Ds. C.G. Vreugdenhil - Openbaring 22 : 17

Zie, de Bruidegom komt, gaat uit, Hem tegemoet!

De bruid verlangt naar de komst van de Bruidegom
De Bruidegom verlangt naar het komen van Zijn bruid

Openbaring 22 : 17

Openbaring 22
17
En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 84: 1
Lezen : Openbaring 22
Zingen : Psalm 42: 1, 3, 5
Zingen : Psalm 22: 8
Zingen : Psalm 98: 4

Gemeente, onze tekst vindt u in het u voorgelezen Schriftgedeelte: Openbaring 22 vers 17: 

 

En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.

 

We schrijven boven deze tekst: Zie, de Bruidegom komt, gaat uit, Hem tegemoet!

 

We letten op twee hoofdgedachten:

1. De bruid verlangt naar de komst van de Bruidegom

2. De Bruidegom verlangt naar het komen van Zijn bruid

 

1. De bruid verlangt naar de komst van de Bruidegom

 

Het verband van onze tekst verplaatst ons in gedachten naar Patmos, een eenzaam eilandje in de Egeïsche zee. Om het Woord Gods en om de getuigenis van Jezus Christus is Johannes daarheen verbannen.

De apostel Johannes heeft een lange reeks van jaren gearbeid in de gemeente van Efeze. Daar heeft hij het Evangelie van de gekruiste en opgestane Christus met vrijmoedigheid gepredikt. Maar de duivel vond deze vurige prediker van Christus te gevaarlijk worden voor zijn rijk.

Tegenover de stad Efeze, enkele uren varen van de kust vandaan, verhief zich in de zee het rotsachtige eilandje Patmos, dat uitstekend geschikt was voor mensen die verbannen moesten worden uit het normale leven. Johannes is verbannen van de mensen, maar… níét van God! Want op dat eenzame Patmos heeft Johannes bijzondere Godsontmoetingen mogen hebben.

De tegenstanders van het rijk van Christus dachten aan de Kerk des Heeren een onherstelbaar verlies te hebben toegebracht.  Staande aan het strand van de zee, starend naar de verre wazige kusten van Klein-Azië, zal Johannes heus weleens gezucht hebben: ‘Waarom toch, Heere? Waarom moet ik hier zijn? De gemeente van Efeze is nu vacant, de mond van Uw knecht is gesnoerd, hoe moet dat dan met de voortgang van Uw Koninkrijk?’

Maar wat de vijanden ten kwade bedoeld hebben, heeft God ten goede gedacht. Christus zal het immers altijd winnen! Want Patmos is over de gehele wereld bekend geworden, omdat de Heere daar aan Johannes verschenen is om hem te tonen de dingen die haast geschieden moesten.

 

Johannes moest alle openbaringen die hij ontving, opschrijven in een boek; de Openbaring van Johannes is het laatste Bijbelboek geworden.

In het boek Openbaring lezen wij eerst de zeven brieven aan de gemeenten van Klein-Azië. Daarna, in apocalyptische taal beschreven, de overwinning van Christus en Zijn Kerk op de draak, op de duivel. Dat is het eigenlijke thema van de Openbaring van Johannes. Het boek wil aan de strijdende Kerk op de aarde, in haar worsteling tegen de machten van de boze, troost brengen. Want al schijnt soms het beest, dat opkomt uit de afgrond, de overwinning te behalen, in werkelijkheid is dat niet zo. God ziet de tranen van Zijn kinderen, Hij hoort hun gebeden. Hun dood is kostelijk in Zijn ogen. Hun uiteindelijke overwinning is verzekerd en hun bloed zal gewroken worden, want Christus regeert tot in alle eeuwigheid. Hij is ook Degene Die de wereld zo bestuurt, dat alle dingen ten goede komen aan Zijn Kerk. En Hij zal straks wederkomen om Zijn volk tot Zich te nemen aan de bruiloft des Lams in het nieuwe Jeruzalem.  

 

U die de Heere liefhebt, u bent toch de bruid van Christus? Begint uw hart ook sneller te kloppen als u aan die vreugde en die heerlijke toekomstverwachting denkt, aan die tweede komst van Christus op de wolken des hemels? Wordt uw ziel verteerd van brandend verlangen naar die glorierijke neerdaling van de Zoon des mensen? Over dat verlangen gaat het hier in het eerste gedeelte van onze tekst: En de Geest en de bruid zeggen: Kom!

 

Met de schildering van het nieuwe Jeruzalem in Openbaring 21 en het begin van Openbaring 22 is eigenlijk de openbaring aan Johannes afgelopen. Vanaf het zesde vers van ons teksthoofdstuk komen geen nieuwe openbaringen meer voor. Het boek wordt afgesloten. De engel zegt dan: Deze woorden zijn waarachtig en getrouw.

Maar juist in dit slotwoord komt nog enkele keren, heel indringend, de stem van Christus Zelf naar voren. Hij zegt: Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste. En: Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om ulieden deze dingen te getuigen in de gemeenten. Ik ben de Wortel en het Geslacht van David, de blinkende Morgenster. Met andere woorden: die heerlijke verhoogde Zaligmaker is Zelf de Auteur van het boek der Openbaringen. Hij is de blinkende Morgenster.

Die ster blinkt van Zijn Koningschap. Maar dat niet alleen, de Morgenster kondigt ook de nieuwe dag aan, waarop nooit een nacht meer volgen zal. Die dag zal spoedig komen; dat heeft Christus tot tweemaal toe in ons teksthoofdstuk duidelijk beloofd. Leest u maar mee in vers 7: Zie, Ik kom haastelijk; zalig is hij die de woorden der profetie dezes boeks bewaart. En nog eens in het twaalfde vers: En zie, Ik kom haastelijk; en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zijn zal.

 

Gemeente, de Heere Jezus komt spoedig, dat heeft Hij Zelf beloofd. En als antwoord daarop moet de Kerk van Christus in vurig gebed roepen om de vervulling van die belofte. En de Geest en de bruid zeggen: Kom!

Wonderlijk eigenlijk, want het zeventiende vers is rechtstreeks door de Heere Jezus Zelf gesproken tot Johannes om dit op te tekenen voor de Kerk van alle eeuwen. Het is de Bruidegom Zelf, Die de bruid aanspoort om de dag van Zijn komst te verbeiden, dat wil zeggen om die dag niet af te wachten, maar biddend te verwachten. De Bruidegom Zelf legt deze adventsroep op de lippen van Zijn bruid. Daarom staat er: En de Geest en de bruid zeggen: Kom!

Het woordje ‘bruid’ is een rijk woord. Want het is niet de bedoeling dat de bruid eeuwig bruid blijft. Zij leeft heen naar de voltrekking van de bruiloft van het Lam. Vóór Christus’ wederkomst is de bruidskerk eigenlijk in ondertrouw. Vandaar het verlangen naar de trouwdag. Want een bruiloft getuigt van het hoogste geluk; van de reinste vreugde, van het opgaan in elkaar, van elkaars tegenwoordigheid.

 

En de Geest en de bruid zeggen: Kom!

Wie is eigenlijk die bruid van Christus?

Het antwoord is: de bruid van Christus is de Kerk (met een hoofdletter). Dat zijn allen die door een waar geloof Christus zijn ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen; allen die de Heere Jezus in onverderfelijkheid hebben lief gekregen. Want zonder de liefde tot Christus kunnen we Zijn bruid niet zijn. 

Het is hard gezegd, maar van nature behoren wij niet tot de bruid van Christus. De Bijbel zegt dat wij vijanden zijn van God en Christus; we haten Jezus en hebben de zonde lief. Willen we gaan behoren tot de bruid van Christus, dan zullen we de zonde moeten leren haten en de Heere Jezus liefkrijgen. Dan zullen we van dood levend gemaakt moeten worden.

De liefde in het geestelijke huwelijk tussen Christus en Zijn bruidskerk komt in eerste instantie van één kant. Van vóór de grondlegging der wereld is de bruid reeds verkoren. De hemelse Bruidegom heeft haar liefgehad met een eeuwige liefde. Met Zijn hart werd Hij Borg voor haar, niet omdat zij beminnelijker of schoner was dan een ander, maar uit eeuwige, vrije, soevereine zondaarsliefde. Hij heeft haar gekocht met de prijs van Zijn bloed en haar opgezocht in het uur van Zijn welbehagen, toen Hij – door Zijn Woord en Geest – Zijn huwelijksaanzoek deed aan Zijn zwarte bruid. Zij werd het eigendom van de Bruidegom en ze kreeg Hem hartelijk lief, omdat Hij haar eerst had liefgehad.

Zijn liefde noopte tot wederliefde. En ondanks de ontrouw van de kant van de bruid, maakt die hemelse Bruidegom Zijn ondertrouw nooit meer uit, want Jezus Christus heeft Zijn bruidskerk in Zijn handpalmen gegraveerd.

 

En de Geest en de bruid zeggen: Kom! Het zou een slecht teken zijn als de bruid niet zou verlangen naar de komst van de bruidegom.

Kinderen van de Heere, kent u dat vurig gebed om de spoedige komst van de Bruidegom? Tot Zijn heerlijkheid en uw volmaking? Verwacht u met onze Nederlandse Geloofsbelijdenis ‘die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Christus Jezus onze Heere’?

Misschien moet u wel beschaamd de ogen neerslaan en zeggen: ‘Wat komt er van die verwachting weinig terecht in mijn leven. Mijn hart is vaak zo koud. O, had ik Hem toch maar vuriger lief...’

Ja, dan heeft u in ieder geval nodig dat de Heilige Geest dat brandende verlangen naar Zijn komst in uw hart werkt, dat uw liefde wordt aangewakkerd en uw hoop wordt verlevendigd. Daarom lezen we ook in onze tekst dat niet alleen de bruid zegt: ‘Kom’, maar ook dat de Geest ‘kom’ zegt.

Het kan ook zijn dat u van harte zeggen mag: ‘Ja, dat zal toch de blijdste dag in mijn leven zijn, als de Bruidegom komt. Mijn ziel dorst ernaar. Kom, Heere Jezus, ja kom haastelijk!’

Als dat waar is, zult u zeggen: ‘De Heilige Geest heeft het mij voorgezegd, Hij heeft dat verlangen in mijn hart gewerkt toen ik Hem zien mocht in al Zijn dierbaarheid, in de gestalte van Zijn Evangelie, in de bloedige tekenen van Zijn lijden, in die glorierijke tekenen van Zijn overwinning. Of toen ik neerzat aan de tafel van Zijn verbond en de voorsmaken hebben mocht van die bruiloft des Lams, van dat Lam Dat mij kocht met Zijn dierbaar bloed…’

 

En de Geest en de bruid zeggen: Kom! Eerst de Geest en dan de bruid. De Geest zegt het voor en de bruid zegt het na. Want dat verlangen zou in het hart van de bruid niet opgekomen zijn als de Geest van Christus er niet woonde. Daarom staat er: En de Geest en de bruid zeggen: Kom!

Vóór de Heere Jezus ten hemel voer heeft Hij Zijn Heilige Geest beloofd aan Zijn discipelen. Hij heeft ook gezegd wat het werk zou zijn van die Trooster; Hij heeft gezegd: Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen (Joh. 16:14).

De Heere Jezus wordt niet alleen verheerlijkt als de Heilige Geest in ons leven, in een weg van ontdekking, plaats maakt voor dat Kind in de kribbe en voor die lijdende Knecht des Heeren. Hij wordt ook niet alleen verheerlijkt als de Heilige Geest, in een weg van opwassen in de genade, ons de vrucht van Pasen en Hemelvaart deelachtig doet worden, de verzoening met God en het hebben van een Hogepriester in de hemel. Maar Christus wordt het meest verheerlijkt in Zijn wederkomst op de wolken des hemels, want dan pas is Zijn Koninkrijk volmaakt. Dan zal, ten overstaan van heel de wereld, blijken Wie Jezus was en Wie Jezus is. Dan zal ook de bruid uit het graf verrijzen en voor eeuwig met de Bruidegom aanzitten op de bruiloft des Lams.

 

Ook de Heere Jezus verlangt naar Zijn bruid. Hij verlangt ook naar dat heerlijke ogenblik wanneer Hij komen zal.

Kunt u dat begrijpen? Kunt u, arme zondaar, het vatten dat de Heere Jezus naar u, naar Zijn zwarte bruid verlangt?

Tóch, toch is dat zo. Met eerbied gesproken zal dat ook in Zijn leven de blijdste dag zijn. Christus wordt het meest verheerlijkt in Zijn wederkomst op de wolken. En zo gaan we onze tekst verstaan als de Heere Jezus – nadat Hij tot tweemaal toe heel duidelijk beloofd heeft: Zie, Ik kom haastelijk – door Zijn Geest het antwoord op die belofte op de lippen van Zijn bruid legt: Kom!

Deze Bruidegom wil dat Zijn bruid naar Hem verlangt, Hij wil haar stem telkens horen. Dat roepen van de Geest en van de bruid is als het ware het motief om Zijn komst niet te vertragen. De Geest van Christus woont ook in het hart van de bruid. En die Geest kent het verlangen van de Bruidegom om Zijn zwarte bruid met ziel en lichaam bij Zich te hebben. Daarom ontsteekt die Geest in het hart van de bruid een vurig verlangen naar de komst van de Bruidegom.

 

En de Geest en de bruid zeggen: Kom!

Denk nu niet: Als de Geest het dan maar roept, dan wordt Christus toch verheerlijkt? Dan is het niet zo erg als ik het nalaat.

Nee! Dan bedroeft u de Heilige Geest. Denkt u dat het een vreugde is voor de Bruidegom om te horen dat u niet naar Zijn komst verlangt?

Nee, er staat: De Geest én de bruid zeggen: Kom! Het getuigenis van de Geest in het hart van de bruid moet door de bruid zelf worden overgenomen. Als al de schatten van Christus – in het bijzonder met betrekking tot Zijn verheerlijking wanneer Hij wederkomt op de wolken – als ons hart door die schatten als het ware daarheen getrokken wordt, dan is het vanzelfsprekend dat we ook gaan roepen: ‘Kom, Heere Jezus, ja, kom haastelijk!’

 

En de Geest en de bruid zeggen: Kom!

Het is toch niet vreemd dat een bruidegom en bruid verlangen naar het samenzijn in hun nieuwe woning?

Welnu, zo verlangen ook de hemelse Bruidegom en de aardse bruid, door het roepen van de Geest in haar hart, naar het samenzijn in het hemelse Jeruzalem, dat van God zal neerdalen uit de hemel.

De Bruidegom zegt: Zie, Ik kom haastelijk! En de bruid roept: Kom!

Liefde kan veel woorden vinden om haar verlangen uit te drukken, maar als het eropaan komt heeft de liefde niet meer nodig dan deze drie letters: Kom. Met haar hand op de beloftewoorden van haar Bruidegom zegt de bruid: ‘Heere Jezus, kom hierheen, kom naar beneden.’ Ze zegt niet: ‘Haal me hier maar weg, om de wereld te ontvluchten…’ Nee, vol brandend verlangen eert zij haar Bruidegom door Hem te houden aan Zijn eigen woord: Kom, Heere Jezus!

 

Wie verlangt er ook naar de komst van de Bruidegom?

Niet alleen de Bruidegom en de bruid, maar ook de bruidskerk in de hemel. De kanttekenaren zeggen: ‘Ook diegenen die naar de ziel in de hemel triomferen zien uit naar deze laatste komst, om met ziel en lichaam met Christus verenigd en verheerlijkt te worden.’

Hoort u dat? Al zijn ze dan naar de ziel in de hemel, de verlossing moet nog komen. Verlossing van het lichaam is er pas in de opstanding der doden, als de bazuin zal klinken en de doden zullen uitgaan uit hun graven. Naar die heerlijke dag ziet ook de triomferende Kerk in de hemel uit.

 

De Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! Letterlijk staat er: ‘En wie het hoort moet zeggen: Kom!’

Degenen die van de wederkomst van Christus en het roepen van de Geest en de komende Bruidegom horen, moeten zich door diezelfde Geest laten bezielen en hun stem voegen in dat machtige koor: Kom, Heere Jezus! En wie het hoort moet zeggen: ‘Kom!’

Gemeente, dit betekent: Als u nog niet behoort bij de bruid van Christus, en nog onbekeerd voortleeft, dat de Heere u thans, door middel van dit woord, roept tot bekering. Want dat betekenen de woorden: ‘En wie het hoort moet zeggen: Kom!’ U moet ook leren roepen om de wederkomst van Christus.

U begrijpt wel dat dit niet zomaar gaat. Er gaat iets aan vooraf. Probeer het maar eens in te denken dat u zou gaan roepen om de komst van Christus. Zou dat van harte zijn? De waarachtige bekering gaat eraan vooraf. Want anders zullen wij nooit naar die tweede komst van Christus verlangen en uitzien.

 

‘Die het hoort, moet zeggen: Kom!’

Die het hoort – dat is in dit verband een belangrijk woord. Er is een tweeërlei horen: een horen met het oor, en een horen met het hart. Het eerste gaat het ene oor in en het andere weer uit. Het laat niets na, het draagt geen vrucht. Maar dat tweede horen is het inwendige horen, met het hart, als de Heilige Geest het gehoorde Woord indraagt in je hart. Als Hij het toepast, zodat het blijft haken in je ziel, zodat je er niet meer overheen kunt leven. Dat inwendige horen staat op één lijn met geloven, met gelovig aanvaarden.

‘En die het hoort, moet zeggen: Kom!’

We mogen net zo goed zeggen: En wie dit gelooft, moet zeggen: Kom! Daarin ligt heel veel heil opgesloten; namelijk het ontdekkende werk van de Heilige Geest, de verbreking van het hart door de bediening van de wet en het Evangelie, en het vluchten door het geloof tot Christus tot vergeving van zonden. Want hoe kunnen wij naar de wederkomst van Christus verlangen, als Hij – die dierbare Middelaar – niet door het geloof en door Zijn Geest in ons hart woont? Hoe kunnen wij naar Zijn komst verlangen als wij zelf door het geloof nog nooit de toevlucht tot Hem mochten nemen en Hem mochten leren liefkrijgen en hoogachten?

 

‘En die het hoort, moet zeggen: Kom!’

Hoe ligt dat nu in ons leven? Gemeente, kinderen, jongens, meisjes, ouderen, niemand uitgezonderd, leg daar uw hart eens naast? De bruid van Christus roept vol verlangen om Zijn wederkomst. Als Hij nu eens komt, bent u dan allemaal verblijd?

Ik vrees van niet, want als wij nog nooit als een arme smekeling om genade aan Zijn voeten gelegen hebben, dan kan die wederkomst van Christus ons alleen maar verschrikken. Misschien schrikt u wel bij de gedachte aan de mogelijkheid dat de Heere Jezus vandaag zou kunnen komen. Dat kan immers! Want niemand weet het uur noch de dag.

Als Hij nu eens vanavond zou komen, komt Hij dan als uw Bruidegom of als de Rechter van hemel en aarde, voor Wie u niet kan bestaan?

Schrikt u bij de gedachte aan Zijn komst? Dan is het goed dat u vandaag toch maar naar de kerk gekomen bent; want in onze tekst staat zo’n rijke belofte. Op die belofte letten we in onze tweede gedachte:

 

2. De Bruidegom verlangt naar het komen van Zijn bruid

 

Zie, Ik kom haastelijk! Gemeente, jongens, meisjes, Hij is al in aantocht. Hoor het ruisen van Zijn voetstappen maar in de gerichten die over de aarde gaan. Maar Zijn Koninkrijk is nog niet vol, Zijn bruidskerk is nog niet compleet. Hij heeft Zijn schapen nog niet allemaal toegebracht. Hij moet het voltooide Koninkrijk aan Zijn Vader overgeven en Hij heeft nog schapen in deze wereld, ja tot aan de einden der aarde.

‘Zie je wel’, roepen de spotters, ‘er komt niets uit van al die beloften!’

In de dagen van de apostel Petrus riep men: Waar is de belofte Zijner toekomst? Want van dien dag dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping (2 Petr. 3:4). ‘Nee’, zegt Petrus, de Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen (2 Petr. 3:9). Daarom wordt de genadetijd nog verlengd. Hij stelt als het ware Zijn komst nog even uit, opdat u die Hem nog niet kent, nog tot bekering zou komen. Daarom worden we in het tweede deel van onze tekst bepaald bij Christus’ allerlaatste nodiging, op de laatste bladzijde van Zijn Woord: En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.

De komende Bruidegom overziet als het ware de bruiloftszaal en ziet nog enkele lege plaatsen. Nu, op dit moment, nodigt Hij u uit om die plaats in te nemen!

 

En die dorst heeft, kome. Het is alsof Hij zegt: ‘Om Mijn Naam voor eeuwig groot te maken kunt u nog aan die schare die niemand tellen kan, toegevoegd worden. Op deze laatste bladzijde van Mijn Woord wil Ik nog één keer Mijn genadearmen uitstrekken naar weerstrevige mensen en het hen toeroepen: U kunt er nog bij! Straks is het te laat!’

En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.

Wat een heerlijke, soevereine genade! Hoe ontroerend teder komt de Heere Jezus Christus in de gestalte van Zijn Evangelie tot ons. ‘Kom,’ zegt Hij, ‘en neem van het water des levens om niet. Het kost u niets, want Ik betaalde de prijs.’ Het is de Bruidegom Zelf Die hier spreekt, en Hij trekt als het ware even het gordijn opzij van de werkkamer der eeuwigheid en gunt ons een blik in Zijn binnenste heiligdom. De finale, de scheiding komt als Hij komt!

En de Geest en de bruid zeggen: Kom. Maar terwijl het gebed van de Geest en de bruid voortgang heeft, wordt ondertussen ook de komst van het Koninkrijk Gods voortgezet door deze indringende nodiging van het Evangelie.

 

En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet. Onze tekst spreekt over ‘dorsten’, over ‘komen’, over ‘willen’ en over ‘nemen’ – en dat alles met betrekking tot het water des levens. Als die Ruiter op het witte paard gaat Hij nog eenmaal de wereld door, overwinnende, opdat Hij overwon. En Hij roept: Zie, Ik kom haastelijk! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.

Christus Zelf nodigt dorstige zielen tot het water des levens. En, het is wonderlijk: Hij nodigt niet zoals wij elkaar weleens uitnodigen. Nee, dit nodigen is van een heel andere orde. Het nodigen van Christus in het Evangelie gaat gepaard met de bediening van Zijn Heilige Geest. Want anders kwam er niemand; dan dronk er niemand! Maar door de bediening van de Heilige Geest worden juist dorstende zondaren geboren. Zij komen, en nemen en drinken van het water des levens.

 

Wat is dat ‘water des levens’? Welk beeld ligt erin?

Sommigen zeggen: dat van Christus Zelf, van de heilsgoederen die Hij schenkt. Hij is de Put der levende wateren en de Fontein der hoven. Anderen zeggen: het is een beeld van de genade die God in Christus aan een zondaar geeft. En in het evangelie van Johannes betekent het levende water: de Heilige Geest.

Ik denk dat in deze omschrijvingen een kern van waarheid zit. De naam zelf zegt eigenlijk al zo veel: water des levens. Dat betekent: dat water draagt leven in zich, dat deelt leven mee, het houdt leven in stand. In dat water zit niets van de dood, niets onreins, niets troebels. Tot op de bodem toe is het doorzichtig, helder als kristal.

In het eerste vers van ons hoofdstuk lezen wij: Hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit de troon van God en van het Lam. Dus dit levende water komt van God en van het Lam. Dat wil zeggen: het is door Christus verworven. Het wordt door de Geest geschonken en het brengt in gemeenschap met de Vader. Zo zouden wij kunnen zeggen dat dat water des levens een beeld is om de gemeenschap uit te drukken tussen een schuldige zondaar en een drie-enige God; de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

In Adam, ons verbondshoofd, hebben wij die gemeenschap met God verbroken. Niemand vraagt of zoekt meer naar God. Het bedenken van het vlees is vijandschap tegen God. Maar in Christus is die gemeenschap hersteld. Daarom begint de Heere Jezus Zijn nodiging tot dorstende mensen: En die dorst heeft, kome.

 

Het beeld van dorst gebruikt de Heere Jezus hier om onze geestelijke behoefte aan te duiden. Dorst hebben geeft immers een gemis van het allernoodzakelijkste in ons leven aan. Dorst hebben wijst op een levensbehoefte die roept om vervulling. Gemeente, zo missen u en ik van nature het allernoodzakelijkste in ons leven, want wij missen God, de Bron van alle goed.

Dat gemis is onze eigen schuld. In Adam hebben wij ons van de Levensbron afgekeerd. En wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen. Het veroorzaakt in ons hart een leegheid die roept om vervulling.

Helaas lessen we onze levensdorst aan de verkeerde bron, aan de troebele wateren van de zonde en de wereld. Die dorst is onverzadigbaar! Maar nu roept de komende Bruidegom ons toe: ‘Werp die zwijmelkelk van de zonde weg en kom tot de bruiloft, want nu kan het nog. Ik kom wel haastig, maar nu kan het nog!’

Jonge vrienden, werp die zwijmelkelk van de zonde weg en kom tot de Bruidegom. Geef je hart toch niet aan de zonde. Denk eens aan die Samaritaanse vrouw. Vijf mannen heeft ze gehad, en die ze daarna had was haar man niet eens... Maar wat wordt die vrouw aangeboden door de Heere Jezus? Het levende water. Ja, daar staat nu de Heere Christus Zelf met uitgebreide armen en Hij zegt: ‘Kom toch tot bekering! Ga zo toch niet door! Werp die zwijmelkelk van de wereld toch weg en kom!’

 

Die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.

Weet u wat er ook in dat dorsten ligt? Het verlangen naar God in het hart van een zondaar. Zoals de dichter het zong: ‘Mijn ziel dorst naar God, mijn vlees verlangt naar God.’

Zijn hier mensen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid? Kan de leegheid van deze wereld niet meer vervuld worden? Heeft u iets mogen ontdekken van de volheid en de zaligheid die er bij de Heere te krijgen is?

Wonderlijk is dat! Dezelfde Geest, Die de bruid leert roepen om de komst van de Bruidegom, verwekt ook in het hart van een zondaar de dorst naar God. Hij ontdekt aan de schuld en de toorn van God over de zonde. Ontdekt aan die vuile bron van wanbedrijven in ons hart. Maar door de werking van diezelfde Geest ontstaat er in het hart van zo iemand ook een liefdesbetrekking op de Heere. Die betrekking kan zo sterk zijn dat we het de dichter nazingen: ‘Wie heb ik nevens U omhoog? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog op aarde, nevens U, toch lusten?’

Zo worden we in onszelf steeds armer en ongelukkiger, want we zijn God kwijt. We beleven een Godsgemis. Vanuit dat gevoel van leegte ontstaat in het hart een levend verlangen tot de God des levens, een schreiend verlangen naar God. Dat Godsgemis kan zo sterk worden, dat we het uitroepen: ‘O God, ik verlang naar U, mijn ziel hunkert naar Uw gemeenschap. Ik moet U missen, Heere, maar ik kan U niet missen.’ Dat wordt hier bedoeld wanneer de Heere Jezus het heeft over ‘dorsten’.

 

Gemeente, jongens en meisjes, in gehoorzaamheid aan Christus’ opdracht mag ik u opnieuw dat Levende Water voorstellen, aanbieden, prediken. In die weg zal de Heere wonderen doen, want Zijn Woord zal niet ledig tot Hem wederkeren. In de verkondiging van de nodigende Christus wil de Heilige Geest een dorst en verlangen naar God verwekken. Door de dwaasheid der prediking maakt Hij zalig die geloven.

Nee, een natuurlijk mens is niet bij machte om te komen en om aan te nemen. Maar in de verkondiging van het Evangelie, wanneer die nodigende Christus Zijn Geest paart aan Zijn Woord, werkt Christus door Zijn Geest Zelf dat geloof. Dan geeft Hij handen om aan te grijpen, een mond om te drinken. In die lieflijke nodigingen van het Evangelie zit de trekking van de Vader, de nodiging van de Zoon, en de toebrenging van de Heilige Geest.

Zo komt nu dat Woord van God in onze tekst tot u en tot mij.

 

Die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.

We moeten wel bedenken dat dorst geen positief bezit is. Er zijn mensen die willen leven van hun dorst. Maar dat kan niet!

Als je dorst hebt, moet je dorst gelest worden. Wel, ook in het geestelijke leven kun je niet van je gemis leven. Waar door de Heilige Geest echte dorst is gewerkt, zal ook gedronken moeten worden van het water des levens.

Weet u wat zo wonderlijk is? Hoe meer u van dat water drinkt, hoe groter uw dorst wordt! Want dat water des levens smaakt altijd naar meer! Hoe meer we zelf worden afgebroken, des te groter wordt onze dorst. En wie eenmaal van dat water des levens gedronken heeft, kan er niet meer buiten. Die beleeft: Mijn ziel dorst naar de levende God, naar Zijn vergevende liefde in Christus.

Komen om te drinken is niet eenmalig. Nee, die dorst is een levensbehoefte, die moet iedere dag weer opnieuw bevredigd worden. Het is een gedurig komen, een gedurig drinken, als een arme zondaar, met al onze zonden, nood en schuld komen en drinken. Dat levende water alleen kan mijn zondelusten doden en de kracht geven om in een nieuw godzalig leven te wandelen.

Gemeente, dat water raakt nooit op, want in Hem is een volheid! Al die miljoenen mensen die vanaf het begin van de schepping tot op de dag van vandaag van dat levende water gedronken hebben, hebben de voorraad van dat water niet verminderd. Want die zuivere rivier van het water des levens dat klaar is als kristal, zal blijvend voortkomen uit de troon van God en het Lam; zij blijft voortkomen uit het liefdeswelbehagen van de Vader en die oneindige verdienste van de Zoon.

Want dat is het grote geheim: hierachter staat de lokkende roepstem van Christus. Hij heeft het water des levens verworven in een weg van dorsten. In Zijn verzoenend lijden en sterven baande Hij vanuit de bron van de eeuwige liefde van de Vader, de weg tot de doorbraak van dat water des levens. Het heeft Hem Zijn leven gekost! Van kribbe tot kruis heeft Hij die last van zonden en slagen gedragen. Wij achtten Hem dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes. 53:4-5).

 

Striemen, geselstriemen hebben Zijn rug doorploegd in het rechthuis van Pilatus. Daar stond Hij, de lijdende en dorstende Bloedbruidegom. Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd en Gij hebt hen uitgeholpen. Maar Ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen en veracht van het volk. Allen die Mij zien, bespotten mij (Ps. 22:5,7,8).

Daar hing Hij aan het vloekhout der schande, onder de zwaarste folteringen en brandende zonnestralen. Sinds Hij de beker in de paaszaal uit handen gegeven heeft, heeft Hij geen enkele lafenis meer ontvangen, terwijl de kruisdood toch een uitermate smartelijke dood was. Daar hing Hij, Zijn rug doorploegd, Zijn hoofd bedekt met bloed en wonden, Zijn handen doorgraven. De wondkoortsen doorgloeiden Zijn lichaam. Mij dorst (Joh. 19:28), heeft het geklonken van Zijn lippen. Brandende dorst deed Zijn tong kleven aan Zijn verhemelte. Zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven (Ps. 69:22).

 

Laten we daar nu eerst over zingen uit Psalm 22 vers 8:

 

Mijn kracht is, als een scherf, van sap beroofd,

Mijn tong kleeft in Mijn mond, door dorst gekloofd.

Gij zult eerlang Mij, door de dood, het hoofd

In ‘t stof doen bukken.

Want van rondom zie ‘k honden samenrukken;

Een muitgespan heeft Mij ten prooi verkoren,

Mijn handen en Mijn voeten doen doorboren,

Zo fel het kan.

 

Gemeente, aan het water van de zonde drinken we ons dood, maar aan het water des levens drinken we ons het eeuwige leven. Van dat levend water is er genoeg; niemand hoeft van dorst te sterven. Want onze belijdenis zegt: ‘Zijn verdiensten zijn overvloedig tot verzoening van de zonden der gehele wereld.’

 

Die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.

Nog drie woorden vragen onze aandacht: de werkwoorden ‘komen’, ‘willen’ en ‘nemen’. ‘Komen’ is een komen door het geloof, een verlaten van jezelf en een naderen tot Christus als de Fontein van levend water. Ik zei u al: wij hebben geen voeten om te gaan, geen handen om te nemen en geen mond om te drinken. Maar het wonder is dat Hij deze door het geloof geeft.

Zeg nu niet: ‘Die afstand is te groot voor mij, ik kan er toch niet bij, ik kan er niet komen.’ Want het geloof kent geen afstand, het geloof gaat en neemt en drinkt. Het geloof rekent niet met ónze mogelijkheden; het geloof heeft daarmee afgerekend. Het geloof rekent met Gods mogelijkheden. Achter dat komen zit de trekking van de Vader, de nodiging van de Zoon en de stuwkracht van de Heilige Geest.

Dat levende water is heus niet zo ver weg als u denkt. De stroom van levend water is dichtbij, want die nodigende Bruidegom staat, in de gestalte van het Evangelie, vlak voor ons en wil ons daarin ontmoeten.

Heeft u Hem in de gestalte van Zijn Woord nog nooit gezien? Is die dorstende Borg u nog nooit dierbaar geworden? Heeft Hij Zich nog nooit in al Zijn dierbaarheid tot u over gebogen, zodat het uw hart verbrak en u overstag moest gaan en u – net als Johannes – dood aan Zijn voeten terechtkwam? Zodat u tot Hem op mocht zien en uitriep: ‘O, liefste Heere Jezus, U bent het Leven van mijn leven; ik lig dood in de zonde en de misdaden; ik weet niet meer hoe het moet. Ik heb alleen maar schuld en zonde, maar bij U is het leven en de genade, de vrede en de heerlijkheid!’ Heeft Hij het u toen niet toegeroepen: Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien (Joh. 7:37)?

 

Die wil, neme het water des levens om niet. Genade is niet te koop, alleen te krijgen; hoor maar: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk (Jes. 55:1). Genade is gratis, je krijgt het om niet.

 

Die wil, neme. Maar een mens wil toch niet?

Gemeente, we gaan nu geen rechtzinnige beschouwing houden over de menselijke wil, want dat staat allemaal precies omschreven in de belijdenis.

Weet u waarover het hier over gaat?

Het gaat hier over het Evangelie van vrije genade. Het gaat hier over de eerlijke beslissing die de Heilige Geest werkt in het hart van een zondaar, om als dorstende zondaar te komen en te nemen. Dat wijst op de overgave van jezelf aan God, door genade.

De Heere Jezus vroeg aan de zieke man: ‘Wilt u gezond worden?’

‘Ja, Heere’, sprak hij.

Wat was toen het antwoord?

‘U geschiede naar uw geloof.’

 

In het geloof is ook onze wil betrokken. Het is van tweeën één: of we doen onze eigen wil en gaan verloren, of we doen Gods wil en worden behouden. Want eens zal Hij tegen ons zeggen: ‘Gij hebt niet gewild dat Ik Koning over u zijn zou.’

Zeker, ik weet het: hierin ligt een zielenworsteling aan de troon van Gods genade. Hier stijgt de bede van een ellendige zondaar omhoog: Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp (Mark. 9:24).

Zo’n zondaar smacht naar het water des levens. Zijn dorst neemt toe en hij dreigt te versmachten. Ten slotte worden alle bezwaren overwonnen en hij gaat. Want wie zal het uit kunnen houden tegen die dierbare Christus in het Evangelie? Zo komen ze, door de nood gedreven; zo wordt hun verdorven wil door God gebroken en omgebogen. ‘Mijn volk zal zeer gewillig zijn op de dag van Mijn heirkracht.’

 

Die dorst heeft, kome... die wil, neme... In de grondtaal staat: die moet komen en die moet nemen. In de gebiedende wijs. Geen wens, maar een plicht. Die gebiedende wijs van het werkwoord legt de Heilige Geest in het hart van een mens; de drang om te gaan en het vaste besluit om te komen en te nemen van het water des levens.

Te nemen, je kunt ook vertalen: te ontvangen. Te ontvangen wat geschonken wordt. ‘Neemt, eet, dit is Mijn lichaam, dat voor u verbroken wordt. En dit is de drinkbeker des Nieuwen Testaments in Mijn bloed, drinkt allen daaruit.’

Die wil, neme het water des levens om niet.

Wat kost het?

Niets!

Hier kunnen mensen terecht die alleen maar schuld hebben, die geen cent meer hebben om te betalen. Armen en ellendigen, zij komen en zij nemen om niet.

Helaas, die genade blijkt voor velen te duur, omdat ze ‘om niet’ gegeven wordt. Want dat houdt in dat u en ik niets bezitten. Maar dan zult u nooit tegen de Heere kunnen zeggen: ‘Heere, ik heb het niet kunnen krijgen’, want Hij zegt het Zelf: Die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.

 

In het nieuwe Jeruzalem stroomt de zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal. Daar zullen dan de blijde zangers staan.

Maakt dat uw hart niet brandend van verlangen?

Gemeente, voor de laatste maal – te midden van het feestgedruis in de avondstond van deze wereld – klinkt Jezus’ roepstem helder en krachtig: En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.

‘Zie, Ik kom haastig.’ De liefde trekt en mijn hart is vol verrukking en mijn ziel is verteerd van verlangen. Daarom: ‘Ja, kom Heere Jezus, kom haastelijk!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 98:4

 

Laat al de stromen vrolijk zingen,

De handen klappen naar omhoog;

’t Gebergte, vol van vreugde, springen,

En hupp’len voor des Heeren oog;

Hij komt, Hij komt om d’ aard’ te richten,

De wereld in gerechtigheid;

Al ’t volk, daar ’t wreed geweld moet zwichten,

Wordt in rechtmatigheid geleid.