hebben dat U altijd mag dienen, vrezen en lief mag hebben. Storeloos en eindeloos. Wat gericht is op God drie-enig en gelijkvormig aan Jezus’ heerlijk lichaam.’

De Kerk mag weleens zingen, en dat gaan wij eerst doen, Psalm 73, het twaalfde vers:

 

‘k Zal dan gedurig bij U zijn,

In al mijn noden, angst en pijn;

U al mijn liefde waardig schatten,

Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.

Gij zult mij leiden door Uw raad,

O God, mijn heil, mijn Toeverlaat,

En mij, hiertoe door U bereid,

Opnemen in Uw heerlijkheid.

 

Dubbele troost, voor ziel en lichaam, en onze tweede gedachte:

 

2. Voor nu en straks

 

Want er staat nog iets: ‘Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?’ Het artikel van het eeuwige leven zijn maar een paar woorden. Het twaalfde geloofsartikel: ‘En een eeuwig leven.’

Mogen wij, voordat wij het antwoord bezien, eerst op twee dingen wijzen in deze vraag.

 

Ten eerste: troost. Troost veronderstelt tranen. Dit tijdelijke aardse leven is een tranendal. Het is een gestadige dood. Gods kinderen ervaren het zo. Zoals Psalm 84 dit noemt in vers 7: een baka-dal.

Ik bedoel niet alleen de tranen over zorgen, ziekte, verlies en gemis. Er is meer. Het zijn ook die hartelijke tranen omdat ik God vertoornd hebt. Omdat ik na ontvangen genade niet leef zoals de Heere dat zo eeuwig waard is. Tranen van berouw.

Gemeente, wanneer je nu nooit tranen hebt over je zonden, dan kun je ook niet vertroost worden.

 

Ten tweede wijst het ook op overvloed. Niet op een schrale, maar op een rijke en volle troost. Jongens en meisjes, als er een handjevol zand op straat ligt, daar kun je er niet in scheppen. Zullen wij ‘Wat troost schept gij’ eens heel letterlijk nemen? Er is een vrachtauto geweest in jullie straat en die heeft een hele bak vol met zand gekiept. Dan kun jij je emmer en schep wel halen en kun je er heerlijk in spelen.

Gemeente, nu gaat het hier dus niet om een schrale troost. Bij de Heere is een volheid. Zult u niet klein van de Heere denken? De Heere wil Zijn kinderen niet troosten met een beetje, maar met oneindig veel. ‘Wat troost schept gij?’ Het is alleen de vraag of u een leeg emmertje heeft. Een hart dat hunkert naar troost. Wanneer dit niet zo is, Sion, dan moet je maar vragen of de Heere je ontledigt. Vroeger zei men dan: of de Heere je wil laten zien wat je mist. Of de Heere je steeds weer een leeg mensenkind maakt. Want de Heere doet dit niet één keer, maar elke keer weer. Maar Ik zal in het midden van u doen overhouden een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen (Zef. 3:12). Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden (Math. 5:4).

 

Dan klinkt er opnieuw een dubbele troost. Voor nu en straks.

Dat, zo begint antwoord 58, nademaal (aangezien) ik dat beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel… Het eeuwige leven is niet iets van straks. Dat ook, maar ook iets van nu. Het begint aan deze zijde van het graf. Als de Heere een zondaar van dood levend maakt (dat doe je niet zelf, maar de Heere), richt het geloof zich op Christus. Er komt er iets van deze troost en vreugde in het hart: Opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:16). Tegenwoordige tijd! En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt (Joh. 17:3). Eerst spreekt de Borg over Godskennis en daarna over Jezuskennis. Beide moet je hebben. Gemeente, buiten Jezus is geen leven!

 

Kent u die droefheid vanwege de zonde? Dat is de droefheid van Zondag 33. Wij hebben God vertoornd. Maar dan komt er ook die hartelijke vreugde in God, door Jezus Christus. Onze vaderen noemen dit: het beginsel. Het is niet alleen het begin, jongere, dat je dróefheid kent, maar ook vréugde. Droefheid over je verloren bestaan en vreugde in God door Christus.  Mag ik het zo zeggen: het is de rode draad die door het leven van Gods Kerk loopt. Gods kinderen zijn weleens bedroefd of moedeloos. Ze zitten soms achter gesloten deuren, zoals de discipelen. Maar als je echt een kind van God bent, heb je ook tijden van grote vreugde. Wij zongen ervan met Psalm 4:

 

Gij hebt m’ in ’t hart meer vreugd gegeven,

Dan and’ren smaken, in een tijd

Als zij, door aards geluk verheven (noem maar op: geld, genot, enzovoorts)

Bij koorn en most wellustig leven.

 

Het gaat hier om het beginsel van de hemelse vreugde, en dit is een bestendige vreugde. Dat is totaal anders dan lol op de zaterdagavond, jongere, gevolgd door een kater op zondagmorgen. Nee, het is besténdige blijdschap, die ik in mijn hart gevoel.

Zonder gevoel is er geen geloof. Dat geloof ik vast. Daar hoef je geen gevoelsmens voor te zijn of heel emotioneel.  Als de Heere geloof geeft, dan wordt er ook iets ervaren, doorleefd, in het binnenste van je ziel. Ken je die ogenblikken, Sion in ons midden, kinderen des Heeren, jonger of ouder, dat je hart er vol van is?

Wanneer is nu het hart van een kind des Heeren vol? Wanneer ik mijn bekering kan vertellen? Nee, want daar kan ik wel duizendmaal aan twijfelen. Als ik geloof dat ik in de hemel kom? U hebt toch begrepen dat dit het belangrijkste niet is. Mijn hart is vol, als ik met een oog, een geloofsoog welteverstaan, mag zien op Jezus!

Gemeente, als ik dat heb, dan ken ik het beginsel van deze eeuwige vreugde in mijn hart. Dan begrijpt u wat een bestendige vreugde is. Als ik zie op Jezus, Die mijn dood gedood heeft, het leven van mijn leven is, de Voleinder van mijn geloof, en mijn leven leidt tot aan de laatste, de jongste dag, dan ben ik verblijd. Verheugd in God, verheugd in Jezus, naar waarde nooit te danken. Dat is nu het beginsel.

 

Maar het was dubbele troost; voor nu én straks. Want er staat iets achter: ‘En na dit leven…’ Zo staat het er net niet. Er staat heel persoonlijk: ik. Je kunt dit niet voor een ander beleven, want het is persoonlijk. ‘Ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal…’

Na dit aardse leven, waarin ik mezelf altijd weer teleurstel en mezelf tegenval, waar die ogenblikken van zielsvervoering maar zo kort zijn, waar het zo vaak nacht is naar de beleving van de ziel, wacht de volkomen zaligheid.  Daar is de bruiloftszaal met de Bruidegom, Jezus.

Hier mogen Gods kinderen de eerstelingen des Geestes kennen. Op de aarde is Sion in het strijdperk van zonde en moeite. Zij zijn als een gesloten bloemknop, die straks zal open bloeien in al haar schoonheid.  

 

Jongere en oudere, heb je geen zin om mee te reizen? ‘Kom, ga met ons, en doe als wij!’ Gods kinderen mogen met een dubbele troost leven. Zij reizen naar een goed land, vloeiend van melk en honing. Wat versmaad je toch, als je dit verwerpt!

De Heilige Schrift geeft ons een omschrijving van de toekomstige heerlijkheid en zaligheid. Zij spreekt over de plaats waar Gods kinderen nooit meer zullen hongeren en dorsten. Waar geen zuchting zal zijn of geween. Waar geen lijden zal zijn. Er zal altijd licht, vrede, blijdschap en genieting zijn. De straten zijn van goud en de poorten van parelmoer. Daar zal de ronde tafel zijn, waar de bruiloft des Lams eeuwig gevierd zal worden. Maar uiteindelijk is het hemelleven door ons niet onder woorden te brengen.

 

Gods kinderen hebben aan deze zijde van het graf over de rand van de rampzaligheid gekeken. U ook? Toen hebben zij geloofd dat als de Heere hen niet verloste, zij daar voor eeuwig in zouden verzinken. Het oordeel was rechtvaardig.  Het is niet te zeggen wat de hel, de buitenste duisternis, zal zijn.

Zij mogen hier ook zien over de rand van de gelukzaligheid. Ik citeer maar de woorden uit 1 Korinthe 2 vers 9, want de zaligheid is onbevattelijk groot: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien die Hem liefhebben.

Dan nog één keer met grote ernst: er is ook een keerzijde. Naast het eeuwige leven is er de eeuwige pijn. Wat is dat klemmend. Het woord ‘eeuwig’ heeft geen achterdeur. Hoort u het? Als je in de eeuwige heerlijkheid of in het eeuwige verderf zult zijn, dan is dat definitief. Waar draait jouw leven om? Uw leven? Waar reist u heen, gemeente? Wat zoek je hier toch? Waar ben je de meeste tijd van je leven mee bezig?

Zoals het eeuwige leven hier begint, zo geldt dat ook voor een onbekeerde zondaar. Deze ervaart hier soms iets van de hel. Er zijn goddelozen op hun sterfbed geweest, die iets van de verschrikking en smart hiervan hebben ervaren. Dat is huiveringwekkend.

Het is nog genadetijd! Zoek dat goed dat nimmermeer vergaat. Zoek dat jong, jongens en meisjes, jongere, want je weet niet of je oud wordt. Zoek jong de Heere. Smeek om dat geheim te mogen kennen van het goed dat nimmermeer vergaat.

 

Er staat nog één ding van deze troost in geloofsartikel 12, voor straks, Kerk des Heeren: ‘Om God daarin eeuwiglijk te prijzen.’ Weet u, dat is zo treffend. Eens waren wij voor de zondeval geschapen om God groot te maken. Nu geeft God om het eeuwig welbehagen, door de val en de dood heen, dat Zijn kinderen straks Hem gaan grootmaken.

Prijzen, staat er. Kinderen, als je thuiskomt met je rapport, en je vader en moeder – als je ze allebei nog mag hebben – zien dat je gedrag goed is, dan prijst een vader of moeder je. Want dat is het belangrijkste: je inzet en werkhouding. Je vader of moeder zegt dan: ‘Joh, dat heb je goed gedaan, met de talenten die de Heere jou gaf.’

Gemeente, zo zal er straks een volk zijn, dat het Vaderhuis ingaat en dat de Heere gaat prijzen. Weet u wat zij dan gaan zeggen? ‘Heere, ik kon het op aarde vaak niet bekijken. Ik dacht dat het helemaal verkeerd ging in de wereld, de kerk, de gemeente, het gezin (als de Heere dat gaf) of in mijn eigen leven. Maar nu mag ik het verstaan. Nu ik terugkijk, Heere, blijft er maar één ding over. Mag ik U prijzen? Mag ik dan eindigen in het wonder? Heere, wat hebt U het goed gedaan! U zij de glorie!’

 

Er staat nog één woordje: eeuwiglijk. Het wordt nooit meer anders. Gods kinderen mogen het hier soms met de Heere eens zijn. Zij zeggen dan: ‘Heere, het gaat nooit verkeerd, want mijn leven ligt in Uw Vaderhand. Ik ben gekocht en betaald met de prijs van Jezus’ dierbaar bloed. Ik word bearbeid door Uw lieve Geest. Drie-enig God, wat bent U goed!’ Mag u dit ook zeggen?  

 

Straks mogen zij God eeuwiglijk prijzen. Hier hebben zij het niet altijd en gaan ze soms mopperend over de aarde en begrijpen ze het niet goed. Gods kinderen zijn het niet altijd met de Heere eens. Straks zullen zij Hem eeuwiglijk prijzen. Het wordt nooit meer anders. Verenigd met Jezus, verlost van een lichaam der zonde en des doods, en eeuwig leven!

 

De dichter zingt (zingt u het weleens mee?):

 

God des levens, ach wanneer (er komt heimwee in je hart!)

zal ik naad’ren voor Uw ogen,

in Uw huis Uw Naam verhogen?

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 43:5

 

Mijn ziel, hoe treurt ge dus verslagen?

Wat zijt g’ onrustig in uw lot?

Berust in ’s Heeren welbehagen;

Hij doet welhaast uw heilzon dagen.

Uw hoop herleev’, naar Zijn gebod;

Mijn Redder is mijn God.