Ds. K. de Gier - Numeri 24 : 17

De profetie van Bileam

Numeri 24
De tijd wanneer Hij komen zal
Hij komt met een heersersgestalte
Hij komt met een zekere overwinning over Zijn vijanden

Numeri 24 : 17

Numeri 24
17
Ik zal hem zien, maar nu niet; ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij. Er zal een ster voortkomen uit Jakob, en er zal een scepter uit Israel opkomen; die zal de palen der Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 130: 3, 4
Lezen : Numeri 24: 1-22
Zingen : Psalm 45: 1, 2, 3
Zingen : Lofz. v. Zacharias: 4, 5
Zingen : Psalm 89: 8

De tekst voor onze adventsdienst is Numeri 24 vers 17:

 

Ik zal Hem zien, maar nu niet; ik zal Hem aanschouwen, maar niet nabij. Er zal een ster voortgaan uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de palen der Moabieten verslaan en zal al de kinderen van Seth verstoren.

 

Het onderwerp van de preek is: De profetie van Bileam.

 

Gemeente, in de adventsdagen bepalen wij ons vaak bij profetieën in het Oude Testament die heenwijzen naar de komst van de beloofde Verlosser Jezus Christus, het Woord dat vlees zal worden. Het kwam in vervulling, toen Hij geboren werd in de kribbe van Bethlehem. Daar kwam openbaar dat God getrouw is, al gaat de weg van de vervulling van de beloften vaak door onmogelijkheden heen.

Niet alleen is de belófte van goddelijke oorsprong, maar ook de vervúlling zal door de Heere Zelf moeten geschieden. Zeker, de kerk van het Nieuwe Testament eindigt niet in de kribbe van Bethlehem, want wij weten het: Hij ís gekomen en Hij lág in de kribbe, maar óók: Hij is opgestaan uit de doden en Hij leeft en zal eenmaal weerkomen om te oordelen de levenden en de doden.

Hij zal komen om het Koninkrijk dat Hij verworven heeft met de vleeswording van het Woord eeuwig met Hem in de hemel te brengen. En het rijk van de duisternis zal Hij wegstoten in de poel die brandt van vuur en zwavel.

 

Eén van deze teksten die gaan over de komst van Christus, is de profetie van Bileam over de ster die zal oprijzen uit Jakob. Ik wil u bij drie gedachten bepalen, die wij in onze tekst kunnen lezen:

1. De tijd wanneer Hij komen zal

2. Hij komt met een heersersgestalte

3. Hij komt met een zekere overwinning over Zijn vijanden

 

1. Allereerst wordt er gesproken over de tijd waarin Hij zal komen, want zo zegt Bileam: Ik zal Hem zien, maar nu niet; ik zal Hem aanschouwen, maar niet nabij.

2. In de tweede plaats lezen wij dat Hij komt met een heersersgestalte, want zo staat er: Er zal een ster voortgaan uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen.

3. In de derde plaats zien wij dat Hij komt met een zekere overwinning over de vijanden, want zo zegt de tekst: Die zal de palen der Moabieten verslaan en zal al de kinderen van Seth verstoren.

 

1. De tijd wanneer Hij komen zal

 

Gemeente, het volk van Israël lag gelegerd in de vlakke velden van Moab in het Overjordaanse. De Heere had het volk dicht bij de Jordaan gebracht en binnenkort zal het aan de overzijde de heerlijkheid van het beloofde land ontvangen. Het rijk van de Amorieten onder koning Sihon is verslagen, evenals Og, de koning van Basan. En zal nu Moab het land zijn dat Israël zal beletten om in te trekken in het beloofde land?

Wij weten het: Balak, de koning van de Moabieten, heeft Bileam ingehuurd, een heidense tovenaar en profeet. Hij zal Israël moeten vervloeken zodat zijn strijdbaarheid vernietigd wordt en het onoverwinbare Israël toch verslagen kan worden. Inmiddels heeft Bileam het volk al driemaal gezegend in plaats van vervloekt. In plaats van een vloek heeft hij een zegen over Israël uit moeten spreken.

 

Wat God zegent, zal dat door een mens vervloekt kunnen worden? Natuurlijk, mensen kunnen veel zeggen, maar ik bedoel nu in werkelijkheid: wat God zegent, zal dat door de mens vervloekt kunnen worden? Waar de zegen van de Heere aan verbonden is, welk mens zal die zegen kunnen beletten? Niemand!

Waarom kon Bileam de vloek niet over Israël uitspreken? En waarom was Israël een gezegend volk? Niet omdat de Israëlieten beter waren dan de Moabieten of de Edomieten! Ik kom daar later nog op terug.

Integendeel, veertig jaar lang heeft dat volk in de woestijn getoond wat voor mensen zij waren. Na alles wat zij uit de hand van God ontvangen hadden bij de verlossing uit Egypte. Zij hebben laten zien wie zij waren – maar waarom dan tóch een gezegend volk? Wel, om dat wat Bileam hier in onze tekst zegt, namelijk vanwege de komende Verlosser, de ster die uit Jakob zal opkomen: Ik zal Hem zien, maar nu niet; ik zal Hem aanschouwen, maar niet nabij.

De zegen van Israël was verbonden aan de Verlosser Die zou komen, de beloofde Zaligmaker. Daar was de zegen aan verbonden. Daarom kon Bileam hen niet vervloeken, maar moest hij hen zegenen. Daarom kon Bileam alleen maar zeggen: Ik zal Hem zien, maar nu niet; ik zal Hem aanschouwen, maar niet nabij. Daar hebt u nu dat eeuwig wonder, dat vrijmachtig welbehagen dat de Kerk, die door de verkiezende genade verbonden is aan Christus, niet vervloekt kan worden.

 

Zeker, het is wel een vloek dat zij de verdrukking van de wereld moet ondergaan. Christus heeft het ook gezegd: In de wereld zult u verdrukking hebben, maar ook: Hebt goede moed, want Ik heb de wereld overwonnen (Joh. 16:33).

Zij heeft de strijd tegen een driehoofdige vijand: de duivel, de wereld en het eigen vlees. Maar het is een volk dat ligt in de verkiezende genade van Christus, en daarom kan er geen vervloeking over worden uitgesproken. Daarom kon ook Bileam niets anders doen dan de zegen over het volk uitspreken. Hij is de profeet die nu door de Heere gebruikt wordt om een boodschap van troost en welbehagen te prediken voor Israël dat daar gelegerd is op de vlakke velden van Moab.

 

Gemeente, wij staan hier voor een goddelijk wonder. Deze man is een vijand, een profeet van heidense oorsprong, maar God gebruikt hem door de Heilige Geest. Bileam zegt het zelf, in vers 16: De hoorder der redenen Gods spreekt en die de wetenschap des Allerhoogsten weet; die het gezicht des Almachtigen ziet, die verrukt wordt en wien de ogen ontdekt worden.

Koning Balak mag dan kwaad zijn, en verstoord, maar Bileam kan niet anders. Hij is door de Geest gedreven, hij móet de profetie uitspreken, de zegen over Israël, de komst van de Zaligmaker en Verlosser. Hij is de profeet die ook nu, op dit moment, de Kerk nog mag vertroosten met zijn woorden: Hij komt zeker, Hij zal zeker komen. Want, zegt Bileam, ik zie Hem, maar nu niet. Hij komt, al is Hij er nog niet, Hij zal zeker komen. Psalm 105 vers 8 zegt: Hij gedenkt Zijn verbond tot in der eeuwigheid.

 

Wij hebben hier inderdaad met een raadsel te maken, maar het is toch tegelijkertijd ook een waarschuwing aan ons: je kunt dienstbaar zijn voor de kerk, maar toch zelf de persoonlijke genade missen. Dat kan! Kijk maar hier, bij Bileam. Door het uitspreken van deze profetie is hij door God dienstbaar gemaakt voor de Kerk van alle eeuwen; dienstbaar en toch zelf buiten de persoonlijke toepassing van de Heilige Geest in zijn eigen hart.

Wij lezen iets dergelijks ook in het Nieuwe Testament van de hogepriester Kajafas. Ook hij sprak een woord van rijke inhoud voor de Kerk: En gij overlegt niet dat het ons nut is, dat één Mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga (Joh. 11:50). En Johannes schrijft er dan bij: En dit zeide hij niet uit zichzelven; maar zijnde hogepriester deszelven jaars, profeteerde hij dat Jezus sterven zou voor het volk (Joh. 11:51). Hij sprak het ambtelijk uit. En deze waarheid is zo’n rijke troost voor de Kerk: het is beter dat één man sterft, dan dat het hele volk verloren zal gaan.

Denk ook aan Hebreeën 6, waar gesproken wordt van mensen die de hemelse gaven gesmaakt hebben, die verlicht zijn geweest, die, staat er zelfs bij, de Heilige Geest deelachtig zijn geworden. De Heilige Geest deelachtig geweest, het goede woord van God gesmaakt, en toch verloren gaan.

 

Bileam ontvangt wel de profetische geest, maar hij kent niet de priesterlijke bediening van Christus door de Heilige Geest in zijn eigen hart. Hij heeft persoonlijk geen deel aan de gemeenschap van Christus. Vroeger zei men wel eens: ‘Het zijn dode handwijzers’; wel dienstbaar voor de Kerk, maar zelf een dode handwijzer. Een waarschuwing voor ons, om te onderzoeken of wij ook tot die levende gemeente behoren en de bediening van Christus in ons eigen hart kennen.

Een profetische verlichting is nog geen priesterlijke bediening, een toepassing door de Heilige Geest in het hart.

 

Deze Bileam móet het zeggen, ook al is Balak nog zo kwaad. Hij kán niet vloeken, Israël zal gezegend worden! Het volk, op weg naar het beloofde land, door de Heere uitgeleid uit de woestijn, doorgegaan door de Rode Zee, datzelfde volk zal nu door de Jordaan naar Kanaän gaan, want God is getrouw, onveranderlijk, voor dat volk dezelfde gebleven. Het was niet om hun goed gedrag, integendeel. Maar dat is het woord der waarheid. Hij gedenkt Zijn verbond tot in der eeuwigheid.

En waar ligt dat verbond nu in vast? Wel, in de Zaligmaker die later in de kribbe van Bethlehem zou liggen. Johannes de Doper zal Hem aanwijzen bij de Jordaan: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt! (Joh. 1:29).

Christus zal komen in het volk Israël en prediken: Ik ben het Licht, Ik ben de Weg, Ik ben de Waarheid. Ik ben de goede Herder, hoor Mijn stem; en mijn schapen zullen Mij horen.

Zo wordt de profetie van Bileam vervuld. De engelen zullen zingen in de velden van Efratha: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen (Luk. 2:14).

 

Bileam zei het: Ik zal Hem zien, maar nu niet; ik zal Hem aanschouwen, maar niet nabij. Maar Hij komt wel! En daarom kon Israël niet omkomen. En zo zal er nu ook altijd een volk zijn dat óók uitziet, maar dan gaat het nu niet meer om de geboorte van de Zaligmaker in de kribbe, maar dan gaat het om de geboorte, de toepassing, de vrucht ervan, in het eigen hart.

Een volk dat, evenals dat Joodse volk toen, uitziende was naar de vervulling van de belofte. Een volk dat ook wel eens iets geproefd mag hebben van Gods goedertierenheden, van de zoetheid van de genade voor een schuldig, zondig, verloren en veroordeeld volk. Er zijn wel ogenblikken dat hun hart vervuld is met de goedertierenheden van God, maar zij moeten ook zeggen: ‘Zijn komst alleen is het die mijn heil kan vervullen.’

 

Wel, hier staat het: Bileam zegt het, het kan nog even duren, maar zeker, Hij komt! Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven (Hab. 2:3).

Ook al draalt Hij en lijkt het lang te duren, blijf wachten, want Hij komt zeker! Dat volk verlangt naar die gemeenschap met Christus. Dat is zo verlangend naar Hem in Zijn helderheid en Zijn schoonheid, Hem met de ogen van het geloof te mogen ontmoeten. Ja, het is wel eens met hoop vervuld, en vaak moet het Zijn komst verwachten, maar hier staat het en Bileam zegt het: ‘Hij komt, maar niet nu – later; ik zie Hem – maar in de toekomst. Maar zeker, kómen zal Hij!’

 

Gemeente, als Bileam daar staat en voor de vierde keer zijn woord spreekt, is dat wéér een zegen over het volk van Israël. Het is onze tweede gedachte:

 

2. Hij komt met een heersersgestalte

 

Bileam is daar van vervuld en hij zegt: Er zal een ster voortgaan uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen. In de geest ziet hij deze persoon in een luisterrijke en heerlijke waardigheid. Hij ziet hem in een schittering, zó glansrijk, dat hij uitroept: Er zal een ster voortgaan uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen.

Een ster uit Jakob… Jakob, die op zijn sterfbed zijn zoon Juda mag aanwijzen: Juda, gij zijt het (Gen. 49:8). Uit u zal Mij voortkomen Die een Heerser zal zijn in Israël (Micha 5:1).

Straks komt uit de lijn van Jakob het koninklijk geslacht van David. En dan zal aan David de belofte gedaan worden dat zijn huis altijd iemand zal hebben die op de troon zal zitten, Jezus Christus en Die gekruisigd. De Heere heeft Jakob liefgehad en uit Jakob zal die Zaligmaker en Verlosser komen. En als Bileam Hem hier tekent, dan is dat als ‘de ster van Jakob’. Ja, dat zal Hij zijn, de blinkende Morgenster. De blinkende Morgenster die zijn licht zal laten schijnen in de duisternis.

 

Er ligt in het beeld dat Bileam gebruikt ook nog een oosters accent. In het oosten werden de koningen en heersers wel aangeduid met een embleem van een ster of een zon. Op die manier werd het heerlijke, het luisterrijke en het blinkende van het koningschap aangeduid. Zo wordt ook in die ster van Jakob de Zaligmaker aangeduid in Zijn koninklijke waardigheid, heerlijkheid en heerschappij.

 

Er is over een ster heel wat te zeggen. En over die blinkende Morgenster nog veel meer. Allereerst zou ik willen wijzen op het beeld van onvergankelijkheid, van vastheid. Sterren aan de hemel geven ons een beeld van eeuwigheid, van zekerheid, van vastheid. U kent het verhaal van Abram wel. Als Abram troosteloos is omdat hij nog geen kind heeft, dan zegt de Heere: ‘Kom Abram, ga maar eens mee naar buiten.’ En dan moet Abram in die heldere, oosterse nacht naar de hemel kijken en de sterren proberen te tellen. En dan zegt de Heere: ‘Abram, zo zullen ook je nazaten zijn. Ik ben je een Schild, je Loon zeer groot.’

Zo was het beeld van al die sterren, die machtige sterren aan de oosterse hemel, het beeld van onvergankelijkheid, van de vastheid van de belofte. God vervult Zijn beloften, door het onmogelijke heen. Die blinkende Morgenster, dat is Jezus Christus. En als Hij Zijn Koninkrijk op de aarde bouwt, dan doet Hij dat in de harten van Zijn kinderen door de Heilige Geest. Dan is dat koninkrijk een onvergankelijk, een eeuwig Koninkrijk.

 

U weet wel wat men over aardse koninkrijken zegt: het is opgaan, blinken en verzinken. Maar het Koninkrijk van Jezus Christus is heel anders. Als het komt, dan is dat niet met uiterlijke pracht. Hij heeft het Zelf gezegd als antwoord op de vraag van Pontius Pilatus: Zijt gij dan een Koning? (Joh. 18:37). ‘Ja,’ zei Christus, ‘maar Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.’ Zijn koninkrijk komt niet met machtig oorlogsmaterieel, maar met het machtigste wapen, machtiger dan wat ook ter wereld, namelijk met de kracht van de Heilige Geest. Dat is het rijk van Koning Jezus. Wij hebben het al gezongen uit Psalm 45: Rijd voorspoedig in Uw heerlijkheid, op het Woord der waarheid (Ps. 45:5).

 

Mensen kunnen diep afdalen in de zee, en mensen kunnen de maan bereiken. Maar een mens bekeren? Dat zal de techniek nooit voor elkaar kunnen krijgen. Een mens verlossen uit de klauwen van satan en in de hemel brengen? Wel, dat doet nu die Koning, die blinkende Morgenster. Hij heeft de macht, want Hij spreekt en het is er; en Hij gebiedt, en het staat er.

Die blinkende Morgenster maakt Zijn Koninkrijk op de aarde van mensen; van onwillige, zondige en schuldige mensen. Noem maar op. Wij hoeven nu niet naar elkaar te kijken, de vinger niet uit te steken, maar alleen maar naar onszelf te kijken. Want wij allen missen de heerlijkheid van God van nature, zegt Romeinen 3. Alle zaden van boosheid zijn in ieders hart te vinden. Laten wij allen maar alleen naar onszelf kijken. Ontdekkende genade léért een mens in zichzelf te blikken.

En toch, die Koning Jezus, Hij verbreekt de vijandschap in de harten. Hij zegt: ‘Ik zal Mij een volk formeren dat Mijn lof zal verkondigen, en Ik zal maken dat zij in Mijn wegen zullen wandelen.’

Dat Koninkrijk van die ster van Jakob, dat is dat onvergankelijke, eeuwige Koninkrijk dat straks alle koninkrijken zal overwinnen.

 

Ik wil ook nog op een ander aspect wijzen, namelijk dit: een ster was vooral in de donkere nacht voor de scheepvaart belangrijk voor de navigatie. Vandaag de dag is dit met de moderne instrumenten anders. Maar in het verleden was de poolster van belang. Gedurende de nacht lijken alle sterren in een baan om de pool heen te draaien. De poolster beweegt vrijwel niet, zodat hij altijd op dezelfde plaats aan de hemel te vinden is.

En, gemeente, dat is nu ook zo bij de Kerk van God. Die heeft ook een poolster. En dat is Jezus Christus. Dat is nu die ster die opgaat, de poolster van de Kerk, want Hij is vast en zeker. En weet u, als dat zwakke, neergebogen, ellendige volk soms de weg niet meer weet, en alleen nog maar kan zeggen: ‘O, Heere, Uw licht, Uw genade, Uw hulp alleen kan mij nog leiden’, dan is die Morgenster, die ster uit Jakob, de poolster voor de Kerk.

Want als zij dan op Hem mogen zien, dan wijst Hij de weg.

 

Hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen,

Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.

 

Juist in die donkere nachten, in die ogenblikken van duisternis… Want de ware kinderen van God kunnen niet geloven op bestelling en niet zomaar aannemen. Integendeel, zij moeten altijd weer de bediening van de hemel ontvangen. De vertroostingen, de oplossingen, moeten van de hemel komen. En toch, gemeente, die poolster schijnt, juist in de donkerheid. Juist Hij is het Die de weg wijst die zij hebben te gaan, die zij mógen gaan.

Ja, zij kijken er wel eens langs, en zij varen wel eens op hun eigen kompas en dan loopt het meestal fout. Maar als zij dan weer naar Hem mogen zien, en Hem weer in het oog krijgen, dan staat Hij daar altijd weer klaar. David zegt het in Psalm 72: Want Hij zal de nooddruftige redden, die daar roept; mitsgaders de ellendige, en die geen helper heeft.

Hij zal de arme en nooddruftige verschonen, en de zielen der nooddruftigen verlossen (vers 12 en 13). In die stikdonkere nacht, als hun oog weer eens geopend wordt, dan mogen zij Hem zien, Jezus Christus, de ster die hun harten verlicht.

 

De ster zou ik ook nog het beeld van reinheid kunnen noemen, van schoonheid en schittering. Is er ooit een beeld dat meer hiervan spreekt dan een ster in de nacht? Is er op aarde één te vinden die te vergelijken is met de blinkende Morgenster, Jezus Christus en Die gekruisigd? Zijn reinheid en heerlijkheid, Zijn glans en schittering zijn niet te evenaren.

En wij zien die reinheid meer en meer, naarmate wij onze eigen onreinheid zien, en naarmate wij door ontdekkende genade de verdorvenheid in eigen hart leren kennen. Als wij beseffen dat wij de gemeenschap met God zijn kwijtgeraakt door de zonde in het paradijs, in de duisternis terecht zijn gekomen in plaats van in die blinkende, heerlijke gemeenschap met God.

De weg die Christus gaat, gaat altijd door de weg van Adam, daar moet u maar op letten. De bediening van de Heilige Geest is altijd zo, dat de Heere de Kerk eerst leidt naar de eerste Adam, en van de eerste Adam gaat het naar de tweede, dat is Jezus Christus. Het gaat van de duisternis naar het licht, van de donkerheid van het eigen hart, de schuld en de zonde, naar Hem Die blank en rood is en de banier draagt boven tienduizend, Jezus Christus en Die gekruist.

 

Ja, aan Hem was geen vlek en rimpel. Zeker, ik weet het… En misschien bent u mij wel voor en zegt: ‘Ja, maar Jesaja 53 dan? Daar staat toch dat er geen gedaante of heerlijkheid aan Hem was dat wij Hem begeerd zouden hebben?’ Jazeker, dat staat er, en dat was ook zo voor het natuurlijk oog. Voor die mensen die wel de broden van Christus wilden hebben, die Hem achterna gingen om er beter van te worden, voor de wereld. Maar er was ook een volk voor wie het anders was.

Dan denk ik al aan het kerstfeest dat komen zal, aan Simeon die van dat licht en die glans mocht zingen dat in Hem te vinden is. En dan denk ik aan de apostelen die later zullen zeggen: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader), vol van genade en waarheid (Joh. 1:14).

 

Gemeente, dat was door de Heilige Geest ontstoken, en dat ging verder dan Bileam. Bileam predikt hier voor de kerk van God dat er een ster zal komen, dat er een scepter uit Israël zal opgaan. Maar de discipelen die door Gods genade aan Zijn voeten gebracht werden, aan hen werd het zaligmakend geopenbaard. Zij mochten buiten zichzelf op Hem zien, en dan zeggen zij: Ja, wij zagen door die menselijke natuur Zijn goddelijke heerlijkheid en Zijn goddelijke glans en Zijn reinheid.

Was Hij het niet Die kon zeggen: Wie van u overtuigt mij van zonde? (Joh. 8:46) Zeker, de Vader legde alle zonde op Hém, maar Zelf heeft Hij geen zonde gedaan, o, Hij is die blinkende Morgenster, Jezus Christus en Die gekruisigd, de scepter die uit Israël zal opkomen.

 

Bileam zag een koninklijke gestalte opdoemen. Een scepter is een symbool van macht, van regering, van wetgeving. Als een scepter, een regeerscepter, zo zal Hij komen, zo ís Hij gekomen. De kerk heeft nu Christus als koning. En weet u waar Zijn rijk op gebouwd is? Op recht en gerechtigheid. Als Christus Zijn heerschappij uitoefent en Hij de koninklijke Heerser van de kerk is, dan is Zijn Koninkrijk gebouwd op die fundamenten Zo heeft Christus Zijn koningschap verkregen, door recht en gerechtigheid, doordat Hij Zelf de dood is ingegaan en onder het oordeel van de wet is gekomen. Geboren uit een vrouw, gesteld onder de wet, de dood ingegaan en vanuit de dood verrezen.

En dan zegt de Vader: ‘Hier hebt U alle macht van Mij, in hemel en op de aarde.’ En dan zegt Christus tot troost tegen de kerk: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matth. 28:18).

En wat betekent dat nu? Dat dit een Koninkrijk zonder belasting is. Hij heeft de schatkist Zélf gevuld met Zijn eigen bloed. U weet het, de schatkist is altijd leeg, want er zit niets in. Mensen moeten die schatkist vullen, daarom moeten wij belasting betalen en soms wordt dat op onverantwoorde wijze uitgegeven. Maar Koning Jezus heeft een rijke schatkist, die Hij Zélf gevuld heeft met Zijn eigen bloed en weldaden.

In Zijn Koninkrijk brengt Hij alles mee. Het is een Koninkrijk dat gebouwd is op recht en gerechtigheid.

 

En wat wil Hij van Zijn onderdanen hebben? Dat zij zich geheel aan Hem onderwerpen, niet omdat het moet, maar omdat zij niet anders willen, uit liefde. Hij wil dat zij Hem vertrouwen op Zijn woord en in Hem geloven als de enige Zaligmaker der wereld.

En gemeente, Hij weet dat wij dat ook niet hebben; u hebt het niet, ik heb het niet, niemand heeft dat van nature, maar ook dat brengt Hij mee. Hij geeft dat, en daarom heeft Hij op de dag van Zijn heerkracht een gewillig volk. Daarom loopt het Hem achterna, heeft Hem lief, en wil Hem dienen. Niet omdat het moet, maar het gewillig volk bidt of het in Zijn voetstappen mogen gaan.

En door het geloof dat Hij bedient in hun harten vertrouwt het Zijn woorden en zegt het: Heere, tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh. 6:68).

 

Hij is de Zaligmaker Die gehoorzaamheid eist, ja, dat wil Hij; maar in de harten van Zijn volk is er toch een verlangen, niet om naar één van de geboden, maar om naar ál Gods geboden te leven. Het gebed is: ‘Lieve Heere Jezus, haal de zonde maar uit mijn hart, ban ze er maar uit, geef maar genade, opdat ik met evangelische liefde voor U vervuld mag zijn en niet de wereld mag dienen.’

Roem, wereld, uw schatten! Gij kunt niet bevatten, hoe rijk ik wel ben. ‘k Heb alles verloren, maar Jezus verkoren, Wiens rijkdom ik ken.

Van die blinkende Morgenster, die scepter uit Israël - Hij is het Die Bileam aanprees.

 

Laten wij voordat wij verder gaan met onze derde gedachte eerst zingen van dat licht, uit de Lofzang van Zacharias vers 4 en 5:

 

Dus wordt des Heeren volk geleid,

Door ‘t licht, dat nu ontstoken is,

Tot kennis van de zaligheid,

In hunne schuldvergiffenis;

Die nooit in schoner glans verscheen,

Dan nu, door Gods barmhartigheên,

Die, met ons lot bewogen,

Om ons van zond’ en ongeval t’ ontslaan,

Een ster in Jakob op doet gaan,

De zon des heils doet aan de kimmen staan.

 

Voor elk die in het duister dwaalt,

Verstrekt deez’ zon een helder licht,

Dat hem in schaûw des doods bestraalt,

Op ‘t vredepad zijn voeten richt.

 

3. Hij komt met een zekere overwinning over Zijn vijanden

 

Balak wilde dat Bileam Israël zou vloeken, maar de Heere zei tegen Bileam: ‘Nee, je moet Israël zégenen en Móab vloeken.’ Wij vinden het in onze tekst, waar wij lezen: Die (die scepter, die blinkende Morgenster) zal de palen der Moabieten verslaan en zal al de kinderen van Seth verstoren. De Heere draait het om: Bileam moet niet Israël vervloeken, maar Moab.

 

Gemeente, dat is het woord van God, een woord dat waar is. Dat is een vloek die ook voltrokken wordt, want als God vloekt, dan wordt dat ook voltrokken. Mensen kunnen ook wel vervloeken, maar dat kan een lege vervloeking zijn. Maar als God Zijn vloek uitspreekt, dan wordt die volvoerd. Zo ook met Moab. David zal later de Moabieten onderwerpen. Na Achabs dood komen zij weer vrij. Maar later worden de Moabieten en de Amonnieten van de kaart geveegd. Zij zijn niet meer te vinden tot op de dag van vandaag. Ze zijn weggevaagd, maar Israël bestaat nog.

Moabieten en de Amonnieten zijn afstammelingen van de dochters van Lot. Zij waren dus verwanten van Israël, maar juist zij waren vol van haat en venijn. Maar de Heere zou ze verdoemen, dat is nu het oordeel dat Christus zou voltrekken.

 

En dan staat er nog bij, aan het einde van de tekst: En zal al de kinderen van Seth verstoren, dat wil zeggen: verbreken.

Met ‘de kinderen van Seth’ kan bedoeld worden: alle nakomelingen van Seth, de zoon van Adam. Dat is dus de hele wereld die straks onder het oordeel zal worden gebracht. ‘Seth’ kan ook vertaald worden met ‘rumoermaker’. Mensen die krijgsrumoer veroorzaken, die denken dat zij goed tegen God kunnen vechten en staande blijven.

Maar, zoals Johannes het tekent in Openbaring, Christus zal met de adem van Zijn mond de vijanden verdelgen en verslaan. Alles zal ten onder gaan en geveld worden voor die ster uit Jakob, voor die scepter uit Israël.

En, gemeente, in dat oordeel zullen ook wij betrokken worden. Ik bedoel dit: die ster van Jakob, die blinkende Morgenster, komt straks op de wolken om te oordelen de levenden en de doden. En dan zullen alle geestelijke Moabieten en Amonnieten, allen die niet hebben willen buigen voor Koning Jezus, met de adem van Zijn mond voor eeuwig worden weggestoten in de poel die brandt van vuur en zwavel. Hij zal de palen der Moabieten verslaan, en Hij zal de kinderen van Seth verstoren, allen die vijand zijn.

En weet u wat Hij nu ook kan? Dat wordt nu het wonder (ik heb er al op gezinspeeld): die ster van Jakob, die Koning van Israël, kan die geestelijke Moabieten veranderen, Hij kan hen van vijanden tot vrienden maken. Dat is het heden van de genade. Geestelijke ordeverstoorders, geestelijke vechters tegen God, Hij kan ze nog aan Zijn voeten leggen zoals Saulus. Een wolf kan Hij maken tot een lam, want Hij spreekt en het is er; Hij gebiedt en het staat er.

 

Maar één ding is zeker: wie zich niet aan Hem onderwerpt, zal eeuwig omkomen en verloren gaan. Balak mag dan mopperen op Bileam, en hij mag kwaad zijn op hem, hij zal het van Christus voor eeuwig verliezen, van de grote Davidszoon Die komt.

 

Gemeente, wij zijn nog in het heden van de genade, en nu wordt Hij nog gepreekt als de Verlosser, die ster uit Jakob in de donkere nacht. Zo’n volk dat woont in de schaduw van de dood, dat in de duisternis neerzit, dat is een licht opgegaan. Een licht, zo groot en schoon, dat is de Zaligmaker Jezus Christus.

Jezus Christus als de Opgestane – de scepter gaat van Hém uit. En aan de zaligmakende bediening is ook de koninklijke bediening van Christus verbonden. Wat is dat? Wel, dat is dat wij onze wapens verliezen, dat wij aan Zijn voeten mogen komen en dat wij op Hem mogen zien. Dan heeft de Kerk een Koning, zo schoon, zo heerlijk, zij wil geen andere koning hebben. Dan mag zij achter Hem aan gaan, op Hem zien, die Zaligmaker en Verlosser, Jezus Christus en Die gekruisigd.

Die blinkende Morgenster zal verschijnen en zal maken dat ook Zijn volk straks met Zijn heerlijkheid bekleed is, zonder vlek en zonder rimpel, eenmaal verlost van alle zonde, en van de strijd en van de aanvallen van de Moabieten en de Ammonieten en noem ze maar op. Eenmaal verlost van alle vijanden van de Kerk mag zij boven zijn met Hem drie-enig. Om Hem toe te brengen alle lof, en alle aanbidding, en alle dankzegging, van nu aan tot in eeuwigheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89:8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

Wij steken ’t hoofd omhoog, en zullen d’ eerkroon dragen

Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Isrels God gegeven.