Ds. C.G. Vreugdenhil - Handelingen 2 : 6

Het Evangelie gaat naar de volkeren

De stem uit de hemel
De menigte mensen op het tempelplein
De verwondering over het spreken van de moedertaal

Handelingen 2 : 6

Handelingen 2
6
En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 67: 1, 2
Lezen : Handelingen 2: 1-21
Zingen : Psalm 87: 1, 2, 3, 4, 5
Zingen : Psalm 108: 1, 2
Zingen : Psalm 102: 10, 11
Zingen : Psalm 72: 10

Gemeente, de tekst voor deze pinksterdag vindt u in Handelingen 2 vers 6, uiteraard in het verband waarin die tekst staat. Wij lezen daar Gods Woord en onze tekst:

 

En als deze stem geschied was, kwam de menigte tezamen en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.

 

Het thema van de preek is: Het Evangelie gaat naar de volkeren.

 

We letten op drie aandachtspunten:

1. De stem uit de hemel

2. De menigte mensen op het tempelplein

3. De verwondering over het spreken van de moedertaal

 

1. De stem uit de hemel

 

Jongens en meisjes, jullie weten natuurlijk wel dat bij sommige kerken op het platteland en ook in de steden, een kwartier voor de dienst of soms nog iets vroeger, de kerkklok luidt.   

Waar is dat voor?

Ik denk dat het de bedoeling is om de mensen naar de kerk te roepen om samen te komen. Om de boodschap van de Bijbel te horen. Die klokken zeggen als het ware: ‘Kom, want de Heere spreekt! Kom luisteren!’

 

Ik weet nog, toen wij op het zendingsveld woonden, in Landikma, dat we een kerk gebouwd hadden van zelfgezaagde planken, en van bomen uit het bos hadden we een klokkentoren gemaakt. Van een gemeente uit Nederland hadden we een klok, een kerkklok, een torenklok, gekregen.

En dan, als zondagsmorgens – de mensen hebben geen horloge en leefden op het zonnetje – als dan zondagsmorgens de klok werd geluid, dan zag je een poosje daarna – onvergetelijk gezicht voor ons – dan zag je de mensen uit hun hutten komen en langs de smalle slingerpaadjes door het groen in de richting van de kerk lopen. Dan kwamen ze aan: de mannen – vooral in die begintijd, in de zeventiger jaren – nog bijna helemaal in hun blote zwarte huid, en de vrouwen met hun rieten rokjes en een net op hun rug, waarin een baby zat, of zoete aardappelen en groenten.

Als ze dan bij de kerk aankwamen, legden ze bij de ingang, de opening, de collecte neer: een paar zoete aardappelen, of een paar stronkjes wiejè, groente of zoete aardappelblad. Die stapel daar groeide en groeide.

Voor wie was dat allemaal?

Wel, dat was voor de kerk. Voor de evangelisten, die daar dienden onder de mensen. Het was eten voor hen. Maar ze voerden daar ook wel de ‘kerkvarkens’ mee. Dat zijn geen varkens met een gleuf erin om daar euro’s in te doen, maar dat zijn levende varkens, die zo werden genoemd. Zij werden dan gevoerd met die collecte. Als ze groot waren werden ze verkocht. De opbrengst ging dan in de kerkkas. Vandaar: ‘kerkvarkens’. Dat is bij ons niet zo praktisch; wij doen het op een andere manier. Maar het komt wel op hetzelfde neer.

Een verafgelegen gemeente, in een klein dorpje, had natuurlijk geen klokkentoren en geen klok. Maar geen nood: ze hadden een ijzeren bijl, die de zending had ingevoerd, en die gebroken was bij het wrikken in een boom in het bos. Die hingen ze op aan een touwtje en dan nam de koster een steen en daarmee sloeg hij dan hard op die ijzeren bijl. Dat geluid was dan tot in de verre omtrek te horen. En zo werden de mensen naar de kerk geroepen om het Woord te horen. Nou, zoiets gebeurde op de pinksterdag in Jeruzalem.

 

Het Evangelie was onder het Oude Testament gegeven voor de Joden. Maar na Pinksteren komen ook de heidenen in het vizier. De scheidingsmuur van de ceremoniële wet tussen Israël en de volkeren was door Christus afgebroken, omdat Hij die wet heeft vervuld. Met Pinksteren worden de grote daden van God verkondigd aan de Joden, aan Joden uit de diaspora, en aan Jodengenoten. Zij hoorden het Woord in hun moedertaal, en de mensen verwonderen zich daarover.

Onze tekst spreekt over een menigte mensen – een heleboel mensen – die samengeroepen worden door het luiden van de klok. Ze zijn naar de tempel gekomen voor het morgenoffer en nu komen ze rondom de discipelen staan.

Om welke mensen gaat het?

Wel, laten we proberen ons in te denken hoe het met het pinksterfeest eraan toeging. In gedachten gaan we naar Jeruzalem. Het is nog vroeg in de morgen, nog vóór negen uur. Wat een ontzettende mensenmenigte is er op die dag samengekomen! Wie nog enigszins een hart had dat klopte voor Israël, wie nog iets voelde voor de goddienst van de vaderen, die door God Zelf was ingesteld, die nam de gelegenheid te baat om met Pinksteren naar Jeruzalem te komen om naar de tempel te gaan om de offers te brengen en de Heere te loven.

 

Pinksteren was onder Israël het oogstfeest. Oogsten is een vreugdevolle bezigheid. De vruchten van de oogst werden vijftig dagen na Pasen binnengehaald. Op Pasen viel meestal het begin van de oogst en op Pinksteren het einde. Als u rond de oogsttijd weleens in Israël geweest bent, heeft u het kunnen zien: de velden worden afgemaaid. Als de oogst was binnengehaald werden de eerste tarwebroden van de nieuwe oogst in de tempel aan de Heere gewijd.

Pinksteren, het eind van de oogst én het begin van de oogst uit de volkerenwereld. Want Jezus heeft gezegd: ’De velden zijn wit om te oogsten.’ Gods grote oogst is met Pinksteren begonnen en gaat nog steeds door. Daarom wordt er op Pinksteren vaak gecollecteerd voor het zendingswerk.

Het werk van Christus op aarde is beëindigd. Hij heeft het oordeel gedragen, het kruis, Hij is opgestaan en ten hemel gevaren. Het heil voor Zijn kerk is bereid, maar het moet wel uitgedeeld worden. Mensen moeten nu van die rijkdom gaan leven. En daar is de Heilige Geest voor nodig, om het in hun hart te brengen en hen het geloof te geven om die rijkdom echt te ontvangen en te beleven. Dat is nu op Pinksteren gebeurd. De oogst kan beginnen op de akker van de wereld. Het zaad van het Woord kan worden uitgestrooid en de Geest gaat in het laatste der dagen de bruid voor Christus werven.

 

De discipelen van de Heere Jezus hadden voor Zijn hemelvaart eendrachtig gebeden en gesmeekt om de vervulling van de belofte die de Heere Jezus hen gegeven had, namelijk over de komst van de Geest. De vrouwen waren er ook bij. In Handelingen 1 vers 14 kunt u dat lezen. Die groep van ongeveer honderdtwintig personen – ook genoemd in Handelingen 1, de hele gemeente van Christus, zou je kunnen zeggen – was onder de leiding van de apostelen in Jeruzalem bijeengekomen om te bidden en te wachten op de vervulling van de belofte, namelijk dat ze gedoopt zouden worden met de Heilige Geest.

In de tempel zitten ze bij elkaar, of ze staan, of ze liggen geknield, afgezonderd van die grote mensenmassa die voor het pinksterfeest was samengekomen. Misschien bevonden zich de apostelen in één van de bijgebouwen van de tempel. We weten het niet precies; het staat niet in de Bijbel en het is ook niet zo van belang.

Ze waren eendrachtig bijeen. We lezen in Handelingen 1 vers 14: Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken. Dat zijn tien gezegende dagen geweest na hemelvaart.

Als Pinksteren dan aanbreekt zijn ze nog steeds eendrachtig bijeen. Eén in geloof, één in liefde en één in verlangen; met hun hart verbonden aan de verhoogde Heiland in de hemel en daardoor ook aan elkaar verbonden. Het was alles uitgegroeid tot een eendrachtig bidden en smeken om de Heilige Geest, Die Christus had beloofd.

Wat heerlijk, als er zo eenheid mag zijn! Daar voelt de Geest Zich thuis. Misschien moeten we het zelfs omdraaien en zeggen: de aanwezigheid van de Geest geeft al eenheid. Maar de Geest moest nog in Zijn volheid worden uitgestort.

 

Zij werden allen vervuld met de Heilige Geest. Niet alleen met de bijzondere gaven van de Heilige Geest, die nodig zijn om hun dienst in het Evangelie in de wereld te volbrengen – daarop wijst de kanttekening – maar zeker ook met de persoonlijke vervulling met de Heilige Geest. Daardoor zijn ze persoonlijk rijker geworden. Ze zijn gedoopt met de Heilige Geest. Dat had Jezus beloofd met hemelvaart. Dopen betekent dat je helemaal overstelpt wordt; dat je helemaal ondergedompeld wordt.

In hun leven heeft de Heilige Geest een doorbraak van liefde en kracht teweeggebracht; gedrevenheid met de naaste en zekerheid van de eigen genadestaat. Pinksteren is echt een stukje overvloed, rijkdom en vrijmoedigheid.

Wie vervuld is met de Geest, is vol en laat zich beheersen door de Heilige Geest. Dan is je leven daardoor getekend en helemaal in beslag genomen.

Gemeente, jonge vrienden, dat is nu Gods bedoeling met úw leven, met jóuw leven en met míjn leven. Want dan staan we voor Hem ter beschikking en dan heeft Hij toegang tot alle vertrekken van ons levenshuis. Dan woont Hij in ons hart en dan is ons leven doortrokken van de voornaamste vrucht van de Heilige Geest: de liefde. Wat is dat toch geweldig!

 

De discipelen van de Heere Jezus zijn zo vol met de Geest dat ze gaan spreken in tongen, zo hebben we gelezen. Het volk dat in Jeruzalem samengekomen is, hoort hen in hun eigen taal over de grote daden van God spreken.

De discipelen spraken in tongen en waren God aan het prijzen, maar hoe komt nu die menigte van Joden en proselieten bij de discipelen om God ook te gaan prijzen?

Wel dáárvoor luidt God een klok, de kerkklok. En wat is die kerkklok?

Daarmee begint nu onze tekst, jongens en meisjes, kijk maar in je Bijbel. Het staat in vers 6: En als deze stem geschied was…

Deze stem… Wat voor stem?

Met die stem bedoelt Lukas hier precies hetzelfde als in vers 2: En er geschiedde haastelijk uit de hemel een geluid, gelijk als van een geweldige gedreven wind.

Dat geluid had niet alleen – zoals het luiden van de klok – de bedoeling om de mensen samen te brengen rondom de verkondiging van de apostelen, maar het had ook een betekenis voor de discipelen zelf. Want er staat dat dat geluid uit de hémel kwam. Zo mochten de discipelen daaruit besluiten dat het moment van de nederdaling van de Heilige Geest was aangebroken. Want ze zouden worden aangedaan met kracht uit de hoogte, uit de hemel. Die stem – die klok – die God luidt, dat was het geluid van die geweldige gedreven wind. Dat hoort ook bij Pinksteren. Zowel bij de Heilige Geest als bij de discipelen, die vervuld worden mét de Heilige Geest.

De gedrevenheid van die wind wijst op de bereidheid van de Heilige Geest om het werk en het welbehagen van de Vader te doen. Achter die gedrevenheid steekt de grote ijver van de Geest om zondaars te behouden. Met diepe zondaarsliefde. Om de mensen uit te drijven naar de Heere Jezus. Om Christus te verheerlijken.

 

Jongelui, nu vanmorgen horen we niet dat geluid. Want dat is toen gebeurd, en dat heeft zich niet meer herhaald. Maar… God spreekt jullie nog steeds aan en ook nu op Pinksteren, ik bedoel het eerbiedig, maar je krijgt van God vanmorgen door dit Evangelie als het ware een sms’je. Je hoeft je telefoon niet uit je zak te halen; want deze SMS betekent ‘Seek Me Sinner’: zoek Mij, zondaar! Want de Heere heeft beloofd: jongelui zullen de Geest ontvangen. Nu mag je stil in je bank dat sms’je van God beantwoorden, en zeggen: ‘Oh Lord, save my soul!’

Die het van de Heere verwacht, die zal het ervaren. Echt waar! Gemeente, dat merk je toch? Als de Geest je aanraakt, als de Geest in je hart komt – is dat zoals een storm in de natuur, dan zie je soms de bomen heen en weer schudden. Je ziet soms afgebroken takken liggen, en ontwortelde bomen. Wat een geweldige kracht heeft de Heilige Geest om, als het moet, mensen helemaal ondersteboven te werpen en mee te nemen, ondanks alle verzet en tegensputteren of onverschilligheid of onze ‘jamaars’. Gelukkig, de Heere is de Sterkste. Die Geest is zo geweldig gedreven, dat Hij trotse mensen neervelt en hen plat op de grond voor God terecht brengt, in hartelijke schuldbelijdenis: ‘Heere, ik heb tegen U gezondigd.’

Door diezelfde Geest worden harten van mensen ingewonnen en overwonnen om de Heere te zoeken en te dienen. Harde harten worden verbroken en verslagen. Waar de dood is, komt leven. Alles verandert.

Achter die gedrevenheid van de Geest zit de liefde van God en het offer van de Heere Jezus. Hij wordt je te sterk. En weet je waar de Geest je vooral naartoe wil brengen? Naar de voet van het kruis. Want de Heilige Geest ontdekt je niet alleen aan je zonden, maar Hij leidt ook tot Christus. Die zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit wat Ik verdiend heb, nemen en het u verkondigen, geven.

De Heilige Geest weet de Heere Jezus zo dierbaar te maken voor het geloof, dat er zoveel liefde en aantrekkingskracht van uitgaat, dat je niet anders meer kunt en niet anders meer wilt, dan buigen aan Zijn voeten.

 

Zo is op Pinksteren een geweldige liefdebrand ontstoken in de harten van de apostelen. De vlammen sloegen eruit. Onze kinderen begrijpen het wel: verdeelde tongen als van vuur, zo gaat God het werk in Zijn Koninkrijk beginnen. Gedreven door de liefde, vervuld met de Geest, vol van God. Zij verheerlijken God, zij verkondigen Zijn grote daden, die iedereen moet horen. Want Pinksteren is het feest van de zending. Met Pinksteren moet het Evangelie naar de volkerenwereld. De stem, die geschiedde, die geweldige wind en dat geluid ervan, is voldoende om de menigte samen te roepen rondom de apostelen. De kerkklok heeft zijn taak volbracht.

 

We gaan nu samen over onze bereidheid om de Heere te dienen Psalm 108 vers 1 en 2 zingen:

    

Mijn hart, o Hemelmajesteit,

Is tot Uw dienst en lof bereid;

‘k Zal zingen voor de Opperheer,

‘k Zal psalmen zingen tot Zijn eer.

Gij, zachte harp, gij schelle luit,

Waakt op; dat niets uw klanken stuit’;

‘k Zal in de dageraad ontwaken,

En met gezang mijn God genaken.

 

Ik zal, o Heer’, Uw wonderdaân,

Uw roem de volken doen verstaan;

Want Uwe goedertierenheid

Is tot de heem’len uitgebreid;

Uw waarheid heeft noch paal noch perk,

Maar streeft tot aan het hoogste zwerk.

Verhef U boven ’s hemels kringen,

En leer al d’ aard Uw grootheid zingen. 

 

2. De menigte mensen op het tempelplein

 

 

We lezen in vers 5 en 6: En daar waren Joden te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen, van allen volke dergenen die onder de hemel zijn. En als deze stem geschied was, kwam de menigte tezamen en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.

Toen deze stem geschied was – dat luiden van de klok, dat geluid van die geweldige gedreven wind – kwam de menigte samen. Uit die mensenmenigte worden straks de eerstelingen uit de oogst verzameld. Pinksteren was een oogstfeest, en zo zeker als die eerstelingen, die drieduizend mensen, binnengehaald werden als oogst, zo zeker zal de hele oogst uit heel de volkerenwereld worden ingezameld.

 

Wat voor mensen zijn dat eigenlijk, die daar samenkomen rondom de discipelen?

Er staat dat het Joden zijn, en Jodengenoten, zogenaamde proselieten.

Twee categorieën dus. Er worden geen namen genoemd, maar we weten in ieder geval tot welke volken ze behoren, want die worden wel genoemd. Eigenlijk gaat het hier ook niet in de eerste plaats om individuen. Het is wel heel belangrijk met Pinksteren dat ieder mens persoonlijk, door de Heilige Geest, God kent en verheerlijkt, maar hier gaat het Lukas om de volken, de volkenwereld.

Als we in vers 9 tot 11 de namen van die volken lezen, dan tellen we er vijftien. Vijftien verschillende volken. Door vijftien poorten gaat de Geest met het Woord de wereld in om onderdanen te werven.

Wat zijn proselieten?

In vers 5 staat dat het godvruchtige mannen waren ‘uit alle volken die onder de hemel zijn’. Dus het zijn heidenen die de Joodse godsdienst en de Joodse leefwijze hebben aangenomen en de God van Israël zijn gaan dienen. De Joden die in vers 5 genoemd worden hebben een tijdlang in het buitenland gewoond en zijn teruggekeerd naar Jeruzalem, de stad van de vaderen.

Jodengenoten zijn in vreemde landen geboren en van afkomst dus heidenen. Maar door het contact met de Joden hebben ze de Joodse godsdienst leren kennen en belijden. Ze komen overal vandaan. Uit alle volkeren die onder de hemel zijn; u moet vooral denken aan de landen van het Romeinse Rijk, de toenmaals bekende wereld.

 

Wie zijn die ‘godvruchtige mannen’? Ik wil geen kwaad van hen spreken, maar we moeten niet denken aan godzalige mannen, kinderen van God, zoals wij die kennen. De term ‘godvruchtige mannen’ wordt niet gebruikt voor mensen die echt bekeerd zijn, want ze komen later pas tot bekering onder de Pinksterpreek van Petrus, en niet eens allemaal. Godvruchtige mannen, de zogenaamde ‘godvrezenden’, vormden een afzonderlijke categorie: het waren mensen uit het heidendom die de God van Israël zijn gaan belijden. Bij die ‘godvrezenden’ hoorde ook Lydia, voordat ze Paulus’ woord hoorde en tot bekering kwam.

Dus deze mensen hebben met het heidendom afgerekend, ze krijgen belangstelling voor de dienst van God en houden de Schriften voor waar. Deze mensen brengt God nu onder Zijn voorzienige leiding samen op het pinksterfeest in Jeruzalem onder de prediking, onder het woord van de apostelen. Ze zijn erbij als de Geest wordt uitgestort.

Ik durf de vergelijking wel aan met sommigen van u die hier in de kerk onder de prediking zitten, in de Bijbel geloven en bij het Woord zijn opgevoed. U weet dat God er is en dat Jezus de Zaligmaker is, en dat de Heilige Geest wederbarend werkt. Maar u durft niet te zeggen dat u God persoonlijk kent en dat de Heere Jezus uw Borg is. Wel, dat is eigenlijk inhoudelijk hetzelfde als de categorie van die ‘godvrezenden’ waarover hier gesproken wordt.

Als u nu zo iemand bent, waarom denkt u dan dat u hier met Pinksteren in de kerk zit, onder de verkondiging van het pinksterevangelie?

Het antwoord is heel eenvoudig: God roept ook ú, door het Evangelie, tot de zaligheid. Hij heeft ook jouw behoud op het oog. Buig maar voor de Heere. En wedersta de Heilige Geest niet. Want Híj is gewillig om u toe te eigenen, te schenken, wat Christus verdiend heeft. Kom dan getrouw op onder het Woord. Want de mogelijkheid om tot waarachtige bekering te komen is hier, onder het Woord, natuurlijk veel groter dan dat je niet onder het Woord van God zit. Net als die grote menigte in Jeruzalem. Die wordt eerder getroffen als ze bij elkaar komen onder het Woord, onder de prediking van de apostelen, dan dat ze in hun eigen gebied gebleven waren. 

 

Wat zijn de landen van herkomst van deze mensen? Lukas somt ze nauwkeurig op. We lezen de verzen 9 tot en met 11 nog een keer: Parthers en Meders en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judea, en Cappadocië, Pontus en Azië (dat is: Klein-Azië), Frygië, en Pamfylië, Egypte en de delen van Libië, hetwelk bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, beide Joden en Jodengenoten.

Als je nu eens goed op die namen let, dan ontdekken we onder die volken een aantal groepen. Sommigen komen uit het oosten: Parthers, Meders en Elamieten en inwoners van Mesopotamië. Dan vraagt Lukas in zijn opsomming onze aandacht voor het noorden: Cappadocië, Pontus, Klein-Azië. Vervolgens gaat hij naar het westen: Frygië, Pamfylië, Libië. Tenslotte noemt hij een paar volken in het zuiden: Egypte en Arabië, de Arabieren. Vijftien volken, uit alle windstreken. 

 

Wat voor les kunnen wij daaruit trekken? Ik wil drie dingen noemen.

De eerste les is: de eerstelingen van de oogst uit de volkerenwereld – want uit al deze mensen worden er straks drieduizend tot bekering gebracht – komen dus van alle windstreken: oost, west, noord en zuid.

De Geest doorbreekt de grenzen tussen Joden en heidenen. Jezus had gezegd: ‘Ze zullen komen uit het oosten en het westen, uit het noorden en zuiden, om in het Koninkrijk der hemelen met Abraham, Izak en Jakob aan te zitten.’ Daarom moeten al die mensen uit verschillende volken op de pinksterdag in Jeruzalem zijn.

De grenzen van de Kerk zijn dus ruimer dan wij soms, in onze kortzichtigheid, zouden denken. ‘Ben jij niet van mijn kerkverband? Of van de kleur van míjn geloofsbeleving? Of huidskleur? Dan hoor je er niet bij!’

Maar het Evangelie is zo ruim! Het Koninkrijk omvat alle creaturen. Rahab en Babel, de Filistijn, de Tyriër en de Moor. We hebben Psalm 87 gezongen. Alle volken die onder de hemel zijn. Papoea’s en Malawianen, Marokkanen en Armeniërs, Aziaten en Amerikanen, Eskimo’s, en noem maar op. Pinksteren is het feest van de zending voor alle volken; uit alle windstreken. Tot zover de eerste les.                              

 

Nu de tweede les: we zien mensen uit verschillende culturen en talen. Ze worden één in Christus. Dat is schitterend. Degenen die straks het woord van Petrus’ pinksterpreek graag aannemen, worden gedoopt en vormen de eerste christengemeente.

Pinksteren is het geboorte-uur van de nieuwtestamentische kerk. Wat een cultuurverschillen en taalbarrières moeten daarvoor doorbroken worden. De één komt uit het oosten en de ander uit het westen. Zet u eens een oosterling en een westerling naast elkaar: een totaal andere taal, zeden, leefgewoonten, temperament, uitingsvormen, kleding en beweging. Kijk maar naar de buitenlanders in ons eigen land. Die cultuur en leefgewoonte zit er zo diep in bij ieder volk, dat ieder denkt: ‘Zoals wij het doen, zó is het goed!’ En nu komen al die volken bij elkaar en naast elkaar te staan.

Wat is het soms moeilijk voor ons allerlei cultuurverschillen te accepteren. Neem alleen – ik zal het maar héél dichtbij brengen – neem alleen maar de kerkelijke cultuur. Laat staan allerlei volksaarden en streekgewoonten.

Wat is nu het wonder van Pinksteren?

De Heilige Geest schept in die verscheidenheid een eenheid in Christus; een echte geestelijke eenheid, zonder de eigenheid van ieder volk en de verschillen in cultuur op te heffen. Het Evangelie vernietigt die culturen niet, maar heiligt ze.

De Geest doorbreekt de grenzen. Dan zegt Openbaring dat de heerlijkheid en de eer der volkeren zal worden binnengebracht in het nieuwe Jeruzalem. De Geest vergadert Gods gemeente uit alle geslachten, talen en culturen. En wat gebeurt er dan?

Ze worden één in Christus. Ze komen in één gemeente in Jeruzalem terecht. Gekocht door één en hetzelfde bloed, het bloed van het Lam. En zo kun je elkaar ook geestelijk verstaan. Waar je ook vandaan komt. Want de wezenlijke dingen zijn hetzelfde. Ellende, verlossing en dankbaarheid is iets wat in iedere cultuur gewerkt wordt door de Heilige Geest. Ook zaken als geloof, hoop en liefde. Juist door de liefde versta je elkaar zo goed. Dat geeft een band. Dat geeft gemeenschap onder elkaar. Je krijgt dezelfde Koning lief.

Dit was de tweede les uit die rij volkeren: een eenheid ín Christus, ondanks alle verschillen.

 

En nu de derde les. Want er is nog een grotere barrière dan die van taal en cultuur. Het is deze: dat alle mensen en volken van nature in diepe onkunde leven van God en Zijn Woord. Er staat wel ‘godvruchtige mannen’, maar ik heb u uitgelegd wat dat betekent. Ze blijken toch het Evangelie niet te begrijpen. De één vraagt: ‘Wat wil toch dit zijn?’ En de ander spot. Van huis uit is ieder mens van God vervreemd. Ten diepste is hij een vijand van God, of hij nu vroom of goddeloos is. Want niemand begrijpt de dingen die des Geestes Gods zijn.

Wie kan nu zulke mensen overtuigen en inwinnen? Kan ik het geloof aanpraten?

Nee.

Kunt u het uw kinderen aanpraten?

Nee.

Kan ik iemand anders inzicht geven in de betekenis van het Evangelie?

Ja, misschien middellijkerwijs. De Heere wil ons daarvoor gebruiken. Maar alleen de Geest kan het geloof werken. Hij overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Hij ontdekt aan ongeloof en verlorenheid en ons verdorven hart. Hij brengt ons van alle eigen wijsheid en eigenwaan af. Hij verlicht je verstand, zodat je heerlijkheid gaat zien in de Heere Jezus. Hij bewerkt dat je niet meer boven een ander gaat staan, maar onder die ander. Hij maakt dat er maar één verlangen is: O, als ik toch eens mocht weten het eigendom van Christus te zijn, wat zou ik dan gelukkig zijn!

De Geest brengt je aan de voeten van de Heere Jezus.

Wat mag je daar doen?

Wel, je hoeft er niet zoveel te doen. Daar mag je alleen maar luisteren en je verwonderen. Luisteren en verwonderen, en God aanbidden en prijzen. Tot zover de derde les.

 

Voor we nu naar ons derde punt gaan, zingen we nog een keer. En nu uit Psalm 102 vers 10 en vers 11:

 

Dan, dan wordt Gods trouw verheven,

En Zijn dierb’re gunst beschreven

Voor het dankbaar nageslacht,

Dat met lust Zijn wet betracht.

’t Volk, in later eeuw geboren,

Zal Zijn macht en goedheid en horen;

Zich in Zijne roem verblijden;

Hem zijn lofgezangen wijden.

 

Dus zij ’s Heeren Naam geprezen,

En in Sion eer bewezen;

Dus hoor’ elk de vreugdestem

In het blij Jeruzalem;

Als de volken saâm vergâren,

Zich met ’s Heeren erfvolk paren;

Als de koningen zich buigen,

En Hem hun ontzag betuigen.

 

3. De verwondering over het spreken van de moedertaal

 

We lezen in vers 6b en 7 dat de menigte beroerd werd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken. En zij ontzetten zich allen en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Zie, zijn niet al dezen die daar spreken, Galileeërs?

De menigte ontzet zich, verwondert zich: Hoe kan dit? Verbazing alom! De apostelen spreken tongentaal. Het blijkt dat ze allemaal een verschillende echt bestaande taal spreken; de taal die deze Partjers en Meders, deze Elamieten en Arabieren in die ver gelegen landen waar ze geboren zijn, dagelijks spreken. Maar die apostelen zijn ongeletterde mensen, Galileeërs, en daarom zijn ze diepverwonderd.

 

Ze spreken over de grote werken van God, zo is vers 11 vertaald. Het woord ‘werken’ staat niet eens in de grondtaal. De grote… ja, waar gaat het dan om?

Wel, om de grootheid van God, de grote werken van God.

U moet niet denken dat de apostelen nu alle heilsfeiten op een rijtje zetten of dat ze hier inhoudelijk een preek houden, want dat doet Petrus straks in zijn pinksterpreek. Nee, ze spreken hier tongentaal als gave van de Geest; een gave die de Geest gebruikt om al die mensen diepe indrukken te laten ontvangen.

Wat betekent dit?

De Heilige Geest kent blijkbaar onze taal. Door de Heilige Geest hebben ze God geprezen en verheerlijkt. Daartoe heeft God die tongentaal op Pinksteren, en ook verschillende keren na Pinksteren, gegeven. Straks gaat Petrus het Evangelie verkondigen. Maar nú is het lofprijzing in de moedertaal van al die verschillende volken, waardoor de afstanden en de verschillen overbrugd worden.

Ook vandaag nog is het op het zendingsveld zo nodig om in de eigen taal het Woord van God te hebben. Vandaar Bijbelvertaling; ik denk nu even aan de Wycliffe Bijbelvertalers, die hun uiterste best doen om het Evangelie in alle talen te vertalen. Maar op deze pinksterdag in Jeruzalem worden bestaande taalbarrières even opgeheven, want het Evangelie moet naar de wereld, naar alle volken.

 

We mogen nu ook de toepassing maken naar onszelf. Waaruit bestaat die?

Wel, het Evangelie moet op een eigentijdse manier verkondigd worden; in de prediking, en in de Bijbelvertaling. Het moet gaan over een verstaanbare boodschap. Dat heeft niets te maken met aanpassing van de boodschap, want de Heilige Geest bedient Zich door middel van taal, om de boodschap van God over te brengen. Taal is communicatiemiddel bij uitstek.

Wij moeten er daarom geen soort van geheimtaal op na houden, die alleen maar door ingewijden te verstaan is. Als iemand van de straat onze kerk binnenkomt – dat gebeurt misschien maar zelden, maar het zou zomaar kunnen – dan moet hij wel begrijpen waarover we het ongeveer hebben. Je kunt nooit een boodschap aanvaarden, als je die niet begrijpt. Dat kunnen we ook leren uit dit pinkstergebeuren.

 

De vurige tongen uit vers 3 wijzen op mensentongen; net zoals de wind en het vuur zijn het pinkstertekenen. Die tongen zijn ‘verdeeld’; dit wijst op de verschillende talen en de verscheidenheid ervan. De betekenis van Pinksteren wordt nu steeds duidelijker.

Met Pinksteren breekt er een hele nieuwe periode aan in de heilsgeschiedenis. De Heilige Geest wordt uitgestort en krijgt een nieuw werkterrein; niet alleen Israël, maar de hele wereld. Daarom staat er in vers 4: Zij begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.

Tongentaal. De apostelen worden helemaal in beslag genomen door de grootheid en de liefde van God. En als de Heere daar het licht over doet opgaan, dan gebeurt er iets met de mensen die naar hen luisteren.

Dus het talenwonder is nog geen prediking; Petrus doet dat daarna pas in het Aramees over kruis en opstanding en hemelvaart. Het talenwonder is een teken dat de Geest is uitgestort; een teken dat voorbijgaat en dat dezelfde betekenis heeft als de wind en het vuur.

 

Als het bij het talenwonder zou gebleven zijn, zou de één twijfelmoedig en de ander spottend naar huis zijn gegaan. Maar het blijft niet bij dit wonder. Het dient ertoe om de hoorders samen te brengen, om ze in verwondering te brengen; een toeleidende weg van God om het Evangelie te gaan horen.

Het gaat om wat er daarna komt! Het gaat om de prediking van Petrus; het grote, het heerlijke en blijvende effect van het pinkstergebeuren. De prediking van het Woord door de Heilige Geest. De grote werken, de daden, van God. Daarin openbaart God dat Hij Zijn discipelen vervuld heeft met de Heilige Geest. De verheerlijkte Christus maakt Zijn discipelen tot getuigen van Zijn liefde. En de Geest zal dat Woord wel indragen in de harten van de hoorders. Daarom bidden wij daar elke zondag om.  

 

We zien dat de ontzetting en verwondering vanwege het talenwonder onder de prediking van Petrus overgaat in verlegenheid en verslagenheid. Want Petrus predikt Christus en Zijn onbegrijpelijke zondaarsliefde, Zijn vernedering tot in de dood, en Zijn verhoging, en dat Hij de toorn van God gedragen heeft. Maar ook dat Hij ten hemel gevaren is.

Alles zit in die pinksterpreek. De Heilige Geest gebruikt het om verootmoediging te werken in de harten van mensen; een vernedering voor Gods aangezicht. Het breekt hun harten. Ze worden verslagen en roepen: Wat zullen wij doen, mannen broeders?

Ze krijgen de schuld naar zich toe, gewerkt door de Heilige Geest. En dan zijn er die het woord van Petrus graag aannemen, en die Christus in dat woord aannemen. Ze worden gedoopt in de Naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden.

Gemeente, dit gebeurt allemaal door de prediking. Wat is God groot!  

 

Na het spreken in tongen, in die verschillende talen, zeggen de mensen: Wat wil toch dit zijn? Maar na de pinksterpreek van Petrus roepen ze: Wat moeten wij doen, mannen broeders? Zij hebben de schuld naar zich toe gekregen. Ziet u het verschil? Het gaat niet om het bijzondere, maar om het gewone, om de middelen die God gebruikt. Dan is er de vraag: Wat hebben wij met het Evangelie gedaan? We hebben zo vaak Pinksteren gevierd. Zoveel preken gehoord. In de Bijbel gelezen. In onze eigen taal!

Heeft u weleens echt geloofd wat de Heere spreekt? Bent u toen door de kracht van de Geest omvergeworpen? Als een verloren zondaar gebracht aan de voeten van de Heere Jezus?

Om getroost te zijn voor nu en voor eeuwig zullen we dat toch moeten kennen. Dan word je in vuur en vlam gezet voor de dienst van God. Anders blijft het zo koud en zo donker in je leven.

 

We kunnen de Heilige Geest ook bedroeven en tegenstaan door zelfhandhaving en ongeloof. Er zijn zoveel kaalvreters waardoor het christelijk geloof niet kan opbloeien, maar ondergraven wordt. Kaalvreters, waardoor ook veel kerkmensen zich verliezen aan materialisme en decadentie. Wat ons wegvoert van God. Snapt u wat ik bedoel?

Ik bedoel die kaalvreters waarover Joël spreekt. Die rups, die sprinkhaan, die kever en die kruidworm, zij zorgen ervoor dat de oogst niet kan worden binnengehaald. Ze hebben alles kaalgevreten. Het veld is verwoest, de boeren zijn beschaamd, de wijnstok is verdord en de vijgenboom is flauw geworden vanwege die grote droogte.

Wat moet er dan gebeuren?

Wel, dat ongedierte moet uitgeroeid worden. En de stromen van levend water moeten de dorstige aarde doordrenken.

Maar nu zijn er ook zoveel kaalvreters op de akker van de kerk. Sluipend komen ze binnen: geld, macht en media die al uw tijd opslokken. Andere ethische normen over huwelijk en gezin, zeg maar: gelijkvormigheid aan deze wereld. Op deze wijze wordt de Geest bedroefd en tegengestaan. De bladeren worden opgegeten en de vruchten blijven uit.

Er zijn ook vroom schijnende rupsen en kevers die het bladgroen van het Evangelie wegvreten en de droge nerven overlaten. Dan smaakt het niet meer. Dat gebeurt als Christus en Zijn kruis uit het middelpunt verdwijnen en er alleen maar bevindingen worden uitgestald. Alsof die ons geloof zouden moeten voeden. Maar dan is er geen groei en geen bloei in het geloofsleven. De zekerheid wordt gemist. De vreugde ontbreekt. Je wordt op jezelf teruggeworpen. Alles piept en kraakt door gebrek aan olie; de olie van de Geest. Dan wordt alles zo dor en kaal, zo droog en doods in je leven.

En het maakt niet uit wíe er kaalvreet. Of dat nu seculiere sprinkhanen zijn of  ultraorthodoxe, zwarte, enge kevers.

 

Joël schrijft verder: ‘Blaast de bazuin! Mensen, word wakker!’

Wat is er aan de hand?

Laat de priesters als dienaars van de Heere tussen het voorhuis en het altaar komen en laat ze zeggen en bidden: ‘Heere, spaar Uw volk en geef Uw erfenis niet over aan de versmaadheid.’ Op dat smekend gebed zal de Heere antwoorden, zo staat het in Joël: ‘Ik zal Mijn Geest uitgieten over alle vlees. Mijn zonen, Mijn dochters, Mijn ouderen…’

Gemeente, vandaag blaast God de bazuin. Bij Joël kunnen we het lezen: ‘Roept een vasten uit.’ Want waar zijn we als gemeente? Waar staan we als kerk? Wat doen we in de wereld?

Gode zij dank is er Zijn genade waardoor we leven mogen.

De profeet roept: ‘Scheurt uw hart en niet uw klederen. Het gaat niet om al die uiterlijke dingetjes, maar om je hart. Roept een vasten uit. Laten we ons bekeren tot de Heere, onze God, want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid.’

Weet u wat er dan gebeurt?

Dan wordt de profetie van Joël over de Heilige Geest ook in ons vervuld. Laten we bidden of de Heere daarmee door wil gaan. Dan zullen we het meemaken. Dan zal het gebeuren dat wie dan ook van u – jongens en meisjes, kinderen, vaders en moeders, bejaarden – ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zalig zal worden.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 72:10

 

Dan zal, na zoveel gunstbewijzen,

’t Gezegend heidendom

’t Geluk van deze Koning prijzen,

Die Davids troon beklom.

Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen,

Bekleed met mogendheên

De Heer’, in Israël geprezen,

Doet wond’ren, Hij alleen.