Ds. J.S. van der Net - 2 Korinthe 13 : 5

Een ernstige oproep van Paulus tot zelfonderzoek

De aanleiding tot deze oproep
De inhoud van deze oproep

2 Korinthe 13 : 5

2 Korinthe 13
5
Onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven. Of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 66: 4
Lezen : 2 Korinthe 13
Zingen : Psalm 139: 1, 2, 14
Zingen : Psalm 10: 2
Zingen : Psalm 119: 8
Zingen : Psalm 26: 8

Het Schriftgedeelte van onze overdenking, dat tevens dient als uitgangspunt voor de voorbe­reiding op de viering van het Heilig Avondmaal, vindt u in 2 Korinthe 13 vers 5:

 

Onderzoekt uzelven of gij in het geloof zijt, beproeft uzel­ven. Of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? Tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt.

 

Gemeente, deze tekst bevat: Een ernstige oproep van Paulus tot zelfonderzoek.

 

We staan stil bij twee aandachtspunten:

1. De aanleiding tot deze oproep

2. De inhoud van deze oproep

 

1. De aanleiding tot deze oproep

 

Gemeente, onze tekst, die uit de Korinthebrief genomen is, staat in verband met het apostolisch gezag van Paulus. Met dat apostolisch gezag had Paulus steeds te strijden in Korinthe. Want in deze gemeente waren mensen die er eigenlijk aan twijfelden of Paulus wel een echte apostel was. Er waren mensen in die gemeente die er aan twijfelden of de krachten van Christus eigenlijk wel in Paulus werkten. Men vond in Paulus veel dingen die hun tegenstonden. En zo weersprak men in Korinthe in feite Christus Zelf, Die Paulus geroepen had en Die ook door Paulus sprak.

Nee, in Korinthe hadden ze allerlei kritiek op Paulus. Ze hadden kritiek op zijn werk, ze hadden kritiek op zijn leer, ze hadden kritiek op de manier van preken van Paulus, ze hadden kritiek op de gemeenten die Paulus stichtte, ze hadden kritiek op de mensen in de gemeente die het apostelschap van Paulus wel aanvaardden. Daar in Korinthe waren veel mensen die eigenlijk vonden dat het niet goed ging met Paulus.

 

En kijk, gemeente, tegen die mening komt Paulus nu op. Paulus gaat strijden voor de echtheid van zijn apostelambt. Daar ging het over: of Paulus nu een echte apostel was of niet.

We lezen in het derde vers van ons hoofdstuk dat Paulus zegt: Dewijl gij zoekt een proeve van Christus, Die in mij spreekt. Merkt u, gemeente, daar in Korinthe onderzoeken ze Paulus. Want Paulus zegt: ‘Gij zoekt een proeve van Christus in mij.’ ‘Proeve’ wil zeggen: u zoekt een bewijs van Christus in mij. Met andere woorden: Paulus moet nu maar een keer een krachtig bewijs geven dat Christus in hem werkt. Want wat de mensen in Korinthe tot nu toe van Paulus gezien hadden, bevredigde hun niet. Nee, hij moest maar eens een duidelijke proeve, een duidelijk bewijs van Christus vertonen. Zo onder­zoeken ze Paulus in Korinthe: dat gij een proeve, een bewijs, van mij zoekt van Christus.

 

Wat gaat Paulus nu zeggen? Hij zegt in onze tekst: Onderzoekt uzelf. Alle nadruk in deze tekst valt op het woordje ‘uzelf’. Want zo staat het in het Grieks ook. In het Grieks staat het woordje ‘uzelf’ vooraan, daar staat: uzélf onderzoekt, uzélf beproeft. Dus Paulus zegt niet: maak míj maar tot een voorwerp van beproeving, maak míj maar tot een voorwerp van onderzoek. Nee, zegt Paulus tegen de gemeente van Korinthe: onderzoekt uzélf. Paulus zegt: ‘Jullie onderzoeken míj wel, maar onderzoek nu uzelf en beproeft uzelf; onderzoekt uzelf of gij in het geloof zijt; beproeft uzelf of gij in het geloof zijt.’

 

Gemeente, nu moeten we vandaag niet denken dat Paulus heel eenvoudig bedoelt: mensen, je hebt het zo druk over mij, maar let op uzelf! Nee, Paulus bedoelt het anders. Wat bedoelt hij dan? Het gaat om de echtheid van het apostelschap van Paulus en die echtheid moet bewezen worden. Daartoe onderzoeken ze Paulus. ‘Nee’, zegt Paulus, ‘u moet niet míj onderzoeken, u moet uzélf onderzoeken. Beproeft uzelf, of gij in het geloof zijt. Want ik, Paulus, ik heb onder u ge­werkt, ik heb onder u gepredikt; en het werk van de Heere Jezus onder u was er door mijn dienst. Nu moet u uzelf onder­zoeken of u in het geloof bent. En als u nu tot de slotsom komt dat u in het geloof bent, dan is dat het bewijs dat ik een apostel ben. Want als u in het geloof bent, dan is dat door mijn arbeid hier gekomen, die de Heere gezegend heeft. Dan bewijst uw eigen geestelijk leven de goddelijkheid van mijn dienst.’

Daarom zegt Paulus tegen die gemeente: ‘U zoekt een bewijs, u zoekt een proeve van Christus bij mij? Dat moet u niet doen, maar onderzoekt uzelf! Want dat zal het bewijs zijn dat de Heere mij geroepen heeft.’

 

Kijk, gemeente, daar hebt u nu onze eerste gedachte: de aanlei­ding tot dat zelfonderzoek. Daar ligt niet alleen een lering in voor de gemeente van Korinthe, maar ook voor u en mij, in dit uur van zelfbeproeving voor het Heilig Avondmaal. Want het kan vandaag nog steeds zo zijn dat mensen in de gemeente zich onttrekken aan het Avondmaal met voorwendsels, die niet recht zijn voor de Heere. Dan keren dezelfde kritiek en dezelfde bezwaren van Korin­the hier in de gemeente terug. Natuurlijk in een andere vorm en met andere woorden, maar dezelfde bezwaren klinken en dezelfde kritiek keert terug. Want wat horen we de mensen vaak zeggen?

 

‘Ach, vroeger ging het toch eigenlijk allemaal veel beter. Toen was het allemaal niet zo makkelijk als nu.’ Of we horen dan dat de mensen zich aan het Avondmaal onttrekken, omdat ze iets hebben tegen de mensen die aan het Avondmaal gaan. Dan zeggen ze: ‘Zouden nu al die mensen wel bekeerd zijn die aan het Avondmaal gaan, zouden die echt allemaal wel bekeerd zijn?’

Zo kunnen er ook onder u, gemeente, vele bezwaren leven, net zoals in Korinthe. Maar nu zeggen wij vandaag tegen u, net als eens Paulus daar tegen Korinthe: Onderzoekt uzélf of u in het geloof bent. Want alles komt er nu maar op aan hoe uzelf gesteld bent. Want als u nu niet op uw plaats bent, ach, dan heeft alles en dan heeft iedereen het gedaan. Dan hebben we aanmerkingen op alles en aanmerkingen op ieder­een; en dan kijken we onszelf voorbij.

Daarom, gemeente, zeggen wij u vandaag met Paulus: Onderzoekt uzélf!

 

Als wij onszelf onderzoeken of wij in het geloof zijn, en we mogen in dat onderzoek het werk der genade in ons hart waarnemen, wel, dan heeft de Heere dat gewerkt en dan heeft de Heere dat ook onderhouden. Wáár heeft de Heere dat onderhouden? Dat heeft de Heere onderhouden in de kérk. Dat heeft Hij door Zijn Geest gewerkt en onderhouden onder de middelen der genade.

Gemeente, als we dat mogen waarnemen, gaat ons hart zeggen: ‘Nu is de kerk mijn moeder. Nu zal ik haar hartelijk liefhebben, want, Heere, daar in de kerk, daar woont U Zelf. Daar in de kerk, daar woont Uw Heilige Geest; daar in de kerk, onder het Woord en onder de bediening van de sacramenten, daar worden de weldaden van Christus geschonken. Daar schenkt Gij onder Uw Woord en sacrament datgene wat nodig is om mij te voeden en mij te onderhouden.’

 

Kijk, gemeente, dan komt u op uw plaats. Kent u dat nu ook? Want dat kennen al Gods kinderen. Als het werk van God levend mag zijn, als we eens op onze plaats mogen zijn, als ons hart eens een keer verruimd mag zijn voor de Heere en iets van de blijdschap van het heil des Heeren gesmaakt mag worden, wat krijgt de kerkdienst dan een glans! Dan gaan we van harte zingen:

 

                    Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot,

                    O Heer’, der legerscharen God,

                    zijn mij Uw huis en tempelzangen!

 

Dan krijgen we in ons hart zo’n liefde voor de gemeente van God. Want, gemeente, ik heb nog nooit, nog nooit een kind van God die op zijn plaats is, ontmoet die tegelijk vol bezwaren en vol kritiek zat. Dat laatste is altijd het bewijs dat u niet op uw plaats bent. Als een kind van God op zijn plaats is, als zijn hart verruimd is en als hij het heil des Heeren en de blijdschap daarvan in zijn hart mag smaken, dan krijgt hij Gods kerk zo lief. Dan weet hij: in de kerk wordt het gelóóf ge­werkt, in de kerk wordt de genade geschonken.

Dan gaan niet de bezwaren, dan gaat niet de kritiek overheersen, maar dan krijgen we Gods instellingen zo lief! Daarom zeggen wij vandaag met de apostel Paulus: gemeente, onderzoekt uzélf. Want als we onszelf mogen onderzoeken en het geloof en de genade in ons hart mogen waarnemen, dan moeten alle bezwaren en dan moet alle kritiek wijken. Dan moeten we zeggen: ‘Heere, dat hebt U in de kerk willen werken en schenken: dat geloof en die gena­de. Door die middelen zal ik Uw huis en Uw instellingen hartelijk liefhebben.’

Voelt u, gemeente, dan komt u op uw plaats. Dat is de bedoeling van Paulus. En daarom roept Paulus u vandaag nog op tot zelfonderzoek. Dat is dus de aanleiding tot dat zelfonderzoek dat wij zullen gaan doen.

 

Maar dan komen wij in de tweede plaats tot de inhoud van dat zelfonderzoek. We zingen eerst Psalm 10 vers 2:

 

Want op zijn wens beroemt zich ’t godd’loos rot;

Het zegent vast de gierigaard, en spreekt

Tot laster van de allerhoogste God;

Terwijl ’t verwaand de neus omhogesteekt,

En in zijn hart geen onderzoeking kweekt;

Maar koestert deez’ onzinnige gedachten:

‘Daar is geen God; geen loon noch straf te wachten.’

 

2. De inhoud van deze oproep

 

Onderzoekt uzelf. Het gaat hier dus vandaag over onderzoeken. En wat is dit nu eigenlijk, onderzoeken? Iemand die zichzelf gaat onderzoeken, gaat als het ware tegenover zichzelf staan. Iemand die zichzelf onderzoekt, maakt zichzelf tot een voorwerp van ernstige beschouwing en beoordeling. Dat is zichzelf onder­zoeken.

Ach, gemeente, van nature komt er niet zoveel terecht van dat onszelf onderzoeken, want daar hebben we eigen­lijk een afkeer van. We zijn maar liever wat zacht tegenover onszelf, en de werkelijkheid willen we liever maar niet zien. Want dan zijn we o zo bang dat we innerlijk onrustig worden. Het komt erop neer dat een mens eropuit is om zichzelf te bedriegen voor de eeuwigheid.

Maar als de ware vreze des Heeren in het hart is, sparen wij onszelf niet. Dan smeken we vaak wat we gezongen hebben: ‘Doorgrond Gij mijn hart...’ Dat doen we nu veel liever dan dat we voor eeuwig bedrogen uitkomen. We hebben veel liever dat het licht van Gods onderzoek in ons schijnt, wát dat licht dan ook voor de dag zal brengen.

Laten we daarom vandaag allemaal toezien dat we alzó gezind zijn. Want echt waar, het zal niet baten als u uzelf zalig gesproken hebt. Het zal niet baten, gemeente, als u zich door anderen gerust hebt laten stellen. Het zal u niet baten als u aan het Avondmaal bent geweest met een hart dat we dicht lieten voor de Heere. Nee, zegt de Heere, onderzoekt uzelf.

 

Let op, gemeente, het werkwoord staat hier in de gebie­dende wijs. Er staat niet: Het is te hopen of te wensen dat u uzelf nog eens onderzoekt. Er staat ook niet dat u zichzelf nog eens een keertje zou mogen onderzoeken. Nee, de Heere beveelt het; de Heere beveelt u hier: Onderzoekt uzelf! Dat is een bevel, een bevel voor u allemaal, stuk voor stuk, hoofd voor hoofd. De Heere beveelt u vandaag: Onderzoekt uzelf! De Heere beveelt u vandaag, jong en oud: Maak uzelf tot een voorwerp van ernstige beschouwing.

 

Maar in welk opzicht moeten wij onszelf dan onderzoeken? Wel, er staat: Onderzoekt uzelf of u in het geloof bent. Dat wil dus zeggen dat u uzelf moet onderzoeken of u het geloof deelachtig bent. U moet uzelf onderzoeken of u niet buiten het zaligmakende geloof staat, of de geestelijke band die met Christus verenigt, in uw leven aanwezig is. Openbaart die band met Christus zich in uw leven?

Het is waar, dat geloof kunnen we niet zien; maar of we in het geloof zijn, kunnen we wel opmaken uit de werkingen van het geloof. De aanwezigheid van dat geloof kunnen we ook opmaken uit de krachten van het geloof, en uit de vruchten van het geloof. In dat opzicht moeten we onszelf onderzoeken. En daartoe wordt u vandaag geroepen, om uzelf te onderzoe­ken of u in het geloof bent.

 

Maar ja, dan moeten we wel eerst weten wat nu eigenlijk dat geloof is. Wat is het geloof? Dan kunnen we het beste maar de catechismus nemen; in het antwoord op vraag 21 uit de catechismus lezen we namelijk het volgende: ‘Een waar geloof is niet alleen een zeker weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd dat ons God in Zijn Woord geopen­baard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest in mijn hart werkt.’

 

Hoort u het, gemeente? Als wij deel krijgen aan het waarachtige geloof, wordt het Woord van God ons lief. Gemeente, als het waarachtige geloof in ons hart komt, wordt ons leven als het ware verbonden met het Woord van God. Het Woord van God kunnen we dan niet meer missen. De catechismus zegt over dit geloof: ‘Waardoor ik alles voor waarachtig houd wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft.’

Wat is dat ‘alles’? Dat is met twee woorden te zeggen: wet en Evangelie. Dat houdt het geloof nu voor waarachtig, want het geloof krijgt met allebei te doen. Het geloof krijgt met de wet te doen en het krijgt ook met het Evangelie te doen.

 

Ja, gemeente, als we met de wet te doen krijgen, brengt die ons altijd tot de kennis van Gods deugden. De wet doet ons altijd God kennen in de majesteit van Zijn heilig recht, die betaling van onze schuld vordert. Maar als we in deze weg Gods wet leren kennen, dan komt het geloof openbaar in de verbrijzeling van onze ziel. Dan openbaart het geloof zich in een innige smart over de zonde, in een berouw dat tot God uit­drijft, in een droefheid naar de Heere.

Want het geloof houdt álles voor waarachtig wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft. Dus het geloof houdt ook het vonnis van de wet voor waarachtig, ook dat wij het vonnis van de wet waard zijn. En dan wordt het de beleving van het hart: ‘Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’

 

Het geloof heeft echter niet alleen een betrekking op de wet, maar ook op het Evangelie. Er zijn mensen die zichzelf voor diep ontdekte zondaren houden en die hele verhalen kunnen vertellen over diepe ontdekkingen in hun leven aan de wet, maar… zij zijn zonder enige kennis van Christus. Kan dat? Nee, dat kan niet, dat bestaat niet! Want het geloof is niet alleen werkzaam met de wet, maar ook en vooral met het Evangelie, waarin Jezus Christus als de weg ter ontkoming wordt geopenbaard.

Ja, gemeente, als het geloof met het Evangelie werkzaam wordt, dan is het geloof als een oog waardoor de Heere Jezus mag worden gezien, Die veel schoner is dan de mensenkinderen.

Als het geloof werkzaam wordt met het Evangelie, dan is het ook als een oor, waardoor een verloren zondaar de stem van de Heere Jezus mag horen. En wie Zijn stem gehoord hebben, zúllen leven.

Dan is datzelfde geloof ook als een emmer, waarmee geput mag worden uit de fontei­nen des heils.

Dan is datzelfde geloof ook de mond, waarmee gedronken mag worden uit de wateren des levens, die dorstige zondaren laven.

Maar dan is datzelfde geloof ook een voet, waarmee we als een arme, als een ellendige tot Christus mogen komen.

En datzelfde geloof is dan ten slotte ook een arm, waarmee de Heere Jezus Christus mag worden omhelsd en het gezegd mag worden: ‘Gij zijt míjn Borg, Gij zijt míjn Jezus.’

 

O, gemeente, dat geloof verlaat zich nu enkel en alleen op vrije genade. Dat geloof klemt zich vast aan de genadige God in Christus. Zoals een klein kind zijn moeder naloopt en vastgrijpt, zo is dat geloof nu betrokken op Christus. Dat geloof steunt op de Heere Jezus en doet een zondaar ingaan in het volbrachte werk van Jezus, om zo tot God te komen langs de weg van het bloed der verzoening. Dan mag de vrede gesmaakt worden.

Gemeente, dan ontmoet ik geen toornig God meer hoor, want dan is het dat de Heere Jezus zegt: Die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden (Joh. 14:21).

Dus het geloof richt zich op Christus, en het geloof komt ook op uit de verlorenheid om op Christus te rusten. Dat is het geloof.

 

En nu zegt Paulus vandaag in onze tekst: Onderzoekt uzelf of u in het geloof bent. Want dat is nu nodig om Avondmaal te vieren: het is nodig dat u in het geloof bent.

Om het met een voorbeeld duidelijk te maken: we zitten hier in de kerk, en hier in de kerk is een geluidsversterker. Maar nu geeft die geluidsversterker geen enkel geluid als er niet in de microfoon gesproken wordt. Er zal in de microfoon gesproken moeten worden, wil die geluidsversterker het geluid kunnen versterken. Er zal geluid moeten zijn.

Zo is het ook met het Avond­maal. Het Avondmaal is een geloofsversterker. Er zal dus ook eerst geloof moeten zijn. Daarom is het voor het Heilig Avondmaal nodig dat u in het geloof bent. Immers, een ongelovige staat er buiten, een schijngelovige heeft er geen recht op en een bijgelovige vindt in het Avondmaal niets. Dat geldt niet alleen voor het Avondmaal, maar voor heel uw leven, ook voor de eeuwigheid.

 

Daarom, gemeente, onderzoekt uzelf of u in het geloof bent. Hoe is het nu, vandaag? Staat u in dat geloof? Bent u werkzaam met Christus? Kent u dat toevlucht nemen tot de Heere Jezus? Kent u het hongeren en dorsten naar Zijn gerechtigheid? Hebt u er weet van dat al uw zonden zijn geladen op Jezus, en dat Zijn borggerechtigheid u als een mantel werd omgehangen? Zegt u het nu eens, hebt u in uw leven die zalige ruil al gedaan?

Want Paulus zegt: Onderzoekt uzelf. Hij geeft een bevel, namelijk om u te onderzoeken of u in het geloof bent in dit uur van voorbereiding.

 

Ja, nu zie ik iemand schrikken in de kerk. Nu zie ik iemand bij zichzelf denken: Ja, nu wordt er wel zo gepraat over die zekerheid van het geloof en het is allemaal waar; en er wordt wel gepraat over die arm en die voet van het geloof, en het is allemaal waar, maar... die zekerheid mis ik zo. Is er voor mij volgende week wel een plaats aan de tafel?

 

Wel, gemeente, als het zó bij u ligt vandaag, dan zeg ik u dit: een nederige hut is ook een woning, al is het dan geen sierlijk huis. Een pasgeboren kind is ook een mens. En zo is ook een zwak en twijfelmoedig geloof – als van een rokende vlaswiek, een gekrookt riet – een werk van de Heilige Geest.

De zekerheid van het geloof sierlijk, hoor! Daar moet u ook naar staan, daar moet u naar jagen, daar moet u vurig om bidden. Maar de zekerheid van het geloof beslist niet over het wézen van het geloof. Hoort u dat? De zekerheid van het geloof beslist níet over het wezen van het geloof.

Daarom is er vandaag ook een belofte voor het zwakke geloof; er is vandaag een belofte voor het bestreden geloof. Want de Heere zegt Zelf: ‘Ik zal het gekrookte riet niet verbreken en Ik zal de rokende vlaswiek niet uitdoven.’ Wat is dat een troost voor de kleingelovigen onder ons! Want wat stelt een gekrookt riet, een geknakt riet nu eigenlijk voor? Nee, als wij een geknakt riet zien staan langs de slootkant, lopen we eraan voorbij; daar hecht je geen enkele waarde aan. En wat is nu een rokende vlaswiek? Een lont dat bijna uitgedoofd is, dat alleen nog maar wat walmt. Dat is toch niets, daar zet je toch je voet op? Maar de Heere belooft vandaag: ‘Ik zal dat gekrookte riet niet verbreken en Ik zal die rokende vlaswiek niet uitdo­ven.’

 

Daarom, als hier nu vandaag mensen in de kerk zitten die zo innerlijk bestreden worden en die vandaag moeten zeggen: ‘Ik hoor niet aan het Avondmaal, want daar horen alleen Gods kinderen, ik ben innerlijk zo onbekeerd, en toch, en toch heb ik zo’n behoefte aan Jezus!’ Zijn die mensen er? O, gemeente, als hier mensen in de kerk zitten die moeten zeggen: ‘Met al mijn gebrek en met al mijn gemis honger ik toch naar de gerechtigheid en de vrede met God.’ Zijn die mensen er? Als hier nu vandaag mensen zijn die zo bestreden worden en die het toch alleen maar zoeken in het bloed van Jezus, dan zeg ik u: u hoeft niet van ver te staan, u mag toetre­den. Want dan zegt de Heere Jezus: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth. 11:28).

O, arme en geknakte biezen vandaag in de kerk, hef dan toch maar uw gebogen hoofd op, en zie dan op het Lam Gods, Dat de zonden der wereld op Zich nam. Want dat Lam Gods is gezalfd om gebondenen de vrijheid te geven en te verlossen uit de gevangenis.

Daarom is nu juist voor zulke bekommerden, voor zulke armen het Heilig Avondmaal ingesteld. Het sacrament van het Avondmaal dient immers juist om de geknakte rieten te ondersteunen en de roken­de vlaswieken weer nieuwe olie te geven, zodat ze weer gaan opvlammen. En dat heeft nu juist dat zwakke geloof zo nodig.

Om nog even terug te komen op dat voorbeeld van die geluids­versterker: iemand met een zwakke stem heeft de geluids­versterker veel harder nodig. Zo heeft ook het zwakke geloof de versterking van het Heilig Avondmaal hard nodig. Daarom wil de Heere door het Heilig Avondmaal het zwakke geloof versterken.

 

Daarom zegt Paulus vandaag: Onderzoekt uzelf of u in het geloof bent. En, zegt Paulus erachteraan, beproeft uzelf.

Als Paulus dat zegt, is dat geen nodeloze herhaling van het eerste, van het onszelf onderzoe­ken. Er is namelijk een verschil tussen beproeven en onszelf onder­zoeken. Onderzoeken heeft nog iets neutraals. Je onderzoekt iets, en ja, dan kan de uitkomst verschillend zijn. Maar beproeven, dat is iets op de proef stellen, op de toetssteen brengen, opdat het echt zal blijken te zijn. Kijk, in beproeven ligt altijd het verlangen of het onderzochte echt zal blijken te zijn. Dat doet de goudsmid ook: als de goudsmid het goud gaat beproeven, is hij niet onverschillig over hoe de uitkomst zal zijn. Hij verlangt er dan naar om het zuivere goud eruit te halen.

En daarom zegt Paulus nu ook: Beproeft uzelf. Dat wil dus zeggen: dat moet u nu doen met de begeerte in u om elk vonkje van geloof op te sporen. Dat wil zeggen: het mag er in uw leven niet op neerkomen dat u altijd maar alles ontkent. Die mensen zijn er namelijk ook. Die zeggen altijd maar: ‘Ach, het zal maar opvoe­ding zijn; het zal enkel maar gevoel zijn.’ Als u altijd zo redeneert en bezig bent, kan het best zijn dat het wél het werk van de Heilige Geest in u is; en dan bedroeft u de Heilige Geest! Maar Paulus zegt: Beproeft uzelf, met de innerlijke begeerte of er ook geloof in uw hart te vinden is.

 

En dan ook dit, gemeente: het geloof heeft twee hoofdkenmerken. Het geloof leeft en steunt op de beloften van God. Het geloof heeft een pleitend leven op God en Zijn Woord. Maar het ware geloof kan ook niet buiten Christus. Het geloof is niet tevreden met íets van Christus, nee, het geloof begeert de volle Christus.

Dat zijn de hoofdkenmerken. En daarom, gemeente: Onderzoekt uzelf of u in het geloof bent, beproeft uzelf!

 

We zingen nu eerst nog Psalm 119 vers 8:

 

Ik zal, o God, bepeinzen Uwe wet,

In ’t onderzoek van Uw bevelen waken;

Terwijl mijn ziel op Uwe paden let.

In Uw geboôn zal zich mijn geest vermaken,

En, daar ik hulp verwacht op mijn gebed,

Uw heilig woord vergeten noch verzaken.

 

Gemeente, we hoorden dus een dringende oproep van Paulus tot zelfonderzoek.

We hebben stilgestaan bij de aanleiding tot dat zelfon­derzoek en ook de inhoud van dat zelfonderzoek gehoord, maar dan zegt Paulus er nog wat achteraan. Want Paulus zegt ook: Of kent gij uzelf niet, dat Jezus Christus in u is?

 

Paulus veronderstelt dus dat er mensen in de gemeente van Korinthe zijn, die bij dat zelfonderzoek niet tot een antwoord kunnen komen. Dat zijn mensen die leven als een gesloten boek. Er ligt een bestraffende toon in de woorden van Paulus als hij zegt: Of kent gij uzelf niet, dat Jezus Christus in u is?

Die mensen zijn er vandaag ook nog, hoor. Die mensen zitten vandaag ook hier in de kerk; mensen die over zichzelf maar geen oordeel geven. Past u op, verwar deze mensen niet met de ware bekommerden. Want de ware bekommerden hebben een drang om zichzelf te leren kennen; en juist dát ontbreekt bij die andere groep mensen.

Nogmaals, die mensen zijn hier vandaag ook. Dat zijn mensen die geestelijk te traag zijn. Dat zijn mensen die aangaande hun eeuwig heil nauwelijks of helemaal geen belangstelling hebben. Ze komen er echt niet aan toe om zich tot een voorwerp van zelfonderzoek te maken.

Ja, ze komen wel naar de kerk, maar ze leven steeds door in lijdelijkheid; ze slapen als het ware maar door. En tegen déze mensen, ook hier vandaag in de kerk, zegt de Heere door middel van Paulus: Of kent gij uzelf niet, dat Jezus Christus in u is? Ja, gemeente, dan moet u uzelf maar eens afvragen: ken ik mijzelf niet, dat Jezus Christus in mij is? U moet u vandaag afvragen: ken ik mijzelf nu nog niet? O nee? En hoe oud bent u dan al? Hoeveel jaar zit u nu al in de kerk? Tien jaar, twintig jaar, vijftig jaar, misschien sommigen van u zeventig, tachtig jaar in de kerk, en misschien kunt u wel hele preken navertellen....

Hoe oud bent u al? Hoe lang heeft de Heere u de weg ter zalig­heid doen weten? En moet nu tegen u gezegd worden: Of kent gij uzelf niet? Kent u uzelf niet? Hoe komt dat? Hoe komt dat nu na die tien jaar, na die veertig jaar, na die tachtig jaar, dat u uzelf niet kent? Komt dat misschien omdat u ten diepste onverschillig bent? Komt dat misschien omdat u ten diepste toch de eeuwige zaligheid niet op prijs stelt? Komt dat misschien omdat u uiteindelijk met heel uw keurige, gods­dienstige leven uiteindelijk toch alleen maar uw deel hebt in deze wereld?

 

Dat zijn de vragen die u uzelf moet stellen, gemeente. Als u nu vandaag niet weet aan welke kant u staat, als u nu vandaag nog niet weet of Jezus Christus in u is, als u zó leeft, o gemeente, sta dan toch naar verande­ring! Want als dat vandaag zo met u is, dat u het niet weet en dat u uzelf niet kent, moet dan de eeuwigheid u bekend maken of Jezus Christus in u is? Als u het vandaag niet weet, moet u dan wachten tot de eeuwigheid het aan uw arme ziel moet bekend maken?

Maar, gemeente, dan is het te laat hoor, dan is het te laat! Nee, u moet het nú weten, nú, op dit ogenblik, of Jezus Christus in u is. Nú gemeente, u zult het nú moeten weten; u zult het nú moeten wíllen weten!

En u kúnt het weten. Want Gods Woord is op dit punt niet onduidelijk; Gods Woord spreekt duidelijke taal. Als u vandaag niet weet aan welke kant u staat, dan zeg ik u: Kom dan maar tot de slotsom, tot de conclusie dat Jezus Christus niet in u is, dat Hij niet in uw leven is. Maar beken dat dan ook voor God en zeg dat vandaag eens eerlijk tegen uzelf. Zeg het eens eerlijk tegen uzelf, want meestal glippen we er maar weer tussendoor. Dan komen we op die zogenaamde derde weg. We horen niet tot Gods kinderen. Maar de wereld dienen, nee, dat doen we ook niet. Dan lijken we wandelaars op de derde weg. Maar die weg bestaat niet!

Zeg daarom vandaag eens eerlijk tegen uzelf: Jezus Christus is niet in mij. Ik ben onbekeerd, ik ben onverzoend. Zegt u het dan maar eens een keer eerlijk tegen uzelf als u uzelf niet kent: als ik zo sterf, ga ik voor eeuwig verloren.

 

Beken dat, gemeente, voor uzelf, en beken het ook voor God. Maar ik waarschuw u vandaag: blijf zó niet doorleven! Blijf er niet zo tussenin hangen! Blijf niet zo doorslapen! Blijf niet zo traag, gemeente, aangaande uw eeuwig heil. Het gaat om zulke belangrijke dingen. Kom dan maar liever tot de slotsom: ik ben onbekeerd, en Jezus Christus is niet in mij; ik ken mijzelf niet. Beken dan eerlijk, voor uzelf en voor God, dat het zo eeuwig mis gaat.

Maar dan staat er in de Bijbel nog de roep van de tollenaar: O God, wees mij zondaar genadig! (Luk. 18:13) Want er is nog genade bij God.

 

Of kent gij uzelf niet, dat Jezus Christus in u is? En dan besluit Paulus: Tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt.

Eigenlijk staat er in de grondtekst: of bent u soms verwerpe­lijk? Er staat niet: u bent verworpen. Maar er staat: of bent u soms verwerpelijk? Met andere woorden: als een mens zoals u verloren gaat onder het Evangelie, ligt dat niet aan God, maar aan u! Want u sluit uzelf uit. U sluit uzelf uit van de zaligheid. U sluit uzelf dan ook uit van de dis des Heeren. Want Paulus zegt: of bent u soms verwerpelijk?

Hoort u het? Paulus zou het liever niet veronderstellen; liever niet, want hij zegt het heel teer. Er ligt nog zo’n teer­heid in de toon van Paulus, als hij vandaag tegen u zegt: of bent u soms verwerpelijk?

 

Gemeente, in deze woorden van Paulus horen we de teerheid en de liefde van God. De Heere heeft er geen lust in om u buiten te sluiten als Hij vandaag aan u vraagt: of bent u soms verwerpelijk? De Heere heeft er geen lust in om te oorde­len dat u verwerpelijk bent.

Daarom nogmaals de dringende vraag: of bent u soms verwerpelijk? O, jong en oud, voel dan in deze woorden vandaag nog het liefdeshart van God kloppen. God zegt in deze woorden tegen u: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden! (Jes. 45:22)

Jongeren en ouderen, of bent u soms verwerpelijk? Die vraag stelt God vanuit Zijn liefde. Daarom, maak er ernst mee! Het gaat op de eeuwigheid aan!

 

Zo zijn we met elkaar in deze week van voorbereiding gekomen. Denkt u er eens aan in deze week. Denk nu eens niet: Ach, ik ga toch niet aan de bediening, dat is toch alleen voor Gods volk. Want als u dat denkt, zonder er ooit wakker van te lig­gen, dan is dat een ontzettende zaak. Als we vandaag zo maar heel rustig tot de conclusie komen: ik ben onbekeerd, ik hoor niet aan de avondmaalstafel, dan is dat ontzettend. Want stel dat u deze week zou sterven – en dat kan, hoor – dan zult u ook geen plaats hebben aan de tafel van de bruiloft van het Lam.

 

Gemeente, maak er ernst mee, maak er ernst mee. De Heere heeft het vandaag zo ernstig tegen u gezegd: Onderzoekt uzelf of gij in het geloof zijt; beproeft uzelf. Of kent gij uzelf niet, dat Jezus Christus in u is? Tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt. Want de Heere heeft betuigd: ‘Ik heb geen lust in de dood van de goddeloze!’

De Heere geve dan ook deze week aan Zijn kinderen dat álles opgeruimd wordt wat in de weg zit. Want de Heere rijdt door vlakke velden.

En Hij doe ons aangaan ook niet afhangen van onze stand. Zo mag het niet, want het is net zo als in een huwelijk. Als een man op een dag eens geen liefde voor zijn vrouw voelt en hij zegt tegen zijn vrouw: ‘Ik voel de liefde voor jou vandaag niet, ik leg mijn trouwring maar af’, dan is dat een belediging. Zo is het ook met het Heilig Avondmaal. Het is heel erg, het is een belediging voor de Bruidegom, als u uw aangaan laat afhangen van de stand in uw geestelijk leven.

 

Gemeente, de Heere geve dan ook dat Zijn kinderen volgende week zullen aanzitten en dat er een vlak veld zal zijn nadat ze zichzelf beproefd hebben.

Hoe ver gaat die beproeving? Hoe ver? Weet u hoe ver? Tot u uzelf niet méér kunt geven dan een nul. De tollenaar kwam ook niet verder dan een nul. Maar, gemeente, juist voor nullen wordt Christus alles!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 26:8

 

Wat blijdschap smaakt mijn ziel,

Wanneer ik voor U kniel

In ’t huis dat Gij U hebt gesticht!

Hoe lief heb ik Uw woning,

De tent, o Hemelkoning,

Die G’, U ter eer, hebt opgericht!