Ds. A.T. Vergunst - Mattheüs 27 : 45 - 46

Het vierde kruiswoord

Waarschuwende woorden
Een beminnelijke stilte
Opmerkelijke woorden

MattheĆ¼s 27 : 45 - 46

Mattheüs 27
45
En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.
46
En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 22: 1, 3
Lezen : Psalm 22: 1-4
Lezen : Mattheüs 27: 33-56
Zingen : Psalm 27: 5, 6, 7
Zingen : Psalm 88: 4
Zingen : Psalm 32: 3, 5
Zingen : Psalm 22: 12, 13

Gemeente, laten we in deze dienst eens eerbiedig naderen tot de brandende braambos van het Nieuwe Testament. Dat is het kruis van Jezus op Golgotha. Een heilige plaats, een plaats waar God Zichzelf openbaart op een nog veel indrukwekkender manier dan bij de brandende braambos die Mozes zag in de woestijn. In het kruis van Zijn geliefde en enige Zoon laat God de Vader ons het diepst in Zijn goddelijke liefde zien. En ik hoop dat we in deze dienst een poosje samen mogen overdenken wat nu het hart en de bedoeling is van de boodschap die tot ons komt vanuit het Bijbelverhaal dat we lazen over de dood van de Heere Jezus.

Jongens en meisjes, je zou kunnen zeggen dat we bij het sterfbed van de Heere Jezus staan waar Hij Zijn laatste woorden sprak. En de laatste woorden van een stervende zijn vaak belangrijk. Zeker de laatste woorden van Jezus. Hij heeft toen zeven dingen gezegd, die we  de kruiswoorden noemen. Alle zeven kruiswoorden van Jezus zijn rijke mijnen van waarheid, maar ik wil in het bijzonder letten op het vierde kruiswoord; de middelste van allen. We vinden deze in onze tekst, Mattheüs 27, ik lees vers 45 en 46:

 

En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe. En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem, zeggende: Eli, Eli, Lama Sabachthani? Dat is: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?

 

Uit deze woorden wil ik drie gedachten naar voren brengen:

1. Waarschuwende woorden

2. Een beminnelijke stilte

3. Opmerkelijke woorden

 

1. Waarschuwende woorden

 

De drie uren van duisternis zeggen ons iets over het oordeel van God over de zonde en de zondaren. Deze drie uren van duisternis waarin de Zoon des mensen hangt aan het kruis vormen een heel indringende boodschap.

God sprak eerst in duisternis, die ineens op het midden van de dag op Golgotha kwam; er was duisternis van het zesde uur tot het negende duur. Op de hoogste stand (de zesde ure is in onze tijd rond 12 uur in de middag), waar de zon op het felst is, werd opeens de zon schemerig en werd het pikdonder. Zoals midden in de nacht.

Lukas is de enige die zegt dat de zon is verduisterd. Dit is niet iets normaals. Dit was niet een gebeurtenis die in menselijke termen kan verklaard worden. Het is God Die zei: ‘Laat het duister worden’, zoals Hij in het begin van het scheppingswerk zei: ‘Laat het licht worden.’

 

Waarom zegt God dat de zon moet stoppen met schijnen?

Daar zijn verschillende verklaringen voor. Zoals deze, dat de zon het niet kon verdragen wat ze zag. Alsof de zon een persoon is. Nee, deze verklaring bevredigt niet. Maar waarom laat de Heere dan de zon donker worden? Sommigen zeggen dat het een eclips was. Maar dat is wetenschappelijk onmogelijk: een eclips die drie uren duurde? Nee, we moeten dieper kijken.

God heeft er een reden voor. God wilde iets wegnemen van Jezus. Heel bewust, doelbewust. En wat nam Hij weg? Hij nam het licht weg. Licht maakt vrolijk, licht is erg bemoedigend en vertroostend. En hier nam God de Vader als de Rechter doelbewust en heel bewust het laatste weg wat nog van troost kon zijn voor de Heere Jezus. Het werd nu zo donker dat Hij Zijn totale alleen-zijn ervoer.

Jezus ervoer hier de werkelijkheid van de hel. Elke zondag horen we die zin in de geloofsbelijdenis: nedergedaald ter helle. De hel wordt omschreven als duisternis, uiterste duisternis, totale duisternis. Dat is wat God hier toelaat om op Golgotha te komen. In deze drie uren komt de hel op Golgotha. En dat was Gods bewuste doel. De hel wordt omschreven als een eindeloze nacht, een verschrikkelijke duisternis waarin iedereen zich alleen ervaart.

 

God nam heel bewust alles weg van de Heere Jezus wat de aarde nog kon geven als iets van troost. Hangend tussen aarde en hemel is Jezus uitgestoten van alles wat nog maar een beetje fijn was.

Gedurende de eerste drie uren, toen Hij zo leed aan het kruis, kon Hij toch nog steeds onder aan de heuvel een kleine groep van discipelen zien. Johannes stond daar met een aantal vrouwen. En hoewel ze niet bij Hem konden komen, twijfel ik er niet aan dat hun aanwezigheid en hun liefde Hem enigszins troostte. Stel je voor dat je op je sterfbed ligt waar alleen maar vijanden rondom staan, maar er staat ergens heel achteraan een klein groepje dat je toch lief heeft. Dat kan je erg troosten. Maar zelfs het zicht hierop wordt van de Heere Jezus weggenomen in deze drie uren van duisternis.

 

Het werd steeds stiller toen Jezus daar hing. Deze duisternis is veel dieper dan een letterlijke en fysieke duisternis. Ook het geestelijke licht werd weggenomen van de Zoon des mensen. In deze drie uur van duisternis heeft God Zichzelf tastbaar teruggetrokken van de Heere Jezus. God de Vader heeft Zich verborgen van Zijn Zoon. Als het ware zag de Heere Jezus Zijn Vader Zijn rug naar Hem toekeren en weglopend liet Zijn Vader Hem helemaal alleen. Wat zal het verschrikkelijk geweest moeten zijn om Zijn Vader als het ware langzaam te zien verdwijnen in een uiterste duisternis. De fysieke duisternis symboliseert dit.

In dit moment ervaart de Zoon des mensen wat de hel is. Hel is in één woord: verlatenheid. Totaal, door iedereen, maar vooral door God. Verlatenheid van alles wat goed is, wat vrolijk is, wat troost geeft, wat liefde is, van alles wat bemoedigen kan.

Eén van de meest ingrijpende beschrijvingen is terug te vinden in het boek Openbaring, hoofdstuk 18, vers 22 en 23: En de stem der citerspelers en der zangers en der fluiters en der bazuiners zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van enige kunst zal meer in u gevonden worden; en geen geluid des molens zal in u meer gehoord worden. En het licht der kaars zal in u niet meer schijnen (het licht van een kaars, dat is toch bijna niets?); en de stem eens bruidegoms en ener bruid zal in u niet meer gehoord worden.

Een beschrijving waaruit blijkt dat alles wordt weggenomen.

 

De Heere Jezus heeft al vaak verlatenheid ervaren. Als we Zijn leven nagaan zien we dat verschillende keren. Zijn eigen familie heeft Hem verlaten. Zijn eigen dorpsgenoten in Nazareth hebben Hem verlaten. Maar ook de religieuze leiders hebben Hem verlaten. Zelfs Zijn discipelen hebben Hem verlaten: Hij was helemaal alleen in de worsteling in Gethsémané, alleen op Gabbatha, en nu op Golgotha.

Maar overal waar Hij werd verlaten, had Hij nog steeds Zijn Vader. Hij was nog steeds in staat om de toevlucht te nemen tot de nabijheid van Zijn Vader. Hij was nog steeds in staat om Zijn hart uit te storten, Zijn vragen, Zijn noden aan het hart van Zijn Vader te leggen. En Hij vond nog steeds een luisterend oor en van tijd tot tijd een menigte van engelen die Hem diende.

Maar hier niet meer. Niet alleen de aarde stootte Hem uit, maar zelfs de hemel stootte Hem uit. Drie uren van duisternis…

 

Hier ervoer Jezus wat Gods toorn is: Gods toorn is de verwijdering van God, de verberging van Zijn liefde. Hij voelde helemaal niets meer van Zijn Vader en Zijn liefde. Niets is er erger dan door Gods liefde te worden verlaten. Het is een onbeschrijfelijk, verlammend, kwellend en angstig gevoel dat niet te beschrijven is.

Daarom gebruikt de Heere Jezus allerlei sprekende beelden om ons een kleine indruk van de hel te geven: oneindige put, donkerheid, vuur, dorst, eindeloze nacht… Al deze woorden zijn gevoelige beschrijvingen van het resultaat van Gods toorn. 

 

Gedurende de drie uren van duisternis is het muisstil op Golgotha. Niemand zegt iets, ook de Heere Jezus niet. Toch is het aannemelijk dat Jezus in Zijn ziel niet stil is. Luister eens naar de woorden van Psalm 22 vers 3: Mijn God, ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.

 

Maar niet alleen stond Zijn Vader afzíjdig van Hem. Nee, Hij heeft Hem verláten en geeft Zijn Zoon over aan al het helse van de duivel en zijn handlangers.

Vreselijk is de waarheid van de hel. Wie kan het beschrijven? Wie kan het? Niemand kan peilen wat de worstelingen waren die de Zoon des mensen hier proefde. 

 

Hoor je Gods stem? God spreekt in deze stille duisternis klare taal. Deze drie uur van totale duisternis verklaart heel duidelijk hoe God ons zal straffen als wij als zondaar voor Hem komen in het gericht.  Want waarom gebeurt dit met de Heere Jezus? Waarom draait God Zijn rug naar Zijn kind en laat Hem zo zinken in de totale verlatenheid? Hoe kan een Vader dat nu doen?

Het antwoord is: omdat hier de Vader niet op Zijn Zoon ziet, maar op een zondaar aan het kruis. Hij ziet hier niet zozeer Zijn eigen lieve en totaal onschuldige Zoon, maar een breker van de wet, een overtreder van elk gebod van de heilige wet. Hij ziet hier voor Zich een Man Die is overladen met de schuld van de meest weerzinwekkende zonden. Aan de Man aan het kruis zijn al de zonden gegeven die Zijn Kerk ooit heeft gedaan.

Daarom, als God de Rechter nu naar Jezus aan het kruis kijkt, dan ziet Hij als het ware een grote zondaar. Jezus de zondaar! Nee, niet door Zijn eigen zonde, maar Hij is tot zonde gemáákt! Aan Hem is de zonde gegéven. De schuld van Zijn Kerk is de Zijne geworden. De Rechter ziet niet de reine Zoon des mensen, maar een vervloekte overtreder van Zijn heilige wet. Hij ziet Christus als tot een vloek gemaakt, zegt Paulus.

 

Dit is de keerzijde van het machtige leerstuk van de rechtvaardigmaking van de zondaar.  Jezus aan het kruis als ‘tot zonde gemaakt’ is het hart van het Evangelie.  Als wij nu door het geloof, zelfs een toevluchtnemend geloof, mogen schuilen achter het Offerlam van God, de Heere Jezus, dan ziet God op ons alsof wij nooit zonde gedaan hebben. Hij ziet ons dan aan alsof we puur en rein zijn, omdat de Heere Jezus al de zonden van Zijn Kerk heeft weggedragen. Wat is dat een bevrijdende waarheid als we dat ook mogen geloven!

Maar om dat mogelijk te maken was nu juist dit kruis van Jezus overladen met al de zonden van Zijn Kerk.  En daarom werd Hij verlaten, zodat de Vader zondaren die in Jezus mogen geloven kan omhelzen. En dat voor zondaren zoals jij en ik…

 

Begrijpt u nu waarom die drie uur van duisternis kwam? En als we nu kijken naar het kruis, en naar de Persoon van Jezus Die daar hing, en we laten dit op ons inwerken, doet dat u wat?  

Let er eens op dat de Vader als Rechter de straf op de zonde nooit zal doen verminderen. Hij is heilig en rechtvaardig. Hij zal niet méér straffen dan verdiend, maar ook niet mínder.

Denk eens aan iemand die iets vreselijk gedaan heeft, en dat u als rechter de straf moet uitspreken. En één van uw eigen kinderen komt naar voren en zegt: ‘Rechter, ik neem de plaats in van deze man.’ Dan moet u dat accepteren. Als u dan de straf moet uitspreken is het dan geen grote verleiding om de straf wat te verminderen omdat het nu uw eigen kind is? Maar kijk nu eens hier. God verminderde de straf niet die zondaars verdienden, zelfs niet toen Zijn Zoon de plaats innam van de overtreders. Hij zei: ‘Word vervloekt tot in de helse duisternis.’ De verdiende, eeuwige straf wordt de Heere Jezus in deze drie uren opgelegd. 

 

En daarom zijn dit waarschuwende woorden. Als u en ik nu voor de heilige en rechtvaardige Rechter moet verschijnen zónder de bedekking van de Heere Jezus, dan zal de straf die Jezus onderging de mijne zijn.  O, wees gewaarschuwd dat God de Rechter zo zal handelen met iedereen die zonder Christus voor God moet verschijnen! Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? (Hebr. 2:3).

Leef jij, leeft u vandaag nog zonder de bedekkende mantel van Christus?  Is Christus voor ons geworden wat Hij werd voor Paulus: ‘niet hebbende mijn eigen gerechtigheid, maar de gerechtigheid van Christus’? Is ons zielenleven getekend in Davids belijdenis: Op U, o Heere, betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid (Ps. 31:2)?

Het is niet genoeg om over Jezus te denken of te praten en zelfs te preken. Het is alleen door het ware geloof dat we met Hem verenigd worden. Zo’n geloof komt tot Christus met lege handen, zoekend ons te verschuilen achter Zijn gerechtigheid.

O, als u of jij zonder Christus bent en zonder geloof, dan kunnen we God niet ontmoeten.  Ons deel zal dan zijn wat de Heere Jezus ondervond op het kruis. O, laat toch deze boodschap tot je doordringen! 

 

Voordat we naar onze tweede gedachte gaan, zingen we eerst Psalm 88 vers 4, waar we iets zien van wat de Heere Jezus heeft meegemaakt toen Hij neerdaalde in de hel:

 

Gij hebt mij in de kuil gelegd;

In diept’, in duisternis gesloten;

Uw grimmigheid heeft mij verstoten;

Mij neergedrukt, mij troost ontzegd.

Gij doet op mij Uw oordeel komen,

Als onweerstaanb’re waterstromen.

 

Dat brengt ons tot de tweede gedachte. Dat is dat de stilte van Jezus beminnelijk is.

 

2. Een beminnelijke stilte

 

Laten we het nog een keer lezen in vers 45: En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.

Gedurende drie uur was Jezus uiterlijk stil. Er is geen verstaanbaar woord gesproken door Hem in deze drie uur, hoewel het in Zijn ziel niet stil geweest zal zijn.

Er is vaak geschreven over Jezus’ stil zijn. Hij was stil voor Zijn rechters. We lezen in hoofdstuk 26 vers 62 en 63: En de hogepriester, opstaande, zeide tot Hem: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen u? Doch Jezus zweeg stil. Hij antwoordde geen woord. Hij is vaak stil geweest in deze laatste uren. Waarom verdedigde Hij Zichzelf niet? Waarom weerlegde Hij dit niet? Al deze beschuldigingen waren vals. Waarom zei Hij niet: ‘Er klopt niets van wat jullie zeggen. Dat heb Ik helemaal niet zo gezegd’? Waarom is Hij in deze drie uur stil?

Zonder twijfel zal het zijn dat Zijn ziel huilde. Lees vandaag eens Psalm 22, misschien straks aan tafel met het hele gezin. Dan lees je iets van de gesteldheid van de ziel. Of lees Psalm 69. Door deze messiaanse psalmen krijgen we een dieper inzicht in het zielslijden van de Heere Jezus dan in de evangeliën. Dan merk je pas hoe diep Hij geleden heeft van het onrecht, de leugens, de spotternij, het gesar. Maar nu is Hij stil voor deze menigte.

 

Is Zijn zwijgen een teken van zwakheid? Nee! Juist van sterkte. Maar meer: het is ook een teken van acceptatie, van aanvaarding. Iedere rechter, Annas, Pilatus, Herodes, beschuldigde Hem vals. Jezus wist dat. Maar Hij stond niet voor aardse rechters. Achter de aardse rechter zag Hij de hemelse Rechter. Hij staat hier niet voor een aardse rechtbank. Hij staat hier voor de rechtbank van God en Hij weet en voelt in Zijn hart dat Hij stil moet zijn. Hij is het Lam van God Dat de zonde van de wereld draagt. Jezus is Zich volledig bewust van dit moment. En dat maakt Hem beminnelijk, geliefd. Hij staat hier als een Plaatsvervanger. Hij geeft Zijn leven als een rantsoen voor velen. Als een Onschuldige voor een schuldige.

Als er stilte is van het zesde tot het negende uur, dus in onze tijdsrekening van 12 tot 3 uur, dan is deze stilte een echo van wat Hij zei in de eeuwigheid: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen (Hebr. 10:7). Op dit moment drinkt Hij de beker van de straf van de zonden van Zijn volk. En je kunt niet praten als je een beker leegdrinkt. En dat drinken en dat zwijgen doet Hij gewillig.

Laat iedereen eens goed overdenken hoe groot de liefde van Jezus is. Hij is gewillig deze beker te drinken. Even hiervoor weigerde Hij een beker, dat kunt u lezen in vers 44: edik met gal gemengd. Dat was een soort pijnstiller. Hij weigerde die. Maar nu drinkt Hij een andere beker leeg. En als die beker leeg is, zegt Hij: ‘Ik heb hen lief tot het einde. Ik draag hun zonde. Ik betaal hun prijs, totdat het helemaal betaald is.’ Het is onmogelijk voor ons om deze gewilligheid van Jezus in woorden uit te drukken.

 

Zo is Christus’ zwijgen zeer indrukwekkend. Waarom? Laten we eens wat afdalen tot onszelf.

Er is geen erger gevoel in het leven dan verlaten te worden. Sommige kinderen zijn verlaten. Ze hebben afwijzing gevoeld. Ook volwassenen ervaren dat soms. Maar niets is zwaarder dan het gevoel van verlaten te zijn door God. Het gevoel dat er een scheiding is tussen God en je ziel. Er is niets dat zwaarder voelt voor degenen die God liefhebben dan dat ze van Hem gescheiden zijn.

Welnu, als je onbekeerd bent, dan ben je gescheiden van God. Wanneer we in Efeze lezen dat we kinderen des toorns zijn, dan betekent dat dat we geboren worden als kinderen gescheiden van Gods liefde. Gods toorn is uitgedrukt in het Zich terugtrekken. In een gebroken relatie. We zijn geboren als kind van toorn. We leven buiten Zijn gunst.

Maar… het doet ons niets. Het gescheiden van elkaar zijn doet alleen de levenden iets. Maar niet de doden. Het is heel erg als we deze scheiding niet voelen.

Jongelui, heb je het nog nooit als een last gevoeld, dat je zonder liefde bent? Dat we leven buiten de gunst van God? Buiten de gunst van Hem Die ons gemaakt heeft? Is dat al een last? Als we levend gemaakt zijn door de genade van God, wordt dit realiteit. Dat je gescheiden bent van Gods gunst, van Zijn liefde. En dat voelt als een duisternis midden op de dag. Wat de mooie dingen ook mogen zijn in je leven. Je voelt je alleen, je voelt je verlaten. Niets kan dat gevoel van leegte wegnemen. Als je God mist, dan kan je lieve man of vrouw dat gevoel van gemis niet vervullen. Je lieve vrienden kunnen dat gevoel van leegte niet wegnemen. Alleen God Zelf kan dit doen.

 

Misschien zijn er die worstelen met het gevoel van leegte, met het gevoel van duisternis. Is er een ziel die het uitschreeuwt: Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen (Ps. 130:6)? In Psalm 6 vers 4 roept David het uit: Mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, Heere, hoe lange?

Je kunt niet meer leven zonder God als er liefde in je hart is voor de Heere. Wat een toenemende onrust wordt ervaren wanneer door Gods ontdekking alles waarop je hoopte en waar je naar uitkeek, van je wordt weggenomen. Op een bepaalde manier ga je iets ervaren van de duisternis die de Heere Jezus ervaarde aan het kruis, al is het veel minder.

Misschien zijn er in deze dienst jongeren of ouderen die zeggen: ‘Dat is nu de schreeuw van mijn hart. Mijn ziel is zo verschrikt, zoals Psalm 13 het zegt: Hoe lang, Heere, zult Gij mij steeds vergeten? Hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen? Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag?’

Dan wijs ik je op Golgotha. Vanwege van Zijn stilte, Zijn aanvaarding, Zijn gewillig legen van de beker, is er hoop in je verlatenheid. Hier hangt de Verlosser Die de plaats innam van verloren zondaren. En juist vanwege Zijn zwijgen is er nu in Hem redding en genade.

Als God je gaat ontdekken aan het mooie in dit zwijgen van Jezus, als het antwoord op al je noden, wees dan bemoedigd om in je verlatenheid de toevlucht te nemen tot het kruis. En zeg tot God: ‘Op grond van het werk van Christus aan het kruis, vanwege Zijn zwijgen en het legen van de beker door Hem, mag ik weer tot U komen. Wilt U mij horen vanwege Zijn zwijgen?’

 

Dat brengt me bij mijn derde gedachte. Maar eerst zingen we Psalm 32 vers 3 en 5:

 

‘k Bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden;

‘k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden;

Maar ik beleed, na ernstig overleg,

Mijn boze daân; Gij naamt die gunstig weg.

Dies zal tot U een ieder van de vromen,

In vindenstijd, met ootmoed smekend, komen;

Een zee van ramp moog’ met haar golven slaan,

Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.

 

Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven,

Of als een muil, door domheid voortgedreven;

Gebit en toom, door ‘s mensen hand bestierd,

Beteug’len ‘t woest en redeloos gediert’;

Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen;

Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen;

Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,

Ziet zich omringd met Zijn weldadigheên.

 

3. Opmerkelijke woorden

 

In onze derde gedachte zien we dat er iets opmerkelijks is in de woorden van Jezus. In vers 46 lezen we: En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem zeggende: Eli, Eli, Lama Sabachthani? Dat is: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?

 

Daar is iets vreemds, iets opmerkelijks in deze luide roep. Allereerst: Jezus heeft niets gezegd in de drie uren duisternis, maar nu, aan het einde ervan, schreeuwt Hij. Een hartverscheurend roepen: ‘Waarom heeft U Mij verlaten?’

Waarom deed Hij dat niet aan het begin van het zesde uur? Of in het zevende of achtste uur? Waarom rond het negende uur? Waarom? Jezus wist waaróm Hij verlaten werd. Hij wist dat. En Hij aanvaardde dat. We lezen in Psalm 22 dat David ook zegt waarom hij verlaten is. In vers 4 zegt hij: Gij zijt heilig. Dat wist Jezus ook. Hij was verlaten om de mensen die Hij vertegenwoordigde. Om die mensen verliet God Hem. Daarom beleed Hij ook: ‘U bent heilig.’ Hij wist toen Hij daar hing, dat Hij hing voor zondaars, dat Hij stierf voor hen als een Plaatsvervanger. Vanwege de zonde van Zijn kinderen, die ze gedaan hebben met hun hart, handen, met hun gedachten, hun gevoelens. Hij wist dat zij de eeuwige verdoemenis verdienen. Maar Jezus leegde die beker die Zijn Vader als Rechter Hem gaf. En daarom horen we Hem niets roepen tot pas op het negende uur. Hij wist het: Ik kan alleen Mijn mensen als vlekkeloze zonen en dochters in Mijn Vaders huis brengen, wanneer Ik de beker die met de toorn van God over al hun zonden is gevuld, tot de bodem leeg.

Wat een liefdevolle Redder is Hij, Die Zichzelf als het ware vergat, om zo Zijn Vader te verheerlijken en Zijn kinderen vrij te kopen!

 

Omtrent het negende uur riep Hij. Dus niet exact op het negende uur. Dan roept Hij het uit: ‘Waarom hebt U Mij verlaten?’

Als we kijken in de grondtaal, blijkt dat het woord ‘verlaten’ in een soort tegenwoordige blijvende tijd staat. Het zou dus betekenen: ‘Waarom verlaat U mij nog steeds?’ Dat is eigenlijk de essentie van deze schreeuw. ‘Waarom verlaat U Mij nog steeds op dit moment?’ Wat betekent dit?

Dat verklaart zich misschien als we weten wat er omtrent het negende uur gebeurde. Slechts een kilometer daarvandaan zou op dit moment, rond het negende uur, een priester in de tempel gaan. Of het ook inderdaad die dag gebeurde op die tijd is niet duidelijk. De drie uren duisternis zal ook het tempelgebeuren hebben gestopt. Maar op normale dagen loopt de priester vanaf het brandofferaltaar met een schaal van gloeiende kolen en met het heilige reukoffer naar het heilige. Hij legt het reukwerkoffer op het altaar met de kolen van het brandofferaltaar. En op die tijd, omtrent het negende uur, rond 3 uur, riep Jezus: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?  Of: ‘Waarom verlaat U Mij nog steeds? Ik heb de beker geleegd, Ik heb de prijs betaald, Ik heb het offer gebracht, Ik heb het werk gedaan waartoe U Mij geroepen hebt.’

Dit wordt alles ook gebeden in Psalm 141. In vers 1 en 2 lezen we: Neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep. Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer. En dan staat er verder in vers 8: Doch op U zijn mijn ogen, Heere Heere, op U betrouw ik, ontbloot mijn ziel niet. Het Hebreeuwse woord ‘ontbloot’ kan ook de betekenis hebben van: ‘Verlaat mijn ziel niet.’ Op basis van het onschuldig offer op het altaar bad de gelovige Jood dat hij niet langer verlaten zal worden.

Zie je nu wat het belang is van deze roepstem rond het negende uur? Het werk is gedaan. De beker is leeg. Maar het is nog steeds donker. Daarom zendt Jezus een gebed naar de troon van Zijn Vader en vraagt Hij op grond van alles wat Hij heeft gedaan waarom er nog steeds verlatenheid is. En dan antwoordt de Vader, want op dat moment komt het licht terug. Zodat Jezus kan zeggen wat Hij gelijk daarna uitroept: Het is volbracht! (Joh. 19:30).

 

De roepstem: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’ is geen schreeuw om genade, want Hij hoeft op basis van Zijn werk daar niet om te vragen. Hij kan juist vragen om de vrijmaking. Hij vraagt als de Zoon des mensen pleitend met de veroordeelden: ‘Waarom ben Ik nog steeds in deze gevangenis, terwijl Ik alles gedaan heb wat werd gevraagd?’ Is dit niet een geweldige troost?

Hij zegt: ‘Het is klaar, Vader! Het is klaar, Kerk! Het is klaar, wereld! Mijn werk is volmaakt als het plaatsvervangende offer. Vader, in Uw handen geef Ik Mijn geest.’ En dan sterft Hij.

Jezus was niet langer verlaten. En allen die geleerd hebben hun vertrouwen op Jezus’ werk te stellen, zullen nooit meer verlaten worden. Op grond van Zijn werk en Zijn offer.

En nu verkondig ik helder en vol troost het antwoord dat de Vader geeft aan de Zoon des mensen op Zijn werk. Dat is ook het antwoord aan hen die geleerd hebben op Hem te vertrouwen. De goede tijding is te vinden in de schaduw van het kruis: Troost, troost Mijn volk! (Jes. 40:1). Wie zijn dat? Dat zijn zij die Hem liefhebben, die Hem zoeken, die op Hem vertrouwen. Hoe klein ze ook zijn. En roept haar toe dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is (Jes. 40:2). Dat is Goede Vrijdag!

Zie, Jezus is niet langer verlaten. Zijn werk is klaar. De prijs is betaald. Ik heb daarom een boodschap voor allen die Zijn Naam vrezen en allen die hopen op Zijn genade en hun vertrouwen stellen op het volmaakte werk van de Zoon des mensen. Ik mag jullie preken, jullie gebrokenen van hart, en jullie zwakken in het geloof: jullie strijd is voorbij! Het is alles betaald!

Kom, Kerk van God, de Heere geve ons uit de vruchten van het kruis te leven en in het kruis te roemen. Hoor dit gedicht:

 

Dank U voor dit offer;

het is te groot, te diep,

toen God de Vader

zelfs Zijn eigen Zoon verliet.

 

Ik kniel bij het kruis

en voel iets van Uw pijn,

opdat wij nooit

verlaten zullen zijn.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 22: 12 en 13

 

Gij, die God vreest, gij allen prijst de Heer’;

Dat Jakobs zaad Zijn grote Naam vereer’;

Ontzie Hem toch, o Israël, en leer

Vertrouwend wachten.

Wie mij veracht’, God wou mij niet verachten,

Noch oor noch oog

Van mijn verdrukking wenden;

Maar heeft verhoord, wanneer ik uit d’ ellenden

Riep naar omhoog.

 

Ik loof eerlang U in een grote schaar,

En, wat ik U beloofd’ in ‘t heetst gevaar,

Betaal ik, op het heilig dankaltaar,

Bij die U vrezen;

‘t Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen,

Ten dis geleid.

Wie God zoekt, zal Hem prijzen.

Zo leev’ Uw hart, door ‘s hemels gunstbewijzen,

In eeuwigheid!