Ds. L. Huisman - Psalmen 130 : 3 - 6

Een lied uit de diepte

Psalmen 130
In zijn nood voor God
In zijn hoop op God
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 6) van ds. L. Huisman (gepubliceerd op www.dshuisman.nl)

Psalmen 130 : 3 - 6

Psalmen 130
3
Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?
4
Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
5
Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.
6
Mijn ziel wacht op den HEERE, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 130: 1, 2
Lezen : Psalm 130
Zingen : Psalm 63: 1, 2
Zingen : Psalm 68: 1, 2
Zingen : Psalm 130: 3, 4

Geliefden, het Woord van God dat wij u in deze dienst begeren te prediken, staat in Psalm 130 vers 3 tot en met 6:

 

Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Ik verwacht de Heere, mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn woord. Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen; de wachters op de morgen.

 

Deze tekst spreekt ons van: Een lied uit de diepte.

 

Wij vinden hier een pelgrim:

1. In zijn nood voor God

2. In zijn hoop op God

 

Het is dikwijls niet op de vlakke weg van ons dagelijks leven, maar juist in de diepte, dat onze ziel de verborgen omgang met God vindt, waarvan ook de dichter van Psalm 25 gezongen heeft.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat we in ons gewone dagelijkse leven God niet vrezen kunnen, of dat God daarin tot ons niet spreken zal. De praktijk van Gods kerk bewijst dat de Heere op al de plaatsen van Zijn heerschappij, zowel op zondag als op maandag, zowel op de fabriek als voor ons bed, ja, altijd en overal, het gebed van de ellendigen hoort.

Maar diezelfde praktijk wijst ook uit dat die bijzondere omgang met God vaak niet plaatsvindt op de vlakke weg van het dagelijks leven, maar juist in de diepten waarnaar de Heere bij ogenblikken de weg van Zijn kerk afbuigt.

 

Want vaak is het zo in ons leven dat vele gebeden door ons worden opgezegd, waaraan de diepe dimensie ontbreekt. Dat kunnen we eigenlijk nauwelijks de omgang met God noemen. Vele keren kan de Bijbel door ons worden opengeslagen en net zo weer worden dichtgedaan, zonder dat we ons nu werkelijk gesterkt gevoeld hebben door de armen van de Machtige Israëls. Dan drukt onze schuld ons niet, dan wenkt de blijde toekomst van de eeuwige heerlijkheid ons niet.

God weet hoeveel kerkgangen we maken die eigenlijk geen wezenlijke verandering in ons leven teweegbrengen. We kunnen dan soms nog wel met aangenaamheid en met inspanning luisteren, maar ons leven verandert er niet door. We komen er niet dichter door bij God. Ons geloof, ook het geloof van Gods kinderen, is vaak niet meer dan maar een beetje verstandsgeloof. En onze verzekering bestaat eigenlijk alleen maar uit de wetenschap wat er vroeger in ons leven plaatsgevonden heeft.

En als dat in uw leven zo is, dan kunt u verwachten dat vroeg of laat ook uw weg zal ombuigen naar de diepte, want God wil niet dat we zo blijven voortleven.

 

We zien het hier in deze psalm. Daar is een pelgrim. Een pelgrim op weg naar Sion, naar Jeruzalem, want het is een lied Hamaäloth. Dat is een lied dat gezongen werd, samen met nog veertien andere liederen, als de Israëliet opging om voor Gods aangezicht te verschijnen in Jeruzalem. Deze man ging dus op reis. Dat was voor Israël een bevel van God.

Want de wetten die God aan Israël gegeven had, ook wat betreft het burgerlijk leven, waren goede wetten. Er had geen volk zo’n sociale wetgeving als het volk van Israel. Die wetten waren zo uitnemend goed, dat in Israël nooit iemand arm kon worden en nooit iemand zich verrijken kon ten koste van het goed van de ander.

Israël had ook veel vrije dagen. Israël had ook vakantie. Daar had God voor gezorgd, al lang voor wij onze CAO’s hadden en voordat wij onze vakantie hadden. Israël had minstens drie maal per jaar vrij om op te gaan naar het huis des Heeren. Maar die vrije dagen die Israël kreeg stonden in verband met de dienst des Heeren.

Bij ons is het vaak zo dat onze vrije dagen voor ons geestelijk leven niet de beste dagen zijn. Het kan wel zo zijn hoor, maar laten we maar eerlijk zijn: meestal is het zo dat we onze vakantie niet besteden om dichter bij God te komen.

Maar als Israël vrij kreeg, dan kregen ze vrij om zich te vermaken in de dienst van God. Dan trok Israël als een enig man op om voor Gods aangezicht te komen te Jeruzalem en hun offerande te brengen in het huis des Heeren. En dan kregen ze die offerande weer terug om feest te vieren met hun gezin.

 

Zo is nu ook deze pelgrim opgetrokken om op te gaan naar Jeruzalem. Maar vooralsnog is er geen blijdschap in zijn hart. De psalm begint: Uit de diepten roep ik tot U, o Heere.

Heere, hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen (vers 1 en 2).

Die reis naar Jeruzalem begon dus in de diepte. Er leefde in het hart van die Israëliet die optrok naar de heilige stad om de dagen die God hem gegeven had daar door te brengen, schuldbesef. God heeft in de gang naar het heiligdom het hart van deze pelgrim, van deze zanger, getroffen door het licht van Zijn genade. En toen heeft hij gezegd:

 

Wie klimt de berg des Heeren op?

Wie zal die Godgewijde top,

Voor ’t oog van Sions God, betreden?

 

Want Israël wist: eer ze in vrede en blijdschap konden leven, moest hun schuld zijn uitgedelgd, moest het offer zijn aanvaard, moest het bloed zijn gesprengd. En als deze man dus optrekt naar Jeruzalem, dan trekt hij op uit de diepte. En welke diepte dat voor hem geweest is, en wie het geweest is, dat staat er niet bij. Maar hij kwam uit de diepte. Uit de diepten roep ik tot U, o Heere.

 

Welke diepten kunnen dat zijn, waaruit we optrekken naar Gods huis en voor Gods aangezicht? Ach, ga uw eigen hart maar na, welke diepten er kunnen zijn, tussen de vorige zondag en tussen deze zondag, tussen de vorige keer dat God u uit de put ophaalde en tussen deze keer dat u er weer meters diep in zit.

Welke diepten kunnen dat zijn? De diepte van uw eigen schuld, van uw afwijken van de Heere, de boosheid van uw hart, van uw biddeloosheid. Het kan ook zijn de diepte waarin u gekomen bent door de schuld van uw gezin, van uw man, van uw vrouw, van uw kinderen of uw ouders.

Het kan zijn dat u in de put zit, omdat u de nood van ons volk of van Gods kerk gevoelt. Het kunnen al deze omstandigheden bij elkaar zijn. Het kan puur geestelijke nood zijn. Het kan geestelijke nood zijn die gepaard gaat met natuurlijke nood. Maar welke nood het ook is, het doet er niet toe. Er staat: Uit de diepten roep ik tot U, o Heere.

 

Deze pelgrim komt tot God in Sion! Maar hij klimt op uit de diepte. En dan klaagt hij tot God in onze tekst. Hij zegt: Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?

Merk op: deze man roept hier in dit vers niet over zijn kruis, over zijn ziekte, over zijn armoede, over de mislukking van zijn leven, maar hij roept in de eerste plaats over zijn ongerechtigheid, over zijn zonde. Deze man is er achter gekomen dat het kruis dat hem drukt en de diepte waarin hij weggezonken is, het gevolg is van zijn ongerechtigheid. Dat is toch zo’n voorrecht, als we dat in ons leven eens mogen zien! Als we niet langer blijven roepen: ‘O, mijn leven! O, mijn pijn! O, mijn kruis!’ Of: ‘O, mijn mislukking van dit of dat werk!’ Maar dat we zeggen: ‘O God, mijn zonden!’

 

Vaak is het zo, dat als God in tegenheid met ons handelt, als onze weg afbuigt naar de diepte, dat we dan zeggen: ‘O, dat niet, dat niet!’ Dan kijken we op die ziekte, op dat kruis, op die moeite die het gevolg is van de zonde, en dan zeggen we: ‘O, dat kan ik nooit dragen!’

We zitten in de kerk, of we lezen de Bijbel. We horen de verschrikkingen over goddelozen. We weten dat we onbekeerd zijn, dat we zo niet kunnen sterven, dat we aan het recht Gods niet kunnen beantwoorden, dat, indien God met ons in het gericht zou treden, we niet zouden kunnen bestaan.

En waarover beginnen we dan te klagen? Over de hardheid van God? Over het raadsbesluit van God? Over de val in het paradijs, waar we maar niets van kunnen begrijpen? Dan worden we vaak wrevelig tegen God. En we zeggen: ‘Waarom heeft God het dan ook zo gedaan? Waarom heeft God dan de mens zo gemaakt dat hij vallen kon? Waarom heeft God het dan zo gemaakt dat de schuld van Adam mij toegerekend wordt door de verbondsbetrekking? Ik heb er toch niet om gevraagd om geboren te mogen worden? Ik heb er toch niet om gevraagd om in dat verbond met Adam begrepen te mogen zijn?’ Dan worden we nijdig op God. Dan willen we God het bestuur wel uit de hand rukken.

 

Maar als God Zijn genade in ons leven verheerlijkt, dan is dit het eerste: dat we ophouden om met God te twisten. Dat deze gedachten, ook al zijn ze in ons hart, verdreven worden door die andere gedachte: O God, het is geen wonder dat ik zo in de diepte zit! Het is geen wonder dat het oordeel als een dreigende wolk boven mij hangt. Het is geen wonder dat, als ik zo voor u verschijnen moet, U mij verstoten zult, want ik heb ook nooit gewild!

Van nature doet een mens, vooral als hij onder de zuivere waarheid is opgevoed, niets liever dan wegkruipen achter zijn onmacht. Maar als Gods genade onze ziel verlicht, dan zien we eerst onze onwil! Dat we nooit gewild hebben, van jongs af aan niet gewild, ondanks al Gods roepstemmen. En dan wordt die put waar we in zitten onze eigen schuld. Dan zeggen we: Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?  

 

Slaat God de ongerechtigheid dan niet gade? Zijn er mensen van wie God de ongerechtigheid níet gadeslaat? Dat bedoelt de dichter niet. Natuurlijk, God ziet alle ongerechtigheid! Maar de dichter bedoelt: ‘Heere, als u de ongerechtigheid zó gadeslaat, dat U met mij handelt naar die ongerechtigheid, Heere, wie zal bestaan? Wie zal voor Uw aangezicht kunnen leven?’

Als wij onze ongerechtigheden zien – en God leert ze ons zien, als Hij ons verlicht met Zijn genade – dan is God onschuldig en dan zijn wij schuldig! Dan heeft God het goed gedaan en dan hebben wij het verkeerd gedaan. Ik! Wij! Niet God! Dan houden we op met God tegen te spreken. Dan zeggen we: ‘Heere, Uw doen is rein, maar ik ben onrein! Uw werk is goed van het begin der wereld af, maar ik ben verkeerd! Ik heb Uw schepping bedorven, ik heb Uw werk verknoeid. O God, als ik daar op die plaats van Adam gestaan had, dan had ik hetzelfde gedaan! Erger: ik doe elke dag opnieuw wat Adam deed! Mijn leven is een voortzetting van de paradijsrevolutie. Al lag ik niet onder de erfschuld en al was ik niet besmet met de erfsmet, dan nog is mijn hart elke dag in opstand tegen U. Tegenover Uw ja, mijn nee! Tegenover Uw nee, mijn ja!’

 

Is het zo niet?

O, daar kunt u niet onderuit, als u vandaag rustig stilstaat bij dit woord. Dan moet ik het u eerlijk zeggen: U kunt niet ontkennen dat u de weg weet. En ga nu uw leven eens na: waar beantwoordde uw leven aan Gods roepstem, aan Gods inzettingen? Welnu, als u dan vroeg of laat in de diepte terechtkomt, aan wie hebt u uw nood dan te danken? Wie is daarvan de schuld?

 

Deze man zegt: Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden – meervoud! – gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Wie zal zijn mond tegen U durven opheffen?

En nu is het gevolg daarvan in het leven van deze man dat hij tot God nadert – tóch tot God nadert, die heilige berg Gods tóch opklimt, hoewel hij gezongen heeft: ‘Wie klimt die berg des Heeren op?’

Hij klimt tóch die berg des Heeren op, in de wetenschap dat hij niet voor God bestaan kan. Hier gaat genade haar morgenrood spreiden in het leven van deze man.

 

Er is een volk – en ik hoop dat u er ook bij hoort – dat voor God werkelijk niet bestaan kan, omdat ze weten dat hun ongerechtigheden tegen hen getuigen, en tóch zullen ze tot God naderen. Misschien is de duivel vanmorgen al bezig geweest om u uit de kerk te houden. Misschien is de duivel bezig geweest in uw hart in de afgelopen week om u te doen weigeren om te buigen voor de Heere, maar dat er toch aan de andere kant een drang is in uw hart – een werk des Geestes – waardoor u zegt: ‘En ik ga toch naar Gods huis en ik zal toch Gods aangezicht zoeken, want ik heb het wel verdorven en ik weet geen weg meer, ik zit in de diepte, maar toch zal ik voor Gods aangezicht verschijnen.’

 

Dat is een zegen. Want er zijn ook mensen die zeggen, als ze door God aan hun ongerechtigheid ontdekt worden: ‘O, er is geen helper, er is geen mogelijkheid om hier uit te komen. Als God wil dat je omkomt in je ellende, dan kan geen mens je redden.’ Dan berusten ze in een doffe moedeloosheid, in een stoïcijnse gelatenheid, en ze worden nog nijdiger en duivelser op God dan voordat ze in de diepte zaten.

Maar er is ook een volk dat door God in de diepte gebracht wordt en in die diepte bekent: ‘Heere, zo U de ongerechtigheden gadeslaat, dan kan ik niet bestaan. Nu niet en in de dag van Christus niet. Maar…!’

Dat ‘maar’ gebruiken wij ook vaak in ons leven, maar dan keren we het precies om, tegen God en ten diepste ook tegen onszelf. Hier gebruikt de dichter ook het woord ‘maar’. Maar hier gebruikt hij het als het ‘maar’ des geloofs, als het ‘nochtans’ des geloofs. Hij zegt: Maar bij U is vergeving.

 

Hoort u? Hij belooft niet aan God dat hij het nooit meer doen zal. Hij zegt niet: ‘Heere, nu kom ik voor Uw aangezicht en ik zal mijn leven vanaf vandaag veranderen.’

Nee, deze man heeft dat al zo dikwijls gezegd en hij is erachter gekomen dat daar nooit iets van terechtkomt. Hij is aan de weet gekomen dat langs die weg zijn ziel nooit verlost kan worden en de vreugde in zijn hart nooit hersteld zal worden. Er is alleen maar uitkomst door Goddelijke vergeving.

Als we dat nu toch eens zagen! Want het is ons natuurlijk bestaan eigen, als God ons slaat, om beterschap te beloven. Gaat u uw leven maar na. Als er tegenslagen komen, zeggen we: ‘O Heere, ik weet waarvoor het is. Ik zal het niet meer doen!’ En dan hopen we op deze wijze de straf af te kopen. Soms door bittere tranen te schreien, soms door hartelijke verootmoedigingen voor God, maar toch zonder dat we op vergeving hopen. En zonder dat we om vrede met God bidden op grond van het kruis van Christus.

Dat is eigenlijk altijd weer een vluchten naar de wet. Wat dan misschien een ogenblik ons hart wel wat tot rust kan brengen en ons verontrust geweten kan stillen, maar ons niet uittilt boven onszelf. Want we gaan met hernieuwde ijver aan de slag om onszelf op de rechte weg te houden en we vergeten dat het uit genade is. Christus krijgt de eer niet en we hebben het bloed van Christus niet lief. We krijgen alleen meer moed op onszelf en hoop dat we zelf het hoofd nog eens boven water zullen kunnen houden.

 

En dit is waarlijk niet alleen maar in het hart van degenen die onbekeerd zijn. Dit is dikwijls ook zo’n wettische trek in het leven van Gods kinderen. Luister maar eens als je Gods kinderen hoort spreken over de weg die ze gaan. Hoe vaak is het dan niet dat ze meer spreken over hún verootmoediging, over hún tranen, zo in de zin van: ‘Ja, en toen heb ik toch nog eens hartelijk mogen wenen en toen heb ik mijn schuld gezien en voor God mogen belijden.’

Dat is op zichzelf wel groot, als u dan maar niet meent dat uw zonden vergeven zijn op grond van uw tranen, als u dan maar niet denkt dat het kwaad van uw ziel is weggewist omdat u eens hartelijk verootmoedigd geweest bent voor God. Want als u dat meent, dan hebt u uzelf geholpen. Dan is uw schuld niet door God vergeven, maar dan hebt u uzelf de schuld vergeven. En dan hebt u, met uw tranen, de zwarte vlekken van uw ongerechtigheid trachten uit te wissen.

Maar dat is voor God niet genoeg en het is voor u ook niet genoeg. Dat is weer langs de weg van de wet en het verbroken werkverbond proberen op te klimmen tot de gemeenschap met God. En die weg is afgesloten door de engel met het vlammende zwaard in zijn hand.

 

Nee, geliefden, door die weg komt u er nooit. Zie maar eens waar de dichter terechtkomt. Hij zegt: ‘Mijn zonden en ellenden zijn zo groot, maar bij U is vergeving!’ En nu was die dichter een man van het Oude Testament. Dus hij heeft zijn oog gehad op dat altaar. Hij heeft zijn oog gehad op die top van Sion, daar waar het offer gebracht werd. Waar de hogepriester stond om in te gaan voor het aangezicht van God en het bloed vloeide van het geslachte lam.

Daar is vergeving! Dat wist hij! Dat heeft God hem bekendgemaakt en daar verlangt zijn ziel naar. Uit de diepten roep ik tot U. Maar hij gaat tot God! Hij zegt: ‘Daar moet ik zijn!’ Maar bij U is vergeving!

 

Wij hoeven niet meer te leven bij de schaduwen. Wij hoeven niet meer op te trekken naar een bepaalde plaats in ons land of in Palestina om de Heere te ontmoeten. Nee, bij U is vergeving! God heeft ons het offer geopenbaard en thuis gebracht: Hoort naar Mij, gij stijven van hart, gij die verre van de gerechtigheid zijt. Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen (Jes. 46:12-13).

God heeft ons het Evangelie thuis gebracht. Het Evangelie des kruises dat op Sions top geopenbaard werd. De genade Gods in de Heere Jezus Christus, Die in de plaats van het verlorene gestaan heeft en door God gegeven is als het Lam, Dat de zonde der wereld wegneemt.

 

En als we nu ontdekt hebben dat het in de weg van verbetering niet meer mogelijk is, en als we geen moed meer hebben om God nog nieuwe beloften te doen, omdat we ze alle geschonden hebben, en als we moeten zeggen: ‘Ik heb gezworen dat ik niet van Uw wegen zou afwijken, maar ik ben nog precies dezelfde: de zondaar die ik was, die ben ik gebleven’, dan staat daar dat woord: vergeving!

Vergeving, dat is in het Woord van God altijd: wegneming, tenietdoen. Vergeving, dat betekent dat de schuld uit Gods boek wordt weggedaan en Hij geen van onze zonden meer aanziet.

 

Maar bij U, zegt hij, is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Deze man wist dus dat hij de Heere alleen maar vrezen kon, wanneer de schuld uit Gods boek was weggedaan. Hij zegt niet: omdat Gij gevreesd wordt. Dat denken we vaak. Dan denken we: als ik nu eens ijveriger zou zijn, als ik nu eens meer verbroken zou zijn, als ik nu eens niet meer in die en die zonde val, als ik nu eens beter de Heere zou gaan vrezen, dan zal er voor mij ook wel vergeving zijn.

O, dat is vaak de rem in het leven, ook van Gods kind, om voor God te leven. Dan zitten we met onszelf in de knoop. Dan zeggen we: ‘Ja maar, zo gaat het niet, hoor. Nee, dan moet ik eerst eens anders zijn, tederder, liefdevoller, oprechter, hartelijker, heiliger.’ Hoe vaak hoor ik het niet: ‘Ja, u kunt makkelijk praten, dominee of ouderling, maar ik weet wat er in mijn hart leeft, en u moest eens weten hoe donker het is en hoe zwaar het kruis drukt, en u moest eens weten hoe diep de put is.’

Nou, wat dan nog? Hoe denkt u er dan uit te komen? Door uw eigen gerechtigheid? Jezus zegt: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij dan der schriftgeleerden en der farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan (Matth. 5:20).

Wat voor gerechtigheid moeten we dan hebben? Als het nu niet is door de verbreking van je hart en door de vernieuwing van je leven en door een nauwgezette levenswandel, waardoor is het dan?

 

Er staat: Bij U is vergeving, ópdat Gij gevreesd wordt. De vreze Gods is niet een voorwaarde voor schuldvergeving, maar de vreze Gods is de vrucht van de schuldvergeving.

Moet ik het nog eenvoudiger zeggen? Als je nog nooit geloofd hebt dat God ook jouw schuld uitdelgt, dan heb je nog nooit God gevreesd. Want alle vreze Gods vloeit voort uit de bewustheid: God handelt niet met mij naar mijn zonden. God is een vergevend God. En daar vloeit de oprechte vreze Gods uit voort. Als u meent op een andere wijze God te vrezen, dan bedriegt u uw ziel. Bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.

Met andere woorden: ‘Heere, als U mijn schuld wegneemt, als U mij vrijspreekt van mijn gruweldaad, als U mijn ongerechtigheden uit mijn hart wegneemt, dan zal ik U vrezen. Neem weg al mijn ongerechtigheden en schenk mij het goede, dan zal ik U betalen de varren van mijn lippen!’ Daar heb je het. Dat is de reine vreze Gods. Dat is een fontein van heil dat nooit vergaat.

 

Voordat we verder gaan zingen we eerst Psalm 68 vers 1 en 2.

 

De Heer’ zal opstaan tot de strijd;

Hij zal Zijn haters, wijd en zijd,

Verjaagd, verstrooid doen zuchten;

Hoe trots Zijn vijand wezen moog’,

Hij zal, voor Zijn ontzaglijk oog,

Al sidderende vluchten.

Gij zult hen, daar G’ in glans verschijnt,

Als rook en damp, die ras verdwijnt,

Verdrijven en doen dolen.

’t Godd’loze volk wordt haast tot as;

’t Zal voor Uw oog vergaan, als was,

Dat smelt voor gloênde kolen.

 

Maar ’t vrome volk, in U verheugd,

Zal huppelen van zielenvreugd,

Daar zij hun wens verkrijgen;

Hun blijdschap zal dan, onbepaald,

Door ’t licht dat van Zijn aanzicht straalt,

Ten hoogsten toppunt stijgen.

Heft Gode blijde psalmen aan;

Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan;

Laat al wat leeft Hem eren;

Bereidt de weg, in Hem verblijd,

Die door de vlakke velden rijdt;

Zijn Naam is Heer’ der heren.

 

Geliefden, wat zijn we vaak toch averechts bezig om gered te worden. Wat zijn we toch slaven van de wet, van onszelf en van de zonde. Wat functioneert het recht Gods in ons leven dan verkeerd. Als de Heere ons Zijn heilige wet voorstelt tot kennis van onze zonde, dan vluchten we in plaats van tot Christus tot de wet en tot de verbetering van ons leven. Maar merkt u nu niet dat het langs die weg nooit meer kan? Het is een hopeloos opklimmen tot God. Het is een gesloten vinden van de deur. Dieper nog: het is een krenken van de weg der verlossing die God geopenbaard heeft.

O, dat u het toch eens zag. Het is een versmaden van de Gezalfde des Heeren. Het is een verwerpen van Hem Die God gegeven heeft tot een verbond des volks. Want er is geen weg meer tot de troon van God, dan in het bloed van het Lam.

En voor wie geldt dat? Geldt dat nu alleen voor bevestigde christenen? Voor degenen die ontdekt geworden zijn aan hun onmacht ten goede en alle werken buiten het geloof gezien hebben als nutteloos voor God?

Het geldt voor de kleinen en voor de groten. Voor de bekommerden en voor de bevestigden. Er is geen weg tot de vreze Gods dan de weg van de schuldvergeving. En daarom: al had u nog maar enkele stappen op de weg des levens gezet, God roept u toe: ‘Komt tot Mij, die vermoeid en die belast zijt, die in de put zit.’

 

‘Uit de diepte roep ik tot U: Heere, als U dan mijn ongerechtigheid gadeslaat, wie zal bestaan? Maar bij U, bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt!’

De dichter zegt: ‘Heere, als U nu wilt dat ik U vrezen zal, vergeef dan mijn schuld, anders komt er nooit iets van terecht. Reinig mij dan door het bloed van Jezus Christus.’ Dat is een ontdekking, geliefden, als we zo het Evangelie mogen ontdekken in het Woord, dat de weg tot God de weg is van de vergeving. Niet van de verbetering, maar van de vergeving!

Zo gaat een schuldbelijdenis altijd gepaard met een geloofsbelijdenis. Onthoud dat! Een schuldbelijdenis is nooit echt, als hij niet gepaard gaat met een geloofsbelijdenis. Anders is het maar slavenwerk: God bewegen buiten het offer van Christus om, om zalig te worden en onszelf een gerechtigheid oprichten. Maar een schuldbelijdenis die gepaard gaat met een geloofsbelijdenis wil zeggen: we kennen wel onze schuld, maar we zeggen ook in de diepte van onze ongerechtigheid: ‘Er is bij U vergeving! Ik geloof het: niet alleen voor anderen, maar ook voor mij; er is bij U vergeving.’ Dat is dat zien van het Evangelie voor verloren zondaren. Dat zien van het bloed voor de onreinen. Het zien van Jezus Christus voor de mens die nooit meer tot God kan naderen. Voeg daar uw hart nu maar eens bij.

 

En als we zo onze geloofsbelijdenis paren aan onze schuldbelijdenis, dan klimt er een hoop in ons hart, waarvan de dichter zegt: Ik verwacht de Heere, mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn woord. Wie zo zijn schuld belijdt, hopende op de vergeving, al is dan zijn hart niet schoongewassen, al is dan de schuld niet uit Gods boek gedaan in de waarneming van zijn ziel, er breekt toch een hoop door dat God het doen zal. Er komt een aankleven van God en een hopen op de goedertierenheden des Heeren en vertrouwen dat de Heere het doen zal.

 

Wanneer deze man zo met zijn schuld voor God buigt, dan komt er ook zo’n hartelijk verlangen naar gemeenschap met God. O, dat is een kenmerk dat de huichelaar niet kent. Dat is er alleen in het leven van Gods kinderen: een verlangen om in de gemeenschap met de Heere te mogen leven.

Ik weet wel, er kan in het nabijkomend werk ook een gezicht zijn op schuld en zonde en een liefde zijn in het hart tot de eeuwige gelukzaligheid, maar weet je wat er in het natuurlijk hart nooit gevonden wordt? Een verlangen om bij de Heere te mogen zijn. Dat is niet in de eerste plaats in de hemel te mogen zijn. Maar bij de Heere te mogen zijn, om gemeenschap met God te mogen hebben. En dat heeft nu het kleinste kind in de genade. Dat zegt: ‘Heere, niet om de hemel en niet om de straf te ontgaan – ook dat, ja, maar toch niet in de eerste plaats – nee, Heere, om U weer te mogen kennen, om Uw vriendelijk aangezicht weer te mogen aanschouwen, om in Uw huis te mogen ingaan en Uw stem te mogen horen.’

Dan zegt hij: Hoevele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger! Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan (Luk. 15:17-18). Daar ging het om. Hij moest weer bij zijn Vader zijn, bij God zijn, en dat was nu ook hier de hoop van de dichter. Hij zegt: Ik verwacht de Heere.

 

Dat zal zijn hart weer vermaken en zijn vreugde herstellen. Ik verwacht de Heere, mijn ziel verwacht, zegt hij, en ik hoop op Zijn woord. Wilde het beter worden in zijn leven, dan verwachtte hij het niet van deze wereld.

Wij zijn vaak geneigd om het van de wetenschap, van mensen, of zelfs van Gods kinderen te verwachten. Maar gelukkig als onze verwachting daarvan vergaan mag en we een verwachting krijgen van de Heere.

 

Hoe komen we eigenlijk aan zo’n verwachting van de Heere? Nu, dat zegt hij in het vijfde vers. Hij zegt: En ik hoop op Zijn woord. Hopen op God en hopen op Zijn Woord, dat is precies hetzelfde. Wie op Zijn Woord hoopt, die hoopt op God, en die op God hoopt, die hoopt op Zijn Woord. Want er is geen andere openbaring van God dan de openbaring door Zijn Woord. Ik verwacht de Heere, zegt hij, mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn woord. Dat is dat Woord van het Evangelie. En daarom predik ik u nu ook vandaag het Evangelie van Gods genade, opdat u, afgedreven van alle ijdele hoop, zou leren hopen op dat Woord van God, opdat u zou zeggen: ‘Ik wacht op de Heere. Waarom wacht ik op de Heere? Wel, omdat de Heere gezegd heeft dat degenen die naar Hem uitzien, die tot Hem komen, niet beschaamd zullen worden.’

 

En dan hoor ik een jongere zeggen: ‘Ja maar, hoe kun je nu op het Woord van God hopen, als dat Woord van God een gesloten boek voor je is?’ Weet je wat je dan doen moet? Dan moet je net doen als die Moorman op de weg van Jeruzalem naar Ethiopië. Die man kon zichzelf ook niet bekeren. En die man kon niet eens het licht vanuit het Woord van God laten schijnen. Maar weet je wat hij wel kon? Wat hij kon, dat deed hij: hij kon lezen. Dat moet jij ook doen.

O, God weet wel dat je jezelf niet bekeren kunt. Hij weet ook wel dat je jezelf geen houvast kunt geven aan het Woord van God. Maar weet je wat God ook wil en wat Hij weet dat je wel kunt? Je kunt lezen! En toen die man zat te lezen, toen gaf God hem een knecht – Filippus – die het Woord voor hem opende. Dat doet God nog!

‘Ja maar,’ zegt u dan misschien, ‘God is aan mij niets verplicht! Hij is niet verplicht om mijn gebed te horen.’ Nee, dat is waar, maar God is aan Zijn inzettingen verplicht om uw gebed te horen! Want God heeft gezegd: ‘Wie Mij aanroept in de nood, vindt Mijn gunst oneindig groot.’ Dat heeft God gezegd, en dat Woord is waar! Want God heeft het gezegd.

God is aan u niets verplicht. Hij is aan Zijn volk ook niets verplicht. God is aan geen enkel mens verplicht iets te doen. Maar dáárom worden we ook niet zalig en dáárom moeten we God ook niet aanroepen. Maar God is aan Zijn waarheid verplicht de stem van een smekeling te horen. Zo moet u tot God gaan. Daarop moet u hopen. En dan doet God wat u niet kunt, als u doet wat God u gegeven heeft dat u wel kunt!

 

Toen de Israëlieten moesten doortrekken door de Rode Zee, was dat een onmogelijkheid voor hen. En toch zegt de Heere: Zeg de kinderen Israëls dat zij voorttrekken (Ex. 14:15). Als Israël toen gezegd had: ‘Nou, we doen het niet! Want je ziet toch: daar is de zee en daar zijn de bergen en achter ons is farao. We doen het niet! De Heere kan ons nog veel meer vertellen, maar het is toch een onmogelijke zaak?’ Dan waren ze omgekomen door het zwaard van de knechten van farao. Maar wat heeft Israël gedaan? Ze hebben de stem des Heeren gehoorzaamd en ze zijn opgetrokken tot aan de oever van de Rode Zee.

En toen ze daar aan het water stonden, heeft God de zee gekliefd en toen heeft God het wonder gedaan! Dat doet God altijd. God wijst ons nooit een weg die wij kunnen gaan. Nooit! God plaatst ons altijd voor het onmogelijke. Maar als we dan in blind vertrouwen ons mogen verlaten op de genade en de barmhartigheid van de Heere, dan zeggen we: ‘Heere, het is waar; er is ook geen weg, maar ik heb het ook niet verdiend. Indien gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Maar bij U is toch een weg! Bij U is toch vergeving! Aan mij bent U het niet verplicht, Heere. Maar U hebt toch gezegd: Wie u aanroept in de nood, vindt Uw gunst oneindig groot. En daarop leg ik mij neer. En daarop hoop ik.’

Als Israël zo dan zijn voeten zette op de weg naar de Schelfzee, dan heeft God de zee in tweeën gekliefd en een pad gemaakt. God verlost altijd door het wonder. De Heere eist van u dat u op Zijn wegen zult letten en dat u in Zijn inzettingen zult wandelen, en dan doet God wonderen, telkens weer opnieuw.

Ik zou maar net doen als die vier melaatse mannen van wie je kunt lezen in 2 Koningen 7, die mannen die buiten de poort waren. Ze waren melaats en ze moesten toch sterven en ze zeiden: ‘Eten hebben we niet meer, laten we maar in het leger van de vijand gaan.’ Dat was hun behoud. Want gaande in het leger van de vijand, zagen ze dat het legerkamp verlaten was. Eten en drinken en kleding en alles wat ze nodig hadden, hebben ze daar gevonden. O, dat we zo wijs waren als deze mensen! Dat we zeiden: ‘Ja, we zijn toch melaats. We moeten toch omkomen. We zijn onbekeerd, we kunnen voor God niet bestaan. Maar laten we in het leger van de vijand gaan.’

En dan hoeft ú niet in het leger van de vijand te gaan. Dan hoeft u alleen maar te vallen in de handen van een allerbarmhartigst God, van een genadige Vader, Die nog nooit verstoten heeft iemand die tot Hem de toevlucht nam. Die nog nooit tot het huis van Jakob gezegd heeft: ‘Zoek Mij tevergeefs.’

Nee, geliefden, dan staat er van Hem: Eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen (Jes. 65:24).

 

Ik verwacht de Heere, mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn woord. Dat is de naakte hoop, de dochter van het geloof. Hoort u? Hij hoopte dus niet op zichzelf. Hij hoopte niet op de vernieuwing van zijn krachten of op de verbetering van zijn leven, maar hij hoopt op het Woord van Gods genade. En nu zegt hij: Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen; de wachters op de morgen.

Hoort u? Deze hoop maakte hem niet zorgeloos. Dat hopen op God doet ons niet zeggen: ‘Nou ja, mensen, dan zal het wel terechtkomen.’ Nee, deze hoop, die levende hoop, die doet ons wachten als wachters op de morgen met heel onze ziel.

 

Israël kende wachters op de muren, vooral in tijd van oorlog. Die wachters hadden tot taak uit te zien of de vijand kwam. Zo lang het nu maar dag was kon je ver kijken, maar als de nacht kwam, wat zou de vijand dan doen? De donkere nacht, waarin je de bewegingen van de vijand niet gade kon slaan. Kwam hij met stormrammen tegen de muren? Kwam hij met duizenden soldaten om de muren omver te halen en de stad in te nemen? O, zo’n wachter in oorlogstijd, hij wachtte met spanning: wanneer komt de dag? Wanneer zie ik het eerste morgenrood, opdat ik de bewegingen van de vijand zal kunnen gadeslaan en de veiligheid van de stad zal kunnen verzekeren?

Welnu, een dergelijke spanning is er ook in het hart van deze pelgrim. Hij zegt: Mijn ziel wacht op de Heere. ‘Ik zit nu nog in de put, ik zit nu nog in de duisternis. Uit de diepte roep ik tot de Heere, maar Hij zal mijn voeten uitvoeren uit het net. Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen. Want dan gaat het om de bewaking van de stad, maar het gaat mij om de redding van mijn ziel. Om het eeuwig belang van mijn heil, van mijn leven. Het gaat mij om de gemeenschap met God.’ Daarom zegt hij: Meer dan de wachters op de morgen. En hij herhaalt het: De wachters op de morgen. Die niet slapen kunnen, die gespannen uitzien, die zelf niet werken kunnen.

 

O, die tijden zijn er in het leven van Gods kinderen, dat ze als een hulpeloze aan Gods voeten liggen. Dat ze zeggen: ‘Heere, ik sta niet op, of de kracht van de zonde moet uit mijn leven verdwenen zijn. Ik sta niet op van Uw voeten of U moet tot mij gezegd hebben: Mijn zoon, Mijn dochter, uw zonden zijn u vergeven.’ Dat zijn die geweldenaren die het Koninkrijk der hemelen nemen met geweld. Dat is die dwang der liefde, waarvan de wachter zegt: ‘Ik zal niet weggaan, ik zal mijn post niet verlaten, totdat de morgen komt. De morgen, ach, wanneer?’ Dat is dat hijgend verlangen, dat verlangend uitzien.

 

En dan zegt hij (en dat ga ik nu niet verder verklaren, dit zeg ik even ter verduidelijking): Israël hope op de Heere; want bij de Heere is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.

 

Wat een verschil! Hij begint in de diepte en hij zegt: ‘God zal het doen!’ Hier klimt het geloof uit de put, uit de diepte van zijn ellende en hij zegt: Israël – hij noemt dus het hele volk van God – Israël hope op de Heere.

Hoort u? Als mijn ziel op God gaat hopen, als ik zo wacht op God, dan zeg ik: ‘Houd aan, grijp moed, want ook uw hart zal vrolijk leven!’ Als ik vertrouwen heb, die levende hoop op God, dat Hij komen zal, dat Hij Israël verlossen zal, de kleinen met de groten, van al zijn ongerechtigheden.

Want bij de Heere is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. En Hij zal Israël verlossen van ál zijn ongerechtigheden. Hoort u? Dat is de klemtoon: van ál zijn ongerechtigheden.

 

Ach, nu hoor ik kinderen Gods zeggen: ‘Ja, die put, die ken ik, en dat roepen uit die diepte en dat hopen op Gods vergeving, dat zien van het Evangelie van Gods genade, dat met mijn hart worden vastgemaakt op het bloed des kruises, die enige hoop, beide in leven en in sterven, dat Hij ook voor mijn schuld geboet heeft aan het kruis. Maar ik mis zo de verzekering! Ik mis zo dat gedurig bij de Heere zijn. Ik bevind in mij dat er vele zonden zijn.’

Geliefden, dat kan. En die zonden kunnen ons benauwen. Maar nu wil ik een voorbeeld nemen uit de natuur: het kan zijn dat veel ongerechtigheden de boventoon hebben in je hart, maar een klein beekje kan meer geweld en geluid maken dan een brede stroom. En nu is de zonde in het leven van Gods kinderen vaak als een kleine, luid klaterende beek. Het komt met groot geweld op ons af en het maakt soms meer geruis en gedruis dan de brede stroom van Gods ontferming, die toch de onderstroom vormt van ons hele leven. Ga uw hart eens na. Het kan zijn dat er veel duisternis in uw leven is door vele tussenkomende zonden, maar als u nu kiezen moest tussen dat leven in die zonden waar u dan misschien door benauwd wordt en door aangevochten wordt, en het leven in de gemeenschap met God, wat kiest u dan? Dan zegt u: ‘Heere, Ú kiest mijn hart, en mijn oog blijft op U staren.’

Ja, geliefden, dan blijkt toch dat die stroom sterker is dan dat razende, kleine beekje, dat u misschien verschrikkelijk ontstelt en dat het vloeien van de wateren van Siloah die zachtkens gaan, ver overtreft. Maar toch, de vreze Gods is onuitwisbaar. Laat u niet al te zeer verschrikken.

 

Indien uw ongerechtigheden groot zijn, zeg met de dichter: Maar bij U is vergeving. Eigenlijk staat er: Bij U is de vergeving. De vergeving die ik nodig heb, vergeving van al mijn ongerechtigheden, van al mijn overtredingen.

Ik hoor een stem die zegt: ‘’ Ja, maar ik omhels vaak de zonde zo. Ik heb de zonde vaak zo lief.’ Het is waar, dat kan.

Als u met uw gezin thuis bent, kan er plotseling een vriend komen en dan kunt u die vriend uitbundig begroeten, zodat anderen zouden denken dat u lang niet zo veel van uw man of van uw vrouw of van uw kind houdt als van uw vriend. Zo kan het ook zijn met de zonde. Maar straks gaat die vriend weg en dan gaat u in vrede en in liefde verder om met uw gezin te leven. U was blij dat uw vriend kwam, maar u kunt met die vriend niet leven. Wel met uw man, met uw vrouw en met uw kind. Dan keert meteen die normale verhouding weer terug.

Zo is het ook met de zonde. De zonde breekt dikwijls in ons hart in als een vriend die we omhelzen, maar we kunnen toch met de zonde niet leven. Want: Wij die der zonde gestorven zijn, hoe zullen we nog in dezelve leven? (Rom. 6:2) De zonde is ons de dood geworden.

En daarom, laat u niet al te zeer verschrikken. Maar als de zonde u verschrikt en als u zich laat benauwen door uw ongerechtigheden, zeg met de dichter: ‘Heere, als U ze gadeslaat, ik kan niet bestaan, maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. En omdat er vergeving bij U is, wacht ik op U, gelijk de wachters op de morgen, de wachters op de morgen.’

 

En die hoop moet al ons leed verzachten.

Kom, reisgenoten, ‘t hoofd omhoog!

Voor hen die ’t heil des Heeren wachten,

zijn bergen vlak en zeeën droog.

O zaligheid, niet af te meten!

O vreugd die alle smart verbant!

Daar is onz’ vreemd’lingschap vergeten,

en wij, wij zijn in ‘t Vaderland!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 130: 3 en 4

 

Ik blijf de Heer’ verwachten;

Mijn ziel wacht ongestoord;

Ik hoop, in al mijn klachten,

Op Zijn onfeilbaar woord.

Mijn ziel, vol angst en zorgen,

Wacht sterker op de Heer’,

Dan wachters op de morgen;

De morgen, ach, wanneer?

 

Hoopt op de Heer’, gij vromen;

Is Israël in nood,

Er zal verlossing komen;

Zijn goedheid is zeer groot;

Hij maakt, op hun gebeden,

Gans Israël eens vrij

Van ongerechtigheden;

Zo doe Hij ook aan mij!

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 6) van ds. L. Huisman (gepubliceerd op www.dshuisman.nl)